12
Waar was haar moed gebleven? Het was of ze hier in deze stille straat de ogen van Teun op zich voelde branden. Of ze nu al zijn verwijtende stem hoorde. „Ben je naar hem toe geweest tegen Emma’s wil in?”
Om haar mond plooide zich een smalende glimlach. Alsof Teun ooit ,met Emma’s wil rekening gehouden had. Met niemand hield hij rekening. Teun Broekhuizen kwam altijd op de eerste plaats.
Ze stond naast haar auto en keek omhoog naar het huis waarin ze wist dat Boudewijn woonde. Ze was hier al eens langsgereden, nadat Emma haar verteld had waar hij precies woonde. Het had op dat moment haar mening ten opzichte van Boudewijn alleen maar versterkt. Een fatsoenlijk mens woonde niet in zo’n buurt. Hij paste niet bij Emma.
Nu stond ze hier weer en ze hoopte dat hij haar binnen zou willen laten. Ze hoopte dat hij haar zou willen aanhoren en een heel klein beetje mee wilde dragen van het juk dat ze, sinds Emma’s mededeling dat ze borstkanker had, op haar schouders voelde.
Ze draaide het portier op slot en liep om de auto heen om te controleren of alle portieren gesloten waren. In een buurt als deze wist je het tenslotte nooit... Ze wierp nog een laatste bezorgde blik op haar auto en liep toen langzaam naar het portiek, waar ze het naamplaatje met Boudewijns achternaam vond. Haar vinger trilde toen ze de bel indrukte en de stilte, die volgde, leek een eeuwigheid te duren.
Ineens was daar zijn stem. „Wie is daar?”
Ze schrok, wist niet zo gauw wat ze moest doen en bleef een beetje verdwaasd om zich heen kijken.
„Wie is daar?” herhaalde Boudewijn een beetje ongeduldig. Ze riep haar naam ergens in het luchtledige en duwde op goed geluk tegen de verveloze deur, na het indringende geluid van een zoemer. Een smalle gang, bedompte lucht. Ze zag een trap en hoorde van boven Boudewijns stem opnieuw: „Mevrouw Broekhuizen, u mag naar boven lopen.”
Traag klom ze de trap op, alsof ze steeds meer tegen de ontmoeting op ging zien en die op deze manier nog een beetje hoopte uit te stellen. Z’n gezicht was smal geworden, z’n ogen stonden dof. Beleefd stak hij z’n hand uit.
„Emma’s moeder... wat voert u hier naartoe?”
„Ik wil met je praten,” zei ze toonloos.
Hij trok z’n wenkbrauwen op. „Toch niet over Emma? U wilt toch niet beweren dat u hier in naam van Emma komt?”
„Ze weet hier niets van,” zei ze gejaagd.
Hij stond nog steeds boven aan de trap, alsof hij niet van plan was haar binnen te laten. Ze voelde zich vernederd, wilde het liefst meteen weer omdraaien, maar de gedachte aan Emma deed haar die gedachte wegslikken. Ze rechtte haar schouders.
„Ik moet even rustig met je praten.”
„Dan moet u maar even binnenkomen. Vergeef me mijn ongastvrijheid. Er heerst binnen nogal een wanorde. Eigenlijk ben ik dat niet van mezelf gewend. Ik houd van orde en netheid, maar de laatste tijd schijn ik niet langer mezelf te zijn.” Hij glimlachte wat spottend. wat een vrouw al niet in je leven kan aanrichten.”
Ze volgde hem wat aarzelend naar de zitkamer, raakte net zoals Emma al eerder onder de indruk van de vleugel en probeerde te doen alsof ze niet zag dat Boudewijn allerhande spullen van de bank op de grond mikte. De glasplaat van de salontafel was bedekt met kringen en vingers. Er stond een asbak, die uitpuilde en de witte plavuizen op de vloer waren ronduit smerig.
„Gaat u zitten. Ik hoop niet dat uw kleding vies wordt,” zei Boudewijn spottend, maar ze deed of ze het niet hoorde. „Kan ik u misschien een kopje koffie aanbieden?”
„Nee, nee...” ze wuifde heftig met haar hand. „Ik heb net koffie gedronken.”
„Iets fris dan misschien, of een borrel? Dat schijnt het praten makkelijker te maken.”
„Ik wil helemaal niets, alleen een beetje tijd.”
„Tijd heb ik op dit moment in overvloed. Ik ben met ziekteverlof thuis. Overspannen noemen ze dat. Een gebroken hart komt niet in de medische terminologie voor.” Weer die spottende glimlach. Opnieuw kreeg ze de neiging om op te staan, om weg te gaan en nooit meer terug te komen.
„U wilt het over Emma hebben,” zei Boudewijn nu rustig. „Ik kan me nauwelijks voorstellen wat u daarover wilt zeggen. Eigenlijk had ik verwacht dat u een gat in de lucht zou hebben gesprongen, toen u hoorde dat Emma onze relatie beëindigd had.”
„Je weet niet waarom ze het heeft gedaan,” zei ze moeizaam. Haar handen wrongen zich ineen in haar schoot. „Dat was duidelijk. Dat prachtige geloof van jullie stond ertussen. Ineens zag Emma het niet meer zitten. Onze liefde zou de onoverkomelijke verschillen in geloof niet kunnen overbruggen. Het was voorbij...”
„Het had niets met geloof te maken,” wierp ze zacht tegen. „Oh nee? Dat heeft Emma me anders wel voorgehouden.”
„Emma wilde je de waarheid niet vertellen.”
„Waarheid? Welke waarheid? Dat jullie zo op haar hadden ingepraat, dat ze het blijkbaar niet meer volhield? Jullie zagen toch niets in me? Ik had toch verkeerde denkbeelden? Beweer maar eens dat het niet waar is!”
„Boudewijn, laten we ons nu even als volwassen mensen gedragen. Het heeft geen zin om op dit moment met allerlei verwijten aan te komen. Ik weet heel goed dat we hierin verkeerd gehandeld hebben en dat jij onze drijfveren nooit zult begrijpen. Later zullen we het daar nog weleens over hebben. Op dit moment gaat het alleen om Emma. Emma is ziek. Ze ligt in het ziekenhuis. Ze heeft kanker!”
Het was Wieke vaker opgevallen dat er na dat ene woord altijd een stilte heerste. De stilte van het niet-begrijpen. Op Boudewijns gezicht wisselden die stemmingen zich allemaal af.
„Wat voor soort kanker?” informeerde hij toen. „Borstkanker, morgen wordt haar borst afgezet.”
In het kort vertelde ze aan Boudewijn wat er gebeurd was. Ze probeerde hem uit te leggen wat Emma’s gevoelens waren. Dat ze het alleen had uitgemaakt om hem te sparen, omdat ze van hem hield en ze zijn medelijden niet zou kunnen verdragen. Hij reageerde nauwelijks. Het leek alsof hij haar boodschap ternauwernood bevatten kon. Met de moed der wanhoop ging ze verder.
„We vonden dat je het moest weten, zodat je zelf een keuze zou kunnen maken. Denk erover na. Emma weet niet dat ik hier ben. Je zult geen gezichtsverlies lijden, je zult haar niet kwetsen als je niets van je laat horen. Ze zal nooit weten dat ik hier ben geweest, zolang je zelf geen stappen onderneemt.” Ze keek naar zijn ondoorgrondelijke gezicht en stond op.
„Misschien is het beter als ik je nu alleen laat, zodat je in alle rust mijn woorden nog eens kunt overwegen. Nogmaals, ze zal van mij nooit horen dat ik hier geweest ben. De keus is nu aan jou. Als je naar haar toe wilt gaan, bel me dan even, zodat ik weet dat ik tijdens het bezoekuur beter thuis kan blijven.”
Aarzelend stond ze op. Hij leek niet eens te merken dat ze de kamer verliet, de smalle gang door liep en de deur van zijn appartement achter zich sloot.
Hij stond in de bibliotheek en keek een beetje verdwaasd langs de rijen boeken. Hij kwam hier nooit.
Vandaag had hij zich laten inschrijven. Een vriendelijke dame had zijn gegevens opgeschreven en hem even later rondgeleid langs de schappen boordevol boeken. Ze had hem de werking van de computer uitgelegd en zich verwonderd over zijn zwijgzaamheid en ogenschijnlijke desinteresse. Hij stelde geen vragen, leek nauwelijks te horen wat ze tegen hem zei.
Nu stond hij midden in de bibliotheek en staarde naar de boeken. Ze zou naar hem toe willen lopen om te vragen of hij iets speciaals zocht, maar zijn duidelijk afwerende houding weerhield haar daarvan.
Even later zag ze hem aan een van de tafels zitten. De stiltehoekjes, zoals ze dat in de bibliotheek noemden. Er zaten wat oude mannen koffie te drinken en de krant te lezen. Hij staarde voor zich uit, zijn hoofd gesteund in zijn handen. Een vreemde verschijning, en ze wist niet wat ze ermee aan moest.
Een hele tijd later stond Boudewijn op. Nogmaals liep hij langs de rijen boeken, ging toen naar de vriendelijke bibliothecaresse toe. „Hebt u boeken over kanker?” De woorden klonken kort en afgebeten.
Ze schrok. Zou hij net hebben gehoord dat hij aan kanker leed? Misschien was hij daarom zo afwezig. Ze vond ook dat hij er slecht uitzag. Met een stem vol medeleven dirigeerde ze hem naar de afdeling met boeken over geneeskunde. „Komt u maar even mee, hoor. Hier staan rijen vol. U kunt rustig kijken.”
Dagboeken van kankerpatiënten; verhalen over het overwinnen van kanker; het relaas van een vader, die zijn zoontje aan kanker verloren had; kankerdiëten en -therapieën.
Kanker, op elke omslag kwam het woord kanker voor. Een woord dat altijd bij anderen hoorde. Nu hoorde het bij Emma... Emma had kanker...
Hij nam een stapel boeken mee naar de stiltehoek, ging zitten en las. Hij verslond de teksten, de verhalen, diëten en therapieën. Tegen halfzes hoorde hij een vriendelijke stem door de intercom, die erop wees dat de bibliotheek ging sluiten.
„Vanaf halfzeven tot negen uur vanavond bent u weer welkom.” Hij greep de stapel boeken bij elkaar en liep naar de uitgang. Een felle rode lamp ging branden, een luid signaal klonk door de grote ruimte. Iedereen keek naar hem, terwijl hij daar een beetje hulpeloos met zijn stapel boeken onder de arm stond.
„Meneer, u moet ze nog laten registreren.”
Een vriendelijke dame kwam naar hem toe, pakte hem bij de arm en loodste hem langs een balie waar een jong meisje met een punkkapsel de boeken over een glasplaat schoof.
„U hebt er vier te veel,” klonk haar neuzige stem. „Is het u niet verteld dat u maar zeven boeken mag meenemen?” Hij haalde z’n schouders op.
„Zal ik er dan maar vier achteruit leggen? Misschien wilt u even kijken welke u mee wilt nemen?”
Een oude man achter hem mopperde, omdat het zolang duurde. Boudewijn voelde zich verward. Net een klein kind dat iets heeft gedaan wat eigenlijk niet door de beugel kan. Hij legde vier boeken aan de kant en liep even later opnieuw door het poortje, dat dit keer stil bleef.
Met zeven boeken onder zijn arm liep hij even later door de zonverlichte straten naar zijn huis. Kanker... stond er op elke band. Kanker... Hij moest er alles over weten, alles over lezen, want Emma had kanker...
Wieke was teleurgesteld. Ze had niets, helemaal niets van Boudewijn gehoord. Tijdens het bezoekuur deze middag had ze samen met Agnes naast Emma’s bed gezeten.
„Is er nog iets bijzonders gebeurd?” informeerde ze langs haar neus weg.
„Wat voor bijzonders zou er hier gebeurd moeten zijn, behalve de gebruikelijke bezoekjes van witgejaste heren?”
Ze trachtte haar stem opgewekt te laten klinken. Agnes probeerde vrolijke verhalen over de kinderen op te dissen. Emma lachte en Wieke vroeg zich af of ze zich samen met Agnes nu werkelijk zo in Boudewijn vergist had; ze hoopte dat het bezoek ’s avonds anders zou zijn.
Ze wachtte op een telefoontje, dat maar niet kwam. Ze had ruzie met Teun, die nog steeds kwaad was dat ze zo laat was thuisgekomen nadat ze Emma naar het ziekenhuis had gebracht. Zijn woede was tot ongekende hoogte gestegen toen ze hem van haar bezoek aan Boudewijn verteld had. ’s Avonds voor het naar bed gaan mopperde hij nog. Hij zag haar stille, teleurgestelde gezicht.
„Je bent hartstikke gek dat je die vent hebt opgezocht. Emma wilde het per se niet en daar trek je je niets van aan. Het is maar goed dat ze er niets van weet. Die Boudewijn laat zich niet meer zien of horen. Het is een vent van niks, dat heb ik je toch altijd al gezegd?” Ze zei niets. Langzaam begon ze te vrezen dat hij gelijk had.
Emma staarde naar het plafond. Eentonig wit met hier en daar een klein puntje dat haar duizelig leek te maken. Ze sloot haar ogen. Op de gang hoorde ze Voetstappen, geluiden van rammelend bestek, gepraat. Het was tijd om te eten, maar ze zouden haar deur vandaag voorbijgaan. Ze voelde zich misselijk bij de gedachte aan eten, probeerde zich op andere dingen te concentreren.
Deze morgen was ze geopereerd. De plek waar haar linkerborst had gezeten, was afgebakend met verband. Ze voelde weinig pijn, kon zich nauwelijks voorstellen wat er met haar gebeurd was. Voor de operatie was ze rustig geweest. Er was geen enkele angst voor de narcose. Integendeel, de stille hoop dat ze niet meer wakker zou worden, had haar gedachten steeds meer beheerst. Maar ze was wakker geworden en nu zou ze verder moeten leven. Een leven zonder Boudewijn, een leven met angst. Met de operatie was ze er nog lang niet. Er konden uitzaaiingen zijn, ze zou verder behandeld moeten worden. Het was goed dat Boudewijn dit niet wist. Ze had eindelijk haar lafheid weten te overwinnen. Ze had de juiste keuze gemaakt...
Dokter Tiesema, de chirurg, nam ’s middags alle tijd voor haar. Hij pakte een stoel en ging naast haar bed zitten.
„De operatie is achter de rug...” begon hij.
„De ergste ellende moet nog komen,” zei ze eroverheen.
Hij knikte. „Ik begrijp dat het moeilijk is, maar het was echt noodzakelijk. We hebben een groot deel van de lymfeklieren in uw oksel moeten verwijderen. Zoals u zelf al zult hebben gemerkt, waren in uw oksel de klieren duidelijk opgezwollen. Tijdens de operatie bleken de verschillende klieren aangetast.”
„Wat zijn de consequenties daarvan?”
Ze wilde eigenlijk niets weten, maar had het gevoel dat hij vragen verwachtte. Ze keek naar hem, terwijl hij haar geruststellend toeknikte.
„Misschien weet u iets van de werking van het lymfesysteem. Eenvoudig gezegd zou je ze als zuiveringsstations kunnen omschrijven. Als ze worden weggehaald, wordt dat lymfestelsel beschadigd en het gevaar bestaat dan dat er een opeenhoping van eiwitrijk weefselvocht in de arm ontstaat, waardoor de arm gaat opzetten met alle problemen van dien. Het is dan ook van groot belang dat u zo snel mogelijk met oefeningen begint om dit lymfe-oedeem te voorkomen. Daarvoor zal een dezer dagen een fysiotherapeut langskomen.
Over de operatie kan ik verder weinig zeggen. Het borstweefsel en de klieren die verwijderd werden, zijn opgestuurd en daar verwacht ik over een dag of vijf de uitslag van. Daarna zullen we praten over de verdere behandeling.” Hij stond op.
„Nu moet u in ieder geval maar eens flink uitrusten. Mochten er nog vragen zijn, dan kunt u altijd bij me terecht. Ik kom elke dag even langs. U zult daar dus gelegenheid genoeg voor hebben.”
Ze sloot haar ogen toen hij weg was, haar hand gleed voorzichtig over het verband. Ze voelde de drain die het wondvocht moest wegzuigen en wist dat daaronder niets meer was. Ze vocht tegen de tranen, die zich niet tegen lieten houden.
De slaap had zich over haar ontfermd. Een onrustige slaap waaruit ze met een droge keel ontwaakte. Langzaam begon de wond pijn te doen, ze voelde zich misselijk.
Op de gang klonken stemmen en ze vroeg zich af of het bezoekuur begonnen was. Misschien zouden haar ouders komen. Haar zwijgende ouders, die zouden zoeken naar woorden. Haar moeder, die haar met een betraand gezicht nogmaals zou verzekeren dat zij het zo graag van haar zou overnemen.
Ze zou willen dat er niemand kwam. Dat ze hier alleen kon blijven met haar gedachten en de stilte.
De deur ging open en ze verwachtte het gezicht van haar moeder. Ze zag het gezicht van Boudewijn en opnieuw waren er alleen maar tranen...