7

 

„Wat enig dat je ons weer eens komt opzoeken.”

Agnes stond in de deuropening. Ze leek erg bruin in het spierwitte, korte zomerjurkje. Alles aan Agnes leek energie uit te stralen. Zelfs haar korte, blonde kapsel had niet te lijden gehad van de extreme hitte van vandaag. Emma voelde hoe een straaltje zweet vanuit haar nek naar beneden gleed.

„Ik zei van de week nog tegen Bram dat je blijkbaar zo met je Boudewijn bezig was, dat wij helemaal in het vergeetboek raakten. Maar kom gauw mee naar achteren. Het is nu zo heerlijk in de koelte van de avond. De kinderen liggen al in bed en Bram en ik zaten echt te genieten.”

„En nu kom ik jullie rust weer verstoren.”

Ze had gehoopt dat Bram er niet zou zijn, zodat ze met Agnes van vrouw tot vrouw zou kunnen praten.

„We vinden het allebei hartstikke leuk dat je er bent. Dat weet je best.” Agnes liep voor haar uit via de keuken naar de tuin. „Je vist gewoon naar complimentjes.”

„Je ziet er stralend uit,” begroette Bram haar prompt.

„Je mag niet liegen.” Emma plofte in de tuinstoel neer, die Agnes voor haar bijschoof. „Ik weet best dat ik er klef en frommelig uitzie.”

„Ik hoorde dat Agnes zei dat je naar complimenten viste, dus ik dacht daar meteen maar mee te beginnen.”

„Je bent afschuwelijk.” Emma stak haar tong uit en leunde achterover.

„Je bent moe,” constateerde Bram, terwijl Agnes naar de keuken liep om koffie te halen.

„Volgens mij is iedereen met deze warmte afgepeigerd. Ik ben blij dat eindelijk de grote vakantie begonnen is. Vakantiespreiding is mooi, maar niet als je als laatste aan de beurt bent. Juli heeft echt eindeloos lang geduurd. De laatste week was een bezoeking, niet alleen voor mij, maar ook voor de kinderen.”

„Dat heeft ook met het weer te maken. Met deze warmte heeft iedereen alleen nog maar zin in vakantie.”

Hij keek Emma scherp aan. Ze zag er inderdaad moe uit. Zou ze werkelijk zo slecht tegen de warmte kunnen of zouden de gebeurtenissen rond Boudewijn en de tegenwerking die ze ongetwijfeld van haar ouders kreeg, haar zo vermoeien?

„Ga je nog op vakantie?” informeerde hij.

Ze haalde haar schouders op. „Eigenlijk heb ik daar niet eens over nagedacht. Andere jaren maak ik al tijden van tevoren plannen. Misschien gaan Boudewijn en ik dagjes uit en zo niet, dan vind ik het ook best om lekker op z’n balkon te zitten. Hij heeft over twee weken pas vakantie. We zullen het er nog weleens over hebben.”

Ze moest er dit jaar niet aan dénken om haar hele boeltje te pakken en af te reizen naar een plek die ze niet kende. Andere jaren rende ze vlak voor de grote vakantie nog naar het reisbureau om een lastminutereis te boeken. Ze was al naar Tunesië geweest, naar Portugal en Griekenland. Dit jaar lokten haar de goudgele stranden niet. Met Boudewijn had ze nog geen woord over de vakantie gewisseld. Ze wist wel dat hij heel andere ideeën had over de invulling van een paar weken vrijheid dan zij. Vorig jaar was hij per trein naar Frankrijk gegaan en had daar een groot deel van Normandië op z’n fiets verkend. Ze hoopte dat hij voor deze zomer niet weer op zulke vreselijke ideeën kwam; op dit moment verlangde ze alleen maar naar rust, eindeloze rust.

„Jullie gaan zeker weer naar Zeeland?” informeerde ze om maar wat te zeggen.

„Ik moet nog een week werken en daarna gaan we vier weken naar Zeeland. Heerlijk met de kinderen naar het strand. Zon, zand en zee, de meest ideale combinatie voor een gezin. Bob en Dieuwertje praten al wekenlang over niets anders.”

„Zee en zand, daar kun je zeker van zijn, maar hebben ze niet voorspeld dat deze hitte nu snel voorbij zal zijn?

„Emma, doe niet zo heerlijk optimistisch. Je gaat me toch niet vertellen dat de warmte weg is als wij eindelijk eropuit kunnen?”

Agnes zette koffie op tafel.

„Nou ja, ik wil jullie niet ontmoedigen, maar ik hoorde zoiets van de weerman vanmorgen op de radio.”

„Die zeggen zoveel,” vond Agnes luchtig. „Eerst zien en dan geloven, hoor.” Ze nestelde zich in een grote, houten tuinstoel, die voorzien was van een pastelkleurig kussen. Ze zou in een reclameblad voor tuinmeubelen niet misstaan.

„Vertel nu eens hoe het met de liefde staat?” informeerde Agnes, terwijl ze Emma een koekje presenteerde, dat deze vriendelijk doch beslist weigerde.

„Als jullie het niet erg vinden, dan trek ik mij discreet terug.” Bram stond op.

„Hij houdt er niet van om over de liefde te praten.” Agnes stak haar tong uit. „Mijn man is zo romantisch als een baksteen.”

„Je moet er niet over praten,” pareerde Bram. „Je moet het ondervinden.”

Hij lachte, toen hij naar binnen liep.

In de gang hoorden ze hem tegen de kinderen praten, die met deze hitte dreinden dat ze dorst hadden en een glaasje water wensten.

„Bram is een schat,” verzuchtte Agnes. „Heus, ik hoop dat je met Boudewijn net zo gelukkig mag worden als ik met Bram.”

De buren aan weerszijden zaten ook achter het huis. Ergens werd gebarbecued. Er was de geur van houtskool vermengd met vlees, er werd gelachen en glazen rinkelden.

„Jullie kennen elkaar al zolang,” zei Emma zacht.

Het gras in de tuin was van een stroachtig bruine kleur. Als je erover zou lopen, zou het knisperen onder je schoenen. Ze schopte haar schoenen uit. Haar voeten waren dik en opgezet van de warmte.

„Dat zegt niets. Ik hoor tegenwoordig zo vaak van mensen, die na een jarenlange relatie over scheiden denken. Daar begrijp je toch helemaal niets van?”

„Jullie hebben toch niet samengewoond?”

„Ben je mal! Mijn moeder zou een rolberoerte gekregen hebben. Nee hoor, Bram en ik hebben verschrikkelijk ouderwets gedaan. We zijn zelfs officieel verloofd. Dat moet je je toch nog herinneren? Had je toen niet pas verkering met Pieter? Jullie hebben nog een stukje opgevoerd.”

Emma wist het nog. Ze had gehoopt op een spoedige verloving met Pieter in die tijd. Wat zou haar leven er dan nu anders hebben uitgezien. Getrouwd, kinderen misschien, net als Agnes. Wilde ze daarom Boudewijn nu misschien zo graag? Omdat ze hem als een laatste strohalm zag, die haar dromen in vervulling kon laten gaan? „Het was een belachelijk stukje,” zei ze bedachtzaam. „Pieter beweerde naderhand dat hij zich doodgegeneerd had.”

„Ik heb er toen vreselijk om gelachen.” Agnes volgde met haar roze, glanzend gelakte nagel de contouren van een roos op het tafelkleed.

„Maar daar hadden we het niet over. Ik wilde van je weten hoe het met jou en Boudewijn gaat. Ik bedoel... jullie zijn zo enorm verschillend. Ik heb eigenlijk nooit aan de mogelijkheid gedacht... toen ik Boudewijn uitnodigde en jou, dat er tussen jullie iets zou kunnen ontstaan. Echt niet.”

„Had je anders de uitnodiging aan één van ons tweeën achterwege gelaten?”

Ze had eigenlijk geen zin in koffie. Haar tong voelde droog aan. Ze zou liters water willen drinken.

„Daar heb ik nog niet zo over gedacht. Nee, waarom zou ik dat doen? Jij bent mijn hartsvriendin. Boudewijn is meer een kennis van Brams kant, een goede collega. Ik vond hem wel aardig, maar veel contact heb ik natuurlijk nooit met hem gehad.

Ik heb er gewoon nooit bij stilgestaan dat er tussen jullie iets groeien kon. Dat besefte ik pas op het moment dat je naast Boudewijn ging staan. Alsof jullie altijd al bij elkaar hadden gehoord. Een eenheid. Misschien is de muziek het grootste bindende element tussen jullie tweeën.”

„Er zijn twee kanten aan onze relatie. Aan de ene kant is dat een stilzwijgend begrip, mede ontstaan door onze wederzijdse liefde voor klassieke muziek,” bevestigde Emma. „Aan de andere kant is er een volkomen vreemdzijn voor elkaar. Ik doe soms een suggestie, waarop Boudewijn reageert op een manier die me volkomen verwart. Ik weet dan niet wat ik ermee aan moet.

Ik kan me nog herinneren dat je het over een muur had om Boudewijn heen, en een toren waar ik hem uit zou kunnen halen. Weet je, Agnes, daar merk ik meestal maar heel weinig van, en dan ineens is hij er. Dan is hij onbereikbaar voor me. Zó onbereikbaar dat het me angst aanjaagt. ”

Ze zweeg, staarde naar de bonte bloemen in de border. In een hoekje van de tuin stond een opblaasbadje, gevuld met water en kleurig speelgoed.

„Misschien heeft dat met zijn jeugd te maken. Ik kan me voorstellen dat Boudewijn zich vroeger vaak heeft afgesloten voor de onaangename dingen die er in zijn leven gebeurden. Ik ken hem niet anders dan als een zwijgzame man, die pas lijkt op te leven als het onderwerp muziek ter sprake komt.

Hij is moeilijk in de omgang met medemensen, maar vroeger waren medemensen voor hem alleen maar mensen die zijn leven niet bepaald aangenamer maakten. Hij voelde zich door hen in de steek gelaten.”

„Hoe kan hij zich door mij in de steek gelaten voelen als ik met het voorstel kom om een huis te kopen, waar hij een kamer kan krijgen waar hij naar hartenlust op z’n vleugel kan spelen zolang als hij maar wil? Hij noemt het genadebrood, maar hoe kan hij daar nu van spreken als het een voorstel uit liefde is?” Haar stem klonk heftig.

„Hoe kan hij een voorstel uit liefde herkennen als hij nooit heeft geleerd wat liefde is?” was Agnes’ wedervraag.

„Hij kent me toch? Hij heeft toch van mij geleerd wat liefde is?”

„Denk je dat vijfentwintig jaren van eenzaamheid teniet kunnen worden gedaan door een paar maanden waarin hij van de liefde mocht proeven? Hij heeft jaren met achterdocht geleefd. Als hij iets kreeg, ging hij er meteen maar vanuit dat er ook iets van hem verlangd werd. Emma, ik had je wijzer gedacht. Je zult er toch vanuit moeten gaan dat je nog jaren moet investeren voor je werkelijk tot hem door zult kunnen dringen.”

„Hij zal nu toch wel weten dat hij me vertrouwen kan?”

„Hij heeft nog nóóit iemand vertrouwd. Vraag het aan Bram. Nadat ik je de dag na mijn verjaardag belde, kreeg Bram ineens in de gaten wat er speelde. Mannen zien zoiets niet snel. Weet je wat hij zei? Hij meende dat je er een enorme klus aan zou krijgen. Dat je waanzinnig veel geduld zou moeten hebben. Boudewijn is een einzelgänger. Hij is erbij en toch ver weg. En weet je wat ik heb gezegd?”

Ze wachtte even af, maar toen Emma geen aanstalten maakte om te reageren, vervolgde ze: „Ik heb gezegd dat er niemand anders is, wie ik deze taak zo zou toevertrouwen als juist aan jou.”

„Misschien heb je me voor sterker gehouden dan ik ben,” aarzelde Emma.

„Je bent sterker dan je zelf denkt. Steeds opnieuw zul je een stapje verdergaan en telkens weer zul je ook een stapje terug moeten doen. Je denkt dat je Boudewijn deze maanden hebt leren kennen, maar neem van mij aan dat je hem maar een héél klein stukje kent.”

„Zoiets geeft de burger moed.”

Emma lachte zuurzoet. Haar vermoeidheid leek grenzeloos vandaag en ze bedacht dat het de spanning moest zijn. Spanning vanwege haar relatie met Boudewijn, vanwege de druk die er thuis op haar werd uitgeoefend door het doodzwijgen van de man die ze liefhad. Het steeds opnieuw moed bij elkaar moeten rapen om haar ouders te vertellen dat ze naar Boudewijn ging, dat ze samen ergens heen zouden gaan. De stilte, die in het huis leek te heersen ondanks de aanwezigheid van haar ouders. De stilte, die haar gek maakte.

Het was erger dan indertijd met Pieter. Véél erger. Het was haast niet te verdragen. De spanning leek al haar energie op te slokken en de enige manier om die spanning kwijt te raken was door op zichzelf te gaan wonen. Het zou een definitieve breuk met haar ouders betekenen en juist dat hield haar ook weer tegen. Ze haatte onenigheid. Zij was degene die altijd schipperde tussen haar ouders als er ruzie was. Zij trachtte te bemiddelen als Teun en haar vader onenigheid hadden. Ze was een onzichtbare spil in het gezin en juist haar relatie met Boudewijn zou een onherstelbare breuk veroorzaken.

„Ik zal een glaasje fris voor je inschenken,” Agnes stond op. „We zijn nog lang niet uitgepraat. Ik zie het aan je gezicht. Je ouders zijn zeker niet zo blij met Boudewijn? Ik heb tenminste weinig fantasie nodig om me hun reactie voor te stellen.”

Ze bleef even treuzelen voordat ze de koffiekopjes opruimde. „Soms heb je iemand nodig. Ik kan je niet echt helpen, maar erover praten helpt vaak al. Soms stik je alleen al in de problemen, doordat er geen mens is met wie je kunt praten.” Ze keek naar Emma’s gezicht dat grauw leek, ondanks de bruine tint van zoveel weken zon. „Je moet echt praten, hoor, anders houd je het niet vol,” zei ze nog eens voor ze naar binnen liep.

 

De televisie stond aan toen Emma thuiskwam. Ze had gehoopt dat haar ouders zouden slapen. Het bleek een ijdele hoop.

„Wat ben je laat,” begroette moeder Broekhuizen haar opgewekt. „Je bent toch bij Agnes en Bram geweest? Hoe was het met de kleintjes? Waren ze nog wakker? Lijkt Dieuwertje nog steeds zo op Agnes?”

De grijze wol piepte door de klamheid van haar nerveuze handen op de pennen. Op de televisie zong een mannenkoor. Uitgestreken hoofden boven witte boorden. Haar vader leek verdiept in de koorzang.

„De kinderen lagen al in bed. Ik heb ze niet meer gezien.”

„Ik schenk je iets te drinken in. Dat doen we haast nooit meer en ik vind het altijd zo gezellig.”

„Het is bijna twaalf uur,” protesteerde haar vader.

„Jij mag wel vast naar bed, maar ik wil nog even blijven zitten,” hield z’n vrouw vol. „Het is toch haast niet uit te houden boven. Je zou met dit weer je bed in de tuin moeten kunnen zetten. Buiten is het lekker koel, maar hier in huis...”

„Jij altijd met je idiote ideeën.” Teun Broekhuizen boog zich opnieuw naar de televisie over.

„Ik ben eigenlijk moe,” protesteerde Emma zwakjes.

„Eén glaasje maar. Een glaasje droge, witte wijn. Zo gezellig...”

Ze had het lef niet om te weigeren, ging op de bank zitten nadat ze haar schoenen uitgeschopt had en trok haar blote voeten onder zich.

„Was Bram ook thuis?”

Haar moeder praatte door over onbenullige zaken, die ze beantwoordde om niet die afschuwelijke stilte te laten vallen.

„Hilda is vanavond nog geweest.”

Emma veerde op. „Hilda? Hier?”

Haar oudste zus kwam nooit buiten de verjaardagen om, tweede kerstdag en eerste paasdag niet meegerekend. Net zoals haar andere zuster Carolien. Ze hadden het te druk met hun gezin, hun parttime banen en sporten.

„Er is aanstaande zaterdag een groot feest van Hilda’s werk.” Haar moeder zette glazen wijn op tafel. „Wel een rare tijd natuurlijk om dat midden in de zomervakantie te doen. De zaak bestaat vijftig jaar en ze willen dat toch op de dag zelf vieren. Er zijn veel artiesten uitgenodigd. Hilda heeft de namen wel genoemd, maar ik kan het me ook niet meer herinneren. Nou ja, ik ben daar natuurlijk ook niet zo in thuis, maar het schijnen heel beroemde mensen te zijn.

Je begrijpt wel dat Hilda en Frits daar graag naartoe zouden willen, maar hun vaste oppas is met vakantie. Nu kwam ze vragen of jij misschien zin had om het weekeinde bij hen te komen.”

„Je zegt het verkeerd,” merkte Emma op. „Ze kwam gewoon vragen of ik wilde oppassen. Heb je alvast toegezegd of mag ik het zelf nog beslissen?”

„Natuurlijk heb ik niets toegezegd. Ik heb gezegd dat ik het je zou vragen en dat je vanavond nog wel zou terugbellen, maar het is inmiddels zo laat geworden dat je dat nu niet meer kunt doen. Bel ze morgen maar even.”

Haar moeder was bijna buiten adem. Ze pakte haar breiwerk weer op, nadat ze een te grote slok van haar wijn had genomen. Er verschenen blosjes op haar wangen.

„Ik zal ze morgen bellen om te zeggen dat ze naar een andere oppas moeten uitkijken.”

„Je wilt niet?”

„Ik kan niet.”

„Heb je andere plannen? Daar heb je ons toch niets van verteld?”

„Ik ben elk weekeinde bij Boudewijn, dat weet je toch.”

„Je kunt dat toch wel een keer overslaan om je zus uit de brand te helpen?”

„Ik snap eigenlijk niet eens dat ze nog oppas nodig hebben. Geert is inmiddels zeventien jaar. Die heeft zéker geen kindermeisje meer nodig en Ellen is nota bene veertien jaar. Die zit toch ook niet direct op een oude tante te wachten.”

„Geert gaat elke zaterdagavond uit. Dat doen jongens op die leeftijd toch. Hilda vindt dat ze niet van die jongen kan verwachten dat hij voor z’n zusje thuisblijft.”

„Ik vind dat jullie ook niet van mij kunnen verwachten dat ik mijn zaterdagavond opoffer voor mijn zuster, die zich normaal gesproken hier nooit laat zien als ze niets nodig heeft. Ik heb daar vaak genoeg gezeten om op te passen. Ellen heeft vast wel een vriendinnetje waar ze een nachtje over kan blijven.”

„Die zijn ook allemaal met vakantie.” De breipennen werden opnieuw aan de kant gelegd. „Zo vaak heb je toch ook niet bij Hilda en Frits opgepast?”

„Als je dat in weken om zou moeten rekenen, kwam je vast een heel eind,” meende Emma. „Sorry, mam, als je werkelijk zo met hen te doen hebt, dan kun je er zelf ook nog gaan zitten, maar ik ben deze zaterdag niet beschikbaar.”

„Zo praat je niet tegen je moeder.” Het gesprek was ook langzaam maar zeker tot haar vader doorgedrongen. „Die vent... die...”

„Hij heet Boudewijn,” probeerde ze rustig te zeggen.

„Wat een belachelijke naam ook. Boudewijn. Alsof hij van adel is. Nou ja, die Boudewijn heeft een slechte invloed op je. Hij stookt je op. Dat krijg je met dat soort mensen. Je stond altijd voor iedereen klaar en nu ineens kan er helemaal niets meer. Jij gaat zaterdagavond naar Hilda en Frits en daarmee uit!”

„Die toon kon je tegen me aanslaan toen ik een snotneus van achttien jaar was, maar die tijd is allang voorbij. Het heeft niets met Boudewijn te maken. Het gaat om mezelf. Ik heb jaren voor jullie klaargestaan. Ik paste niet alleen op bij Hilda en Frits, maar ook bij Carolien en Herman, bij Teun en Nelleke en Hannes en Samantha. Het was allemaal heel gewoon. Emma deed het natuurlijk wel even. Of ze er nu zin in had of niet. Misschien wordt het gewoon tijd dat het niet meer als vanzelfsprekend beschouwd wordt. Als er iets noodzakelijk gedaan moet worden, dan wil ik klaarstaan, maar dit feest zie ik niet als een reden om daar mijn zaterdagavond met Boudewijn aan op te offeren.

Waarom gaan jullie zelf niet? Lijkt je dat niet gezellig? Ellen zal het vast heerlijk vinden om opa en oma helemaal voor zich alleen te hebben en ik weet zeker dat het jullie ook goed zal bevallen. Wanneer zijn jullie voor het laatst samen weggeweest? Dat kun je je vast al niet eens meer herinneren.”

„Dat zou je wel willen.” Haar vader knipte de televisie met de afstandsbediening uit. „Wij in het huis van Hilda en Frits en jij bij Boudewijn overnachten.”

„Ik heb de leeftijd zo onderhand, pap.” Haar stem klonk rustig, maar ze stond te heftig op. Haar glas wijn viel om. „Je mag van ons denken wat je wilt, maar als je echt zo naïef bent om te denken dat je alleen in het donker met elkaar naar bed kunt gaan, heb je het helemaal mis. Boudewijn en ik zijn vaak genoeg met z’n tweeën. Overdag kun je ook met elkaar naar bed gaan en je hebt het alleen aan mijn door en door preutse opvoeding te danken dat het nog nooit zover gekomen is!”

De deur viel met een klap achter haar dicht. Langzaam lekte de wijn van de zware, eikenhouten salontafel op het echte wollen tapijt.