14 Consequenties

 

Jimmy huilde.

Hij stond in de houding op de trappen van het paleis van Krondor, naast zijn broer, een stap achter de prins, en liet zijn tranen vrijelijk over zijn wangen stromen. Hij kon zich geen leven zonder zijn vader voorstellen. Hij had geweten dat degenen die vochten konden sneuvelen, maar zijn vader was geen krijger geweest. Net als alle andere edellieden van het Koninkrijk had Arutha de krijgskunst bestudeerd, maar zijn leven had in het teken gestaan van regeren, diplomatie en rechtspraak. Slechts eenmaal had hij besloten de strijd in te gaan en die beslissing was hem fataal geworden.  

Dash had zich nooit voorgesteld dat zijn vader bij zijn terugkomst naar Krondor zou liggen op een wagen die dienst deed als lijkbaar. Met een gezicht als een ondoorgrondelijk masker zag hij de wagen met zijn vaders lichaam voorbij rijden. Er was een dag rouw afgekondigd voor hertog Arutha en de anderen die waren gevallen tijdens de herovering van Sarth.

Dash vroeg zich af of het dat waard was. Behalve een doffe lege plek van binnen voelde hij helemaal niets. Jimmy gaf uitdrukking aan zijn woede en smart, maar in Dash lag iets anders begraven. Kijkend naar de verzamelde edellieden en militaire kapiteins van het Koninkrijk, allen eerbiedig het hoofd buigend bij de terugkomst van zijn vaders lichaam in Krondor, kwam het Dash allemaal zo vreemd voor.

Zijn vader was altijd zo'n verstandig mens geweest. Zwaardvechten kon hij goed genoeg, voor oefenduels tenminste, en hij zorgde altijd voor een goede lichamelijke conditie door paard te rijden en te zwemmen wanneer de gelegenheid zich voordeed, maar nooit trad hij op in een militair conflict. Plots besefte Dash dat hij dacht in de tegenwoordige tijd. Hij was op het laatst, volgens kapitein Subai, een dapper soldaat geweest, maar hij had nooit toestemming voor die missie mogen krijgen. Dash merkte dat er tranen in zijn ogen liepen en hij knipperde ze terug.  

Hertog Arutha was het praktische lid van hun gezin geweest. Hun moeder was altijd maar bezig met de roddels aan het koninklijk hof te Rillanon en langdurige bezoeken aan haar eigen familie te Roldem. De jeugdjaren van de jongens waren gedomineerd geweest door kindermeisjes, instructeurs, onderwijzers en hun grootvader, die hun van alles leerde: muren beklimmen, sloten kraken en allerlei andere buitensporige zaken. Hun grootmoeder was een geruststellende aanwezigheid geweest en hun vader een rots, een kalme, stille man die in kleine dingen zijn genegenheid en zorg toonde. Dash kon zich geen moment herinneren dat hij niet door zijn vader werd begroet met een hartelijke omhelzing, en hij dacht aan die talloze keren dat hij een hand op Dash' schouder legde, alsof het maken van lichamelijk contact belangrijk was.  

Ineens werd Dash zich ervan bewust dat hij treurde om het verlies van zijn hele familie. Zijn grootouders in Roldem waren grotendeels vreemden. In zijn jeugd had hij het eilandkoninkrijk een keer of zes bezocht en de grootouders van zijn moeders kant waren slechts eenmaal in Rillanon geweest, voor de bruiloft van zijn ouders. Zijn zus was getrouwd met de hertog van Faranzia in Roldem en was sinds haar bruiloft niet meer in het Koninkrijk geweest voor een bezoek. De enige die nog overbleef was zijn broer Jimmy.

Toen de wagen verdween in de richting van de stallen, zei prins Patrick: 'Heren, het hele land rouwt om het verlies van jullie vader. Willen jullie me over een uur komen bezoeken voor een raadsvergadering?' Na een hoofdknik naar Francie, die met haar vader aan de andere kant van de binnenplaats stond, draaide hij zich om en liep de brede paleis trap op. Zodra de prins uit het zicht was, gingen de in Krondor verzamelde edellieden uiteen.

Jimmy haalde een keer diep adem om zijn emoties onder controle te krijgen en beduidde Dash met hem mee te gaan. Samen volgden ze de wagen rond het paleis naar de plek waar de begrafenisondernemer zorgde voor de ontvangst van hun vaders lichaam. Twee soldaten haalden het lijk van hertog Arutha voorzichtig van de wagen en wikkelden het van hoofd tot voeten in verschoten linnen dat iemand in Sarth had gevonden.  

'U bent heer Arutha's zoon?' vroeg de begrafenisondernemer aan Jimmy.

Jimmy knikte en gaf met een handgebaar te kennen dat zowel hij als Dash Arutha's kinderen waren.

De begrafenisondernemer nam een medelevende houding aan. 'Het land treurt met U, jongeheren. Wat gaat er met het stoffelijk overschot van uw vader gebeuren?'

Verbluft keek Jimmy naar Dash. 'Ik... daar heb ik nooit...'

'Wat is gebruikelijk?' vroeg Dash.

'Als Hertog van Krondor heeft uw vader het recht te worden bijgezet in de paleistombe. Als graaf Vencar mag hij worden bijgezet in het koninklijk paleis te Rillanon. Of als u een familielandgoed heeft...'

Weer keek Jimmy naar Dash, die bleef zwijgen. Uiteindelijk zei de oudste van de twee broers: 'Het familielandgoed is deze stad. Maar mijn vader is geboren en getogen in Rillanon. Daar heeft hij zijn hele leven gewoond. Breng hem daar maar heen.'

'Zoals u wilt,' zei de begrafenisondernemer.

Dash legde een hand op Jimmy's schouder. 'Laten we wat gaan drinken.'  

'Eentje maar. We moeten over een uur naar de prins. Daarna kunnen we dronken worden ter nagedachtenis van vader.'

Dash knikte en ze liepen terug naar de hoofdingang van het paleis.

Daar stond Malar Enares op hen te wachten. 'Heren,' zei hij. 'Hoogst betreurenswaardig. Mijn medeleven.'

De bediende uit het Dromendal had zich op tientallen manieren nuttig weten te maken rond het paleis. Toen Jimmy was teruggekeerd, in de verwachting dat de bediende nog steeds onder bewaking stond, had hij tot zijn verrassing zowel als zijn pret ontdekt dat hij hard aan het werk was rond Duko's hoofdkwartier. Waar het organiseren, schoonmaken en opruimen betrof scheen hij een wonder te zijn, en hij had zich weer onder Jimmy gesteld toen Duko was vertrokken om het bevel over de Zuidelijke Marken op zich te nemen en de wachtforten langs de Keshische grens te bezetten.  

Malar volgde de gebroeders naar binnen. 'Kan ik iets voor u doen, jongeheren?'

'Als je een fles goede cognac naar mijn kamer wilt brengen, zou ik dat zeer op prijs stellen,' zei Jimmy.

'Ik zal zien wat ik kan doen,' reageerde Malar en stormde weg. Getweeën liepen ze door de lange gangen van het paleis, dat inmiddels bijna in de oude staat was hersteld. Nog steeds scharrelden er arbeiders rond in het paleis, tegels leggend, wandtapijten ophangend en versieringen rond vensters en deuren schilderend. De achterste trap naar de bovenverdiepingen moest nog worden gerepareerd, maar de laatste gebarsten stenen waren door steenhouwers vervangen en het roet en de brandschade waren verdwenen. 'Weet jij nog hoe het er hier eerst uitzag?' vroeg Dash.  

'Daar dacht ik ook net aan,' zei Jimmy. 'Ik weet dat er eerst andere wandtapijten hingen, maar ik mag barsten als ik je kan zeggen hoe die er uitzagen.'

'Patrick laat alle oude krijgsbanieren uit de grote zaal opnieuw maken.'  

'Dat had van mij niet gehoeven, maar ik kan er de reden wel van inzien.'

Aangekomen bij Jimmy's kamer gingen ze naar binnen. Zwijgend bleven ze een poosje zitten, tot Dash zei: 'Ik ben zo kwaad op hem.' Hij keek op en zijn ogen liepen vol tranen.

Ook Jimmy's ogen stroomden vol. 'Ik weet het. Zo ontzettend stom. Je zomaar in de strijd werpen.'

'Heb je moeder en de tantes al geschreven?'

'Nog niet. Dat ga ik vanavond doen. Ik weet nog steeds niet wat ik zal zeggen.'

Dash liet zijn tranen stromen. 'Zeg maar dat hij dapper is gestorven. Voor koning en vaderland.'

'Schrale troost,' merkte Jimmy op.

Dash veegde zijn ogen af. 'Hij moest wel.'

'Nee, hij had helemaal niet hoeven gaan.'

'Jawel,' zei Dash. 'Heel zijn leven had hij al in de schaduw van grootvader gestaan en van de man naar wie hij was vernoemd.'  

Ook Jimmy veegde zijn ogen droog. 'Er gaat maar één Arutha van Krondor de geschiedenis in.' Hij slaakte een zucht. 'Vader krijgt mogelijk ergens een kleine notatie. Voortreffelijk bestuurder, aanvankelijk van Rillanon en later van Krondor, vernoemd naar een groot prins. Kan er niet meer over hem worden gezegd?'

'Alleen door degenen die hem kenden en van hem hielden.'

Jimmy stond op toen er aan de deur werd geklopt. Hij deed open en zag Malar Enares staan, met in zijn handen een dienblad met een fles cognac en twee kristallen bokalen.

Jimmy stapte opzij om de bediende binnen te laten en Malar zette het dienblad op de tafel. 'Ik wil u mijn opperste spijt betuigen, jongeheren. Al heb ik zelf niet het genoegen gekend uw befaamde vader te ontmoeten, nimmer heb ik iets onheilzaams over de man vernomen.'  

'Dank je,' zei Jimmy.

Dash pakte de fles en schonk in toen Malar vertrok en de deur achter zich sloot. Zijn broer een glas aanreikend hield hij het zijne omhoog. 'Op vader.'

'Op vader,' herhaalde Jimmy. Ze dronken in stilte.

Na korte tijd zei Jimmy: 'Ik weet precies hoe hij zich voelde.'

'Hoezo?' vroeg Dash.

'Hoe goed ik ook ben, hoe hoog ik ook opklim in de gelederen, er zal altijd maar één Robert van Krondor zijn.'

'Maar één Robbie de Hand,' beaamde Dash.

'Maar aan de andere kant zou grootvader ons hebben gezegd dat het niets met beroemdheid te maken heeft.'

'Al genoot hij van de notoriteit,' merkte Dash op.

'Akkoord,' gaf Jimmy toe. 'Maar die had hij opgedaan door zo verrekte briljant te zijn in wat hij deed. Hij was nooit van plan de meest duivels slimme edelman uit de geschiedenis te worden.'  

'Misschien heeft vader dat wel van het begin af aan geweten. Gewoon je werk doen en de geschiedenis laten bepalen,' opperde Dash. 'Daar heb je ongetwijfeld gelijk in,' zei Jimmy. 'Nou, laten we maar naar Patricks kantoor gaan om te zien wat de prins gaat bepalen.'  

Dash stond op en trok zijn tuniek recht. 'Denk je dat hij jou tot Hertog van Krondor benoemt? Oudste zoon en zo.'

Jimmy glimlachte flauwtjes. 'Nauwelijks. Hij zal iemand willen met meer ervaring in die functie, en de koning ook.'

Dash opende de deur. 'Je bent maar twee jaar jonger dan Patrick, Jimmy.'

'En dat is precies de reden dat Borric een ouder en wijzer iemand in Krondor wil,' zei Jimmy, over de drempel stappend. 'Als vader de hertog van Schreiborg of Yabon was geweest, zou ik die titel vrijwel zeker hebben gekregen, met een geducht Koninkrijks raadsman op het eerste schip westwaarts. Maar Krondor? Nee, er zijn hier te veel belangrijke dingen die mis kunnen gaan.' De gang door lopend voegde hij eraan toe: 'Trouwens, de politiek hier zit vol met voetangels en klemmen. Wat Patrick mij ook biedt, het is altijd beter dan het ambt van hertog.'

Ze repten zich voort naar de zij-ingang van het prinselijk verblijf. Jimmy klopte en de deur werd geopend door een hofjonker, die opzij ging om hen binnen te laten. Vergeleken bij de krappe kamers die ze in Zwartheide hadden gehad, waren deze kantoren ronduit ruim. De boeken en tekstrollen die hun vader in veiligheid had laten brengen, werden inmiddels al teruggebracht naar de desbetreffende kasten en studeercellen. 'Een handje aan het helpen?' vroeg Jimmy in het voorbijgaan aan Malar, die een bundeltje tekstrollen aan een klerk overhandigde.

'Men doet wat men kan,' antwoordde de bediende met een glimlach. Ze liepen verder naar de privévertrekken van de prins en Patrick keek op. Naast de schrijftafel van de prins stond hertog Brian van Silden, die de twee broers toeknikte. Allebei wisten ze dat Brian en hun vader de beste vrienden aan het hof waren geweest en dat Brian als geen andere edelman in het rijk het verlies met hen deelde.

Patrick zei: 'Heren, laat ik allereerst nogmaals mijn smart betuigen om de dood van jullie vader. Het verlies is niet alleen voor zijn familie en vrienden, maar tevens voor het Koninkrijk als geheel.' Hij keek de kamer rond alsof hij naar iemand zocht. 'Het is alsof ik hem ieder moment kan zien verschijnen. Nu weet ik hoeveel ik op zijn raad ben gaan rekenen.' Langzaam liet hij zijn adem ontsnappen in iets wat leek op een zucht, en vervolgde: 'Maar zoals altijd moeten we snel verder. Heer Silden treedt op als mijn raadsman tot de koning een nieuwe hertog in Krondor heeft aangesteld.' Patrick keek Jimmy aan. 'Ik ken je goed genoeg om te weten dat jij die functie niet had verwacht.'

Jimmy schudde zijn hoofd. 'Over een jaar of tien, misschien, maar nu niet.'

Patrick knikte. 'Mooi zo, want we hebben jou ergens buiten Krondor nodig.'

'Waar, Hoogheid?'

'Ik zoek een betrouwbaar persoon als waakhond bij Duko. Jij scheen het vrij goed met hem te kunnen vinden en ik wil daar iemand die hem in het gareel kan houden.'

Jimmy boog zijn hoofd. 'Hoogheid.'

'Ik heb mijn vader al bericht gestuurd, Jimmy. Ga er maar van uit dat hij mijn aanbeveling volgt om jou je vader als graaf van Vencar te laten opvolgen. Het is een prettig en klein landgoed en je vader zou beslist hebben gewild dat jij het kreeg toegewezen.'

Nogmaals boog Jimmy zijn hoofd. 'Dank u wel, Hoogheid.' In Vencar was hij opgegroeid. Evenals vele andere landgoederen op het oorspronkelijke eilandkoninkrijk Rillanon was het, naar vastelandmaatstaven gemeten, maar klein. Vier hectaren land met een kreek en gras- en weideland. Al eeuwen geleden waren de pachtende boeren gestopt het land te bewerken toen Rillanon haar bereik naar het vasteland had uitgebreid. Maar ondanks de bescheiden omvang was het een van de mooiste landgoederen in het Koninkrijk, en toen de oude graaf van Vencar zonder erfgenamen overleed, had hun grootvader geregeld dat het overging naar Arutha. Net als zijn zus was Jimmy in het paleis geboren, maar toen hij nog klein was, waren ze daarheen verhuisd. Dash was er geboren. Voor hem was het thuis.  

'Dus tenzij mijn vader me terug schrijft dat ik niet goed bij mijn hoofd ben, is het van nu af aan graaf James.'

'Ik dank Zijne Hoogheid,' zei Jimmy.

'Voor jou heb ik een bijzonder klusje, Dash.'

'Hoogheid?'

'We zitten met een probleem, hier in Krondor. Het leger is in het noorden en Duko's huurlingen zijn naar het zuiden. Ik beschik over de paleiswacht en meer niet. De stad komt weer tot leven en ze wordt overspoeld door schurken, vechtersbazen, moordenaars en dieven. Ik heb iemand nodig die orde kan brengen, en van iedereen die ik ken heb jij volgens mij de meeste affiniteit met de straat. Ik benoem je tot schout van Krondor. Totdat we een heuse stadswacht kunnen oprichten, ben jij de wet in de stad. Rekruteer wie je kunt, maar hou deze stad onder de duim tot de oorlogen zijn afgelopen.'

'Schout?' zei Dash.

'Heb je bezwaren?' vroeg Patrick.

'Eh ... nee, Hoogheid. Het is alleen een beetje een verrassing.'

'Het leven zit vol verrassingen,' reageerde Patrick laconiek. Hij wees naar wat perkamenten op zijn schrijftafel. 'Rapporten van beide fronten. De Keshiërs trekken zich voor Duko terug in Nes, maar plegen overvallen langs het oostelijke front bij Shamata. Al te dichtbij komen ze denk ik niet, uit vrees voor de magiërs op Sterrewerf, maar ze zijn een voortdurende plaag voor onze patrouilles, die om te beginnen al magertjes zijn. In het noorden heeft Grijslok zich gevestigd in Sarth en hij rukt verder noordwaarts op.' Er trok een bezorgde uitdrukking over Patricks gezicht. 'Er klopt iets niet. De verdediging langs de kust is zwak. We weten dat Fadawah Duko heeft opgeofferd omdat hij vreesde voor Duko's trouw. Nu blijkt dat hij ook Nordan heeft opgegeven, maar volgens alle berichten was Nordan zijn oudste en trouwste bondgenoot.'  

'Misschien is zijn invloed op zijn mannen minder sterk dan we dachten,' opperde Jimmy.  

'Alle verslagen wijzen op een zware winter voor de indringers, met veel sterfgevallen door verwondingen of honger,' bracht Brian van Silden naar voren. 'Maar onze spionnen hebben eveneens gemeld dat ze handel drijven met Queg en de Vrijsteden, dat ze meer dan genoeg te eten hebben en dat ze zich gevestigd hebben in Ylith.'  

Patrick wreef met een hand over zijn gezicht. 'Nog bericht uit Yabon?'  

'Niets,' antwoordde hertog Brian. 'Sinds de slag om Sarth hebben we niets meer vernomen. Er kunnen geen schepen langs de Quegse piraten naar de Vrijsteden. Al onze schepen van de Verre Kust zijn ingezet ter ondersteuning van de herovering. Als er bericht komt, is dat per koerier, en de kans dat een koerier ons door vijandelijk gebied weet te bereiken is erg klein. Misschien krijgen we nieuws uit Yabon wanneer we dichter bij Ylith komen, maar voorlopig moeten we maar hopen dat het de jonge hertog lukt om LaReu en Yabon overeind te houden.'

Kijkend naar Jimmy en Dash zei Patrick: 'Eet vanavond met mij mee, jullie allebei, dan bespreken we jullie taken. In jouw geval, Jimmy, voordat je morgen vertrekt.'  

'Morgen?' vroeg Dash. 'Maar Patrick... Hoogheid, ik dacht dat we onze vader voor zijn begrafenis naar Rillanon konden brengen.'

'Geen tijd, helaas. Jullie zullen vanavond na de maaltijd afscheid van hem moeten nemen. Misschien houden we een kleine wake na het eten... ja, dat zou gepast zijn. Maar vanwege de oorlog kunnen we ons geen van allen de luxe van persoonlijk verdriet of vreugde permitteren. Ik heb tegen menig edelman des Koninkrijks moeten liegen over een staatsbruiloft, en mijn aanstaande is lang niet zo blij om te trouwen in de puinhopen van Krondor als ze was bij de gedachte aan het paleis van de koning. Dus we moeten allemaal ons offer brengen.'  

'Tot het avondmaal, dan,' zei Dash.

'Jullie kunnen gaan,' gaf de prins zijn permissie.

De broers maakten een buiging en verlieten Patricks kantoor. 'Geloof jij dat?' vroeg Jimmy.

'Wat?'

'Dat van: 'We moeten allemaal ons offer brengen?'

Dash haalde. zijn schouders op. 'Dat is gewoon Patrick. Die weet nooit wanneer hij goed zit of wanneer hij gewoon zijn kop moet houden.'  

Jimmy ging zijn broer voor, de hoek om naar hun kamers. 'Daar heb je helemaal gelijk in. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat hij altijd verloor met kaarten.'

 

'Perfect,' zei Nakur.

'Ik sta voor aap,' vond Aleta, maar ze bleef stil staan.

'Je ziet er schitterend uit,' verzekerde Nakur haar.

De jonge vrouw stond op een kist met een linnen laken rond haar hoofd en schouders gedrapeerd, en verder gekleed in haar gewone kleren. Een beeldhouwer was verwoed bezig met klei haar gelijkenis vast te leggen. Al drie dagen was hij er druk mee geweest, en nu deed hij een stap achteruit. 'Klaar.'  

Nakur liep eromheen terwijl Aleta van de kist stapte en kwam kijken.

'Zie ik er zo uit?' vroeg ze.

'Ja,' zei Nakur. Hij bleef eromheen lopen, tot hij uiteindelijk concludeerde: 'Ja, zo is het goed.' De beeldhouwer aankijkend vroeg hij: 'Hoe lang gaat het duren?'  

'Hoe groot wilt u hem hebben?'

'Op ware grootte.' Hij wees naar Aleta. 'Net zo groot als zij.'

'Dan duurt het een maand per stuk.'

'Mooi. Een maand is prima.'

'Wilt u ze hier afgeleverd hebben?'

'Ik wil de ene hier om op het wagenerf te plaatsen. De ander moet naar Krondor.'

'Krondor? Meneer Avery heeft niets gezegd over het vervoer van een beeld helemaal naar Krondor.'

'Moeten er vrachtrijders komen om je beeld te gaan brengen?'

De beeldhouwer haalde zijn schouders op. 'Maakt mij niet uit, maar dat kost meer.'

Nakur fronste zijn wenkbrauwen. 'Dat is iets tussen jou en Ru.'

De beeldhouwer knikte, wikkelde het kleimodel voorzichtig in oliedoek en bracht het naar zijn wagen, buiten.  

'Ben ik nu klaar?' vroeg Aleta.

'Waarschijnlijk niet,' antwoordde Nakur, 'maar je hoeft niet meer te poseren.'

'Waar is het nou allemaal goed voor?' vroeg ze, het laken opvouwend dat ze had gedragen. 'Ik voelde me knap opgelaten om voor dat ding te poseren.'

'Het is het standbeeld van de godin.'

'U hebt me gebruikt voor een standbeeld van de godin?' Ze scheen ontsteld. 'Maar dat is...'

Nakur keek onzeker. 'Iets wat ik niet begrijp. Maar wel de juiste keuze.'

Broeder Dominicus, die vanuit de hoek het hele gebeuren had gadegeslagen, zei: 'Kind, geloof me, dat vreemde mannetje weet dingen die hij zelf soms niet eens begrijpt. Maar wat hij weet, is waar.'  

De jonge vrouw keek alsof die verklaring haar nog verder in verwarring bracht.  

'Als Nakur zegt dat jij heel goed model kunt staan voor de afbeelding van de godin, dan is dat zo,' trachtte Dominicus haar gerust te stellen. 'Neem dat maar van mij aan. Het is geen godslastering.'

Veel scheen het echter niet te helpen, en het meisje zei: 'Nou, ik moet de was nog doen.'

Ze vertrok en Dominicus liep naar Nakur. 'Wat zie je toch in dat meisje?'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Iets schitterends.'

'Kun je niet iets specifieker zijn?'

'Nee,' zei Nakur. 'Ga je met me mee naar Krondor?'

'Ik heb van de hoofdtempel te horen gekregen dat ik jouw plannen naar mijn beste vermogens moet steunen,' legde Dominicus uit. 'Als dat betekent dat ik met je mee moet naar Krondor, dan ga ik mee.'

'Mooi, zo,' was Nakurs reactie. 'Hier gaat de boel zonder mij gewoon verder. Sho Pi kan zorgen voor het voeden van de behoeftigen en het lesgeven aan de kinderen. Hij is al discipelen aan het opleiden in de grondbeginselen van het monnikschap. De orde van Dala is een goed uitgangspunt en zo worden meteen degenen die uit zijn op een gratis maaltijd en een warm bed gescheiden van degenen die echt willen meewerken.'

'Wanneer gaan we weg?' vroeg Dominicus.

Nakur trok zijn schouders weer op. 'Over een dag of twee. De laatste elementen van het leger vertrekken binnenkort naar Krondor om zich bij de prins te voegen en dan kunnen wij mooi mee.'

'Uitstekend,' zei Dominicus. 'Ik zal zorgen dat ik klaar sta.'

Toen Dominicus wegliep, keerde Nakur zich om, kijkend naar Aleta, die de was ophing aan een lijn over de binnenplaats. Het zonlicht dat haar van achteren bescheen, lichtte even op in een gouden stralenkrans rond haar hoofd toen ze op haar tenen ging staan om een knijper vast te zetten. Nakur grijnsde. 'Iets zeldzaam schitterends,' zei hij in zichzelf.

 

De maaltijd verliep stilletjes. De hele avond werd er op gedempte toon gesproken, sporadisch, over deze of gene kwestie van de troon of een kleine herinnering aan heer Arutha, maar er gingen lange perioden van stilte voorbij.

Toen de laatste gang werd afgeruimd, verschenen er obers met kristallen bokalen en kruiken cognac.  

Patrick zei: 'Aangezien de zonen van heer Arutha de troost moeten missen om met hun vader mee terug te reizen naar de hoofdstad voor zijn begrafenis, achtte ik het passend hem te eren met een informele wake. Als u zo vriendelijk wilt zijn, heren, zou een woord of twee ter nagedachtenis op zijn plaats zijn. Heer Brian?'

Brian knikte. 'Van kindsbeen af zijn Arutha en ik bevriend geweest. Als ik van zijn vele karaktereigenschappen de meest opmerkelijke moest noemen, dan was dat zijn ongeëvenaarde helderheid van geest. Welke mening hij ook verkondigde over welk onderwerp dan ook, het was het distillaat van een opmerkelijk denker. Hij was wellicht de meest begaafde man die ik ooit heb gekend.'

Jimmy en Dash keken elkaar aan, want ze hadden er nooit bij stil gestaan hoe de andere edellieden over hun vader hadden gedacht.

Ook anderen gaven hun commentaar, en als laatste sprak kapitein Subai. Hij was niet gewend lange toespraken te houden en scheen zich ongemakkelijk te voelen, maar desondanks zei hij: 'De hertog was misschien wel de meest wijze man die ik ooit heb gekend. Hij kende zijn grenzen, maar was tegelijkertijd niet bang die te verleggen. Hij plaatste het welzijn van anderen boven dat van hemzelf. Hij hield van zijn gezin. We zullen hem missen.'  

Subai keek naar Jimmy, die het woord nam. 'Hij was vernoemd naar een groot man.' Daarop knikte hij naar Patrick, die zijn erkentelijkheid betuigde over de verwijzing naar zijn grootvader. 'Hij werd opgevoed door een man die wellicht uniek is in onze geschiedenis. Niettemin wist hij zichzelf te zijn.' Patrick aankijkend vervolgde Jimmy: 'Ik denk er vaak over na hoe het is om de kleinzoon van heer Robert van Krondor te zijn, maar ik heb er zelden bij stilgestaan hoe het moet zijn geweest om zijn zoon te zijn.' De tranen liepen hem nu in de ogen. 'Ik wou alleen dat ik hem had kunnen vertellen hoeveel hij voor me betekende.'

'Ik ook,' zei Dash. 'Ik denk dat ik zijn aanwezigheid altijd als iets vanzelfsprekends heb aanvaard. Ik hoop die fout nooit meer te maken met iemand anders die me dierbaar is.'

De prins stond op en nam een glas van een bediende in ontvangst. Anderen volgden zijn voorbeeld. Ook Jimmy en Dash hieven beiden een glas, en de prins zei: 'Heer Arutha!'

Alle aanwezigen, heer Silden, kapitein Subai en de andere edelen die tot Patricks 'intieme' avondmaal waren genodigd, herhaalden de heildronk en leegden hun glas.

'Deze maaltijd is ten einde, heren,' zei Patrick daarop. Hij trok zich terug en de gasten wachtten een gepaste tijd alvorens zelf de zaal te verlaten.

Jimmy en Dash vertrokken vlak na heer Silden en kapitein Subai. Nadat ze de beide mannen goedenacht hadden gewenst, vertrokken ze naar hun kamers. Jimmy stond op het punt Dash welterusten te zeggen toen er een hofjonker kwam aangerend. 'Heren, alstublieft! Onmiddellijk bij de prins komen!'  

Ze renden achter de hofjonker aan naar het kantoor van de prins. Binnen troffen ze Patrick, staande voor zijn schrijftafel. Zijn gezicht was rood van razernij en in zijn vuist klemde hij een verkreukeld bericht, dat hij heer Silden voorhield. Die pakte het aan, vouwde het open en las. Zijn ogen werden groot. 'Goden!' Met een verslagen blik zei hij zacht: 'LaReu is gevallen.'

'Een soldaat die wist te ontsnappen heeft het gered tot aan Lorièl, met het halve leger van Fadawah ,achter zich aan,' legde Patrick uit. 'Hij stierf nadat hij de boodschap had afgeleverd. Per ijlbode is het bericht daarvandaan naar Zwartheide gebracht en vervolgens hierheen. LaReu is nu al drie weken in vijandelijke handen.' Patricks stem klonk verbitterd. 'We hebben onszelf gefeliciteerd met het gemak waarmee we Sarth hebben ingenomen, maar het was allemaal handel. Hij gaf ons een vissersstad terug met een haven van weinig belang en in ruil nam hij het hart van Yabon! De stad Yabon is nu in groot gevaar en we zijn nog even ver verwijderd van de herovering van Ylith als toen het begon te dooien!'

Het leek erop dat de prins buiten zichzelf ging raken, en ineens werden Jimmy en Dash zich er pijnlijk van bewust hoe hun vader nu werd gemist. Beiden wierpen een blik op Brian Silden, die zwijgend bleef staan, kennelijk bang om te spreken.

'Ik weet het, we moeten bericht naar Yabon sturen!' zei Patrick uiteindelijk. 'We moeten hertog Carl berichten dat hij stand moet houden tot we hem versterking kunnen sturen.' Hij wendde zich tot een bediende. 'Laat onmiddellijk kapitein Subai komen!'  

'En Lorièl?' vroeg Jimmy nadat de bediende haastig het vertrek had verlaten.

'Lorièl houdt stand,' antwoordde Patrick. 'Maar we weten niet hoe lang nog. Fadawah heeft een enorm aantal mannen buiten de muren bijeengebracht en volgens dit rapport wordt er fel gevochten. Misschien is Lorièl inmiddels al gevallen. En volgens het rapport wordt er een vorm van zwarte magie op de verdedigers gericht.'

Jimmy en Dash keken elkaar aan. Alle verslagen over de campagnes van het vorige jaar meldden dat er geen Pantathische serpentpriesters meer waren, maar misschien waren ze voorbarig geweest met deze conclusie. En niets sprak tegen dat de magie het product was van menselijke magisters.  

'We moeten mijn overgrootvader waarschuwen,' zei Jimmy.

'De magiër?' vroeg Patrick. 'Waar is hij?'

'Nog steeds in Elvandar, als alles volgens zijn plannen verloopt. Over een maand zou hij teruggaan naar Sterrewerf.'

Op dat moment kwam kapitein Subai binnen. Patrick legde hem in het kort de situatie uit en vroeg toen: 'Kapitein, kunnen uw boodschappers Yabon bereiken?'  

'Dat wordt moeilijk, Hoogheid. Misschien kunnen we er één door de bergen ten noorden van Lorièl smokkelen. Dan zou hij in contact kunnen treden met de heuvelmensen in Yabon. En een van hen zou verder kunnen trekken naar Elvandar.'

'Vertrek met het eerste licht naar Zwartheide,' gelastte Patrick. 'Haal alle hulp die u nodig hebt en ga noordwaarts. Ik heb niemand anders die ik voor deze taak kan missen. Grijslok en Von Zwartheide rukken op tot Ze bij de vijandelijke stellingen ten zuiden van Ylith zijn. Jimmy, jij gaat Duko opzoeken in het zuiden om hem te informeren hoe we ervoor staan. Krondor is nu een kwetsbare lege huls. We moeten ten koste van alles voorkomen dat de vijand bloed ruikt en de druk verder opvoert. Dash, jij handhaaft de orde in de stad, met welke middelen dan ook. Nu dan, heer Silden, blijf alstublieft om me te helpen de bevelen op te stellen. Heren, de rest van u mag gaan.'

Buiten het verblijf van de prins vroeg Jimmy: 'Kapitein Subai, als ik een boodschap aan mijn overgrootvader schrijf, kunt u er dan voor zorgen dat hij die samen met de andere mededelingen ontvangt?'

'Vanzelfsprekend,' antwoordde de kapitein. 'Ik verwacht dat we morgen bij het eerste licht allebei aan de stadspoort zullen staan. Dan kun je me de brief geven en dan heb ik ook iets voor jou. Tot die tijd: een goede nacht.'  

Jimmy en Dash wensten de kapitein een goede nachtrust. 'Wel, schout,' zei Jimmy toen, 'help mij eens een brief aan overgrootvader op te stellen.'

'Schout?' zei Dash. Met een zucht volgde hij zijn broer.

 

De dageraad zou nog uren op zich laten wachten, maar in het oosten lichtte de hemel al op toen Dash naast zijn broer bij de stadspoort stond.

Op een ander paard zat Malar Enares, de bediende uit het Dromendal, die op een of andere wijze van Jimmy's reis had vernomen. Hij had Jimmy overgehaald hem mee naar het zuiden te laten rijden. Hij had verklaard dat er in Krondor dan wel werk genoeg was, doch slechts weinig betaling, en dat de bedrijfspanden van zijn vroegere meester langs de Keshische grens misschien nog werden gebruikt. Aangezien de man over het algemeen prettig gezelschap was. en vaak goed van pas kwam, had Jimmy ingestemd.

Kapitein Subai kwam aangereden met een compagnie van zijn Padvinders en gaf Jimmy een in oliedoek gewikkelde bundel. 'Dit was je vaders zwaard, Jimmy. Sinds ze zijn lichaam gereed maakten voor de terugreis naar Krondor heb ik het bij me gehouden, omdat ik wist dat het jou als oudste zoon toekwam.'  

Jimmy nam de bundel in ontvangst en maakte hem open. Het gevest was versleten en de schede gedeukt en gekrast, maar de kling was onberispelijk. Toen Jimmy het zwaard trok, zag hij de vage omtrekken van een piepklein krijgshamertje, schijnbaar in het brede stuk van de kling verzonken. Zo had Macros de Zwarte de kling extra kracht gegeven met een talisman van de abt van de Sarthse abdij toen prins Arutha het moest opnemen tegen de moredhelleider Murmandamus. Sinds de dood van de oude prins had het zwaard in de studeerkamer te Krondor gehangen, tot hertog Robert het aan zijn zoon had gezonden. Nu hield Jimmy het in zijn handen. 'Ik weet het niet,' zei hij aarzelend. 'Dit zwaard hoort naar Patrick of de koning te gaan, denk ik.'  

Subai schudde zijn hoofd. 'Nee, als de Prins van Krondor had gewild dat het zwaard naar de koning ging, dan zou dat wel gebeurd zijn. Hij heeft het met een reden in Krondor gelaten.'

Een tijdlang hield Jimmy het wapen eerbiedig vast, gespte toen zijn gordel los en gaf zijn eigen zwaard aan Dash. Vervolgens deed hij zijn vaders zwaardriem om zijn middel. 'Bedankt.'

Dash kwam naast kapitein Subai staan. 'Wilt u er alstublieft voor zorgen dat de koerier die u naar Elvandar stuurt dit bericht aan onze overgrootvader geeft?'

Subai nam de brief in ontvangst en stak hem in zijn tuniek. 'Ik ben die koerier. Ik ga persoonlijk aan het hoofd van de Padvinders die via Yabon naar Elvandar reizen.'

'Bedankt,' zei Dash.

'Als we elkaar niet meer ontmoeten, jongeheer Jimmy, het is me een eer geweest,' nam Subai afscheid.

'Veilige reis, kapitein,' zei Jimmy terug.

De Padvinders reden de poort uit, in ontspannen draf richting oosten. Jimmy keek zijn broer aan. 'Pas goed op jezelf, broertje.'  

Dash stak zijn hand omhoog om die van zijn broer te schudden. 'Jij ook een veilige reis, grote broer. Ik weet niet hoe lang het gaat duren voordat we elkaar terugzien, maar ik zal je missen.'

Jimmy knikte. 'Brieven aan moeder en de rest van de familie zitten in de buidel voor Rillanon. Zodra ik weet waar ik word gestationeerd, stuur ik bericht.'

Zwaaiend nam Dash afscheid toen Jimmy met zijn compagnie de poort uit reed. Daarna ging hij het kasteel weer in. Over een uur had hij een bespreking met onder meer de prins en heer Brian. Daarna moest hij beginnen met het brengen van rust en orde in de stad, terwijl Jimmy zuidwaarts naar Vykorhaven reed.