5 Bekentenissen
Arutha fronste zijn wenkbrauwen.
Staande in de deuropening nam Puc even de tijd om naar de Hertog van Krondor te kijken voordat hij zachtjes zei: 'Kan ik je even spreken?'
Arutha keek op en wuifde hem binnen. 'Grootvader. Natuurlijk.'
'Je maakte een afwezige indruk,' merkte Puc op, plaatsnemend in een stoel tegenover de grote eikenhouten tafel waaraan Arutha werkte.
'Dat kan wel kloppen.'
'Jimmy en Dash?'
Arutha knikte en keek uit het raam naar de warme voorjaars middag. Zijn ogen lagen diep weggezonken in hun kassen en er stonden donkere kringen onder, als gevolg van het slaapgebrek dat hem al plaagde sinds hij zijn zoons het gevaar in had gestuurd. Er zat grijs in Arutha's haar, meer dan Puc nog maar een maand geleden had gezien. Arutha keek Puc aan en vroeg: 'Je wilde me spreken?'
'We hebben een probleem.'
Arutha knikte. 'Vele. Welke wilde je bespreken?'
'Patrick.'
Meteen stond Arutha op, liep rond de tafel naar de deur en keek naar buiten. In het andere vertrek zaten twee klerken over documenten gebogen, lezend in verslagen en voorraadlijsten. Ze gingen volledig op in hun werk. Hij deed de deur dicht, keerde terug naar zijn zetel en vroeg: 'Wat is je voorstel?'
'Ik stel voor dat jij een boodschap aan de koning stuurt.'
'En wat moet er in die boodschap komen te staan?' Arutha keek de magiër strak aan.
'Dat ik denk dat het Westen een andere bevelhebber behoeft.'
Arutha zuchtte, wat de vermoeidheid, spanningen, zorgen en twijfels van de man welsprekender uitdrukte dan een begaafd redenaar in een uur tijd kon doen. Voordat Arutha nog maar een woord had gesproken wist Puc al wat de uitkomst van dit gesprek zou zijn. Niettemin viel hij de hertog niet in de rede toen deze zei: 'De geschiedenis leert ons dat het maar zelden voorkomt dat de beste man op de juiste plaats terechtkomt. Ook leert ze ons dat als de anderen hun werk goed doen, de schade uiteindelijk wel meevalt.'
Puc boog zich voorover en bracht zijn duim en wijsvinger vlak bij elkaar. 'We zijn nog maar zo ver verwijderd van een oorlog met Groot Kesh. Lijkt het je niet verstandig om eerst het huidige conflict uit de weg te ruimen voordat we aan een nieuw beginnen?'
'Wat ik vind doet niet ter zake,' zei Arutha. 'Ik ben raadgever van de prins, maar het is zijn rijk. Ik mag alleen de lopende zaken voor hem regelen.'
Geruime tijd bleef Puc Arutha zwijgend aanstaren.
Ineens verloor Arutha zijn geduld en sloeg met zijn hand op het tafelblad. 'Ik ben verdomme niet mijn vader!'
'Dat heb ik ook nooit beweerd,' zei Puc. 'En evenmin dat je dat zou moeten zijn.'
'Nee, maar je dacht wel: "Hoe zou Robert hiermee om zijn gegaan?'"
'Het was je moeder die gedachten las, Arutha,' zei Puc, 'niet ik.'
Arutha leunde voorover. 'Jij bent mijn grootvader, maar ik ken je nauwelijks.' Hij keek naar het plafond, alsof hij daar het antwoord op zijn vragen zou kunnen vinden. 'En dat betekent dat jij mij ook nauwelijks kent.'
'Je bent opgegroeid aan de andere kant van het Koninkrijk, Arutha. We konden elkaar slechts van tijd tot tijd zien, en -'
'Het is zwaar om op te groeien te midden van legenden,' zei Arutha. 'Wist je dat?'
Puc haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet zeker -'
'Mijn vader was Robbie de Hand, een dief die het geschopt heeft tot machtigste edelman van het Koninkrijk. Ik ben vernoemd naar de man die wordt beschouwd als de meest briljante heerser die het Westelijke Rijk ooit heeft gekend. Bij meerdere gelegenheden heb ik met de koning gesproken over hoe het is om de zoon van zulke mannen te zijn.' Arutha wees met een vinger naar de magiër. 'En jij, jij ziet eruit als mijn zoon. Je ziet er nu jonger uit dan toen ik klein was. Je bent een mysterieus en angstwekkend persoon aan het worden, grootvader. ''Puc, de Eeuwige Tovenaar!" De man die ons tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring redde.' Hij zweeg even, zijn woorden wegend. 'Voordat Borric koning werd heeft hij me eens verteld dat wij een heel andere rol te spelen zouden krijgen dan die van onze vaders. Arutha kreeg plotseling het bevel over Schreiborg, in een situatie die vroeg om handelen zonder aarzelen, zonder twijfel. Mijn vader was het brutale joch dat Arutha redde en zijn trouwste raadsman en vriend werd. Met zijn tweeën hadden ze overal een antwoord op.'
Puc schoot in de lach. 'Ik weet zeker dat ze daar onmiddellijk tegen in zouden brengen dat zij net zo goed twijfels kenden en vergissingen maakten, Arutha.'
'Misschien wel, maar de resultaten logen er niet om. Als kind in Rillanon hoorde ik altijd de verhalen, verteld ter vermaak van de oosterse edelen die nog nooit een voet in Krondor hadden gezet, laat staan aan de Verre Kust. Over prins Arutha, die Schreiborg had gered van het Tsuranese leger en naar Krondor was gereisd waar hij zijn prinses Anita vond. Over mijn vader, die meehielp om hen beiden de stad uit te smokkelen en die later graaf Kasumi hielp om de koning te spreken te krijgen.' Arutha werd bedachtzaam. 'Ik ken het verhaal van de vogelvrije moredhel en de schurkachtige magiër van Kelewan. Mij is verteld over de aanval op de Traan der Goden. Ik heb gehoord van de Kruiper, die de Snaken probeerde over te nemen, en alle andere verhalen uit mijn vaders roekeloze jeugd.' Hij keek Puc aan. 'Ik was geen edelman die droge verslagen las, maar een jongen die de verhalen uit de mond van zijn vader hoorde.'
'Wat probeer je me duidelijk te maken?' vroeg Puc. 'Dat je je niet tegen de taak voelt opgewassen?'
'Niemand is opgewassen tegen de problemen die het Koninkrijk op dit moment teisteren, grootvader.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Zelfs jij niet.'
Puc haalde diep adem. 'Dus Patrick weigert Sterrewerf op te geven?'
'Hij wil het allemaal terug, grootvader. Hij wil Krondor nog tijdens zijn leven uit de as laten herrijzen, mooier dan ooit. Hij wil dat Kesh zich tot de laatste man terugtrekt uit het dal. Hij wil de Bitterzee schoonvegen van Quegse overvallers en Keshische piraten. En als Borric uiteindelijk overlijdt, wil Patrick naar Rillanon gaan om de Kroon van hem over te nemen en de geschiedenis in te gaan als de beste prins die het Westen ooit heeft gehad.'
'Hoed ons voor monarchen die lijden aan ijdelheid,' zei Puc.
'Geen ijdelheid, Puc. Angst.'
Puc knikte. 'Jonge mannen vrezen vaak mislukking.'
'Ik kan zijn angst wel begrijpen,' zei Arutha. 'Als ik maar een andere naam had gekregen, Joris, Hendrik, Jan of Willem, maar nee, ik werd vernoemd naar de man die mijn vader het allermeest bewonderde.'
'Prins Arutha was een zeer bewonderenswaardig man. Van alle mensen die ik heb gekend, was hij een van de meest getalenteerde.'
'Een feit waarvan ik me pijnlijk bewust ben.' Arutha leunde achterover, alsof hij zocht naar steun. 'Als Arutha nog prins was en mijn vader nog steeds hertog, zouden Patricks dromen over herwonnen glorie misschien mogelijk zijn. Maar nu...'
'Nu wat?' vroeg Puc.
'Wij zijn minder dan zij.'
Pucs gezicht betrok. 'Je bent moe. Je bent moe en je maakt je zorgen over de jongens.' Hij stond op. 'En over Patrick en het Koninkrijk, en over alles wat er ook maar in het leven is om je zorgen over te maken.' Hij boog zich over de schrijftafel heen. 'Maar weet één ding: je kunt het. En zolang jij mijn kleinzoon bent, zal ik je dat niet laten vergeten. De jongens zijn mijn achterkleinzoons. Gamina mag dan niet mijn biologische dochter zijn geweest, maar ik hield van haar met heel mijn hart, en mijn liefde voor al haar kinderen en kleinkinderen is er niet minder om.' Hij reikte over de tafel heen en legde zijn hand op Arutha's schouder. 'Vooral mijn liefde voor jou.'
Onverwachts werden Arutha's ogen vochtig. 'Voor mij?'
'Je mag dan niet zo veel op je vader lijken als je zou willen, maar je lijkt meer op je moeder dan je ooit zult weten,' zei Puc zacht. Hij haalde zijn hand weg en draaide zich om. 'Ik zal je alleen laten. Rust uit en kom vanavond bij me eten wanneer je je wat frisser voelt.' Bij de deur keek hij om. 'Maak je niet al te veel zorgen over de jongens. Die lopen niet in zeven sloten tegelijk.' Hij deed de deur open en vertrok, de deur achter zich sluitend.
Arutha, Hertog van Krondor, dacht na over hetgeen zijn grootvader hem zojuist had verteld. Uiteindelijk gunde hij zich de luxe van een diepe zucht en richtte zich weer op het werk dat voor hem lag. Misschien moest hij inderdaad maar eens een dutje doen vóór de maaltijd van die avond. Terwijl hij naar het verslag boven op de stapel staarde, dacht hij: het zijn bekwame jongens. Waarschijnlijk heeft grootvader gewoon gelijk en maken ze het goed.
Jimmy's hoofd schoot met een ruk naar achteren toen de soldaat hem met zijn gebalde vuist vol raakte. Zijn ogen traanden van de pijn en even kleurde de wereld rood. Zijn knieën knikten en hij voelde zich onderuit gaan, maar de twee andere bewakers achter hem hielden hem overeind.
'Goed,' zei de ondervrager, sprekend in de Koninkrijkse taal maar met een zwaar accent. 'Opnieuw:' Hij zweeg even. 'Waarom zijn jullie Krondor binnengeslopen?'
Malar werd vastgehouden door twee andere soldaten. Zijn neus bloedde en zijn rechteroog was opgezwollen, want hij was bij het verhoor al aan de beurt geweest. Jimmy was blij dat Dash en hij hem niets hadden verteld.
Zijn hoofd schuddend antwoordde Jimmy: 'Heb ik al gezegd. Ik ben een huurling uit het Oosten en dit is mijn oppasser. Ik ben op zoek naar werk.'
'Foute antwoord,' zei de man en hij gaf Jimmy weer een dreun. Jimmy's benen weigerden hem nog langer te dragen en hij zakte ineen, zodat hij nu met zijn volle gewicht in de greep van de twee soldaten hing. Hij spuwde bloed, en door snel opzwellende lippen zei hij: 'Wat wil je dan dat ik zeg?'
'Aan alle huurlingen buiten de muren is gezegd uit Krondor weg te blijven. Als je een vrijbuiter was, zou je dat weten.' Hij knikte, waarop de twee mannen naar de muur liepen en Jimmy op de grond lieten zakken. De man knielde voor hem neer en bracht zijn gezicht vlak bij dat van Jimmy. Het was een bruut van een kerel met borstelige wenkbrauwen en dik zwart haar dat over zijn schouders hing. Hij had een korte zwarte baard en van zo dichtbij kon Jimmy zien dat hij een hele verzameling littekens op zijn hals en schouders had. Ruw greep hij Jimmy bij de haren. 'Je bent of niet goed bij je hoofd, of een spion. Welke van de twee is het?'
Even zweeg Jimmy, voor het dramatische effect, en zei toen langzaam: 'Ik was op zoek naar mijn broer.'
De soldaat stond op en beduidde de andere twee Jimmy op te pakken en naar een stoel te dragen. Ze bevonden zich in een grote slaapkamer van een herberg, verbouwd tot een soort cel. De vorige avond waren Jimmy en Malar daarheen gesleept en het verhoor was meteen begonnen. Een uur lang waren ze routineus ondervraagd en geslagen, en daarna alleen gelaten. Net toen ze zich durfden te ontspannen, ging de deur weer open en begon het ondervragen opnieuw: Jimmy wist dat dit merkwaardige tijdsschema opzettelijk was, bedoeld om hen van hun stuk te brengen. Ondanks de openlijke bruutheid van de man die hen ondervroeg, was het hele proces subtiel en goed uitgedacht, ontworpen om hen te desoriënteren zonder hen al te zeer in verwarring te brengen. Het was een methodische aanpak die vergissingen en tegenstrijdigheden
genadeloos aan het licht bracht. Jimmy had zijn uiterste best gedaan zo'n fout te voorkomen en de situatie in zijn voordeel te keren. Hij was bang dat ze Dash al in hechtenis hadden genomen. Als dat inderdaad het geval was, sloot de bekentenis dat hij zijn broer zocht precies aan bij Dash' arrestatie. Bovendien was het in zekere zin de waarheid, en de waarheid kwam altijd veel overtuigender over dan de listigste leugen.
'Je broer,' vroeg de man, zijn vuist klaar voor een volgende slag. 'Welke broer?'
'Mijn jongere broer.' Jimmy leunde achterover op de stoel en liet zijn linkerarm over de rugleuning bungelen om zich overeind te houden. Hij zweeg geruime tijd en toen de ondervrager met zijn vuist begon te dreigen, flapte hij eruit: 'Een paar mijl buiten de stad zijn we overvallen door bandieten. We zijn elkaar toen kwijtgeraakt. De bandieten zijn achter hem aangegaan, dus zijn we omgekeerd om hen te volgen. We wisten de bandieten te ontwijken toen ze weer onze kant op kwamen, zodat we weten dat ze hem niet te pakken hadden gekregen. Ze hadden namelijk zijn paard niet bij zich, en het was een goed paard, dus dat zouden ze zeker hebben gehouden.' Hij slikte. 'Mag ik wat water?'
De leider van de soldaten knikte en een van de bewakers verliet de kamer om even later terug te komen met een beker water. Jimmy dronk gretig en wees toen op Malar. De man die Jimmy ondervroeg knikte en de bediende kreeg ook een beker te drinken.
'Ga verder,' gelastte de verhoorder.
'We hebben buiten in alle kampen navraag gedaan. Niemand had hem gezien.'
'Misschien hebben ze hem zijn strot al afgesneden.'
'Niet mijn broer,' zei Jimmy.
'Hoe weet je dat nou?' vroeg de bruut.
'Omdat ik dat weet. En omdat degene die hem zijn strot had afgesneden, dan nu zijn laarzen aan zou hebben.'
De man keek naar Jimmy's voeten en knikte. 'Goede laarzen.' Hij gebaarde naar een van de mannen in de kamer, die naar buiten ging en een ogenblik later terugkeerde met een zak, die hij omkeerde zodat de inhoud op de vloer viel. 'Zijn die van je broer?' vroeg de ondervrager.
Jimmy keek naar de laarzen. Hij hoefde ze niet eens op te pakken; ze waren van Dash: beide broers hadden ze in Rillanon bij dezelfde laarzenmaker besteld. 'In de linker zie je het merk van de laarzenmaker, een kleine stierenkop.'
De man knikte. 'Heb ik gezien.'
'Leeft mijn broer nog?'
Weer knikte de man. 'Twee dagen geleden nog wel. Toen is hij ontsnapt.'
Ondanks zichzelf moest Jimmy glimlachen. 'Ontsnapt?'
'Met drie anderen.' De man keek Jimmy een tijdlang aan en zei: 'Neem ze mee.' Daarop draaide hij zich om en liep de kamer uit. Vlug werden Jimmy en Malar achter hem aan gevoerd, een bewaker aan weerszijden.
Ze werden naar de vroegere gelagkamer van de herberg gebracht. Eindelijk herkende Jimmy de omgeving. Hij bevond zich in de restanten van een zeer luxe herberg genaamd de Zeven Juwelen, niet zo ver van het centrum van het Koopmanskwartier, op slechts een paar straten afstand van Barrets Koffiehuis, waar de grote financiële transacties in het Westelijke Rijk werden gesloten. Jimmy keek om zich heen en kwam tot de slotsom dat de herberg de verwoestingen redelijk had doorstaan. Er was veel rookschade en alle wandtapijten die het gebouw hadden gesierd waren weg, maar het meubilair was nog heel en de kamers konden nog steeds worden afgesloten. Hij was ondervraagd in een van de opslagruimten bij de keuken en werd nu naar een van de hoeken van de gelagkamer gebracht, een brede nis die door een gordijn van de rest van de ruimte werd gescheiden.
In de nis zaten drie mannen, allen duidelijk militairen. De man in het midden las een perkament, een rapport over het een of ander, vermoedde Jimmy. De ondervrager liep naar hun tafel en boog zich eroverheen, met zachte stem sprekend. De man in het midden keek op naar Jimmy en knikte naar de ondervrager, die vertrok, Jimmy alleen met de drie mannen achterlatend. Ze schenen geheel verdiept in het papierwerk dat voor hen op tafel lag en lieten Jimmy lange tijd staan voordat de middelste man zijn aandacht weer op hem richtte. 'Je naam?' vroeg hij.
'Ik heet Jimmy.'
'Jimmy,' herhaalde de man, alsof hij de klank beproefde. Onderzoekend keek hij Jimmy aan en Jimmy keek terug. Het was een man van middelbare leeftijd, vermoedelijk achter in de veertig of begin vijftig. Hij verkeerde zichtbaar in goede conditie, al waren zijn harde spieren wat magerder geworden door de ontberingen in het veld. Zijn uiterlijk was dat van een strijder, van zijn grijzende donkere haar, in een staart gebonden om het uit zijn ogen te houden, tot de harde lijn van zijn glad geschoren kin. Ergens kwam hij Jimmy vaag bekend voor. Toen besefte hij met een schok dat de man hem in zijn manier van doen en spreken deed denken aan prins Arutha, zoals Jimmy hem zich herinnerde uit zijn jeugd. Hij had iets hards over zich dat geen flauwekul tolereerde, iets wat wees op een berekenende intelligentie die nimmer mocht worden onderschat. 'Je bent een spion,' zei de man, 'daar ben ik vrijwel zeker van.' Hij sprak de Koninkrijkse taal, met slechts een licht accent.
Jimmy zei niets.
'De vraag is nu of je een slechte spion bent of juist een buitengewoon slimme.' Hij zuchtte, alsof hij erover nadacht. 'Jouw broer, als hij dat in werkelijkheid is, was een veel betere spion dan ik had gedacht. Ik liet hem observeren, maar hij wist niettemin te ontsnappen. We wisten van het riool onder de muren, maar niet van die bepaalde ingang. Eenmaal daarbinnen, was hij verdwenen.' De soldaat keek Jimmy aan alsof hij hem taxeerde. 'Die vergissing zal ik niet nogmaals maken.' Hij pakte een beker van tafel en nam een slok.
Jimmy was onder de indruk van 's mans taalgebruik, want al sprak hij vrijwel accentloos, het was duidelijk dat het Koninkrijks niet zijn moedertaal was. Hij praatte met de geoefende precisie van iemand die de taal op latere leeftijd had geleerd.
'Ik heb kunnen vaststellen dat de laarzen die volgens jou aan je broer toebehoren zijn gemaakt door een bekende schoenmaker te Rillanon, de hoofdstad van jouw land,' zei de man toen. 'Is dat juist?'
Jimmy knikte. 'Dat klopt.'
'Zou het onredelijk zijn te veronderstellen dat gewone huurlingen doorgaans niet in het bezit zijn van dergelijke laarzen, tenzij ze in feite geen gewone huurlingen zijn?'
'In het geheel niet onredelijk,' antwoordde Jimmy. De man die met hem sprak gaf een van zijn twee metgezellen een teken, waarop die de nis verliet, een stoel ging halen en Jimmy plaats liet nemen. Jimmy bedankte met een knikje en zei: 'Zou het erg onbescheiden zijn als ik beweerde dat wij ongewone huurlingen zijn?'
'Niet in het minst,' antwoordde de man. 'Al zou het rieken naar onoprechtheid.'
'Ik ben overgeleverd aan uw genade,' zei Jimmy. 'Of ik een spion ben of niet doet nauwelijks ter zake. U kunt mij naar believen laten doden.'
'Dat is waar, maar moord trekt mij niet zo aan. Daar heb ik in de afgelopen twintig jaar al meer dan genoeg van gezien.' Hij gebaarde naar dc man die naast hem zat, en die kwam uit zijn stoel om Jimmy een beker water aan te bieden. 'Het spijt mij dat we niets smaakvollers hebben, maar het is in ieder geval schoon. Een van de voornaamste bronnen in het noorden is schoongemaakt en levert nu weer drinkwater. Jullie hertog Robert had niets achtergelaten dat wij konden gebruiken.'
Jimmy veinsde onverschilligheid bij het horen van zijn grootvaders naam. Deze man was wel bijzonder goed op de hoogte van de zaken in Krondor en het Koninkrijk, dat hij wist over hertog Robert en de bekende laarzenmaker in Rillanon.
'Maar we redden ons wel,' sprak de man verder. 'Het kost ons enige moeite de arbeiders te eten te geven, maar de visvangst is goed en we hebben kooplieden bereid gevonden ons voedsel te verschaffen in ruil voor de weinige schatten die we in Krondor hebben gevonden.'
Jimmy was geïntrigeerd. En op zijn hoede. De man kwam overeind. 'Kun je lopen?'
Jimmy stond op en knikte. 'Dat lukt me wel.'
'Mooi. Kom dan met mij mee.'
Jimmy volgde de man door het vertrek en de deur van de herberg uit. Buiten stond de middagzon helder aan de hemel en Jimmy knipperde met zijn ogen.
'We zullen moeten lopen, vrees ik. Paarden vormen een vast onderdeel van ons huidige dieet.' Hij wierp een blik op Jimmy. 'Al worden er enkele bewaard voor berichtenverkeer.'
Ze liepen door een drukke straat. Tussen de vele soldaten waren hier en daar arbeiders te zien, en zowaar ook enkele vrouwen. Allen schenen druk met hun taken, en nergens viel ook maar een enkele dronkaard, prostitué, oplichter of bedelaar te bekennen. Opvallend afwezig waren ook de straatkinderen, die normaal in luidruchtige groepjes door de armen- en arbeiderswijken van de stad trokken.
'Als ik vragen mag,' zei Jimmy, 'waar is mijn oppasser?'
'Die maakt het goed,' antwoordde de man. 'Maak je over hem maar geen zorgen.' Hij kwam naast Jimmy lopen en zei: 'Jimmy, als je een spion bent, vraag je je natuurlijk af wat wij hier in Krondor aan het doen zijn.'
'Die vraag is bij mij opgekomen, ja,' reageerde Jimmy. 'Want ook als ik geen spion ben, is het zonneklaar dat er hier meer aan de hand is dan alleen maar de voorbereidingen op een voorjaarsoffensief. Er staan soldaten buiten de muren te trappelen om in dienst te treden, maar jullie nemen hen niet aan. Er wordt veel constructiewerk verricht, maar lang niet alles is van militaire aard.' Hij wees naar een gebouw waar twee soldaten een nieuwe deur in de scharnieren hingen. 'Het is alsof jullie je permanent in Krondor willen vestigen.'
De man glimlachte en weer deed hij Jimmy denken aan de oude prins, want deze man had dezelfde cryptische halve glimlach die Arutha had getoond wanneer hij ergens de humor van inzag. 'Een goede observatie. Ja, we zijn niet van plan binnenkort weer te vertrekken.'
Jimmy knikte, en had daar meteen spijt van, want zijn hoofd deed nog zeer van de klappen die hij had gekregen. 'Maar jullie wijzen huurlingen af die jullie kunnen helpen hier te blijven zitten wanneer het leger van de prins terugkomt.'
'Hoeveel spionnen bevinden zich er onder die groep buiten?' vroeg de man.
'Ik zou het niet weten.' Jimmy haalde zijn schouders op. 'Maar niet veel, wed ik.'
'Waarom niet?'
'Omdat niemand uit het Koninkrijk zich kan uitgeven voor iemand van jullie. We spreken jullie taal niet.'
'Er zijn enkelen die dat wel doen,' zei de officier. 'Sommige landgenoten van jou zijn jaren in onze dienst geweest. Zo was er een groep die zich Caelis' Vlammende Adelaars noemde, voor de val van Maharta. Inmiddels weten we dat het Koninkrijkse spionnen waren.' Ze waren bij de stadsmuur gearriveerd. De officier gaf Jimmy een teken met hem de trap op te lopen naar de borstwering. Onderwijl sprak hij verder. 'Wij, de bevelvoerders, hebben nooit een duidelijk beeld van deze campagne gehad. Om te kunnen begrijpen wat er van ons is geworden, moet je eerst weten wat we waren.' Boven aangekomen, beduidde de man hem mee te komen. Ze liepen naar een pas opgeknapt stuk muur, waar de stenen met nieuwe mortel stevig op hun plaats waren gezet. De man gebaarde naar het gebied buiten de muur, in oostelijke richting. 'Daar ligt een land, jouw Koninkrijk.' Hij draaide zich om en keek Jimmy indringend aan. 'Waar ik vandaan kom, kenden we die staatsvorm niet. Daar bestonden stadstaten, bestuurd door mensen van laag of hoog allooi, inhalig of vrijgevig, wijs of dwaas. Maar geen enkele heerser kon zijn macht laten gelden buiten een gebied waarvan de grens in een week door een ruiter kon worden bereikt.' Hij wees naar Jimmy. 1ullie hebben iets in je hoofd. Een idee van een natie. Dat is een idee dat mij hoogst intrigeert, boeit zelfs. Het idee dat mensen die op meer dan een maand reizen van een heerser hun trouw aan die heerser zweren en bereid zijn voor die heerser te sterven -' Hij onderbrak zichzelf. 'Nee, niet voor die heerser, maar voor die natie. Dat is een hoogst verrassend idee. Ik heb deze winter veel tijd doorgebracht met het spreken met degenen onder onze gevangenen die mij konden onderwijzen, mannen en vrouwen met de nodige opleiding of ervaring die me wilden helpen het concept van een dergelijk Koninkrijk te leren begrijpen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Het is iets grandioos, die natie van jullie.'
Jimmy haalde zijn schouders op. 'Wij nemen het eigenlijk als vanzelfsprekend aan.'
'Dat begrijp ik, want jullie hebben nooit anders geweten.' De man keek uit over de muur. Beneden strekte een zee van tenten en primitieve hutjes zich uit. Er brandden kampvuren en overal klonken menselijke geluiden: gelach, geschreeuw van woede, de stemmen van venters, een huilend kind. 'Maar voor mij is het idee van iets groters dan ik kan innemen en bezet houden - voor mijn werkgever of voor mezelf - iets wonderbaarlijks.'
De wind wakkerde iets aan en voerde de geur van zout en houtskool met zich mee. 'Zeg eens,' zei de man, 'waarom is deze stad hier gebouwd?' Hij wierp een blik westwaarts. 'Dit is misschien wel de slechtste haven die ik ooit heb gezien.'
Weer haalde Jimmy zijn schouders op. 'Het verhaal gaat dat de eerste Prins van Krondor genoot van het uitzicht op de zonsondergang vanaf de heuvel waarop het paleis is gebouwd.'
'Prinsen,' zei de man, zijn hoofd schuddend. Hij slaakte een luide zucht. 'We zijn die verschrikkelijke haven aan het ruimen met hulp van zogenaamde Bergers, die hun magie aanwenden om de scheepswrakken te lichten. Eens in de drie dagen halen we er een boven, dus voor de volgende winter is de haven vrij.'
Jimmy zei niets.
'We weten dat jullie de restanten van jullie vloot verzamelen in de Baai van Shandon, bij het dorp dat jullie Vykorhaven noemen. Wij hebben geen vloot, maar straks wel schepen, en daarmee kunnen we de stad verdedigen.'
'Mag ik vragen waarom?'
'Omdat we nergens anders heen kunnen.'
Jimmy keek de man aan. 'En als er wel een weg terug naar huis was?'
'Er is daar niets.' Hij keek naar het oosten. 'Daar ligt mijn toekomst, goedschiks of kwaadschiks.' Vervolgens ging zijn blik westwaarts. 'Daar ligt een land dat door twintig jaar oorlog is geruïneerd. Geen stad van enige grootte. De paar die er nog zijn, zijn primitieve nederzettingen, nauwelijks welvarender dan Krondor nu het in de as ligt. Het zijn stadstaten van onbeduidende mensen zonder toekomstvisie. De ene dag is gelijk aan de andere.' Hij draaide zich om naar Jimmy en keek hem lange tijd onderzoekend aan. 'Volgende Midzomerdag word ik tweeënvijftig Jaar, Jongen. Ik ben al sinds mijn zestiende soldaat. Zesendertig jaar lang heb ik al gevochten. Dat is een verdomd lange tijd om door te brengen met moord en doodslag.' Hij leunde op de borstwering, alsof hij moe was. 'De laatste twintig jaar heb ik gediend onder demonen of kwalijke goden, welke van de twee weet ik niet precies, maar wel dat het leger van de Smaragden Koningin bestond uit mannen die waren bedrogen door duistere krachten, gelokt met beloften van rijkdom, macht en onsterfelijkheid... Of gedreven door angst.' Hij sloeg zijn ogen neer, alsof hij Jimmy niet recht aan wilde kijken. 'Ik was erg ambitieus toen ik jong was. Ik stond te popelen om mijn naam te vestigen. Op achttienjarige leeftijd richtte ik mijn eigen korps op. Toen ik twintig was, voerde ik het bevel over duizend man. Eerst was ik blij om de Smaragden Koningin te dienen. Haar leger was het grootste dat mijn land had gekend. Met de veroveringen kwamen buit, goud, vrouwen, meer rekruten.' Met gesloten ogen dacht hij eraan terug. 'Maar na een poosje besef je dat de jaren voorbij vliegen. Dan heb je geen interesse meer in het geklets van vrouwen en ontdek je dat je maar een beperkte hoeveelheid goud met je mee kunt dragen. En bovendien kun je er toch niets anders mee doen dan nog meer manschappen inhuren.'
Hij wees met zijn duim over zijn schouder, naar het noorden. 'Daarginds zit mijn oude vriend Nordan, in mijn rug. Als ik Fadawah goed genoeg ken, moet ik hier blijven zitten om tot poeder te worden vermalen door het terugkerende leger van de Prins van Krondor. Ik moet hem ophouden en hem laten bloeden terwijl Nordan ten noorden van hier een barrière over de heerbaan legt om in Sarth stand te kunnen houden.' Hij wierp een blik over zijn schouder, alsof hij de stad in de verte kon zien liggen. 'Dat is een walgelijk goed te verdedigen stelling, die verlaten abdij. Als hij zich daar eenmaal heeft verschanst, kost het jouw prins een heel jaar om hem uit te graven.' Hij keek Jimmy weer aan. 'En ondertussen neemt Fadawah jullie stad LaReu in. Dit jaar rukt hij niet meer verder op naar Yabon, maar neemt er genoegen mee zich ten zuiden van die stad in te graven. Van daaruit kan hij de inwoners een jaar lang uithongeren. Hij heeft de middelen om te voorkomen dat er versterkingen en voorraden binnen worden gebracht en onderwijl jullie troepen in het zuiden af te slaan.' .
'Waarom vertelt u me dit allemaal?' vroeg Jimmy.
'Of je nu een spion bent of niet, ik wil dat je een boodschap voor me overbrengt naar de prins. Ik geloof dat hij nog steeds in Zwartheide is, maar twijfel er niet aan dat hij zijn troepen op niet meer dan een dagrit naar het oosten heeft gebracht. Ik zal je laten escorteren naar een gunstig punt en je daar loslaten.'
'Waarom niet gewoon een boodschap sturen via een koerier?' vroeg Jimmy.
'Omdat ik denk dat jij een spion bent en ik denk dat jij eerder wordt geloofd. Als ik een van mijn eigen mannen stuur, of een gevangene die voor de prins en zijn mannen een onbekende is, kan het te lang duren om hem te overtuigen van mijn bedoelingen. En tijd is een luxe die geen van ons zich kan permitteren.'
'U bent generaal Duko,' zei Jimmy.
De man knikte. 'En ik ben er door een van mijn oudste kameraden op uitgestuurd om te sneuvelen. Fadawah en ik hebben samen in verscheidene campagnes gediend sinds we nog maar net oud genoeg waren om ons te scheren. Maar hij vreest mij en dat is mijn doodvonnis.'
'Wat wilt u dat ik tegen prins Patrick zeg?'
'Ik wil hem een aanbod doen.'
'Wat voor een aanbod?'
'Ik wens te onderhandelen over een schikking van onze geschillen.'
'U wilt zich overgeven?'
'Zo simpel ligt het niet, ben ik bang.' Op het gezicht van de generaal verscheen een halve glimlach die Jimmy tegelijkertijd geruststellend en onrustbarend vond. 'Patrick zou me naar alle waarschijnlijkheid samen met mijn mannen in een kamp proppen, om ons terug naar Novindus te verschepen zodra hij daar de middelen voor kan vinden. En dat kan nog jaren duren.'
'Jullie lopen over naar onze kant?'
'Niet helemaal. Of ik me nu overgeef of in zijn dienst zijn goud aanneem, in beide gevallen zou ik uiteindelijk gedwongen zijn scheep te gaan terug naar een land waar geen plaats meer voor me is. Nee,Jimmy, ik ben op zoek naar een andere oplossing. Ik ben op zoek naar een toekomst, voor mezelf en voor mijn mannen.'
'Maar wat wilt u dan dat ik de mannen van de prins vertel?'
'Zeg hun dat ik de manschappen hier in Krondor zelf heb uitgezocht. Zeg hun dat degenen over wie ik mijn bedenkingen had zijn achtergebleven bij Nordan. Ik kan onvoorwaardelijk instaan voor mijn mannen.' Hij keek Jimmy recht aan. 'Zeg tegen jouw Prins van Krondor dat ik trouw zal zweren aan de kroon in ruil voor land en een titel. Geef mij een landgoed en een inkomen en ik leid het leger noordwaarts voor een bezoekje aan mijn oude vrienden Nordan en Fadawah.'
Geruime tijd viel Jimmy stil, zowel ontzet door dit voorstel als verbaasd over de logica ervan. Hij schudde zijn hoofd. 'Ik weet niet wat hij ervan zal zeggen.'
'Maar als we dat wisten, hoefden we jou niet te sturen, wel?'
Jimmy schudde opnieuw zijn hoofd.
'Kom, neem iets te eten en vertrek zodra het licht wordt.' Hij ging Jimmy voor de trap af.
Kijkend naar de rug van de man overwoog Jimmy diens wensen. In één adem had hij zijn prijs genoemd: vergeving voor de aanval op het Westelijke Rijk en bovendien nog een adellijke titel, graaf of baron van een streek in het Westen, en daarmee de macht om over die streek te heersen. Voor de derde maal schudde Jimmy het hoofd. Zou Patrick dat doen, of zou hij in zijn opvliegendheid de mannen aan weerszijden van deze muur verdoemen tot nog meer zinloos bloedvergieten?
Dash dronk van de waterige soep. 'En toen?' vroeg hij.
'We hebben misschien wel een week of langer in die kelder gezeten. Moeilijk te bepalen als het de hele tijd stikdonker is.' De oude man wilde de drinkkom die hij met zijn ernstig misvormde hand beethield wegzetten, en de jonge vrouw schoot hem te hulp voordat de kom op de grond viel. 'Dank je, Trina,' zei hij.
Zijn stem was al even gehavend als zijn gezicht, maar Dash was inmiddels gewend aan het geluid en kon hem goed verstaan. De drie mannen met wie Dash het riool was ingegaan, had hij nog steeds niet teruggezien en hij zat nu alleen met de oude man en de dievegge rond een eenvoudige houten tafel.
'Hoe spreek ik u aan?' vroeg Dash.
'Je grootvader is me altijd Lysle blijven noemen. Die naam had ik al langer niet meer gebruikt dan ik me kon herinneren, maar hij volstaat. Ik heb er in mijn leven al zo veel gehad dat ik nog maar amper weet welke mijn echte is.'
'Lysle, u vertelde over mijn grootvader en grootmoeder.'
'Robert stak de petroleum aan die hij in het rioolstelsel had laten lopen. We wisten dat het kantje boord zou worden en dat bleek ook te kloppen. Ik was eerder dan zij in de vluchttunnel, en toen de boel ontplofte werd ik eruit geslingerd als een kurk uit een fles bubbelwijn. Zoals je ziet was ik ernstig verbrand en de helft van mijn botten waren gebroken, maar ik ben een taaie rakker:
'En we vonden een genezingspriester die hem heeft behandeld,' zei de vrouw die als Trina was aangesproken.
'Ze hebben hem bijna doodgemaakt om hem daartoe te dwingen, die vrolijke halzensnijders van mij. Maar ze hebben me gered voordat die arme broeder van Kilian van uitputting flauwviel. Hij heeft er nog een paar jaartjes voor me uit weten te persen, zodat ik de zaken in Krondor weer op poten kan zetten.'
'En mijn grootvader en grootmoeder?'
De oude man schudde zijn hoofd. 'Robert en Gamina waren als laatsten in de tunnel, net achter mij. Ze hadden geen schijn van kans, jongen.'
Dash had wel geweten dat zijn grootouders dood waren, want dat had zijn overgrootvader Puc gezegd, maar toen hij de Oprechte Man levend had aangetroffen, was er toch een vage hoop in Dash opgeflakkerd. Nu werd dat vlammetje weer gedoofd en liet de smart zich andermaal gelden.
'Ze zijn samen gestorven en het is heel snel gegaan, als dat je enigszins kan troosten,' zei Lysle.
Dash knikte. 'Grootmoeder zou niet hebben willen leven zonder grootvader.'
'Ik heb mijn broer nooit goed gekend, Dash. Als jongemannen hebben we elkaar voor het eerst ontmoet en enkele jaren later nog een keer.' De oude man lachte, een droog gegrinnik. 'Hij heeft er zelfs voor gezorgd dat ik mijn boeltje bij de Snaken moest pakken en dat heeft me nog bijna het leven gekost ook, vanwege de wat ambitieuzere lieden onder hen. Maar in die paar dagen die ik met hem en je grootmoeder heb doorgebracht, heb ik de kans gekregen de verhalen te horen. Jij zult ze allemaal wel kennen. Prins Arutha en de reis naar Moraelin, de val van Armengar, waar hij het idee opdeed voor die gemene valstrik die hemzelf ook het leven heeft gekost. Ik heb gehoord over zijn reis naar Kesh, tijdens die kwestie met de Kruiper en toen heer Nirome de keizerin probeerde af te zetten. Hij heeft me verteld over zijn klim op de hiërarchische ladder en de tijd dat hij in Rillanon het bewind heeft gevoerd. Ik dacht altijd dat ik iemand was die iets had bereikt. Toen mijn vader stierf, greep een van zijn trouwste adjudanten de macht over de Snaken en riep zichzelf uit tot de Deugdzame Man. Ik op mijn beurt stootte hem van de troon en noemde mezelf de Spitsvondige Man. En ik kwam terug als de Oprechte Man ten teken van een afspraak die ik met je grootvader had gemaakt om de valse indruk te wekken dat ik mezelf met de leden van de Snaken had afgezet. Maar mijn prestaties verbleken naast die van Robbie de Hand. De dief die om beurten de twee machtigste steden van het Koninkrijk regeerde. De machtigste edelman van het hele land. Wat een kerel.'
Weer knikte Dash. 'Als u het zo stelt, zie ik wat u bedoelt Voor mij was hij grootvader, iemand die een hoop schitterende verhalen te vertellen had. Soms vergeet ik wel eens dat ze nog echt zijn gebeurd ook.'
'Maar de vraag is nu wat ik met je aan moet,' zei de Oprechte Man.
'Met mij?'
'Jij komt hier spioneren voor je vader. Op zich is dat nog geen probleem, maar je hebt mij gezien en mij gesproken, dus kan ik je moeilijk laten gaan.'
'Zou het iets uitmaken als ik zwoer er geen woord tegen iemand over te vertellen?'
De oude man. liet zijn droge gegrinnik weer horen. 'Nauwelijks. Je bent wie je bent, jongen, en het kan best dat het een tijdje goed tussen ons blijft gaan, maar uiteindelijk, als alles hier weer zo'n beetje is geworden als vroeger, komt er een dag dat er een Snaak een probleem veroorzaakt, waarmee hij net iets te veel aandacht op ons vestigt. Van tijd tot tijd gebeurt dat nu eenmaal. En dan moet jij je ineens gaan afvragen aan wie je het meest verplicht bent, aan je prins of aan je ouwe ome Lysle. Gezien onze hechte familieband twijfel ik er niet aan dat je mij bij de eerste gelegenheid zou uitleveren.'
Dash stond op. 'Mijn grootvader heeft me wel beter geleerd.' Hij wierp een blik op het meisje en keek zijn oudoom weer aan. 'Trouwens de snaken die ik heb gezien, vormen momenteel nou niet bepaald een dreiging voor de soevereiniteit van het land. En dan is er nog die kleine kwestie dat we Krondor nog niet eens in handen hebben.'
'Dat is een kwestie van enig gewicht, dat is waar. En dat doet me ook aarzelen om jou ter dood te veroordelen. Op dit moment vorm je voor ons geen bedreiging. Wat denk je voor ons te kunnen regelen als we je helpen te ontsnappen en terug te komen bij je vader?'
'Beloven kan ik niets,' antwoordde Dash. 'Daar heb ik het gezag niet voor. Maar met een beetje praten verwacht ik mijn vader wel zover te krijgen iedereen amnestie te verlenen die ons helpt bij de herovering van de stad.'
'Een beetje vechten voor kwijtschelding van straf?'
'Zoiets, ja. Met een paar van jullie op het goede moment op sleutelposities binnen de muren zouden we heel wat levens kunnen sparen.'
'Nou, laat me erover nadenken, dan zal ik je morgen vertellen wat ik doe. Rust wat uit. En laat het maar uit je hoofd om te ontsnappen.'
'En mijn vrienden?'
'Daar wordt voor gezorgd. Ik weet niet hoe belangrijk ze voor je zijn, maar ik reken erop dat ze jou tot enige verplichting dwingen, zodat ik je in het gareel kan houden.'
Dash knikte en de oude man hinkte naar de deur. 'Trina houdt je vannacht gezelschap.'
Dash deed alsof dit nieuws hem verheugde, maar de vuile blik die de vrouw hem toewierp, maakte duidelijk dat zulke spelletjes aan haar niet waren besteed.
Nadat de deur was dichtgemaakt, ging Dash zitten op een bult stro in de hoek, kennelijk zijn bed voor die nacht, terwijl Trina plaatsnam op de stoel bij de tafel om hem in de gaten te houden. Lange tijd verstreek in stilte. Toen zei Dash: 'Nou, gaan we elkaar ons levensverhaal vertellen?'
De vrouw legde haar voeten op de tafel, trok haar dolk en begon haar vingernagels schoon te maken met de punt. 'Nee, knul, dat doen we niet.'
Met een zucht ging Dash liggen en sloot zijn ogen.