23 Aanval
Erric knipperde met zijn ogen.
De rook die over een afstand van vele mijlen in de lucht hing, prikte in de ogen en belemmerde het zicht. Op een vinnige wind dreven de geuren van geblakerd hout en andere, minder aromatische voorwerpen van de wijd verspreide vuurhaarden mee.
Nakur reed terug naar Erric, achter in de rij. 'Erg,' was zijn commentaar. 'Heel erg.'
'Ik heb de afgelopen week niet veel gezien wat niet erg was,' zei Erric.
Ze waren al meer dan vier weken over de vlakte onderweg naar het leger dat Maharta had omsingeld. Naarmate ze het strijdperk naderden, stuitten ze steeds vaker op voorbijgangers: patrouilles van het invasieleger, kleine huurlingenkorpsen die hadden besloten de stad te verlaten in plaats van te vechten - die gaven Caelis' korps doorgaans ruim baan, maar twee hadden toenadering gezocht. Toen duidelijk werd dat Caelis niet in een gevecht was geïnteresseerd, hadden beide korpsen ermee ingestemd het kamp te delen en nieuws uit te wisselen.
De berichten waren ontnuchterend. Lanada was gevallen door verraad. Hoe wist niemand precies, maar iemand had de priester-koning ervan weten te overtuigen dat er een vijandelijk leger vanuit het noorden naderde, waarop de priester-koning zijn leger erheen had gestuurd. De krijgsolifanten, met hun messcherpe slagtandkappen en spijkerbanden rond hun poten, waren de poort uit gesjokt, de zadels op hun rug stampvol boogschutters, gereed staand om dood en verderf onder de aanvallers te zaaien. Naast hen marcheerden de Onsterfelijken, het privéleger van de Rana van Maharta, bestaande uit vechtmaniakken die onder de invloed van stimulerende middelen in staat waren tot staaltjes van kracht en moed waar geen weldenkend mens aan kon tippen. Hun was grote roem en bij hun wedergeboorte een beter leven beloofd wanneer ze in dienst van de rana sneuvelden. De stad was achtergelaten onder bescherming van een klein korps. De leider van dat korps bleek later een spion van de Smaragden Koningin te zijn, die 's nachts de poorten van de stad had geopend voor een leger Saaurs, dat naderde vanuit het zuidwesten. De volgende ochtend was de stad in handen van de Saaurs en werd de bevolking wakker van het gejammer van de burgers die door de Saaurs naar het centrale plein werden gedreven om te luisteren naar de priester-koning. Die was onder bewaking naar buiten gekomen en had de inwoners gezegd dat ze nu de onderdanen van de Smaragden Koningin waren. Samen met zijn kader van priesters was hij terug het paleis in gebracht, waarna er nooit meer iets van hem was vernomen.
Het leger van de priester-koning, dat noordwaarts was gestuurd naar een vijand die zich echter reeds achter hun linies bevond, keerde terug onder het bevel van Lanada's legergeneraal, die het bevel overdroeg aan generaal Fadawah en zich daarna mocht voegen bij zijn heer in het paleis. De geruchten die in de stad de ronde deden, varieerden van het bericht dat de priester-koning, zijn ministers en zijn generaals al spoedig waren geëxecuteerd, tot de bewering dat ze door de Saaurs waren opgegeten.
Eén ding was duidelijk: de invasie naderde een kritiek punt. Toen de val van Lanada al bijna een feit was, had generaal Fadawah een kleine strijdmacht in hun positie ten noorden van de stad achtergehouden en het overgrote deel van het leger op weg gestuurd om in een cirkel rond Lanada te trekken en langs de andere kant van rivier naar Maharta op te rukken. Slechts enkele dagen na de ontsnapping van Caelis en zijn mannen waren de soldaten vertrokken.
Vrijwel zonder enige tegenstand had het leger van de koningin snel zuidwaarts kunnen gaan, aangezien de problemen zich aan de verkeerde kant van de rivier hadden bevonden. Inmiddels was het noordelijke element van Lanada over de grote weg tussen de twee steden onderweg naar het zuiden terwijl enkele mijlen ten noorden van de riviermonding tijdelijke bruggen over het wat~r werden gebouwd.
Erric keek naar het geblakerde landschap. De plaatselijke bevolking had vermoedelijk het droge wintergras in brand gestoken om uit handen van de Saaurs te blijven, want het vuur was op verscheidene plaatsen begonnen. Een koude regenbui voorkwam dat de hele vlakte in lichterlaaie was komen te staan. Nadenkend over het koude weer besefte Erric dat het thuis al hoogzomer was geweest. Tegen de tijd dat ze Maharta verlieten - áls ze Maharta verlieten - zou er bijna een jaar zijn verstreken sinds hij uit Zwartheide was gevlucht.
Eén voordeel dat Caelis' korps genoot van de snelle zuidwaartse opmars van Fadawahs leger, was dat de meeste eenheden van het invasieleger in grote verwarring verkeerden. Het bleek verrassend eenvoudig om het front te naderen. Een dag eerder had een officier hun om een vrijbrief gevraagd, maar Caelis had domweg gezegd: 'We hebben niets op papier gekregen. Ze hebben ons alleen maar verteld naar het front te gaan.' Totaal verbijsterd had de officier hen langs het meldpunt gewuifd.
Nu stonden ze op een heuvelkam, uitkijkend op de riviervallei, waar de Vedra uitmondde in de Blauwe Zee. Door samengeknepen ogen keek Erric naar het tafereel beneden hen.
Maharta was een stad van wit steen en pleisterwerk, helder oplichtend in de zomerzon, doch nu verarmd tot grauwheid door de weken van asregens. In principe besloeg de stad twee grote eilanden, maar ook op de kleinere eilanden in de rivierdelta waren al buitenwijken verrezen. De binnenstad was slechts in het noodwesten, noorden en noordoosten omringd door een hoge muur, aangezien de overige windstreken werden afgeschermd door rivier, haven of zee. De verscheidene uitmondingen verschaften een ruime keus aan ankerplaatsen aan de diepe vaargeul van de rivier en langs de kust. Verspreid over talrijke eilandjes lagen dorpen en op de westelijke oever van de rivier was een grote buitenwijk met een eigen stadsmuur gebouwd.
'We naderen de ontknoping,' zei Nakur, turend naar de stad in de verte.
'Hoe weet je dat?' vroeg Erric.
Nakur haalde zijn schouders op. 'Zie je dat garnizoen aan deze kant?'
Erric schudde zijn hoofd. 'Nee. Er staat te veel rook.'
'Kijk, daar,' zei Nakur, wijzend, 'waar de rivier en de zee samenkomen in de delta. Daar lagen een heleboel bruggen - je kunt de zwartgeblakerde bruggehoofden nog zien - en wat dorpen op de kleinere eilandjes, maar daar, op deze oever, ligt een redelijk groot stadsdeel met een eigen muur.'
Turend door de rook zag Erric in het licht van de laagstaande zon een grijze vlek tegen de achtergrond van het donkerder water. Misschien kon hij er een ommuurde wijk in herkennen, maar hij wist het niet zeker. 'Ik geloof dat ik het nu zie.'
'Dat is de westelijke wijk van Maharta. Die houdt nog steeds stand.'
'Jouw ogen zijn zeker net zo scherp als die van de kapitein,' zei Erric.
'Zou best kunnen, maar ik denk dat ik gewoon weet waar ik naar moet zoeken.'
'Wat gaan we doen?' vroeg Erric.
'Geen idee,' zei Nakur. 'Ik denk dat Caelis het weet, maar aan de andere kant misschien ook niet. Maar daar moeten we in ieder geval zijn.' Hij wees naar de overkant van de rivier.
Kijkend naar het enorme leger dat zich langs de oever had verzameld, zei Erric: 'Dat schijnt voor iedereen het probleem te zijn, Nakur.'
'Wat?'
'Daar zijn.' Erric wees naar het noorden. 'Ze zeggen dat er tien mijl verderop bruggen worden gebouwd, maar waarom zitten ze dan allemaal hier aan de kust? Ze denken er toch zeker niet over om naar de overkant te zwemmen?'
'Dat zou moeilijk gaan,' gaf Nakur toe. 'Ik betwijfel of dat de bedoeling is. Maar ze zullen wel een plan hebben.'
'Een plan,' zei Erric. Hoofdschuddend dacht hij aan wat Grijskuif hem had verteld over krijgsplannen en het werkelijke verloop van een oorlog. Hij zuchtte. 'We hoeven dus alleen maar dwars door dit leger te trekken, de rivier over te steken en de verdedigers zover te krijgen dat ze de poort voor ons openmaken.'
'Een weg is er altijd wel,' zei het kleine mannetje met een grijns.
Weer schudde Erric twijfelend zijn hoofd en het bevel om af te dalen naar het verzamelde leger werd gegeven. Plots voelde hij zich net een muis die zich begaf tussen de voorpoten van een slapende kat.
De buitenposten van het leger mochten dan in verwarring verkeren, in het hart van het leger heerste strikte orde. Verscheidene malen zag Caelis zwaar bemande meldpunten en draaide ervan weg. Tweemaal moest hij een verklaring uit zijn mouw schudden voor de commandant van een rondrijdende patrouille. Hij beweerde niet te weten waar hij precies hun kampeerplaats moest zoeken en zei dat ze als een van de eersten naar de overkant zouden gaan.
Beide keren veronderstelden de officiers dat niemand zou liegen om als eerste de rivier over te kunnen steken, dus in beide gevallen wuifden ze Caelis voort. Maar naarmate ze verder langs de centrale positie van het leger reden, kregen ze een beter idee van hoe de zaken ervoor stonden. In het midden van de schare verrees een grote heuvel, met erbovenop het paviljoen van de koningin. Daaromheen stonden de officierstenten en het ene na het andere gelid van Saaurs, met erachter de Pantathische strijdtroepen en vervolgens een reeks tenten die door de Pantathische priesters werden gebruikt. Hun magie hing zo zwaar in de lucht dat het ernaar stonk, beweerde Nakur. De massa van het leger waaierde uit als de spaken van een wiel.
'Jammer dat er in de buurt geen ander leger in het gras verborgen zit. Die jongens zijn zo op veroveren gericht dat ze werkelijk totaal niets aan hun verdediging hebben gedaan.'
Erric had niet veel verstand van de krijgskunst, maar na de maanden hard werken aan de opbouw van diverse verdedigbare kampementen, kon zelfs hij zien dat er veel schortte aan de opstelling van dit leger. 'Ze zijn beslist van plan binnenkort de aanval te openen,' zei hij.
'Waarom denk je dat?' vroeg Caelis.
'Grijskuif, wat was dat woord ook al weer, voor de aanvoer van voorraden?'
'Logistiek.'
'Juist. De logistiek deugt van geen kanten. Kijk eens waar ze de paarden hebben staan. Ieder korps heeft hen vlakbij vastgezet, maar ze kunnen niet bij de rivier om water voor hen te halen. Over een paar dagen is het hier een zooitje.'
Caelis knikte, maar zei niets en bleef rondkijken.
'Je hebt gelijk,' zei Van Loungville. 'Dit leger kan hier geen week blijven staan zonder dat de boel gigantisch uit de hand loopt. Of de mannen worden ziek, of ze slaan onderling aan het vechten, of ze raken door hun voedsel heen en moeten hun paarden opeten. Veel langer kunnen ze hier niet blijven.'
'Daar,' zei Caelis, wijzend.
Erric keek en zag vlak bij de rivieroever een smal schiereiland van zandgrond, door hoog gras beschut. Ze reden langs een lange helling omlaag, door wat rotsachtige, door de regen uitgesleten greppels, over een stuk zandgrond, vervolgens langs een kleinere helling weer omhoog en uiteindelijk bereikten ze het aangewezen gebied.
Erric sprong van zijn paard en knielde neer bij de waterkant. Met zijn handen schepte hij wat op en merkte dat het brak was. 'Dit kunnen ze niet drinken.'
'Weet ik,' zei Caelis. 'Stel een ploeg samen en ga stroomopwaarts water halen om de paarden te drinken te geven.' Rondkijkend in het licht van de zonsondergang zei hij: 'Erg lang blijven we hier niet.'
Het kamp was snel ingericht en Erric zorgde ervoor dat de achttien resterende mannen uit Bharats korps altijd onder toezicht stonden. Ze wisten niet wat er precies met Dawar en de andere man was gebeurd, maar wel dat het hun fataal was geworden en ze hadden duidelijk geen zin om eenzelfde lot te ondergaan. Van Loungville had opgemerkt dat er nog een spion tussen kon zitten, maar als dat zo was, moest Erric toegeven dat die zich veel beter verborgen wist te houden, want geen van de mannen gedroeg zich in het minst verdacht. Niettemin plaatste Erric hen het dichtst bij de rivier, met zijn eigen mannen en de paarden aan de ene kant en het water aan de andere.
Toen hij de paarden aan het controleren was, kwam Ru hem zoeken. 'De kapitein vraagt naar je,' zei hij en wees naar Caelis, die met Van Loungville, Nakur, Grijskuif en Hatonis stond te overleggen.
De bult naderend waarop ze stonden, hoorde Erric Nakur zeggen: '...drie keer. Volgens mij is er iets raars aan de hand.'
'Dat is een goed verdedigde positie -' begon Caelis.
'Nee,' onderbrak Nakur, 'kijk maar eens goed. De muren zijn sterk, ja, maar ze kunnen met geen mogelijkheid versterkingen naar binnen brengen, en toch zei die man dat ze bij iedere aanval die ze deden andere soldaten op de muren hadden zien staan. Drie keer op één dag.'
'Kampgeklets,' zei Van Loungville.
'Misschien wel,' zei Nakur, 'maar misschien ook niet. Als het waar is, dan is er een weg van hier' - hij wees naar de kleine westelijke wijk van de stad aan deze kant van de rivier - 'naar daar.' Zijn hand ging naar de lichten van Maharta in de verte. 'Wellicht hebben ze daarom de afgelopen week zo hun best gedaan om de wijk in te nemen. Als er geen weg naar binnen is, waarom laten ze hen dan niet gewoon verhongeren?'
Van Loungville krabde aan zijn kin. 'Misschien willen ze geen narigheid in de rug.'
'Welnee!' zei Nakur. 'Ziet dit leger eruit alsof het zich zorgen maakt over narigheid? Dit leger is narigheid. En de narigheid begint binnenkort als ze die rivier niet oversteken. Straks is het eten op. Slechte... ' Hij draaide zich om naar Erric. 'Wat was dat woord?'
'Logistiek.'
'Slechte logistiek. De bagagekaravaan helemaal verspreid tussen hier en Lanada. Mannen die stroomopwaarts in de rivier pissen en straks stroomafwaarts mannen met buikloop. Overal paardenmest tot aan je knieën. Als de mannen niet te eten krijgen, slaan ze aan het vechten. Zo simpel is het. Ze moeten deze wijk hebben,' - hij maakte een duikbeweging - 'de tunnel onder de rivier door en in de stad weer omhoog.'
'Er liep ook een tunnel onder de Serpentrivier,' gaf Caelis toe.
'Maar de Stad aan de Serpentrivier is op rotsbodem gebouwd,' zei Hatonis. 'Onze stammen hebben die tunnels tweehonderd jaar geleden uitgehouwen vanwege de zomerstormen, de moessons. Je kunt de brug niet veilig over als de zee zo hoog staat en het zo hard waait.'
'Kan het hier in Maharta ook zo hard stormen?' vroeg Nakur.
'Ja,' zei Hatonis. 'Maar ik weet niet hoe de grond hier is.'
'Maakt niet uit,' zei Nakur meteen. 'Als je kunt bouwen, verzin je wel een manier.'
'Een dwerg zou er inderdaad geen problemen mee hebben,' zei Grijskuif.
Even trok er een golf van ergernis over Caelis' gezicht. 'Dat is me om het even. We lopen toch wel het risico te sneuvelen, wat we ook doen. Daar gaat het niet om. Maar het heeft geen zin te sneuvelen om een stad in te gaan waar je niet meer uit kunt en we zijn er niet eens zeker van of er wel een uitweg uit de westelijke wijk is. Aan de andere kant van de rivier ligt Maharta, dat klopt, maar we weten niet of er aan deze kant een tunnel is.'
'En als ik ernaar ga zoeken?' opperde Nakur.
Maar Caelis schudde zijn hoofd. 'Ik heb geen flauw idee hoe je naar binnen zou moeten komen, maar het antwoord is nee. Ik wil dat iedereen klaar staat voor vertrek om middernacht. Het bericht doet de ronde dat er vannacht een soort feest is. De Pantathiërs en de Saaurs wekken een soort van krijgsmagie op en morgen moet het noordelijke element de stad aanvallen.'
Nakur krabde aan zijn hoofd. 'Ten noorden van het hoofdkamp zijn ze bezig met het bouwen van bruggen, maar die zijn nog niet af. Waarom dit plan? En welke trucjes hebben de serpentlieden om dit leger over de rivier te zetten? Ze zijn de hele dag al aan het goochelen.'
'Ik weet het niet,' antwoordde Caelis, 'maar ik wil dat ieder van ons al aan de overkant zit voordat de zon opkomt.' Hij draaide zich om naar Erric. 'Dat is jouw taak. Die mannen van Bharat.'
Errics maag draaide zich om toen hij besefte wat Caelis ging zeggen. 'Ja?'
'Zet hen bij de paarden en geef hun dit te drinken.' Hij gaf Erric een grote wijnzak die een klotsend geluid maakte. 'Nakur heeft er wat ingedaan zodat ze voorlopig wel een poosje bewusteloos zullen zijn.'
Met een grijns van opluchting nam Erric de zak aan. 'Ik dacht toch even-'
'Als Nakur me dat middel niet had gegeven, zou je hen hebben moeten doden,' onderbrak Caelis hem. 'Maak een beetje voort.'
Erric liep weg. De koude rillingen liepen hem over de rug en om een of andere reden schaamde hij zich.
Overal schalden vreemdsoortige geluiden door het kamp: muziek uit verre landen, kreten van vreugde of pijn, gelach, gevloek en - voornamelijk - getrommel. Verscheidene Saaur-krijgers sloegen op grote houten, met huid bespannen trommen. Als de donder rolde het geluid over de rivier, als een hartslag in de oren bonzend. Hun bloedige riten waren voltooid en de krijgers maakten zich nu op voor de strijd die 's ochtends zou losbarsten. Hoorns schalden, bellen rinkelden en de trommen dreunden maar door.
Hatonis en zijn mannen stonden bij de paarden en al snel zag Erric dat alle achttien mannen uit Bharats korps bewusteloos waren. Iedereen die niet onder invloed van het middel verkeerde zou hij anders dood hebben moeten maken. Hij ging terug naar Caelis. 'Alle achttien zijn diep in slaap.'
'Als ze door dit kabaal heen kunnen slapen,' zei Pradji, 'zijn ze inderdaad compleet bewusteloos.'
Caelis stak zijn hand uit. 'Vaarwel, oude vrienden.'
Om beurten schudde hij Pradji, Vaja en Hatonis de hand. Samen met de acht resterende mannen uit hun groepen zouden ze stroomopwaarts gaan om via een van de bruggen over te steken terwijl het leger aanviel. In de verwarring van de strijd zouden ze naar het oosten proberen te vluchten om op weg te gaan naar de Stad aan de Serpentrivier. Wat er de komende dagen ook zou gebeuren, uiteindelijk zou de Stad aan de Serpentrivier zich moeten verweren tegen de strijdmacht van de Smaragden Koningin. Hatonis zou de stammen waarschuwen. Eens hadden ze, net als hun verwanten, de Jeshandi, als nomaden geleefd, en indien nodig zouden ze zich terugtrekken in de heuvels rond de stad, het leger aanvallen en vluchten naar het hoger gelegen woud. Want Hatonis wist dat deze oorlog ver van zijn geboortestad zou worden beslecht en dat er meer dan wapenkracht alleen voor nodig was.
Het was een donkere nacht, aangezien de manen verscholen gingen achter wolken die van boven de oceaan landinwaarts dreven. Alleen wie over een uitzonderlijk goed gezichtsvermogen beschikte, kon van enige afstand iemand langs de rivier zien lopen.
Nakur snoof de lucht op. 'We krijgen regen, denk ik. Morgen, vrijwel zeker.'
Op een gebaar van Caelis liet Erric de eerste groep het water in gaan. Het plan was simpel: zwemmen door het snelstromende water van de overigens ondiepe delta naar een van de kleine eilandjes bij de stadsmuur, de zuidelijke golfbreker beklimmen en daarlangs naar de grote haven. Het doel was het zuidelijkste deel van de haven: de monding met de scheepswerven. Deze kleine zeearm verbond de hoofdstroom van de rivier met de grote buitenhaven en vormde een natuurlijke scheepshelling voor het te water laten van schepen. Caelis beschikte over uitgebreide informatie van spionnen die al jaren op dit continent verbleven, maar behalve dat wist hij maar weinig over de haven. Het was nooit bij iemand opgekomen dat de Smaragden Koningin een marine nodig had tot Ru het had geopperd.
Nadat ze de scheepswerven in brand hadden gestoken, bleef het plan simpel: een boot stelen en langs de kust naar de Stad aan de Serpentrivier zeilen. Simpel betekende niet noodzakelijkerwijs eenvoudig, bedacht Erric, niet voor de eerste keer.
Het water was koud, maar Erric wende er snel aan. De mannen hadden hun zwaarden, schilden en harnassen bekleed tegen het maken van lawaai en sommigen hadden hun zwaardere wapens achtergelaten om beter te kunnen zwemmen.
Het pad had hen gevaarlijk dicht langs zowel een wachtpost van het invasieleger als de uitkijk in het buitenwijkfort gebracht. Aan de fakkels op de muur was goed te zien dat het kabaal uit het kamp van de koningin het garnizoen had gewaarschuwd dat er iets op handen was. Erric hoopte maar dat ze allemaal keken naar de lichten boven op de heuvel en niet naar de rotsige oever aan de voet van hun stadsmuur.
Iedereen in het korps was een bedreven zwemmer. Degenen die nog niet konden zwemmen, hadden het geleerd in het kamp buiten Krondor. Doch toen ze hun eerste ontmoetingspunt bereikten, een klein zandeiland in de riviermonding, misten ze drie man. Nadat de koppen snel waren geteld, bleek dat er tweeëndertig man op het eiland stonden, nauwelijks aan het zicht onttrokken door één boom en wat hoog gras. Caelis wees naar het water en Erric wachtte tot iedereen erin was, keek nog eenmaal rond naar de drie vermisten en zwom achter de anderen aan.
De vaargeul werd dieper en de stroming krachtiger naarmate ze de stad naderden. Het water smaakte al zouter. Erric hoorde vlakbij iemand hoesten, sputteren en in het water slaan. Het verstikte geluid dat hij daarop hoorde, zei hem dat iemand in moeilijkheden verkeerde. Hij zwom in de richting van de plonzende geluiden in het donker, maar voordat hij er was, werd het stil. Goed luisterend keek hij rond in de duisternis en zwom uiteindelijk verder naar de overkant.
Plotseling schaafde hij zijn knie en begreep dat de bodem hier erg ondiep was. Toen werd hij ineens omlaag gezogen en meegesleurd naar een diepere, snellere stroming, en moestJlij worstelen om zijn hoofd boven water te houden.
Zijn wapenrusting maakte hem zwaar en Erric moest zich tot het uiterste inspannen om niet onder water te verdwijnen. Urenlang had hij geoefend in het zwemmen met zijn zwaard en schild op de rug, maar niets had hem voorbereid op deze nachtmerrie van zwoegen door de natte, inktzwarte duisternis.
Zijn borst brandde en zijn armen voelden als lood. Hij moest zich dwingen te blijven zwemmen. De ene arm omhoog brengen en naar voren, met de benen schoppen, de andere arm omhoog en schoppen, zo ging hij vooruit, zonder enig idee hoe ver hij was gekomen en hoe ver hij nog moest gaan.
Toen hoorde hij een verandering in de geluiden verderop en besefte dat het water was dat tegen rotsen sloeg. En ook hoorde hij mannen stilletjes hoesten, vloeken en water uit hun neus blazen. Met zijn laatste krachten wierp hij zich naar voren en sloeg met zijn gezicht tegen een rots. Achter zijn ogen ontplofte een rood licht, dat ineenkromp tot een bal die zich van hem verwijderde door een tunnel van inktzwart duister.
Erric hoestte, spuwde water uit zijn mond en neus en begon te braken. Hij draaide zich om en sloeg met zijn hoofd tegen een grote steen.
'Niet doen!' klonk Ru's stem in zijn oor. 'Anders timmer je de pudding nog uit je rare hoofd. Lig stil!'
Erric leed. Over zijn hele lijf had hij kramp en hij had zich van zijn leven niet zo smerig gevoeld.
'Je hebt een hoop oceaan gedronken,' zei Knoert vlakbij. 'Als ik niet op die rots had gestaan waar jij tegenaan zwom, weet ik niet of we je wel hadden gezien om je uit het water te kunnen trekken.'
'Bedankt,' zei Erric zwakjes. Het gonsde in zijn oren, zijn gezicht schrijnde en zijn neus deed pijn, en over het algemeen genomen wist hij niet eens zeker of hij wel blij moest zijn dat hij nog leefde.
Caelis liep langs en vroeg: 'Kun je lopen?'
Op wankele benen stond Erric op. 'Natuurlijk,' zei hij. Graag zou hij nog even zijn blijven zitten, maar dan werd hij achtergelaten. Hij keek rond. Zijn ogen werden groot en hij telde. Dertien mannen stonden op de rotsen. Kijkend naar de gezichten vroeg hij aan Knoert: 'Louis?'
'Daar ergens,' zei Knoert met een hoofdknik naar de rivier.
'Goeie goden,' zei Erric. Tweeëndertig man waren de rivier ingegaan en maar dertien hadden het gehaald.
Sho Pi, die verderop stond, zei: 'Misschien zijn er op diverse plaatsen langs de oever nog meer aangespoeld.'
Erric knikte, maar het was veel waarschijnlijker dat ze naar open zee waren meegesleurd of in de rivier verdronken.
Rondkijkend zag hij dat ze op de punt van de zuidelijke golfbreker stonden, een lange vinger van rotsen, bedoeld om de getijdegolven uit de haven te weren. Caelis gebaarde en de mannen kwamen achter hem aan, voorzichtig lopend over de grote rotsblokken waaruit de golfbreker was opgebouwd. In het donker was de ondergrond verraderlijk. Na een half uur langzaam lopen bereikten ze een vlakke weg die boven op de stenen was aangelegd.
'Ze brengen er aarde op aan,' zei Nakur, 'zodat ze er met wagens kunnen komen als ze de golfbreker na een storm moeten repareren.'
Caelis knikte en gebaarde om stilte. Hij wees naar een lichtje in de verte. Een paar honderd el verderop stond een klein gebouw, waar de stenen golfbreker veranderde in een heuse pier. Het gebouw werd vast en zeker verdedigd.
Erric wierp een blik op de havenmonding en voelde zijn maag verkrampen. 'Kapitein!' fluisterde hij.
'Heb ik gezien,' kwam het antwoord.
Erric keek om en zag dat de anderen zijn blik hadden gevolgd. In de havenmonding waren drie schepen tot zinken gebracht om ervoor te zorgen dat er geen aanvallers via de haven de stad in konden, en als kuikens onder een kloek lagen er tegen de kade een vloot van kleine schepen, alle echter met te veel diepgang om langs de wrakken in de haven te kunnen komen.
De twee wachters in het wachthuisje keken waakzaam uit over het water, zodat ze niet merkten dat Caelis achter hen was komen staan. Met zijn blote handen maakte Caelis beide mannen onschadelijk en liet hen zakken op de vloer van de hut. De andere mannen wenkend zei hij: 'De opdracht is simpel. We wachten tot we morgen horen dat er wordt gevochten. Mogelijk probeert de Smaragden Koningin een paar bootjes langs de pier te smokkelen, dus er kunnen wat verdedigers deze kant uit komen, maar het grootste deel van het stadsleger staat op de noordelijke muren om de landzijde van de stad te verdedigen. Vanaf de pier gaan we eerst rechtdoor en dan linksaf naar de scheepswerven. Daar steken we alles in brand. Als iemand je probeert tegen te houden, dood je hem. Daarna gaan we terug naar de buitenhaven, stelen een boot met een zo plat mogelijke bodem als we kunnen vinden en proberen uit deze rotzooi te komen. Als je niet terug naar de haven kunt komen, probeer dan aan de noordoostelijke zijde de stad te verlaten en ga over land naar de Stad aan de Serpentrivier.' Hij keek van de een naar de ander. 'Hiervandaan is het ieder voor zich, jongens. Niemand blijft achter om een kameraad te helpen. Als geen van ons terug in Krondor komt, is alles voor niets geweest. Misschien zullen de meesten van ons het niet halen, maar laten we er in ieder geval wat van maken.'
Grimmig korte hoofdknikjes waren de enige reacties die hij kreeg. Zo goed als het kon schuilend rond het hutje wachtten de mannen af.
Erric huiverde. Hij dommelde, maar door het bonzen in zijn hoofd kon hij niet echt slapen. Het was ongelooflijk, zo moe als hij zich voelde. En het kloppen in zijn neus putte hem nog verder uit, zo'n pijn deed het.
'Hij is gebroken,' zei Ru.
'Wat?' vroeg Erric. Omkijkend bleek hem dat hij zijn vriend in de voorochtendlijke schemering kon zien.
'Je neus. Die is goed stuk. Zal ik hem voor je zetten?'
Erric wist dat hij beter nee kon zeggen, maar hij knikte. Ru was vaak genoeg in een straatgevecht verwikkeld geweest om te weten wat hij deed. Hij plaatste zijn handen aan weerszijden van Errics neus en duwde de stukken met een snelle beweging op hun plaats.
Als hete ijzeren spiesen vlamde de pijn door Errics hoofd. Zijn ogen traanden en even dacht hij dat hij zou flauwvallen, maar ineens trok de pijn weg. Het bonzen dat hem de hele nacht had lastig gevallen werd minder en tenslotte kreeg hij het idee dat zijn gezicht er uiteindelijk toch niet af zou vallen.
'Bedankt,' zei hij, tranen wegvegend.
Een luid gebulder voorkwam een antwoord. Het was alsof de hemel spleet en een duizendtal draken hun woede luchtten. Er volgde een hol geruis, alsof de grootste waterval ter wereld neerstortte in een kloof, en aan de andere kant van de rivier stak de wind op.
'Nee, maar!' zei Nakur. 'Dát is me een trucje, zeg!'
Aan de overkant verscheen een gigantische bundel licht, felwit met een lichtgroene rand. Langzaam rees hij op in een boog over de rivier, breder wordend naarmate hij opwaarts klom. Aarzelend reden mannen zowel als Saaurs erop, hun weerspannige paarden voorwaarts dwingend. De paarden liepen langzaam, de rijzende brug van licht volgend.
'Nu weten we waarom ze zich tegenover Maharta aan het water hebben verzameld en waarom er geen bruggen zijn,' zei Nakur. 'Ze gebruiken de priesterbezweringen om aan de overkant te komen.'
'We vertrekken meteen!' zei Caelis.
Hij stond op en rende de pier op. Zonder problemen bereikten ze het havengebied, genegeerd door de mensen op de kade, die als gehypnotiseerd stonden te kijken naar de brug die zich door de lucht over de rivier boog. Erric hield zijn aandacht gericht op zijn leider en duwde menig man achter Caelis aan.
Ze renden door een reeks smalle straten over een dunne strook land tussen twee watermassa's. Erric had geen flauw idee waar hij was, maar meende de weg terug wel te kunnen vinden. Toen gingen ze naar links, een brede boulevard op. Er stormde een compagnie ruiters voorbij, gekleed in witte tunieken en broeken, een zwart vest en een rode tulband. Een andere man, op gelijke wijze gekleed, hield even later naast Caelis zijn paard in en schreeuwde: 'Waar gaan jullie heen?'
'Wij hebben onze bevelen!' riep Caelis terug. 'De werven zijn in gevaar!'
Dat antwoord scheen de man in verwarring te brengen, maar de onwaarschijnlijke aanblik van een brug van licht die langzaam de rivier overspande bracht hem genoeg van zijn stuk om Caelis' verklaring te aanvaarden en verder te rijden.
Bij de dwarsstraat waar de boulevard op uitkwam bleef Erric staan. Voor hem lag een droogdok, hoog optorenend, en daarop rustte de kiel van een enorm schip dat moest worden schoongeschraapt. De houten romp strekte zich zeker honderd voet naar achteren uit en het achterschip liep nog verder door. Daarachter zag hij de zeearm, als een gigantisch meer dat aan de grote haven grensde. In een welhaast volmaakte driekwart cirkel rondom het water stonden bouwplaatsen als deze en beide uiteinden waren meer dan een kwart mijl ver weg.
'Neem wat mannen mee en ga die kant op,' zei Van Loungville, wijzend naar rechts. 'Loop door tot het eind en steek alles in brand terwijl je terugkomt. Probeer terug naar de haven te gaan. Maar denk eraan: het is ieder voor zicht' Nog even nam hij de tijd om een hand op Errics arm te leggen en een kneepje te geven voordat hij de linkerkant op rende.
'Jullie drie,' zei Erric, wijzend naar Ru, Sho Pi en Nakur, die het dichtst bij hem stonden, 'meekomen.'
Zijn hoofd dreunde tijdens het rennen, maar hij probeerde de pijn te negeren. Zijn knieën knikten, maar zijn hart bonsde en zijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen, en een paar ogenblikken later voelde hij zich wat helderder worden.
Weer snelden er ruiters voorbij, in tegengestelde richting. Ternauwernood sprong hij opzij voor een van hen, die hem kennelijk liever vertrapte dan dat hij zijP paard in bedwang hield. Het gezicht van de ruiter zei Erric dat dit geen actie was van gedisciplineerde soldaten, maar van in doodsangst wegvluchtende mannen.
Hemelwaarts blikkend kon Erric het hen niet kwalijk nemen. De brug was nu voor een kwart de rivier over en er stonden al duizenden Saaurs op. Zelfs van deze afstand schalden hun strijdkreten als een eindeloze donderslag.
Erric ging een bocht om en zag iets verderop twee scheepswerven. 'Neem jij die,' zei hij tegen Sho Pi, die het dichtst bij hem liep. 'Steek alles in brand. Nakur, help hem.'
Daarop greep hij Ru en ging naar de hut voor een andere gigantische houten stellage. Die was leeg. De deur naar het gebouw was vergrendeld. Vlug liep hij eromheen en zag een enkel raam. Naar binnen kijkend zag hij geen tekenen van bewoning. Met zijn schild sloeg hij het venster in. 'Maak nu maar eens goed gebruik van je omvang,' zei hij en hielp zijn kleine vriend door het raam naar binnen.
Al gauw had Ru de deur geopend en Erric vroeg: 'Iets te branden?'
'Wat perkament en een fakkel. Heb jij vuursteen?'
Uit zijn buidel diepte Erric er eentje op. Ru nam hem aan en sloeg erop met zijn dolk. De vonk vloog in de fakkel en voorzichtig blies hij een klein vlammetje tot leven.
Zodra de fakkel goed brandde, stak hij hem in de stapel perkamenten tot die vlam vatte. Meteen renden ze de hut uit. Erric rende voor Ru uit naar de voet van de stellage en zag een stapel afvalhout. Vlug legde hij de kleine stukjes tegen de voet van de stellage, waarop Ru er de brand in stak. Langzaam vatte het hout vlam, zwaar rokend, maar uiteindelijk ontstond er een flink vuur.
Vlug om zich heen kijkend zag Erric een beetje rook aan de overkant van de zeearm, maar geen grote branden. Hij beduidde Ru mee te komen en ze renden verder. Bij het volgende gebouw zagen ze dat het werd bewaakt door een scheepsbouwersfamilie. Drie mannen van middelbare leeftijd en vier zoons in hun tienerjaren stonden klaar voor de strijd, gewapend met hamers en breekijzers.
'Ga opzij,' zei Erric.
'Wat zijn jullie van plan?' vroeg de oudste van de drie mannen op eisende toon.
'Ik vind het verschrikkelijk om tegen een ambachtsmeester te zeggen, maar we steken je winkel in brand. Dat bouwdok en je gereedschap gaan er ook aan.'
De man kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Over mijn lijk.'
'Luister,' zei Erric, 'als het aan mij ligt hoeven we niet te vechten, maar er gaat hier niemand schepen bouwen voor de Smaragden Koningin. Is dat duidelijk?'
'Man, het is alles wat ik heb!' zei de scheepsbouwer.
Met zijn zwaard wees Erric naar de witte brug van licht die zich langzaam naar hen toe bewoog. 'En dat komen zij allemaal halen. Ze verkrachten je vrouwen vermoorden jou of anders dwingen ze jullie om schepen voor hen te bouwen, zodat ze naar mijn land zeilen en daar iedereen vermoorden.'
'Wat wil je dan dat ik doe?' vroeg de bouwer, smekend zowel als tartend.
'Pak een boot en maak dat je wegkomt, vriend,' zei Erric. 'Neem je zoons en dochters mee en zeil weg nu je nog kunt. Ga naar de Stad aan de Serpentrivier en hou daar stand zo lang jullie kunnen, maar als je nu niet weggaat, maak ik je dood als het moet.'
Achter Erric kwamen Knoert en twee anderen aangerend en de aanblik van vijf gewapende mannen bleek te veel voor de scheepsbouwer. Hij knikte en zei: 'We hebben een uur nodig.'
Maar Erric schudde zijn hoofd. 'Ik geef je vijf minuten, dan steek ik de boel in brand.' Hij zag een kleine zeilboot voor anker liggen. 'Is die van jou?'
'Nee, van mijn buurman.'
'Pik hem dan in en zeil weg.' Erric beduidde de mannen zich te verspreiden en toen Knoert voorbij kwam, riep een van de zoons: 'Nee, vader! Ik laat ons huis niet in brand steken!'
Voordat Knoert zich kon omdraaien, sloeg de jongen hem met een breekijzer achter in zijn nek. 'Nee!' schreeuwde Erric, maar het was te laat. Het luide gekraak zei hem dat Knoerts nek was gebroken.
Ru stormde op de jongen af en sloeg hem met zijn schild in het gezicht, zodat hij achterover tegen zijn broers en ooms tuimelde. Het breekijzer vloog uit zijn handen en viel kletterend op de stenen. Erric keek naar de roerloze gedaante van Knoert.
De scheepsbouwer en zijn familie bleven onbeweeglijk staan terwijl Ru zich over de jongen boog, zijn zwaard opgeheven om een einde aan zijn leven te maken. Met een snelle stap was Erric bij hem en trok zijn vriend opzij. 'Waarom?' vroeg hij briesend, zich buigend over de doodsbange knul. Hij greep hem bij zijn tuniek en trok hem met één hand omhoog tot hij neus aan neus met hem stond. 'Waarom deed je dat!' schreeuwde hij hem in het gezicht, dat verwrongen was van angst.
'Doe hem geen pijn,' hoorde Erric een stem. Hij keek om en zag een vrouw staan. De tranen stroomden over haar gezicht. 'Het is mijn enige zoon.'
'Hij heeft mijn vriend vermoord!' schreeuwde Erric. 'Waarom zou ik hem nu niet vermoorden?'
'Hij is alles wat ik heb,' zei de vrouw.
Erric voelde zijn woede wegzakken. Hij duwde de jongen naar zijn moeder. 'Ga weg,' zei hij. De jongen deed een aarzelende stap en Erric schreeuwde: 'Weg!' Zich omdraaiend naar Ru zei hij: 'De brand erin!'
Met zijn fakkel rende Ru naar het huis van de familie, die nog steeds hulpeloos stond toe te kijken. 'Ga nu naar die boot en zeil weg,' zei Erric, 'of jullie gaan er allemaal aan.'
De vader knikte en voerde zijn familie mee.
Erric knielde naast Knoert neer, rolde de kolos op zijn rug en zag dat zijn ogen groot waren. Plots hoorde hij iemand lachen en omkijkend zag hij Nakur achter zich staan. 'Wat kijkt hij verbaasd.'
Ondanks zichzelf moest Erric lachen, want het was waar. Geen woede, geen pijn, maar verbazing stond er op het gezicht van de reus gegrift. Hij stond op. 'Ik vraag me af of de godin des doods wel is zoals Knoert zich haar had voorgesteld.' Toen draaide hij zich om en zag Ru uit het gebouw komen, een rookwolk achter hem aan.
'Kom mee,' zei Erric. 'We hebben bijna geen tijd meer.' Hij keek naar de rivier en zag dat de brug nu al boven het midden van het water hing. Vanuit het noorden klonk geschreeuw en wapengekletter, wat erop wees dat de muur was gevallen of anders aan het vallen was, aangezien de verdedigers in doodsangst vluchtten voor de magie van de Smaragden Koningin en haar leger.
Aan de andere kant van de zeearm rezen rookwolken op, getuigend van het werk dat Caelis en zijn groep hadden verricht. Sho Pi en twee anderen renden naar het volgende gebouwen staken het in lichterlaaie terwijl Erric en Ru via een stenen trap omlaag liepen naar een bouwplaats met een reeks houten schuurtjes op een rotspunt. Ook die waren snel aangestoken. Onderwijl rende Nakur verder.
Terug op de kade merkten ze dat het vuur zich had verspreid naar de andere kant van de straat en in hevigheid toenam. Erric rende verder tot hij bij de volgende werf kwam en begon brand te stichten.
Weer op de brede boulevard beland zag Errk een hele stroom mensen rennen, velen met bundels, en hij begreep dat de vijand al ergens in de stad was. Ru trok hem aan zijn mouwen hij vroeg: 'Wat?'
'Het is de kapitein!' zei Ru, wijzend.
In het gedrang van mannen en vrouwen ving Erric een glimp op van Caelis, Nakur en Van Loungville, vlak voordat ze weer door de menigte werden opgeslokt.
'Terug naar de haven!' schreeuwde Erric, voor het geval er meer mensen van zijn groep in de buurt waren. Samen met Ru drong hij zich voort, gebruik makend van zijn massa en kracht terwijl Ru vlak achter hem bleef. De anderen was hij uit het zicht verloren.
In een zijstraat haalden ze Van Loungville in. 'Waar is de kapitein?' riep Erric.
'Ergens verderop.'
Erric zag dat Van Loungville een wond in zijn arm had opgelopen en hem haastig had verbonden. 'Alles goed?'
'Ik overleef de komende vijf minuten wel,' antwoordde Van Loungville.
'Waar gaat iedereen heen?' schreeuwde Ru.
'Zelfde plek als wij,' riep Van Loungville terug. 'De haven. De stad valt en iedereen gaat op zoek naar een boot, dus we zullen ervoor moeten zorgen dat we er eerder eentje hebben dan zij.'
Ru wierp een blik over zijn schouder. 'In ieder geval hebben we de werven in de fik gestoken.'
'Dat hebben we in ieder geval voor elkaar,' zei Van Loungville.
Toen begon het te regenen.