15 Dorp
De uitkijk riep: 'Ruiters!'
Erric en de anderen lieten hun taken in de steek en grepen naar hun bewapening. Toen Pradji de week ervoor was gekomen, had hij Caelis al gewaarschuwd dat er korpsen op de vlucht voor de val van Khaipur naar het zuiden zouden komen. Tweemaal waren er al groepen strijders gepasseerd, het dorp vermijdend na het zien van de verschansingen die Caelis na overleg met de dorpelingen had laten bouwen.
Erric wist niet zeker of de kapitein werkelijk van plan was dit dorp te beschermen of gewoon de mannen een ander aspect van de krijg wenste bij te brengen. Waar eens een doodgewoon dorp had gelegen, stond nu een degelijk fort dwars over de weg. Rondom het dorp was een heuse slotgracht gegraven en de aarde die daaruit gekomen was, deed nu dienst als fundering voor de palissade. Twee poorten met ijzerbeslag waren erin opgehangen, een in het noorden en een in het zuiden van het dorp, beide stevig bevestigd aan hekpalen van eikenhouten stammen die aan de andere kant van de rivier waren gekapt. Het smeden van de scharnieren, pennen en platen was onder Errics verantwoordelijkheid gebeurd.
De dorps-smederij stond leeg sinds de laatste smid jaren geleden was gestorven, maar de oude smidse was nog steeds intact. Bij gebrek aan een volledige verzameling smids-gereedschap had Erric zich moeten behelpen met de spullen in de bagage-karavaan waarmee hij de paarden kon beslaan. Mettertijd zou hij met dat gereedschap andere werktuigen kunnen maken en uiteindelijk zelfs de smederij weer volledig in kunnen richten, als hij de tijd ervoor kreeg. Telkens wanneer hij naar de poorten keek, bekroop hem een gevoel van trots. Alleen met een volwaardige belegerings-machine zouden ze eruit geramd kunnen worden. Rondkijkend bedacht hij dat het een beter idee zou zijn om een bres in de muur van palen te slaan en die misschien zelfs in brand te steken, in plaats van een korps op een van de poorten af te sturen terwijl er vanaf de muren op de mannen werd geschoten.
Bezig met het aantrekken van zijn wapenrusting wierp hij een blik over zijn schouder en zag .Caelis, met Meijer en Van Loungville op zijn hielen, omlaag komen uit de toren die in het midden van het dorp was opgericht. Wanneer hij af was, hadden ze vanuit deze toren, gebouwd op een enorme bult aarde, een mijlenver onbelemmerd uitzicht over de omgeving, zodat geen enkel korps van enige omvang onopgemerkt kon naderen.
Erric en Ru repten zich naar de hun aangewezen plaatsen, beiden automatisch controlerend of alle wapens en voorraden op de juiste plaatsen stonden. Ru had zes van de zware ijzeren speren bij zich en Erric verbaasde zich over de pezige kracht die zijn vriend had ontwikkeld sinds ze uit Ravensburg waren gevlucht.
Ineens voelde hij onverwachts een steek van smart toen hij even dacht aan zijn moeder en Rosalyn, maar langer kon hij er niet bij stilstaan toen de ruiters duidelijk in zicht kwamen.
Het was een korps van minstens dertig man, allen zo te zien ervaren krijgers. Aan het hoofd van de stoet reed een zwaargebouwde man van middelbare leeftijd. Zijn grijze baard hing tot op zijn buik. Hij gaf een paar van zijn mannen de opdracht rondom het fort te rijden en zette in vertraagd tempo zijn nadering voort. Zodra hij binnen gehoorsafstand kwam, riep hij: 'Gegroet, daar in het fort!'
'Wie is daar?' schreeuwde Caelis vanaf de muur.
'Bilbari's Beroeps, op weg na de val van Khaipur.' Rondkijkend voegde hij eraan toe: 'Of wat er van ons over is, tenminste.'
De buitenposten kwamen terug en Erric nam aan dat ze hun leider meldden dat het een afgesloten fort betrof en niet slechts een barricade.
'Wie heeft de leiding?' riep Caelis terug. 'Ik ken Bilbari en dat ben jij niet.'
Weer keek de leider rond. 'Ik, denk ik. Bilbari is op de muren gesneuveld' - hij spoog en sloeg een teken - 'en na de val hebben we voor de dag respijt gekozen. Mijn naam is Zila.'
Pradji kwam naast Caelis staan en Erric hoorde hem zeggen: 'Ik ken dat stelletje. Goed genoeg voor een slachtpartij, maar ik hoef er geen van in mijn tent te hebben. Ze zullen de vrede van het kamp wel respecteren, min of meer.'
'Ik kan jullie de vrede van het kamp aanbieden,' riep Caelis.
'Voor hoe lang?'
'Twee dagen,' antwoordde Caelis.
'Niet onredelijk.' Toen begon Zila te lachen. 'Meer dan redelijk, zelfs. Wie voert hier het bevel?'
'Ik, Caelis.'
'Caelis van de Vlammende Adelaars?'
'Dat ben ik.' Caelis gaf het teken de poort te openen.
'Ik dacht dat jij bij Hamsa was gesneuveld,' zei Zila, afstijgend.
'Plaats rust,' zei Meijer zachtjes tegen Erric en de anderen, 'maar blijf op je hoede. Dit zouden de eersten niet zijn die de vrede van het kamp aanvaarden maar zich bedenken zodra ze binnen zijn.'
Alle verwachtingen van dergelijk verraad verdwenen toen de mannen het dorp binnenkwamen. Ze maakten een verslagen indruk. Erric zag dat verscheidene paarden gewond waren en allemaal zere hoeven hadden. Voor enkele dieren zou twee dagen rust niet genoeg zijn om er weer bovenop te komen.
Zila haalde zijn neus op, schraapte zijn keel en spoog. 'Verdomd stof,' zei hij. 'De rook was nog het ergste. Brand van de ene horizon tot aan de andere.' Hij wierp een blik op de mannen van Caelis' korps. 'Jullie hebben er goed aan gedaan om erbuiten te blijven.' Gebarend naar zijn paard vroeg hij: 'Hebben jullie een smid bij je?'
Caelis gaf een teken aan Erric, die zijn zwaard en schild aan Ru gaf en vroeg: 'Zet even voor me weg, wil je?'
Ru reageerde met een grof antwoord, maar nam de spullen aan en verdween in de richting van hun tent. Erric liep naar Zila, die zei: 'Hij is ergens onderweg een hoefijzer kwijtgeraakt. Kreupel is hij nog niet, maar dat wordt hij zo wel.'
Na één blik op het paard wist Erric dat Zila gelijk had. Hij pakte het been van het dier op en zag bloed op de hoornstraal van de hoef. 'Ik zal hem schoonmaken en verbinden. Ingezwachteld en met een nieuw hoefijzer moet hij wel weer de oude zijn als je hem niet te hard laat lopen.'
'Ha!' zei Zila en keek Caelis aan. 'Er komt een leger van minstens dertigduizend man deze kant op. Ze hebben ons verschrikkelijk op ons donder gegeven. Als iemand niet gauw ten noorden van hier een rendez-vous organiseert, komen er misschien nog wel honderd korpsen hierlangs en de meesten van die jongens zijn verdomd kriegel nadat er zo onder hen is huis gehouden door die hagedissen -'
'Hagedissen?' zei Caelis.
Zila knikte. 'Geef roe wat te drinken, dan vertel ik je meer.'
Caelis gaf Erric opdracht te zorgen voor de paarden van de nieuwkomers en Erric gaf de dichtstbij staande mannen een teken de andere rijdieren te nemen terwijl hij dat van Zila aan de teugel meevoerde. Het paard trok met zijn ene been en tegen de tijd dat ze bij de kraal met verse paarden waren, was Erric ervan overtuigd dat het arme dier na nog een dag rijden, hooguit twee, onbruikbaar zou zijn geweest.
De ene helft van de nieuwkomers vond het goed dat hun paarden door Caelis' mannen werden verzorgd, maar de andere helft stond erop mee te gaan en zich ervan te vergewissen dat hun rijdieren in goede handen waren. Het was voor Erric totaal geen verrassing dat degenen die meeliepen over de beste paarden beschikten. Ondanks de ontberingen verkeerden die paarden nog in redelijke conditie. Na voldoende rust zouden die volledig zijn hersteld. De andere waren er niet al te best aan toe en Erric vermoedde dat er behalve Zila's paard nog wel meer geweest zouden zijn die na een dag of wat hun berijders niet meer hadden kunnen dragen. Terwijl hij de dieren onderzocht, prentte hij in zijn geheugen welke paarden nog wel kon worden verzorgd en welke beter vandaag nog konden worden afgemaakt. Hij overlegde met een paar ervarener paardenverzorgers uit Caelis' strijdmacht en die spraken hem niet tegen.
Net toen hij weg wilde lopen, kwam een van de nieuwkomers eraan. 'Hè, jij. Hoe heet je?'
'Erric.' Hij bleef staan en wachtte af wat de man te zeggen had.
Op zachtere toon zei de ander: 'Ik heet Rian. Jij hebt verstand van paarden.' Het was een grote man met een plat gezicht, rood verbrand door de zon en bedekt met een laag reis stof Hij had donkere ogen, maar zijn haar was roodbruin en in zijn baard zal al grijs. Zijn houding was ontspannen en zijn ene hand rustte terloops op de knop van een lang zwaard.
Erric knikte, maar zei niets.
'Ik zou best een ander paard kunnen gebruiken. Het mijne wordt wel weer beter als er een week niet meer op wordt gereden. Denk je dat je kapitein me er eentje zou willen verkopen?'
'Ik zal het hem vragen,' zei Erric en begon weer weg te lopen.
Maar met een hand op zijn arm hield Rian hem tegen. 'Zila kan aardig vechten in de kroeg,' fluisterde hij, 'maar een goed kapitein is hij niet. We waren op weg naar Maharta om in dienst van de rana te treden. Het duurt zeker nog bijna een jaar voordat dat zooitje in het noorden langs Lanada is.' Hij keek rond om te zien of er iemand meeluisterde. 'Maar jullie kapitein weet hoe hij een fort moet bouwen en jullie lijken me meer garnizoenssoldaten dan huurstrijders.'
Iedereen in Caelis' korps was gewaarschuwd voor spionnen, dus kon Erric antwoorden zonder erbij na te denken. 'Ik volg alleen de bevelen op. Kapitein Caelis heeft ons allemaal al minstens eenmaal voor de dood weten te behoeden, dus stel ik er geen vragen bij.'
'Denk je dat hij nog plaats heeft voor iemand?'
'Ik zal het hem vragen. Maar ik dacht dat jullie op weg waren naar Maharta?'
'Na dat pak slaag dat we in Khaipur hebben gekregen, zou je denken dat een jaartje of twee rustig afwachten wel leuk zou zijn, maar om je de waarheid te zeggen is er dan ook geen buit, en ik verveel me nogal gauw;'
'Dat zal ik hem ook vertellen,' zei Erric en liet de man alleen met de paarden. Hij liep door het dorp en verscheidene bewoners knikten hem begroetend toe. Caelis' mannen werden niet langer met vrees benaderd, maar onder de dorpelingen heerste enige tweespalt tussen hen die blij waren met de bescherming van gewapende mannen alsmede met hun goud, en hen die vreesden dat het fort ongewenst de aandacht zou trekken. Het dorp was door de jaren heen met grote regelmaat overvallen en de dorpsbewoners hadden een inmiddels beproefde methode om de nabije heuvels in te vluchten. Maar weinigen hoefden te sneuvelen als ze van te voren werden gewaarschuwd. Doch dit fort dwars over de weg was zowel een beschutte plek als een val.
Iemand riep Errics naam en toen hij omkeek zag hij Embrisa, een meisje van veertien dat haar oog op hem had laten vallen. Op een bepaalde manier was ze met haar grove beenderen en haar opvallende, lichtblauwe ogen best knap maar Erric wist zeker dat ze voor haar dertigste al oud zou zijn en waarschijnlijk drie of vier kinderen zou hebben en een man die haar van 's morgens vroeg tot 's avonds laat liet werken. Aangezien hij in een klein stadje was opgegroeid, had Erric pas in dit dorp enig idee van echte armoede en hard werken gekregen.
Hij zei haar snel gedag en ging toen naar het paviljoen dat dienst deed als herberg. De ruwe houten banken die er stonden, waren in elkaar gezet door een onderne1T,lende boer, genaamd Shabo, die het geld dat hij verdiend had met het schenken van bedenkelijke kwaliteit wijn en bier aan Caelis' mannen had benut om een houten latwerk langs de wanden van zijn eenvoudige tent te bouwen. Als ze lang genoeg bleven, zou Shabo nog een heuse herbergier worden, aangezien hij zijn winst steevast aanwendde om zijn kleine onderneming te verbeteren. Zijn laatste vernieuwing was een tweede deur naar buiten, zodat hij kon schenken langs een nieuwe tapkast die de hele breedte van het onderkomen bestreek. 's Winters zou het binnen echter best koud kunnen worden, bedacht Erric, al had hij geen idee hoe koud het in deze streken eigenlijk kon zijn.
Caelis en Zila zaten met een paar anderen aan een tafeltje. De rest van Zila's korps zat stevig te drinken en de mannen zagen er werkelijk doodmoe uit.
Pradji, die bij Caelis was komen zitten, zat beamend te knikken en Zila zei: 'Dertig jaar heb ik al gevochten, vanaf mijn prille jeugd, maar zoiets had ik nog nooit meegemaakt.' Hij leegde zijn kroes en veegde zijn mond af met de rug van zijn hand.
Met een opgetrokken wenkbrauw keek Caelis naar Erric, die zei: 'De helft van de dieren moet een maand grazen en verder niets doen of anders worden afgemaakt. De rest kan weer worden bereden als ze een week rust krijgen.'
Caelis knikte.
'Veel hebben we niet - je verdient nu eenmaal niet zo veel als je aan de verliezende kant staat - maar we zullen wat paarden van jullie kopen, als je ze tenminste kwijt wilt,' zei Zila.
'Wat zijn jullie van plan?' vroeg Caelis.
'We gaan naar Maharta. De rana stuurt zijn Onsterfelijken naar Lanada om de priester-koning te helpen met de verdediging tegen de groenhuiden en hun leger. Dat betekent dat zijn krijgsolifanten en die poeder snuivende maniakken van de priester-koning voor de verandering aan dezelfde kant staan.'
'Dan moet het er wel heel akelig uitzien, als die twee oude vijanden de handen ineenslaan,' zei Pradji.
Zila wenkte om nog een kroes en Shabo kwam de lege haastig vervangen. Ja, maar het betekent ook dat de rana meer strijders nodig heeft om de vrede in zijn stad te bewaren, dus is er daar werk voor ons. Ik wil best eens een paar jaar boeren in toom houden na wat we net hebben doorgemaakt.' Beurtelings keek hij Pradji en Caelis aan. 'Dus jullie waren samen bij Hamsa?'
'Ja,' antwoordden ze allebei.
'Bij Khaipur was het tien keer zo erg. Voordat deze oorlog begon, waren wij net als jullie, een korps van huurlingen die hun vak beoefenen tussen Khaipur en de Voorjaarsbijeenkomst' - Erric begreep dat hij doelde op de jaarlijkse ontmoeting tussen de ruiters van de Jeshandi en andere stammen die naar de grens van de steppen kwamen om handel te drijven met de nomaden van de oostelijke grasvlakte - 'of langs de Vedra werkten. Eén keer zijn we zelfs met een karavaan mee geweest over de Vlakte van Djams naar Palamds aan de Satpura.' Hij schudde zijn hoofd. 'Maar deze oorlog, die is veel erger dan ik ooit heb gezien. Na de val van Kilbar hadden we ons aangemeld. Van degenen die het hadden overleefd wist ik dat het erg was, maar op wat er in Khaipur is gebeurd was ik toch echt niet voorbereid.' Hij zweeg als om zijn gedachten op een rijtje te zetten. 'Bilbari meldde ons aan om patrouillediensten te draaien en als boodschappers te rijden. De rana van Khaipur had zo'n schattig legertje, dat er bij een parade zo leuk uitziet, maar hij wist dat hij veteranen nodig had om indringers lang genoeg tegen te houden tot hij voldoende moedermoordenaars had ingehuurd om zijn leger zodanig op te leiden dat die jongens echt konden vechten. Mijn kameraden en ik zijn geen Jeshandi, maar we kunnen goed genoeg paardrijden en vechten om die taak naar behoren te vervullen. Een maand nadat we ons hadden aangemeld, kregen we voor het eerst de vijand te zien. Een korps zoals dat van jou, van ongeveer zestig geoefende strijders, viel onze buitenpost aan en trok zich terug zonder veel schade te hebben veroorzaakt of geleden. Wij gaven het bericht over dit treffen door en wachtten af tot de volgende aanval. En toen we op een dag 's morgens wakker werden, was de hemel in het noordwesten bruin van het stof. Een week later reden er tienduizend mannen te paard in zicht.' Zila blafte een bitter lachje. 'Die ouwe Bilbari deed het flink in zijn broek en ik zal je vertellen dat hij die dag niet de enige was met een bruin plakaat aan zijn achterste. We zaten met zo'n tweehonderd man in een fort dat niet eens zo stevig was als dit en het duurde niet lang of we hadden allemaal besloten om te maken dat we wegkwamen. Tegen de tijd dat we bij de stadsmuren arriveerden, waren alle andere korpsen ten noorden en westen van de stad ook al op weg naar binnen. Nergens werd gevochten, behalve aan de stadsmuur. En vanaf die dag bleven ze gewoon maar komen.' Zijn blik zwierf langs de gezichten in het paviljoen, waar iedereen aandachtig naar hem zat te luisteren. 'Verscheidene jongens deden hun stinkende best en toen we de derde maand van beleg in gingen, waren die schattige paleiswachtertjes van de rana veranderd in een stel zeldzaam taaie rakkers. En die vochten voor hun huis en haard dus ze waren een stuk gemotiveerder dan wij.' Hij viel stil.
Een tijdlang werd er niets gezegd, tot Caelis vroeg: 'Wanneer vroegen ze om overgave?'
Zila keek ongemakkelijk. 'Dat was de reden dat alles uit elkaar viel.' Door wat hij in het kamp had gehoord, wist Erric dat het gedrag van huurlingen werd gedicteerd door strikte gebruiken en tradities. Zila's houding wees erop dat er iets ongewoons was gebeurd.
Uiteindelijk vroeg Caelis: 'Hoezo?'
'Ze vroegen niet om overgave. Ze rukten gewoon op tot vlak buiten ons schootsbereik en begonnen te graven en hun belegeringsmachines op te bouwen. Een week lang werd er nergens echt gevochten, alleen af en toe een schot gelost vanaf de muren om hen bezig te houden. De rana was nog best een dappere kerel voor iemand die zijn hele leven alleen maar een ceremoniezwaard in zijn handen had gehouden, en hij stond aan het hoofd van zijn leger ... '
Zila deed zijn ogen dicht. Hij sloeg er een hand voor en even dacht Erric dat hij huilde. Toen hij zijn hand liet zakken, zag Erric echter geen tranen, maar ingehouden woede.
'Die stomme zak stond daar met zijn driedubbel-door-de-goden-vervloekte gouden kroon op zijn hersenpan, in zijn handen de pauweveer als teken van zijn functie, terwijl die hagedissen aan de voet van zijn muren aan het rondrijden waren. Hij gebood hen te vertrekken.'
'En toen?' vroeg Caelis.
'Hij kon maar niet begrijpen dat deze oorlog niet ging om het veroveren van handelsroutes of over een of andere erekwestie met de rana van Maharta of de priester-koning van Lanada. Hij begreep het nog steeds niet toen ze zijn paleis in zwermden en voor zijn ogen zijn vrouwen en kinderen aan stukken hakten...' Zila sloot zijn ogen weer en fluisterde: 'En volgens mij snapte hij het nog steeds niet toen ze hem voor zijn eigen paleis ophesen en spietsten.'
'Hebben ze hem gespietst?' flapte Erric eruit.
Geruime tijd keek Caelis hem aan. 'Maar je houdt nog iets achter.'
'Ach, het is zo'n akelig verhaal,' zei Zila. 'En als ik het vertel, spreek ik kwaad over de doden. En eerlijk gezegd ook over mezelf.'
'Je geniet de bescherming van de vrede van het kamp,' bracht Pradji hem in herinnering, zijn lelijke gezicht nog minder aantrekkelijk dan anders door zijn duistere vermoedens. 'Zijn jullie overgelopen?'
Zila knikte. 'Mijn kapitein - en de anderen...' Hij scheen even in gedachten te verzinken. 'Je weet dat er altijd wel een weg in en uit een belegerde stad is voor een geslepen man met genoeg geld. De hagedissen vroegen niet om overgave. Ze bleven gewoon keer op keer komen. De mensen die met hen meevochten waren erger dan ik ooit heb meegemaakt en in mijn tijd heb ik een hoop misselijkmakende moordenaars gezien. Maar die hagedissen...' Na een ferme teug uit zijn kroes vervolgde hij: 'Die zijn negen tot tien voet lang en tweemaal zo breed in de schouders als ik. Eén klap van hun zwaard en je hebt in je hele arm geen gevoel meer of je staat te kijken met een doorkliefd schild. En ze kennen geen angst. Ze vielen pas aan toen er een bres in de verdediging op de muren was geslagen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Of eigenlijk: toen we de verdediging van de muren opgaven en 'm smeerden. Ze stuurden een onderhandelaar die tegen mijn kapitein zei dat er geen wapenstilstand zou worden aangeboden en dat iedereen die na de slag nog in de stad aanwezig was over de kling zou worden gejaagd. Ze zeiden dat we mee mochten doen met plunderen als we de muren meteen verlieten.'
Pradji keek alsof hij de man zou aanvliegen. Langzaam kwam hij overeind en geruime tijd bleef hij Zila vuil staan aankijken, tot hij op de grond spoog en wegliep. Caelis scheen meer gebrand op het vernemen van de feiten dan op het veroordelen van deze man. 'En verder?'
'De kapiteins kwamen met het aanbod bij ons. We wisten dat we verslagen waren. Iedere dag kwamen er meer mannen en voorraden stroomafwaarts om hen te versterken, terwijl wij almaar zwakker werden. Iemand had een graanpakhuis in brand gestoken' - Erric kromp inwendig ineen, want het graanstof in de lucht kon ontploffen als er een vonk of een vlam bij kwam; daarom mocht er in de buurt van de molen of de graansilo's van Ravensburg ook nooit vuur worden gestookt - 'en door de ontploffing ging de helft van onze graanvoorraad met een heel blok woonhuizen de lucht in. Iemand anders had een flinke hoeveelheid wijn vergiftigd die in de buurt van het paleis lag opgeslagen en minstens twintig mannen zijn gillend doodgegaan terwijl ze hun buik vasthielden.' Opnieuw sloot hij zijn ogen en ditmaal viel er inderdaad een traan, van woede, frustratie en spijt. 'En die verdomde spreukenstrooiers van hen. De rana had er ook een stel gehuurd en sommigen waren nog vrij goed ook. Er waren ook een paar priesters om de zieken en gewonden te verzorgen. Maar de hagedismagiërs waren veel sterker. Tijdens de gevechten klonken er dan ineens van die vreselijke geluiden waar je doodsbang van werd, hoe de strijd ook verliep. En op klaarlichte dag kwamen er hele horden ratten het riool uit die je in je enkels beten en langs je benen omhoogklommen. Of muggen en vliegen, in zulke grote zwermen dat je ze inademde als je je mond openhield. Vers brood begon te schimmelen zodra het uit de oven werd gehaald en de melk werd zuur in de emmers onder de koeien. En iedere dag werkten die hagedissen aan hun loopgraven en hun belegeringsmachines. Ze bleven maar op ons inbeuken.' Zila keek rond naar de hem aanstarende gezichten. 'Ik weet niet of jullie het in mijn plaats anders hadden gedaan, maar ik betwijfel het.' Zijn toon was tartend. 'Mijn kapitein kwam naar ons toe en zei ons wat er ging gebeuren. We wisten dat hij nooit tegen ons loog. En we wisten ook dat het geen lafbek was.' Met beschuldigende blik keek hij Caelis aan. 'Jij zei toch dat je hem kende?'
Caelis knikte. 'Een lafaard was hij niet.'
'Het waren de hagedissen die de afspraken hebben geschonden. Zij hebben de regels van de krijg veranderd. Ze hebben ons geen keus gegeven.'
'Hoe zijn jullie ontsnapt?' vroeg iemand achter Erric, die omkeek en Van Loungville zag, die tijdens het relaas binnen was gekomen.
'Iets wat die woordvoerder van de hagedissen zei, baarde mijn kapitein zorgen. Wat dat precies was weet ik niet, maar toen ze de rana voor de ogen van zijn eigen volk op een staak zetten, zeiden ze wel dat iedereen die nu nog leefde ofwel naast hem op een spiets kon gaan zitten, of dienst moest nemen in hun leger.'
'Kregen jullie geen dag respijt om het slagveld te verlaten?' vroeg Meijer vanachter Van Loungville. Erric deed een stap opzij opdat ze Zila beter konden zien.
'We kregen niet eens de tijd om onze spullen te pakken! Maar Bilbari wist al dat ze wat van plan waren en had ons laten verzamelen bij de kleinste poort naar het zuiden. We vochten ons een weg naar buiten en ze hadden het te druk om iemand achter ons aan te sturen. Zo is onze kapitein gesneuveld terwijl hij ons weghielp uit de stad die we hadden verraden.'
'Dus het was de keuze van jullie kapitein,' zei Caelis.
'Ik zou een leugenaar zijn als ik zei dat het zo was,' zei Zila daarop. 'We zijn beroeps en tot dan toe had iedereen zijn contract met Bilbari. We hebben erover gestemd, zoals beroeps dat nu eenmaal doen.'
'Hoe viel de stemming uit?' vroeg Van Loungville.
'Maakt dat wat uit?'
'En of dat verdomme wat uitmaakt,' antwoordde hij met een van boosheid vertrokken gezicht. 'Overlopen is het laagste wat je kan doen.'
'Iedereen heeft gestemd voor vertrekken,' zei Zila.
Even bleef het stil. 'Jullie genieten de vrede van het kamp tot de zonsopgang van overmorgen,' zei Caelis toen. 'Zorg dat je daarna weg bent.' Hij stond op en verliet het paviljoen.
Erric rende hem achterna. 'Kapitein!'
Caelis bleef staan en Erric was geschokt toen hij de woede op het gezicht van de halfelf zag. 'Ja?'
'Veel van hun paarden hebben rust nodig. Als ze die niet krijgen, zijn ze na een paar dagen niet meer te berijden.'
'Dat is dan het probleem van Zila en zijn groep.'
'Kapitein, ik geef nog geen spijkerkop voor Zila en zijn mannen.
Maar ik denk aan de paarden.'
Een tijdlang keek Caelis hem aan. 'Zorg voor die beesten zo goed als je kan, maar doe niets bijzonders voor ze. Hooi en water, meer krijgen ze niet. Wat ze van de dorpelingen kopen is hun eigen zaak.'
'En ene Rian wil weten of hij zich bij ons aan mag sluiten. Hij zegt dat hij geen zin heeft om in Maharta te gaan zitten wachten.'
Even bleef Caelis stil. 'Als een van die overlopers nog in zicht is als de zon overmorgenochtend aan de hemel verschijnt, wordt hij gedood,' zei hij uiteindelijk.
Erric knikte en ging terug naar de paardenkraal. Daar trof hij Rian. 'Mijn kapitein zegt dat we geen plaats meer hebben,' zei hij.
De uitdrukking op 's mans gezicht veranderde en even dacht Erric dat hij zou aandringen, maar tenslotte zei hij: 'Goed. Verkopen jullie ook paarden?' .
'Ik denk niet dat mijn kapitein me erg dankbaar zou zijn als ik je hier hou,' zei Erric en op zachtere toon vervolgde hij: 'Hou het goud maar dat je nog hebt. Neem die geelbruine ruin die daar staat.' Hij wees naar het paard. 'Hij is net genezen van een beenverwonding - hij schopte er zomaar mee in het wilde weg - en hij heeft spinazie in zijn hoofd in plaats van hersenen, maar hij is sterk genoeg om er overmorgen op weg te rijden.'
'Ik denk niet dat ik zo lang wacht,' zei Rian. 'Mijn kapitein is dood en met hem ook Bilbari's Beroeps. Ik ga naar het zuiden om ergens een baantje te zoeken voordat het nieuws zich daar verspreidt. Als iemand eenmaal als overloper te boek staat, wordt hij door niemand meer vertrouwd.'
Erric knikte. 'Zila zei dat jullie geen keus hadden.'
Rian spuwde op de grond. 'Je hebt altijd een keus. Soms tussen een eervolle dood sterven of eerloos verder leven, maar een keus is er altijd. Die mooie rana, dat was tenminste een vent. Hij mag dan van zijn leven nog geen dag hebben gevochten, maar toen het tijd werd om zijn stad over te geven, spoog hij gewoon over de muur. Hij huilde als een klein kind toen ze hem op die staak zetten en hij jankte als een hond met een gebroken rug toen hij hem zijn gat in voelde komen. Maar zelfs toen hij daar hing, terwijl zijn eigen kak en bloed langs de paal naar beneden liep, vroeg hij nog niet om genade.' De plaatselijke naam gebruikend van de godin van de dood, die over het leven van mensen oordeelde, vervolgde hij: 'Als Khali-shi ook maar een greintje goedheid in zich heeft, gunt ze hem een nieuwe kans op het Wiel.'
'Zila zei dat jullie nooit de kans hebben gekregen om je over te geven,' zei Erric.
'Zila liegt dat hij barst. Hij was onze korporaal, en nu de kapitein en de sergeant dood zijn, denkt hij dat hij de baas is. De enige reden dat niemand hem tot nog toe heeft vermoord, is dat we daar allemaal veel te moe voor zijn.'
'Kom even mee,' zei Erric.
Hij ging Rian voor naar de hut die Caelis gebruikte als zijn hoofdkwartier en vroeg of hij de kapitein mocht spreken. Toen Caelis verscheen, keek hij eerst naar Rian, toen naar Erric. 'Ja?'
'Ik denk dat u even zou moeten luisteren naar wat deze man te zeggen heeft,' zei Erric. Tegen Rian zei hij: 'Hoe zat dat met de vraag om overgave?'
Rian haalde zijn schouders op. 'De rana zei tegen die hagedissen dat hij nog liever zou branden in de hel dan de poorten van zijn stad voor hen te openen. Maar hij bood alle kapiteins die wilden vertrekken de mogelijkheid om de stad te verlaten - zonder betaling, Uiteraard. Hij zuchtte. 'Als u Bilbari hebt gekend, dan weet u ook wat voor een vrekkige ezelskop hij was. Eerst streek hij de bonus op die hij zou krijgen als hij bleef en toen maakte hij de afspraak met de hagedissen om de stad te verraden en mee te doen met de plundering.' Hij schudde met zijn hoofd. 'Maar dat was nou juist de grap. Het ergste verraad van allemaal. Zodra het brandstichten en het plunderen begon, joegen ze de huurlingenkorpsen een voor een op. De mannen die weerstand boden werden gedood en degenen die zich overgaven kregen de keus om in dienst te treden of te worden gespietst. Geen dag respijt, geen neerleggen van de wapens en weglopen, niets. Dienen of sterven. Met een klein groepje wisten we te ontkomen.'
Caelis schudde zijn hoofd. 'Hoe heb je je eed kunnen breken?'
'Heb ik nooit gedaan!' zei Rian fel, voor het eerst blijk gevend van enige emotie. Hij staarde Caelis recht in de ogen en herhaalde: 'Dat heb ik nooit gedaan. We waren een beroepskorps, soldaten voor het leven, gezworen broeders van elkaar. We hebben gestemd en degenen die ervoor stemden om te blijven vechten waren in de minderheid. Maar lang voordat we het goud van de rana in ontvangst namen, hadden we onze trouw aan elkaar al gezworen en ik mag barsten voordat ik een broeder in de steek laat omdat hij het bij het verkeerde eind heeft.'
'Maar waarom wil je je dan bij ons aansluiten?'
'Omdat Bilbari dood is en onze broederschap niet meer van kracht is,' zei de man met een oprecht triest gezicht. 'Als u Bilbari hebt gekend, dan weet u ook dat hij zo zijn eigen manier had om voor zijn mannen te zorgen. Sommigen van ons zijn tien, vijftien jaar bij hem geweest, kapitein. Een vader was hij niet, maar wel ieders oudste broer. En de eerste de beste die zich tegen een van ons keerde, zou hij eigenhandig om zeep hebben geholpen. Ik verhuur mijn zwaarddiensten al sinds mijn vijftiende en dit was de enige familie die ik ooit heb gekend. Maar nu is de familie dood. Na Khaipur neemt niemand ons nog in dienst en dat betekent dat we de bandiet moeten gaan uithangen, willen we niet omkomen van de honger.'
'Wat ben je van plan?' vroeg Caelis.
'Ik wil vannacht nog naar het zuiden om het nieuws voor te blijven. Misschien neem ik in Maharta de boot als ik daar geen baan kan krijgen, langs de kust omhoog naar de Stad aan de Serpentrivier of omlaag naar Chatisthan, ergens waar niemand me kent. Ik vind wel een ander korps dat me aan wil nemen of een koopman die een lijfwacht zoekt.' Even keek hij met bedachtzame blik naar het noorden. 'Al weet ik niet of er nog wel ergens rustig te leven valt met wat er daar is. Een oorlog als deze heb ik nog nooit meegemaakt. Hebt u de rook gezien, kapitein?'
Caelis knikte.
'Ze hebben de stad in brand gestoken toen ze erdoor waren. En ik bedoel niet een vuurtje hier en daar, nee, de hele stad. We hebben het nog gezien vanaf een heuvel top, voordat we vluchtten voor ons leven.' Hij sprak zachter alsof hij bang was dat iemand anders hem kon horen. 'Van de ene tot aan de andere kant stond de stad in brand en de rook rees zo hoog op dat die zich als een enorme tent door de wolken verspreidde. Dagenlang heeft het roet uit de hemel geregend. Twintig-, dertigduizend soldaten stonden schouder aan schouder voor de poort te schreeuwen en te lachen, en zingend vermoordden ze iedereen die weigerde zijn trouw aan hen te zweren. En haar heb ik ook gezien.'
'Wie?' vroeg Caelis, op slag geïnteresseerd.
'De Smaragden Koningin noemen ze haar. In de verte. Haar gezicht kon ik niet zien, maar wel een korps hagedissen op die verrekte grote paarden van hen, en een grote wagen, groter dan ik ooit heb gezien, en op die wagen zo'n grote gouden troon, waar die vrouw op zat, in een lang gewaad. Je kon de smaragden rond haar hals en polsen groen zien opflitsen en ze droeg ook een kroon met smaragden. En die hagedissen werden helemaal gek, en maar sissen en zingen, en zelfs een paar mensen die al langer bij hen waren, iedereen boog wanneer ze voorbijkwam.'
'Je hebt ons goed geholpen,' zei Caelis. 'Neem een vers paard en genoeg te eten mee en glip met zonsondergang bij het wisselen van de wacht naar buiten.'
Rian salueerde en vertrok. Toen ook Erric wilde weglopen, zei Caelis: 'Hou het voor je, wat je gehoord hebt.'
Erric knikte. 'Kapitein,' zei hij toen. 'De paarden?'
Caelis schudde zijn hoofd. 'Goed dan. Doe wat je kunt, maar niets wat onze vermogens om voor onze eigen dieren te zorgen kan verminderen. Geen medicamenten die je niet kunt vervangen... die je niet makkelijk kunt vervangen.'
Nog voordat Erric hem kon bedanken, draaide Caelis zich om en ging de hut weer binnen, hem alleen achterlatend. Een tel later liep Erric terug naar de paarden. Er was een hele hoop te doen en als hij geen wonderen verrichtte, moesten sommige leden van Zila's groep overmorgen te voet het kamp verlaten.
'Erric!'
Hij keek op en zag Embrisa vlakbij staan, net buiten de kraal waar hij het been van een van de paarden aan het behandelen was. 'Hallo,' zei hij.
'Kan je vanavond bij ons komen eten?' vroeg ze verlegen.
Erric glimlachte. Het meisje had hem al tweemaal gevraagd, opdat hij haar ouders kon ontmoeten. Weliswaar kende hij hen al van de markt, maar ze wilde een officiële ontmoeting. Kennelijk had ze besloten dat Erric haar het hof moest maken en hij voelde zich tegelijkertijd gevleid en ongemakkelijk onder die aandacht. In Ravensburg zou ze over twee jaar op huwbare leeftijd zijn, maar dat was in Ravensburg. De mensen hier waren veel armer en een kind betekende een paar handen dat vanaf driejarige leeftijd kon meewerken in het veld, met graankorrels rapen die bij het oogsten van de halmen waren gevallen, en vanaf zes- of zevenjarige leeftijd ook met het zware werk. Op zijn twaalfde was een knul hier volwassen en op zijn vijftiende vader.
Hij liep naar het hek, klom eroverheen en kwam naast haar staan. 'Kom eens hier,' zei hij rustig. Ze deed een stap naar hem toe en hij legde een hand op haar schouder. Met zachte stem zei hij: 'Ik vind je heel erg aardig. Aardiger dan de meeste meisjes die ik heb ontmoet, maar ik blijf hier niet zo lang meer.'
'Je hoeft toch niet weg?' zei ze snel. 'Je bent toch gewoon een huurling en je kan toch uit het korps stappen? Een smid zou hier een erg belangrijk man zijn die het al snel tot leider brengt.'
Plots besefte Erric dat ze behalve knap ook slim was, want ze had uit de hele groep degene gepikt die, naar de in dit dorp geldende maatstaven, het snelst rijk zou worden als hij bleef om een vak uit te oefenen. 'Is er hier geen knul-' begon hij.
'Nee,' onderbrak ze hem, half kwaad, half beschaamd. 'Die zijn of al getrouwd, of nog te jong. Vanwege de oorlogen zijn de meisjes in de meerderheid.'
Erric knikte. Ook in zijn korps zaten verscheidene boerenzonen die hun geluk elders als soldaat of bandiet hadden beproefd.
Ineens stond Ru naast hem en Erric wist meteen dat hij het hele gesprek had gehoord, al deed hij van niet toen hij zei: 'Embrisa! Ik had je nog niet gezien. Hoe gaat het?'
'Goed,' zei ze, haar ogen neerslaand. De toon waarop ze het zei, weersprak de mededeling.
'Heb je Henrik vandaag nog gesproken?' vroeg Ru alsof er niets aan de hand was.
Erric wist wie Ru bedoelde: een jongeman uit een dorp niet ver van Ravensburg, die in een andere ploeg zat. In de paar keer dat Erric enkele woorden met hem had gewisseld was hij erachter gekomen dat Henrik maar een saaie man was die niet veel te zeggen had.
'Nee, vandaag niet,' antwoordde Erric, zich afvragend waar Ru naar toe wilde.
Op zachte toon zei Ru: 'Hij zegt dat hij erover denkt om hier terug te komen als deze klus geklaard is. Hij heeft er best zin in om zich hier te vestigen.' Met een scheef oog keek hij naar Embrisa. 'Je weet wel, een vrouw zoeken, een molen bouwen.'
Embrisa's ogen werden groot. 'Is hij een molenaar?'
'Zijn vader. Dat zegt hij tenminste.'
'Nou, ik moet gaan,' zei Embrisa. 'Jammer dat je niet kunt komen eten, Erric.'
Toen het meisje weg was, zei Erric: 'Bedankt.'
'Ik hoorde per ongeluk wat er aan de hand was,' zei Ru met een grijns. 'En een molenaar leek me de enige die hier nog meer geld kan verdienen dan een smid, dus dacht ik jouw kleine vriendinnetje even aan een ander doelwit te helpen.'
'Denkt Henrik er werkelijk over om hier te blijven of heb je hem nu zwaar in de nesten gewerkt?' vroeg Erric.
'Nou, zo zwaar zal hij het niet vinden, gezien de flinke boezem en de stevige jonge billen van ons pittige meiske. En als ze onze vriend de molenaarszoon weet te strikken, wie weet? Misschien is het wel ware liefde en wil hij morgen inderdaad niets liever dan zich hier vestigen.'
'Of zich verstoppen voor haar vader,' zei Erric hoofdschuddend.
'Misschien, maar aangezien haar vader met zijn vrouwen zoons de rivier af is en Embrisa alleen thuis is, vermoed ik dat ze jou in de val had willen lokken.' Hij keek in de richting waarin het meisje was verdwenen. 'Al denk ik dat het best leuk zou zijn geweest voor een nachtje.'
'Dat kind is nog geen vijftien, Ru,' zei Erric.
'In deze contreien is dat oud genoeg voor het moederschap. Maar hoe dan ook, ze zal er niet veel mee opschieten om hem in haar bed te loodsen, want ik geloof nooit dat de kapitein een van ons erg ver weg laat lopen.'
'Dat is waar,' beaamde Erric.
'En trouwens, overmorgen gaan we weg.'
'Wat?'
'Een minuut of tien geleden kwamen er ruiters vanuit het zuiden met een boodschap. Overmorgen komen er nog meer soldaten onze kant op en met zijn allen rijden we verder noordwaarts.'
'Nou, dan zal ik maar weer aan het werk gaan,' zei Erric. 'Ik moet nog druk in de weer met de paarden van Zila's mannen. Volgens mij zullen we zo'n twaalf paarden hier moeten laten.'
'Daar zullen de dorpelingen best blij mee zijn,' zei Ru grijnzend. 'De dieren die ze niet voor het ploegen kunnen gebruiken eten ze op.'
Erric knikte, al wist hij dat het geen grapje was. 'Kom mee, dan kan je me een handje helpen.'
Ru morde wat, maar ging met Erric terug de kraal in om de kreupele paarden af te zonderen.
Verwachtingsvol keek Erric naar de zuidpoort. Zila en zijn overlopers waren de vorige avond vertrokken en nu kwam de nieuwe groep die zich bij hen aan zou sluiten vanuit het zuiden binnen, voor op schema. Van Loungville had zijn instructies al gegeven: als de ruiters uit het zuiden voor het middaguur verschenen, gingen ze op weg zodra het korps was verzameld, op twaalf man na die het fort zouden verdedigen voor het geval ze zich plotseling moesten terugtrekken. Nu was al het werk dat ze hier hadden verricht Erric ineens duidelijk. Twaalf goed bewapende soldaten konden dit dorp verdedigen tegen driemaal zo veel bandieten en als de dorpsbewoners meevochten, zelfs tegen een klein leger.
Zonder dat het bevel daartoe was gegeven, stelden de mannen zich al haastig op om te vertrekken. Plots zag Erric een bekende tussen de ruiters die de poort door reden. 'Grijskuif!' riep hij uit.
Ewald Grijskuif keek om, greep Erric ter begroeting bij de arm en trok hem tegen zich aan zodat hij hem op de rug kon slaan. 'Je ziet er goed uit,' zei hij toen hij Erric losliet.
'We dachten die grijze banier van jou al een keer aan dek van de Vagebond te zien, maar we hebben je niet aan land zien komen.'
'Dat kan kloppen,' zei de voormalige zwaardmeester van Zwartheide, de doek tegen het reisstof van zijn gezicht trekkend. 'Ik ben met een stel anderen verder gezeild naar de Stad aan de Serpentrivier om het een en ander te regelen en toen naar Maharta om daar voor wat dingen te zorgen. Nadat de Vagebond vertrok naar Krondor, was het een week lang rijden als gekken naar Lanada en toen weer een slopende tocht terug hier naar toe.'
De soldaten die door de poort reden waren op de meest uiteenlopende wijze gekleed. 'Wie zijn dat?' vroeg Erric aarzelend.
'Laat je niet bij de neus nemen door die versleten kleren van die jongens. Dat zijn misschien wel de beste soldaten uit deze streek, in de afgelopen jaren zorgvuldig uitgekozen door onze vriend Pradji.' Zachtjes voegde hij eraan toe: 'We moeten kunnen opgaan in de menigte.'
'Wat doe jij eigenlijk hier?' vroeg Erric. 'De laatste keer dat ik je zag was nog voordat ik werd gearresteerd.'
'Lang verhaal. Laat me eerst verslag uitbrengen bij Caelis en als we onze paarden te drinken hebben gegeven, nemen we een slok wijn en zal ik het je allemaal vertellen.'
'Dat zal dan vanavond in het kamp worden,' reageerde Erric. 'We vertrekken over een uur. Jullie krijgen alleen de tijd om de paarden te verversen en even een hap te nemen voordat we op weg gaan.' Grijskuif kreunde. 'Die rakker geeft een zadelkont nog niet eens de kleinste kans op herstel, hè?'
'Ik vrees van niet. Kom, ik heb een paar goede paarden staan. Ik zal er centje met een zachte rug voor je uitkiezen.'
Grijskuif begon te lachen. 'Wijs de weg maar.'