Proloog

REDDING  

 

De trommen dreunden.

De Saaur-krijgers zongen hun krijgsliederen, zich voorbereidend op de komende strijd. De flarden van hun krijgsbanieren hingen slap omlaag langs hun bebloede lansen en van horizon tot horizon was de lucht bezoedeld door dikke rook. Hun groene gezichten, beschilderd met gele en rode verf, waren gericht op de westelijke hemel, waar de zwarte lijkwade van rook door vuur bloedrood en oker werd gekleurd, de ondergaande zon en het vertrouwde patroon van westelijke avondsterren aan het zicht onttrekkend.  

Jarwa, Sha-shahan van de Zeven Naties, Vorst van het Rijk van Gras, Heer van de Negen Oceanen, kon zijn blik niet van de verwoesting losscheuren. De hele dag had hij naar de grote brandhaarden gekeken en van zelfs over die enorme afstand kon hij die middag nóg het gebrul van de overwinnaars en de kreten van hun slachtoffers horen. Op de wind, die eens de zoete geur van bloemen of het rijke aroma van kruiden van de markt had meegevoerd, dreef nu de bijtende stank van geblakerd hout en verbrand vlees naar hem toe. Zonder om te zien wist hij dat achter hem de krijgers zich al schrap zetten voor de naderende beproeving, reeds berustend in het vooruitzicht van een verloren slag en het feit dat hun ras zou uitsterven.  

'Mijn heer,' zei Kaba, zijn schilddrager en vriend voor het leven.

Kijkend naar zijn oudste kameraad zag Jarwa de zorgen rond zijn ogen getekend staan. Kaba's gezicht was voor allen een ondoorgrondelijk masker, met uitzondering van Jarwa. De Sha-shahan kon zijn gelaatsuitdrukkingen even gemakkelijk interpreteren als een sjamaan een geheime tekst kon lezen. 'Wat is er?'

'De Pantathiër is er.'

Jarwa knikte, maar verroerde zich niet. Zijn sterke handen sloten zich van frustratie rond het gevest van zijn slagzwaard Tual-masok - Bloeddrinker in de oeroude taal - veel meer een symbool van zijn functie dan de kroon, die hij alleen bij zeldzame staatsaangelegenheden had gedragen. Hij duwde de punt dieper in de grond van zijn geliefde Tabar, de oudste natie op de wereld Shila. Al zeventien jaar had hij gevochten tegen de indringers, die zijn hordes hadden teruggedreven naar het hart van het Rijk van Gras.  

Toen hij als jongeling het zwaard van de Sha-shahan had ontvangen, had de parade van Saaur-krijgers zich uitgestrekt over de hele lengte en breedte van de eeuwenoude stenen weg over het Nauw van Tadakor, de zee-engte die de Tadakorzee met de Kastaakse Oceaan verbond. Honderd ruiters - een centurie - naast elkaar waren toen langs gereden, honderd centuries per jatar - tienduizend krijgers. Tien jatars per massa en tien massa's per horde. Op het hoogtepunt van zijn macht stonden er zeven hordes onder Jarwa's bevel: zeven miljoen krijgers, altijd onderweg, hun paarden grazend op het Rijk van Gras, hun kinderen spelend en vechtend tussen de oude wagens en tenten van de Saaurs. Hun kampen strekten zich toen uit van de stad Cibul tot aan de verste grens, tienduizend mijl ver weg. Zo uitgestrekt was het rijk dat een ruiter te paard er in ononderbroken galop anderhalve wending van de maan over zou doen om van de hoofdstad naar de grens te rijden en tweemaal zo lang van de ene grens naar de andere.  

Ieder jaargetijde bleef een van de hordes bij de hoofdstad terwijl de andere verder trokken langs de grenzen van de grote naties, de vrede handhavend door eenieder die zijn schatting niet betaalde te onderwerpen. Een duizendtal steden langs de kusten van de negen grote oceanen stuurden voedsel, rijkdommen en slaven naar het hof van de Sha-shahan. En eens in de tien jaar kwamen de kampioenen van de zeven hordes bijeen voor de grote spelen te Cibul, de eeuwenoude hoofdstad van het Rijk van Gras. Met het verstrijken der eeuwen hadden alle Saaurs op Shila zich verzameld onder de banier van de Sha-shahan, met uitzondering van de verst verwijderde naties aan de andere kant van de wereld. Het was altijd Jarwa's streven geweest om de Sha-shahan te zijn die uiteindelijk de droom van zijn voorvaderen zou vervullen: de laatste steden toevoegen aan het Rijk, waarmee de heerschappij over de hele wereld een feit werd. Vier van die steden waren door Jarwa's hordes overwonnen en een vijfde had zich zonder bloedvergieten overgegeven - nog geen tien steden resteerden buiten het Rijk. Toen waren de ruiters van de Pathahorde aangekomen bij de stadspoorten van Ahsart, de Stad van de Priesters. Kort daarop was het onheil begonnen.

Jarwa pantserde zich tegen de geluiden van de doodsstrijd die in de invallende schemering klonken - de kreten van zijn krijgers die naar de vreetkuilen werden afgevoerd. Volgens de verhalen van de weinigen die waren ontkomen, hadden de gevangenen die snel ter dood werden gebracht nog het meeste geluk, evenals degenen die op het veld waren gesneuveld. De indringers, zo zeiden zij, konden de ziel van een stervende gevangen houden en bewaren als speelgoed, hen kwellend tot in de eeuwigheid, en weigerend hun schimmen een plaats te gunnen te midden van hun voorouders, rijdend in de gelederen van de Hemelse Horde.  

Vanaf zijn uitkijkpunt op het plateau keek Jarwa neer op de oeroude zetel van zijn volk. Hier, op nog geen halve dag rijden van Cibul, kampeerden de laatste haveloze resten van zijn eens zo machtige leger. Zelfs in dit donkerste uur van het Rijk van Gras, deed de aanwezigheid van de Sha-shahan zijn krijgers fier rechtop staan, het hoofd in de nek, de blik vol verachting gericht op de vijand in de verte. Doch ondanks de houding van deze krijgers zag hun Sha-shahan iets in hun ogen wat geen Heer van de Negen Oceanen ooit in het gelaat van een Saaur-krijger had kunnen bespeuren: angst.  

Jarwa zuchtte. Zonder een woord ging hij terug naar zijn tent. Al wist hij ook nog zo goed dat er geen andere keuze was, hij verafschuwde het komende onderhoud met deze vreemdeling. Vlak voor zijn tent bleef hij staan. 'Kaba, ik heb geen vertrouwen in die priester van een andere wereld.' Hij spuwde het woord uit.  

Kaba knikte. Zijn schubben waren al grijs van het jarenlange leven vol ontberingen te paard, in dienst van zijn Sha-shahan. 'Ik weet dat u twijfelt, mijn heer, maar uw bekerdrager en uw leermeester zijn het eens. We hebben geen keus.'

'Keus is er altijd,' fluisterde Jarwa. 'We kunnen ervoor kiezen als krijgers te sterven!'

Even legde Kaba een hand op Jarwa's arm, een vrijpostigheid die iedere andere Saaur-krijger ogenblikkelijk het leven zou hebben gekost. 'Oude vriend,' zei hij zacht, 'deze priester biedt onze kinderen een toevluchtsoord. We kunnen strijdend ten onder gaan en de herinnering aan de Saaurs op een bittere wind verloren laten gaan. Dan is er niemand meer die de heldenmoed bezingt ter nagedachtenis van de Hemelse Horde terwijl de vijand zich te goed doet aan onze lichamen. Tenzij we de rest van de vrouwen en de jonge mannen in veiligheid kunnen brengen. Is er wel een keus?'  

'Maar hij is anders dan wij.' Kaba zuchtte.

'Hij heeft iets -'

'Zijn bloed is koud,' fluisterde Jarwa.

Kaba sloeg een teken. 'De koudbloedigen zijn wezens uit legenden.'

'En zij dan?' vroeg Jarwa, gebarend naar het vuur dat in de verte zijn hoofdstad verzwolg.

Kaba haalde slechts zijn schouders op. Zonder een nader woord ging Jarwa zijn oude vriend voor, de tent van de Sha-shahan binnen.

De tent was groter dan alle andere in het kamp en was in werkelijkheid een paviljoen van verscheidene aan elkaar genaaide tenten. Rondkijkend sloeg de kou Jarwa om het hart. Zo veel wijze adviseurs en machtige leermeesters die ontbraken. En toch keken alle aanwezigen hem hoopvol aan. Hij was de Sha-shahan en het was zijn plicht het volk te redden.  

Toen viel zijn blik op de vreemdeling en weer vroeg hij zich af of het een goede keus was. Het wezen leek sterk op een Saaur, met zijn groene schubben op armen en gezicht, maar hij droeg een mantel met een wijde kap die het lichaam verborgen hield in plaats van het harnas van een krijger of het gewaad van een leermeester. En voor een Saaur was hij erg klein: nog geen twee armlengtes groot. Zijn snuit was de helft te lang en zijn ogen waren helemaal zwart in tegenstelling tot de witte ogen met de rode irissen van de Saaurs. In plaats van dikke witte nagels staken er lange zwarte gekromde punten uit de toppen van zijn vingers. En hij sprak slissend, vanwege de gevorkte tong. Jarwa haalde zijn beschadigde helm van zijn hoofd, gaf hem aan een bediende en sprak hardop wat alle krijgers en leermeesters in de tent dachten: 'Slang.'

Het wezen neigde zijn hoofd, alsof het een begroeting betrof in plaats van een grove belediging. 'Zeker, mijn heer,' siste hij terug.

Verscheidene krijgers legden een hand op hun wapen, maar de oude bekerdrager, op Kaba na de belangrijkste man voor zijn heer, zei: 'Hij is onze gast.'

Al heel lang kenden de Saaurs, de hagedis mensen van Shila, de legende van de slangmensen. Evenals de warmbloedige Saaurs werden de slangmensen aangeroepen door moeders om 's nachts hun stoute kinderen bang te maken. Maar deze wezens, die toch zo veel van hen verschilden, hun eigen soortgenoten aten en hun eieren in het water van warme bronnen legden, werden als ras gevreesd en gehaat, al was er sinds de heugenis van de knapste leermeesters van de Saaurs nimmer één gezien. Volgens de legende waren beide rassen aan het begin der tijden geschapen door de Godin, toen de eerste ruiters van de Hemelse Horde uit het ei kwamen. Als bedienden van de Groene Vrouwe, de Godin van de N acht, hadden de slangen haar woonstee nooit verlaten terwijl de Saaurs met haar en haar god-broeders en god-zusters waren meegereden. Nadat ze door de Godin op deze wereld waren achtergelaten, was het de Saaurs goed vergaan, maar altijd was de herinnering aan de anderen, de slangen, gebleven. Alleen de leermeesters wisten welke verhalen waar gebeurd en welke verzonnen waren, maar één ding wist Jarwa heel goed: vanaf zijn geboorte werd de erfgenaam van de Sha-shahan geleerd dat geen slang ooit vertrouwd kon worden.  

'Mijn heer,' zei de slangpriester, 'de poort is klaar. De tijd dringt. Zij die zich te goed doen aan de lijken van uw landgenoten zullen daar straks genoeg van krijgen en als de nacht valt en hun macht toeneemt, komen ze hierheen.'

De priester een ogenblik negerend, wendde Jarwa zich tot zijn kameraden. 'Hoeveel jatars hebben het overleefd?'  

Tasko, Shahan van de Watiri, gaf antwoord. 'Vier en een deel van een vijfde.' Op besliste toon vervolgde hij: 'Geen jatar is ongeschonden. Deze laatste krijgers zijn bijeengevoegd uit de restanten van de Zeven Hordes.'

Jarwa weerstond de drang om zich aan wanhoop over te geven. Iets meer dan veertigduizend ruiters. Dat was alles wat er resteerde van de Zeven Grote Hordes van de Saaurs.

Jarwa's hart werd door somberheid gegrepen toen hij terugdacht aan zijn verontwaardiging toen het bericht van de Pathahorde kwam dat de priesters weigerden hun schatplicht te voldoen. Zeven maanden lang had Jarwa in het zadel gezeten om in eigen persoon de beslissende aanval tegen Ahsart, de Stad van de Priesters, te leiden. Even voelde hij een steek van wroeging, maar meteen berispte hij zich: welk heerser had ooit kunnen voorzien dat de krankzinnige priesters van Ahsart liever alles vernietigden dan de Saaurs de volledige heerschappij over de wereld te laten krijgen? Het was die gekke hogepriester Myta geweest die de poort had ontsloten en de eerste demon had doorgelaten. Er school een kleine troost in de wetenschap dat die demon als eerste Myta's ziel ter marteling gevangen had gezet toen hij hem het hoofd van de romp had gescheurd. Eén van de overlevenden van Ahsart had beweerd dat honderd krijger-priesters de demon hadden aangevallen terwijl die Myta's lichaam had verslonden en dat geen van hen het had kunnen navertellen.  

Tienduizend priesters en leermeesters en meer dan zeven miljoen krijgers waren gesneuveld in de strijd om de veile schepselen op afstand te houden, vechtend aan de uiterste grenzen van het Rijk en uiteindelijk teruggedreven tot in het hart ervan tijdens een oorlog die een halve wereld overspande. Honderdduizend demonen waren gedood, maar stuk voor stuk tegen een hoge prijs in bloed van de duizenden krijgers die zich onverschrokken op de gruwelijke wezens hadden geworpen. Bij tijden hadden de leermeesters hun kunsten met goed gevolg weten aan te wenden, maar altijd waren de demonen teruggekeerd. Jarenlang had de strijd geduurd aan een front dat zich langs vier van de negen oceanen had moeten terugtrekken. De eerste kinderen die in het kamp van de Sha-shahan waren geboren, waren opgegroeid en inmiddels in de oorlog gesneuveld en nog steeds rukten de demonen op. Tevergeefs zochten de leermeesters naar een mogelijkheid om de poort tussen de werelden te sluiten en het tij van de strijd in het voordeel van de Saaurs te keren. Vanaf de andere kant van de wereld hadden ze zich vechtend teruggetrokken naar Cibul terwijl het demonenleger uit de poort tussen de werelden was gestroomd, en nu werd er een andere poort geopend, een die de Saaurs hoop kon bieden: hoop in ballingschap.  

Nadrukkelijk schraapte Kaba zijn keel en Jarwa maakte korte metten met zijn spijtgevoelens. Daar schoot niemand iets mee op. Zoals zijn schilddrager al had gezegd: er was geen keus.

'Jatuk,' zei Jarwa en er stapte een jonge krijger naar voren. 'Van de zeven zoons, elk aanvoerder van een van de hordes, ben jij de laatste,' zei hij op bittere toon. De jonge krijger zei niets. 'Jij bent de Ja-shahan,' verkondigde Jarwa, hem officieel benoemend tot troonopvolger. Nog maar tien dagen geleden had de jongeman zich bij zijn vader gevoegd, door zijn eigen gevolg begeleid naar zijn vaders kamp. Hij was nog maar achttien jaar oud, net een jaar uit opleiding, en al driemaal de strijd in geweest sinds zijn komst aan het front. Jarwa besefte dat zijn jongste zoon een vreemde voor hem was, nog maar een peuter toen hij was vertrokken om Ahsart op de knieën te dwingen. 'Wie rijdt er links van je?' vroeg hij.

'Monis, geboortekameraad,' zei Jatuk, wijzend naar een jongeman met een kalm gezichten een imposant litteken op zijn linkerarm.

Jarwa knikte. 'Vanaf nu is hij jouw schilddrager.' Tegen Monis zei hij: 'Denk eraan, het is jouw plicht jouw heer met je leven te beschermen; meer nog, het is jouw plicht zijn eer te beschermen. Niemand staat dichter bij Jatuk dan jij, geen gehuwde, geen nakomeling, geen leermeester. Spreek altijd de waarheid, ook wanneer hij die niet wenst te horen.' Tegen Jatuk voegde hij eraan toe: 'Hij is jouw schild. Sla zijn wijze woorden nooit in de wind, want wie zijn schilddrager negeert, rijdt de strijd tegemoet met één arm op zijn rug, blind aan één oog en doof aan één oor.'

Jatuk knikte. Aan Monis was nu de hoogste eer verleend die iemand die niet tot de heersende familie behoorde kon krijgen: zonder angst voor vergelding kon hij zijn mening zeggen.

Monis salueerde door met gebalde rechtervuist tegen zijn linkerschouder te slaan. 'Sha-shahan!' zei hij en keek naar de grond, ten teken van totale eerbied en respect.

'Wie bewaakt jouw tafel?'

'Chiga, geboortekameraad,' antwoordde Jatuk.

Jarwa knikte goedkeurend. Deze drie mannen, afkomstig uit dezelfde geboortecrèche, kenden elkaar even goed als zichzelf en hadden een uiterst sterke band met elkaar. 'Vanaf nu geef jij je wapens en wapenrusting op en blijf je achter in het kamp,' zei Jarwa tegen de genoemde krijger. De eer ging gepaard met bitterheid, want al was de positie van bekerdrager nog zo hoog, het negeren van de krijgsroep was voor een krijger erg zwaar. 'Bescherm je heer tegen de heimelijke hand en het listige woord, gefluisterd boven te veel drank met valse vrienden.'  

Ook Chiga salueerde. Evenals Monis was hij nu vrij om straffeloos tegen zijn heer te spreken, want als bekerdrager was het net zo goed zijn plicht om Jatuk te beschermen als het dat was voor de krijger die aan zijn schildzijde reed.

Jarwa wendde zich tot een ander, zijn leermeester, omringd door verscheidene acolieten. 'Wie van jullie is de meest begaafde?'

'Shadu,' zei de leermeester. 'Hij heeft alles onthouden.'

'Neem dan de tabletten en de relikwieën,' zei Jarwa tegen de jonge krijger-priester, 'want vanaf nu ben jij de hoofdbewaarder van het geloof. Vanaf nu ben jij de Leermeester van het Volk.'  

De ogen van de acoliet werden groot toen zijn meester hem de eeuwenoude tabletten overhandigde. Niet alleen droeg hij nu voortaan de tussen brede planken bewaarde grote vellen perkament, beschreven met inkt die van ouderdom was verbleekt, maar ook de verantwoordelijkheid om zich de leer, de interpretaties en de tradities te blijven herinneren, duizenden woorden die hij moest onthouden voor ieder woord dat door een oeroude hand met inkt was geschreven.  

'Mijn laatste opdracht aan degenen die mij vanaf het begin hebben gediend, is deze,' vervolgde Jarwa. 'Straks komt de vijand voor de laatste keer. Wij zullen het niet overleven. Zing je stervenslied uit volle borst en weet dat jullie namen zullen voortbestaan in de herinnering van jullie kinderen, op een verre wereld onder een onbekende hemel. Ik weet niet of hun liederen de leegte kunnen overbruggen om de herinnering aan de Hemelse Horde levend te houden of dat ze op die vreemde wereld een nieuwe Hemelse Horde zullen stichten, maar als de demonen komen, laat iedere krijger dan weten dat het vlees onzes vlezes in een ver land veilig zal voortbestaan.' Wat de Sha-shahan bij deze woorden ook mocht voelen, hij hield het verborgen achter een masker. 'Jatuk, sta mij bij. De rest: op jullie posten.' Tegen de slangpriester zei hij: 'Ga naar de plek waar je je magie bedrijft en weet dat als je mijn volk bedriegt, mijn schim zal weten los te breken uit de hellekuil waarin hij wordt vastgehouden, en de peilloze diepte zal oversteken om wraak op je te nemen, al zal het tienduizend jaar duren.'  

De priester maakte een buiging. 'Heer, mijn leven en mijn eer staan te uwen dienste,' sliste hij. 'Ik blijf hier, om met mijn geringe kunsten uw achterhoede te versterken. Op deze armetierige wijze geef ik blijk van het respect van mijn volk en de wens om de Saaurs, die in vele opzichten zo veel op ons lijken, naar onze wereld te brengen.'

Wellicht was Jarwa onder de indruk van dit offer, maar hij liet er niets van blijken. Met een handgebaar naar zijn jongste zoon verliet hij de grote tent. De jongeling volgde zijn vader naar de rand van het plateau en keek neer op de stad in de verte, hels verlicht door het vuur van de demonen. Vaag snerpten er kreten, verschrikkelijker dan die uit een sterfelijke keel, en de jonge leider vocht tegen de drang om zijn gezicht af te wenden.

'Jatuk, morgen om deze tijd, op een verre, vreemde wereld, ben jij de Sha-shahan van de Saaurs.'

De jongeling wist dat het zo was, hoe graag hij ook anders zou willen.

Hij uitte geen vals protest.

'Ik heb geen vertrouwen in slangpriesters,' fluisterde Jarwa. 'Ze mogen dan op ons lijken, maar vergeet nooit dat hun bloed koud is. Ze kennen geen hartstocht en hun tongen zijn gespleten. Vergeet ook nooit de oude leer over het laatste bezoek dat de slangen ons brachten en denk aan de verhalen van verraad sinds de Moeder van ons allen de warmbloedigen en de koudbloedigen het leven schonk.'  

'Vader.'

Jarwa legde zijn hand, eeltig van het jarenlange zwaardvechten en getekend door ouderdom en strijd, op de schouder van zijn zoon en kneep. Jong en stevig spierweefsel bood weerstand aan zijn greep en Jarwa voelde een vage vonk van hoop. 'Ik heb een eed gezworen, maar jij bent degene die hem moet nakomen. Doe niets wat je voorouders of je volk te schande zou maken, maar wees op je hoede voor verraad. Eén generatie in dienst van de slangen hebben wij beloofd: dertig wendingen van deze vreemde wereld. Maar denk eraan, zodra de slangen als eerste de eed breken, ben je vrij om te doen wat je wilt.'

Zijn zoons schouder loslatend wenkte hij Kaba naderbij. De schilddrager van de Sha-shahan kwam aangelopen met de helm van zijn heer, het grote gegroefde hoofddeksel van de Sha-shahan. Achter hem kwam een stalknecht met een vers paard. De grote kudden waren niet meer en de beste dieren die hun nog restten, gingen met de kinderen mee naar de nieuwe wereld. Jarwa en zijn krijgers moesten zich behelpen met de minder goede dieren. Dit paard was maar klein, amper negentien handbreedten, nauwelijks groot genoeg om het bepantserde gewicht van de Sha-shahan te dragen. Maakt niet uit, dacht Jarwa. Het zou maar een kort gevecht worden.  

Achter hem, in het oosten, klonk een knetterende energieontlading, alsof er duizend bliksemstralen tegelijkertijd insloegen, de nacht verlichtend. Een tel later volgde een luide donderslag en iedereen keek om naar de glinstering in de lucht. 'De weg is geopend,' zei Jarwa.  

Haastig kwam de slangpriester naar voren, naar het westen wijzend. 'Heer, kijk!'

Jarwa keek naar de brandende stad. Uit de vlammen doken kleine gedaanten omhoog die naar hen toe kwamen vliegen. Bitter bedacht Jarwa dat het slechts een kwestie van perspectief was - de krijsers waren zo groot als een volwassen Saaur en sommige andere vliegers zelfs nog groter. Hun leerachtige vleugels konden de lucht laten knallen als de zweep van een wagenmenner, en met hun gekrijs konden ze een gezonde krijger tot waanzin drijven. Even keek hij naar zijn handen om te zien of ze beefden, en zei toen tegen zijn zoon: 'Geef me je zwaard.'  

De jongeling deed wat hem was gezegd en Jarwa gaf zijn zoons zwaard aan Kaba. Daarop trok hij Tual-masok uit de schede en hield het gevest omhoog voor zijn zoon. 'Neem je geboorterecht en ga.'

De jongeling aarzelde, doch pakte toen beslist het gevest beet. Geen leermeester die dit oeroude zwaard uit de dode hand van zijn vader pakte om het aan de erfgenaam te overhandigen. Voor het eerst in de geschiedenis van de Saaurs had een Sha-shahan vrijwillig het bloedzwaard afgestaan terwijl het leven hem nog door de aderen stroomde.  

Zonder een nader woord salueerde Jatuk naar zijn vader, draaide zich om en liep naar zijn wachtende metgezellen. Met een korte zwaai van zijn hand beduidde hij hun op te stijgen en met hem mee te rijden naar de resterende menigte Saaurs die naar een verre wereld zou vluchten.

Vier jatars zouden door de nieuwe poort rijden terwijl het restant van de vijfde samen met Jarwa's oude getrouwen en leermeesters achterbleven om de demonen op afstand te houden. Een zacht en monotoon gezang steeg op toen de leermeesters hun krachten samenbundelden, en plots schoten er blauwe vlammen door de lucht, een muur van energie langs de hemel vormend. De demonen die erin gevangen werden, krijsten van woede en pijn terwijl hun lichamen door blauw vuur werden verschroeid. De wezens die vlug om wisten te keren, bleven gespaard, maar zij die te ver het energieveld waren binnengevlogen, smeulden en brandden, een kwalijke zwarte rook verspreidend. Een paar krachtiger wezens wisten de rand van het plateau te bereiken, maar zonder aarzelen sprongen de Saaur-krijgers naar voren, op hen inhakkend. Het was echter een zwakke triomf, wist Jarwa, want alleen de demonen die door de magie ernstig waren verwond, konden zo gemakkelijk onschadelijk worden gemaakt.  

Toen slaakte de slangpriester een kreet. 'Ze vertrekken, mijn heer.'

Jarwa keek over zijn schouder en zag de grote zilveren poort, door de slang een scheuring genoemd, in de lucht hangen. De voorhoede van de Saaur-jeugd reed er al doorheen en heel even meende Jarwa zijn zoon uit het zicht te zien verdwijnen, al besefte hij onmiddellijk dat dat verbeelding was. De afstand was veel te groot om zo'n detail te onderscheiden.

Zijn aandacht weer richtend op de mystieke barrière, zag Jarwa dat die nu witheet opgloeide op de plekken waar de demonen hun eigen krachten aanwendden. De vliegers waren eerder ergerlijk dan echt gevaarlijk. Door hun snelheid vormden ze een levensgevaar voor een eenzame ruiter of een gewonde of verzwakte krijger, maar een sterke Saaur kon hen met weinig moeite onschadelijk maken. Het waren de wezens die op de vliegers volgden die een einde aan zijn leven zouden maken.  

Over de gehele lengte van de barrière verschenen er scheuren in de muur van energie en daarachter zag Jarwa nu donkere gedaanten naderen. Grote demonen die niet konden vliegen, tenzij door middel van magie, repten zich over de grond naderbij, even snel lopend als een Saaur-ruiter te paard. Boosaardig brullend stortten ze zich in het strijdgewoel. De slangpriester stak zijn hand uit en op de plek waar een van de demonen door een scheur in de muur trachtte te komen, schoten vlammen op. Jarwa zag de slangpriester wankelen van de inspanning.  

'Zeg mij één ding, slang,' zei Jarwa, wetend dat het einde met rasse schreden naderde, 'waarom ben je hier gebleven om met ons te sterven? Wij hadden geen keus, maar jij had kunnen vluchten met mijn kinderen.' Hij gebaarde naar de naderende demonen. 'Jaagt de dood door het toedoen van die wezens jou geen angst aan?'  

Met een lach die de Vorst van het Rijk van Gras slechts kon interpreteren als spottend, antwoordde de slangpriester: 'Nee, mijn heer. De dood betekent vrijheid en dat zult u spoedig merken. Wij, die de Smaragden Koningin in haar paleis dienden, weten dat.'  

Jarwa's ogen vernauwden zich tot spleetjes. Dus de oude legende was waar! Dit wezen was werkelijk door de moedergodin gebaard. In een vlaag van woede besefte Jarwa dat zijn ras was verraden en dat dit wezen een even bittere vijand was als de demonen die naderbij snelden om zijn ziel te verslinden. Met een kreet van frustratie zwaaide de Sha-shahan met het zwaard van zijn zoon en scheidde het hoofd van de Pantathiër van de schouders. Toen hadden de demonen de achterhoede bereikt en Jarwa had nog een ogenblik de tijd om te denken aan de kinderen van zijn metgezellen, op een verre wereld onder een vreemde zon. Terwijl de Heer van de Negen Oceanen zich omdraaide naar zijn vijand, bad hij in stilte tot zijn voorouders, de Ruiters van de Hemelse Horde, met het verzoek om over de kinderen van de Saaurs te waken.

Eén gedaante torende hoog boven de andere uit, en alsof ze hem voelden naderen, weken de kleinere demonen uiteen. Tweemaal zo groot als de langste Saaur was hij, meer dan vijfentwintig voet lang, en hij beende doelbewust op Jarwa af. Zijn krachtige gedaante leek veel op die van een Saaur - brede schouders, taps toelopend tot een smal middel, lange armen en goed gevormde benen - maar op zijn rug zaten vleugels die leken te bestaan uit gerafeld leer, en zijn kop... Een driehoekige schedel, als die van een paard, overtrokken met een dunne huid, alsof er dun leer over het bot was gespannen. De tanden waren ontbloot, de slagtanden vlak naast elkaar, en de ogen gloeiden als rode steenkolen. Rond zijn kop flakkerde een krans van vlammen en zijn lach deed Jarwa's bloed in de aderen stollen.  

Zonder acht te slaan op de krijgers die naar voren stormden om de Sha-shahan te verdedigen, liep de demon zijn kleinere broeders voorbij. Met een enkele slag reet hij de lichamen van de mannen even gemakkelijk open als een Saaur brood brak. Jarwa stond paraat, in de wetenschap dat met iedere tel die hij zijn leven wist te verlengen, meer van zijn kinderen door de scheuring konden vluchten.  

Toen boog de demon zich over Jarwa heen als een krijger over een klein kind. Met al zijn verzamelde krachten sloeg de Sha-shahan toe, met zijn zoons zwaard het wezen op de uitgestrekte arm treffend. De demon krijste van pijn, doch negeerde toen zijn wond en pakte Jarwa rond zijn middel, waarbij zijn zwarte klauwnagels, groot als dolken, Jarwa doorstaken, zijn wapenrusting en lichaam doorborend.  

De demon tilde de vorst van de Saaurs op en bracht hem naar zijn gezicht. Terwijl het licht in Jarwa's ogen begon te doven, zei de demon lachend: 'Jij bent de vorst van niets, dom sterfelijk wezen. Jouw ziel is van mij, beest van vlees en bloed! En als ik je op heb, leef je nog steeds kwijnend voort, om mij tussen mijn maaltijden door te vermaken!'

Voor het eerst in zijn leven wist Jarwa, Sha-shahan van de Zeven Naties, Vorst van het Rijk van Gras, Heer van de Negen Oceanen, wat doodsangst was. En terwijl zijn geest het uitschreeuwde, werd zijn lichaam slap. Van ergens boven zijn eigen lichaam voelde hij zich oprijzen, wegvliegen naar de Hemelse Horde, maar hij werd door iets vastgehouden en kon niet weg. Kijkend naar zijn eigen lichaam dat door de demon werd verslonden, hoorde zijn geest het wezen zeggen: 'Ik ben Tugor, opperdienaar van de Grote Maarg, Vorst van de Vijfde Cirkel, en jij bent mijn speeltje.'  

Jarwa schreeuwde, maar hij had geen stem, en hij spartelde, al had hij geen lichaam, en zijn geest werd vastgehouden door mystieke ketenen, bindend als ijzer. Aan het gejammer van geeststemmen hoorde hij dat zijn metgezellen eveneens vielen. Met het beetje wilskracht dat hem nog restte, wendde hij zijn zintuigen naar de scheuring in de verte en zag de laatste kinderen vertrekken. Toch nog enige troost puttend uit het plotseling zien verdwijnen van de scheuring, wenste de schim van Jarwa zijn zoon en zijn volk een veilig toevluchtsoord en bescherming tegen het verraad van de slangen op de verre wereld die door de Pantathiërs werd aangeduid met de naam Midkemia.