HOOFDSTUK II

Skinny had zijn bijnaam gekregen toen hij nog heel jong was. Hij was nu nog niet erg oud; in leeftijd was hij de jongste op een na, op Flash na. Maar hij was uit die bijnaam gegroeid. Hij was de langste van oude Toms zonen en de man met de breedste schouders en de sterkste spieren, zwaargebouwd maar zonder een onsje overtollig vet. Van Skinny Baldwin werd gezegd dat hij drie etmalen aan één stuk kon rijden en dan drie etmalen aan één stuk slapen. Hij was van de duvel en zijn moer nog niet bang. Hij had Tower, het roemruchte wilde paard van de rodeo's, kleingekregen; hij kon een sigaret uit je mond schieten of een oog uit je hoofd.

Skinny besteeg zijn beste paard, een magnifieke zwarte hengst met een hoofd zo lang als de arm van een man en met ogen zo klein als een kwartje en rood als bloed. Hij mocht dat prachtige paard niet om redenen van prioriteit zijn eigendom noemen, maar alleen omdat hij de enige was die het kon berijden, naast Flash.

En Flash liet zich bijna nooit op de ranch zien. Hij liet zich meedrijven op de getijstromen van zijn avonturen en zijn thuis betekende voor hem minder dan de tent van de Bedoeïn. Hij ging er soms even aan als hij toevallig toch in de buurt was.

Hoewel Skinny verreweg de langste afstand had af te leggen, bereikte hij toch het eerst zijn doel, want dat grote zwarte monster van een paard scheen zich op vleugels voort te bewegen.

Bij het zigeunerkamp aangekomen steeg hij af, overtuigde zich ervan dat allebei zijn revolvers vuurklaar waren - hij had de zeldzame vaardigheid die hem permitteerde een twee-Colt-man te zijn - en stapte naar voren. Hij wist dat een man die zich alleen, en zeker na donker, in een zigeunerkamp waagde, speelde met zijn leven.

De zigeuners hadden een slordig wijd verspreid kamp opgeslagen. Kampvuren brandden bij gammele hoogwielige wagens. Kinderen hoedden de levende have in het gras langs de rivier. De volwassenen en de kleine kinderen zaten of lagen rond de kampvuren op de grond en het grillige licht van de vlammen speelde op hun donkere gezichten en weerspiegelde zich in hun zwarte ogen.

Er werd gezegd dat ze de listigste dieven, messtekers en leugenaars van de wereld waren. Skinny voelde zich als een ontdekkingsreiziger die voet aan land had gezet op een vreemd continent en daar een vreemd mensenras ontmoette.

Hij bekeek hen, terwijl hij van het ene naar het andere kampvuur liep, zoekend. Niemand besteedde de minste aandacht aan hem, maar hij kon hun ogen in zijn rug voelen zodra hij gepasseerd was. Nergens zag hij echter een spoor van Flash.

Tenslotte stond een jongeman op en naderde hem met katachtige schreden.

«Ik vrij goed Engels spreek,» zei hij. «Zeg maar wat je komt doen. Is er een paard gestolen?»

«Een paard?» echode Skinny, verbijsterd door de directheid van de vraag.

«Dan hoef je hier niet te zoeken,» zei de jongeman. «De paarden die wij stelen, doen we vlug weer van de hand. En we zitten hier dicht bij het land waar niets wordt gevraagd.»

En hij gebaarde naar de rivier en het oude Mexico erachter.

«Waar heb je zo goed Engels geleerd?» vroeg Skinny nieuwsgierig.

«Ik? In de gevangenis. Ik heb gezeten.»

Hij zei het op een toon alsof het een wapenfeit was.

«Heb je Flash David hier ergens gezien vanavond?» vroeg Skinny.

«Flash David? Flash David?» herhaalde de ander en haalde zijn schouders op.

Misschien loog hij, misschien wist hij het echt niet, dacht Skinny en hij verduidelijkte:

«Een jonge knaap met de ogen van een kind, een huid als een vrouw en een gang als de jouwe. Als een kat, bedoel ik.»

De ander bleef zijn schouders ophalen, maar hij glimlachte en kneep zijn ogen samen tot glinsterende spleetjes.

Skinny besloot tot een andere tactiek. Hij duwde de ander een halve dollar in de hand en zei:

«Breng me naar de beste gokker die je in het kamp hebt.»

De jongeman wierp het muntstuk in de lucht en ving het op in een jaszak. Toen ging hij Skinny Bill voor naar een plaats waar een oude man bij een vuur zat. De oude man had een roodzijden lint rond het hoofd gebonden en een weelderige baard golfde omlaag van de kin en de steel van een lange pijp ging verloren tussen de krullen van de baard.

Skinny Bill keek om zich heen.

«Nee, hier is hij niet,» zei hij. Hij dacht even na en voegde eraan toe: «Breng me dan maar naar de beste verteller en leugenaar van het kamp.»

De beste verteller en leugenaar bleek een dikke vrouw met grote oorringen en ze was juist aan een gloedvol verhaal bezig, maar Flash bevond zich niet onder haar gehoor.

Skinny Bill wendde zich tot zijn gids. «Breng me dan maar naar het mooiste meisje van het kamp,» zei hij. «Daar had ik natuurlijk direct aan moeten denken.»

«Het mooiste meisje?» zei de gids. «Dat weet ik wel te vinden! Kom maar mee.»

Hij ging Skinny voor naar een wagen die een beetje afgezonderd stond van de andere, half verborgen tussen struikgewas. Er brandde geen kampvuur en Skinny had alleen maar het schijnsel van de opkomende maan om bij te kunnen zien.

Hij werd echter ook geleid door het zachte lachen van een vrouwenstem en hij hoorde belletjes rinkelen en hij kon de plaats van haar hals en oren en polsen onderscheiden door de sieraden die ze droeg en die het maanlicht weerkaatsten.

«Dat is het mooiste meisje van het kamp,» zei de gids. «En... ze heeft een man bij zich!»

Zijn stem kreeg opeens een grimmige klank bij die laatste woorden.

Maar Skinny besteedde er geen aandacht aan. Hij staarde strak naar de gestalte van de man, trachtend diens gelaatstrekken te onderscheiden.

Toen klonk opeens het getokkel van een gitaar en een melodieuze mannenstem begon te zingen... over sprookjesachtige tuinen gedompeld in maanlicht, over de geur van onzichtbare rozen, over klaterende fonteinen die hun hart openden voor de maan... en moet jij dan ook niet je hart openen voor mij, liefste!

Skinny Bill grinnikte.

«Het is 'm!» zei hij bij zichzelf.

«Het is 'm!» zei hij, zich tot zijn gids wendend, maar die was nergens meer te bekennen.

Skinny's ogen hadden zich inmiddels aan het donker gewend en hij zag nu een gestalte als een slang onder de wagen uit glijden. Die gestalte wierp zich op de zanger, juist toen die zijn lied besloot en er glansde iets in zijn hand. Het ging zo snel in zijn werk dat Skinny niet eens de tijd had een waarschuwing te laten horen. Maar de zanger had kennelijk geen waarschuwing nodig. Hij rukte zich een eindje opzij; de gestalte schoot langs hem heen en Flash David wierp zich onmiddellijk boven op hem.

Skinny Bill stapte naar voren. Terwijl hij naderde, hoorde hij zijn broer zeggen: «Luister naar me, zoon van een uil en een rat, welk recht heb jij op een kanarie in je kooi? Als je ook maar een hand naar haar uitsteekt, als je zelfs maar kwaad naar haar kijkt, zal ik het aan de weet komen en ik zal je de oogleden wegsnijden en ze op je rug steken, zodat je de hele dag naar de zon kunt kijken. Dat belooft Flash David je op zijn woord en Flash David heeft zijn woord nog nooit gebroken.»

Hij wierp de zigeuner van zich af en terwijl deze als een geslagen hond wegsloop, herkende Skinny Bill de jongeman die hem als gids had gediend. En hij hoorde het meisje parelend lachen.

Toen zei Skinny Bill luidkeels: «Flash, pa ligt op sterven en hij heeft naar je gevraagd.»

Samen reden ze terug door de nacht. Do langbenige zwarte liep als een trein, maar het slanke soepele dier dat Flash droeg, scheen zich zelfs nog gemakkelijker voort te bewegen. Skinny Bill kon zich niet herinneren dat paard al eens eerder gezien te hebben.

«Hoe ben je eraan gekomen?» vroeg hij, toen ze het even kalmer aan moesten doen tegen een helling op.

«Van de zigeuners. Ik heb het daar gevonden en ik heb geruild.»

«Heb je die eigenwijze oude merrie ingeruild? En hoeveel heb je bij moeten betalen?»

«Zij hebben bij moeten betalen,» zei Flash. Zijn stem klonk grimmig en gespannen en hij bleef recht voor zich uit kijken.

Zou die flierefluiter toch echt van zijn vader houden? vroeg Skinny Bill zich verwonderd af.

Thuis aangekomen sprongen ze uit het zadel en haastten zich naar binnen. In hun vaders kamer troffen ze zijn vijf andere zoons in een zwijgende halve kring. Hij opende zijn ogen niet. Hij zei slechts: «Is dat Flash?» Flash knielde naast het bed neer.

«Ja, ik ben het, vader,» zei hij.

«Moet je hem horen,» zei de oude Tom. «'Ik ben het, vader.' ' Pa' is niet goed genoeg voor hem. Waar heb je gezeten, Flash?»

«Ik heb hem uit het zigeunerkamp gehaald,» zei Skirmy

Bill. «Hoe voel je je nu, pa?»

«Hou je mond,» zed oude Tom. «Goed werk, Skinny. Dus je hebt hem gevonden, hè?»

«Ik heb gewoon naar het knapste meisje van het kamp gevraagd. Zo heb ik hem gevonden.»

«Altijd alleen maar het beste voor onze Flash,» zei oude Tom. «Alleen het beste is goed genoeg voor Flash. Nu ik hier lig te sterven...»

«Niet te sterven,» zei Flash. «Niet te sterven, vader!»

«Hou je mond,» zei oude Tom. «Stil, joch. Stil nou

toch!» Want Flash had zijn gezicht in het beddegoed begraven en kreunde zachtjes.

De zes andere zoons wierpen elkaar veelbetekenende blikken toe. Kerels waren ze hun hele leven geweest en kerels zouden ze blijven, ook aan een sterfbed. Maar nu zagen ze hun erfdeel al door hun eeltige vingers glippen in de zachte handen van de jongen.

«Nu ik hier lig te sterven,» hernam oude Tam, «lig ik te bedenken wat het beste is op de ranch. Want alles wat het beste is, gaat naar hem.»

Er ging beroering door de andere zoons, maar er klonk geen woord van protest.

«Skinny, jij hebt verstand van paarden,» zei de vader. «Wat is het beste paard op de ranch?»

«Mijn zwarte, neem ik aan,» zei Skinny. «En hij is van mij ook, neem ik aan.»

«Voorlopig is hij nog van mij,» zei oude Tom streng.

«Maar er is nog wel iets beters dan de zwarte, niet waar?»

«Dan kan het alleen maar de volbloedhengst zijn die we gekocht hebben om de zadelpaarden te veredelen. Verder is er niets.»

«En is mijn Flash soms geen volbloed?» zei oude Tom, het hoofd een eindje oplichtend. «Hij is een volbloed en hij krijgt de volbloedhengst. Dat is mijn laatste wilsbeschikking en testament en zo wil ik het ook.»

Een zwak gemompel ging op onder de anderen, maar geen woord van protest.

«En wat is er nog meer?» vervolgde de vader. «Mijn Colt met de paarlemoeren kolfplaten. Het beste schietijzer ooit door een man op de heup gedragen. En met die paarlemoeren kolfplaten is het voor niemand beter geschikt dan voor Flash. Dat krijgt hij ook.»

Hij zweeg even om op kracht te komen. Toen zei hij in de geladen stilte:

«Dat is het erfdeel dat naar Flash gaat. Buiten die hengst en die Colt is er op de hele ranch niets dat waarde voor hem heeft. Alleen maar een huis en wat stallen en wat hooioppers en koebeesten. Ik zou hem ermee affronteren als ik hem er iets van gaf. Ik weet dat alleen maar het beste genoeg voor hem is. Het beste heeft hij gekregen en meer krijgt hij niet.»

De zes anderen gaapten elkaar met grote ogen aan en hun gezichten begonnen te stralen naarmate de betekenis van die woorden tot hen doordrong.

Toen vervolgde oude Tom: «Alles wat ik verder op de wereld bezit, gaat naar jou, Shorty... en naar je broers. Maar jij bent de baas. Als je je werk niet goed doet, kunnen ze een ander in jouw plaats kiezen. Maar ze zullen wel wijzer zijn, want jij bent de man met het zakenhoofd. En verder is de regeling als volgt: Als een van jullie zijn deel wil om elders voor zichzelf te beginnen, dan wordt dat deel eerlijk en wettelijk geschat en dan moeten de anderen hem uitkopen. Hij krijgt zijn zesde part en dat is binnen zes maanden eisbaar. Is dat duidelijk?»

«Volkomen duidelijk, sir,» zei Skinny.

«Het is 'sir' nu ik Flash niet mee laat delen,» zei oude Tom. «Vijf minuten geleden was het gewoon 'pa'.»

Ze schuifelden met de voeten, al die zes, en sloegen schuldig de ogen neer.

«Meer heb ik jullie niet te zeggen,» zei oude Tom. «Als je me weerziet, zal ik dood zijn. Begraaf me maar vlug. Een kerkdienst hoeft voor mij niet, want ik heb me nooit in een kerk laten zien. Ik wil geen wierook en ik wil qeen gezang. Gewoon onder de grond. Tot kijk, jongens, en veel succes allemaal.»

«Pa,» zei Shorty, «ik wilde nog even vragen...»

«Hou je mond,» zei de vader, «en verdwijn. Of moet ik mijn laatste adem eraan verspillen met je naar buiten te jagen?»

Ze vertrokken, behoedzaam op hun tenen lopend. Skinny sloot de deur zachtjes achter zichzelf en de anderen. Toen volgde hij de anderen naar buiten, waar het avondbriesje koud aanvoelde op hun bezwete gezichten. Hier konden ze weer ademhalen. Een vreemd en onverwacht iets was gebeurd.

«Hij kan bidden en smeken en soebatten,» zei Shorty, «maar de ouwe heer heeft zijn woord gegeven en daar komt hij niet meer op terug. Een knol en een schietijzer! Maar ja, wat heeft hij tenslotte meer verdiend?»

De anderen zeiden niets. Ze voelden zich te schuldig om iets te zeggen.

En in de slaapkamer zei Flash inmiddels: «Hoe lang lig je al hier? Hoe lang? Versta je me? Ik kan hier een dokter hebben binnen...»

«Geen dokter ter wereld die me nog kan helpen,» zei oude Tom. «Trek de deken maar eens terug. En maak mijn jas open.»

De deken werd weggetrokken en de jas losgeknoopt. En toen werd een grote rode vlek zichtbaar op oude Toms borst.

«Hij is door en door gegaan,» zei hij bedaard. «Ik zag hem er aan de voorkant ingaan en ik voelde hem er aan de achterkant uitgaan. En ik wist dat het gebeurd was met me. Daarom ben ik naar huis gegaan en heb jou laten halen. Maar ik heb heel wat bloed verloren. Dit beddegoed zal wel niet meer schoon te krijgen zijn.»

Flash greep de lamp en liet het licht in zijn vaders ogen schijnen. Zijn hand beefde toen hij de lamp terugzette. «Je hebt het gezien,» zei oude Tom bedaard, «ik heb het ook vaag genoeg gezien... het waas dat voor de ogen van een stervend man komt. Ik heb nog maar een paar minuten en ik heb nog heel wat te zeggen.»

Flash zei niets. Zijn ogen bleven aan het gezicht van de stervende man gekluisterd.

«Ze zullen het wel maken,» zei oude Tom met een hoofdknikje naar de deur. «Het zijn altijd harde werkers geweest en dat zullen ze blijven. Zes werkpaarden heb ik grootgebracht en een luxepaard. Maar het is goed zo. Met hun zessen zullen ze mijn werk voortzetten. En de zevende zal de man doden die mij gedood heeft. Dat betekent dat ik heel rustig zal kunnen slapen in mijn graf. Ik zal slapen zoals nog nooit iemand geslapen heeft.»

Hij sloot zijn ogen en glimlachte en de jongen dacht dat het zijn laatste woorden waren geweest. Maar toen klonk de stem van de vader opnieuw, nauwelijks verstaanbaar.

«Een naam kan ik je niet geven,» zei hij, «want namen betekenen niets voor hem. De ene week deze naam en de volgende week een andere. Maar ik kan je wel een beschrijving geven. Flinke kop met haar even bruin als zijn ogen. Gebruind gezicht met appelrood op de wangen. Eerlijke oogopslag, kaarsrechte houding, echt een heer om te zien. Dat is de man die je moet zoeken, Flash.»

«Kun je me ook zeggen waar ik hem ongeveer moet zoeken?»

«Overal waar er rotzakkerij wordt uitgehaald. Want dat is zijn specialiteit.»

«Hoe oud is hij?»

«Misschien vijfendertig. Misschien vijfenveertig.»

«Gokken of drinken?»

«Niet om op te vallen.»

«Vader, in godsnaam,» zei de jongen. «Je hebt niet veel tijd meer. Kun je me niet wat meer houvast geven?»

«Vrouwen,» zei de oude man. «Hij is een echte rokkenjager, maar het moet wel kwaliteit zijn.»

«En waarom heeft hij je neergeschoten?»

«Omdat ik tegen een vrouw gezegd heb wat voor een schuinsmarcheerder hij was, een jaar of tien geleden.»

«Is dat alles?»

«Verder is er niks waar jij iets aan zou hebben.»

«Hier,» zei de jongen, «is mijn hand.»

Oude Tom greep die met het beetje kracht dat hem nog restte.

«Ik zal hem vinden,» zei Flash, «en als ik hem niet vind, zal ik blijven zoeken tot mijn laatste levensdag.»

«Stil,» zei oude Tom, «stil, jongen. Ik hoef geen beloften van je te hebben. Laat me je vertellen wat er gebeurd is op de dag van je geboorte. Ik bekeek je eens en ik zei tegen je moeder: 'Dat is wel de kleinste die we er ooit bij gehad hebben.'»

» 'Ja,' zei ze, 'maar misschien zal hij de grootste worden, als hij maar...'»

Verder kwam hij niet.

Flash omklemde zijn beide handen.

«Als hij maar wat?» riep hij.

Maar het leven week uit oude Toms ogen en zijn hoofd zakte opzij in het kussen. Hij was dood en het lamplicht scheen in zijn glazige ogen.

 

De oude Tom Baldwin had een snelle en stille begrafenis gewild, maar evengoed kwam de hele buurt uitgelopen. Als een aartsbisschop de plechtigheid had geleid in een kathedraal vol wierook en muziek had er niet meer belangstelling kunnen zijn.

Shorty was daarvoor verantwoordelijk. Aangezien hij volgens de laatste wilsbeschikking van de overledene tot gezinshoofd was aangesteld, nam hij de regeling van de begrafenis op zich en geen van de anderen maakte daar aanmerking op. En zo zond hij cowboys uit om het nieuws bekend te maken, met als resultaat dat de volgende morgen belangstellenden van heinde en verre kwamen toegestroomd om de overledene op zijn laatste gang te begeleiden.

De jonge Flash David die gewoontegetrouw nog laat in bed lag, zag ze arriveren, oude pelsjagers en vergrijsde prospectors, kleine boeren van het irrigatieland langs de rivier en ranchers, grote en kleine. Maar het merendeel van de belangstellenden werd toch wel gevormd door gewone cowboys van de prairie, gewone cowboys zoals Flash zijn vader er vroeger zelf een geweest was. Evenals de anderen had hij een paar jaar lang al zijn geld over de balk gesmeten en toen hij trouwde, had hij nog geen cent gespaard. Maar als getrouwd man had hij zuinigheid geleerd en zo had hij met dag en nacht werken zijn ranch opgebouwd.

Uit het raam kijkend liet Flash zijn blikken onverschillig over de golvende bunders glijden. Zelfs de stralen van de nog laag staande ochtendzon werden al oogverblindend door het zand weerkaatst. Er was nauwelijks een bunder echt vette grond te vinden op de hele ranch. Maar er was in elk geval genoeg gras om de koebeesten op gewicht te houden en de winters waren redelijk zacht. En de veefokkers hadden de tijd mee, nu de bewoners van de grote bevolkingscentra in het Oosten het vlees als het ware herontdekt hadden als consumptiemiddel. De ranchers in het Westen die vroeger voor de waarde van de huiden en de horens geslacht hadden, mestten de koebeesten nu vet voor het vlees en zonden de koebeesten met de trein naar de grote slachthuizen in het Midden-Westen, waar ze verwerkt werden tot consumptievlees en gedistribueerd. Zo kregen de mensen in het Oosten dikke buiken en de mensen in het Westen dikke portefeuilles en iedereen was tevreden.

De veefokkers hadden de tijd mee, maar dat wilde niet zeggen dat ze hun geld voor niets kregen. Er moest hard, heel hard voor gewerkt worden en werken was iets waar Flash een broertje aan dood had. Het ging tegen zijn aard in.

Zijn moeder had geprobeerd hem ertoe te brengen met smeekbeden en tranen; zijn vader had het geprobeerd met bedreigingen en zweepslagen. Maar geen van beiden hadden ze Flashs ijzeren weerstand kunnen breken.

En terwijl hij nu in het raam van zijn zolderkamertje lag, genietend van het zonlicht als van heerlijke wijn, liet hij zijn gedachten terugglijden naar de gebeurtenissen van de vorige dag. En onvermijdelijk kwamen ze tot stilstand bij het punt waar zijn moeders woorden hem geciteerd waren: «Misschien zal hij de grootste worden als hij maar...»

Wat was het dat zijn vader niet meer had kunnen zeggen?

«Als hij maar... wil werken!»

Dat zou ze waarschijnlijk wel gezegd hebben.

Flash zuchtte. Als ze dat werkelijk gezegd had, dan zou de wens van zijn arme moeder nooit in vervulling gaan.

Na de belangstellenden, die zioh verzameld hadden rond de met eenvoudige verversingen beladen tafels onder de bomen voor het huis, eens goed bekeken te hebben, stond Flash op, ging naar de keuken, pompte daar drie emmers water en goot ze uit over zijn hoofd en lichaam. Toen keerde hij naar zijn kamer terug en kleedde zich aan.

Hij had zijn broers rond zien lopen in hun soberste en stemimigste pak. Misschien was het daarom dat hij zichzelf zo opvallend mogelijk uitdoste. Hij ging graag recht tegen de draad in.

Hij trok een blauwzijden hemd aan en een fluwelen broek met uitwaaierende pijpen en zilveren conchos langs de zijnaden aan de buitenkant. Hij knoopte een vlammend rode halsdoek om en zette een breedgerande sombrero op die met gouddraad was geborduurd. Aan zijn hooggehakte laarzen bevestigde hij gouden sporen met radertjes en rond zijn middel gespte hij een gordel van sneeuwwit geiteleer, met in de helster de melkachtige glans van de revolver met parelmoeren kolfplaten die zijn vader hem had nagelaten.

Toen hij klaar was, bekeek hij zich eens goed in de spiegel en hij knikte goedkeurend. Van hoofd tot voeten zag hij eruit als een echte Mexicaan. Hij had de donkere huidkleur en hij had het zwarte haar. Alleen de blauwe ogen vielen een beetje uit de toon.

Eén ding was echter zeker: dat hij heel wat opschudding zou veroorzaken onder de schijnheilige goegemeente daarbuiten.

Hij daalde de trap af en slenterde door de gang naar buiten langs de kamer waar het lijk van zijn vader lag opgebaard, met een wit laken over de kist gedrapeerd.

Dat moest Shorty's idee geweest zijn van een passend eerbetoon!

Hij bleef even op de voorveranda staan en bestudeerde de mensen rond de tafels met verversingen onder de bomen. Ze stonden er stijf en vormelijk bij en praatten met zachte ingetogen stemmen, passend bij de gelegenheid.

Maar zeker negen van de tien, zei hij bij zichzelf, zouden voor een goede spannende paardenrace de hele plechtigheid vergeten. Ze waren er niet als eerbetoon aan zijn vader, maar omdat het een uitje voor hen was, een verzetje. Het was een publieke vermakelijkheid en die wilden ze niet missen.

Terwijl hij van de veranda af stapte, zag hij vele hoofden in zijn richting draaien. Hij kon het stemmengemurmel duidelijk horen. En hij bleef opzettelijk staan in het volle zonlicht, waar zijn kostuum glansde als een ster, draaide zich een sigaret, stak die op en slenterde toen verder.

De mannen zwegen toen hij naderde en trokken hun gezicht lang genoeg in de plooi om hem een koel hoofdknikje toe te delen. Maar de vrouwen hoefden niet bang te zijn dat hij iets zou doen en ze staken hun ergernis en afkeer niet onder stoelen of banken.

Hij was een schaamteloze harteloze vlegel, verstoken van elk menselijk gevoel. Maar er was natuurlijk een zwart schaap in elke familie.

Maar ze mochten kletsen en roddelen zoveel ze wilden. Het waren maar vrouwen. Misschien zou hij hen nog wel meer reden geven om zich aan hem te ergeren.

Shorty kwam langszij, kokend van ingehouden woede. «Wat heeft dit te betekenen?» siste Shorty met de zijkant van zijn mond. «Wat bedoel je met dat kermispak? Je zet ons allemaal te schande! Je bent het doodtrappen nog niet waard, smerige vlerk!»

Hij bleef staan, wendde zich langzaam naar Shorty en blies een rookwolkje nadrukkelijk in zijn gezicht. Hij zag Shorty terugdeinzen alsof hij een klap in zijn gezicht had gekregen en hij wist dat zijn oudere broer hem aangevlogen zou zijn, als hij het gedurfd had voor de mensen. Flash lachte en slenterde verder.