18

In de rij voor Bob

Het was nog geen negen uur in de ochtend, maar mijn maag knorde al als een betonmolen. Ik had wat brood geroosterd, maar kon niets eten omdat ik bang was dat ik zou moeten overgeven. Als ik me nu al zo voelde, vroeg ik me af, hoe zou ik me dan in hemelsnaam vanavond om zes uur voelen?

Mijn uitgevers hadden de signeersessie georganiseerd voor de publiciteit. Misschien zou het evenement mensen aanlokken om een of meer exemplaren van mijn boek te kopen. Ik had niet alleen in Covent Garden folders uitgedeeld, maar was zelfs een paar keer naar huis gelopen via Angel, waar we gelukkig nog steeds vrienden hadden.

Waterstones was een uitgelezen locatie, niet alleen omdat de boekhandel in Islington lag, maar ook omdat het personeel ons had geholpen toen we ongeveer een jaar geleden een plek nodig hadden om aan het boek te werken. Waterstones had een rol gespeeld in een van de meest dramatische scènes van het boek. Ik was een keer op een doordeweekse dag naar binnen gerend, wanhopig en paniekerig omdat Bob op de vlucht was geslagen voor een agressieve hond bij het metrostation.

In de dagen voorafgaand aan het evenement was ik begonnen met het geven van interviews aan allerlei kranten, maar ook op de radio en tv. Om hieraan te wennen, had mijn literair agent me naar een mediatrainer gestuurd. Dat was nogal intimiderend. Ik moest in een geluiddichte kamer gaan zitten, waar een film van me werd opgenomen, die vervolgens werd geanalyseerd door een deskundige. Voorzichtig waren me de fijne kneepjes van het vak geleerd. Tijdens een van de eerste opnamen had ik een klassieke fout gemaakt: ik zat met een pen te spelen terwijl ik aan het woord was. Toen de film werd afgespeeld, hoorde ik voortdurend mezelf met de pen tegen de tafel tikken. Het leidde ontzettend af en was bloedirritant.

De trainer bereidde me voor op het soort vragen dat ik kon verwachten. Hij voorspelde – en terecht, zo bleek – dat de mensen zouden willen weten hoe ik op straat was beland, hoe Bob me geholpen had mijn leven te veranderen en hoe ik over de toekomst dacht. Hij zei dat ik ook vragen kon verwachten over of ik clean was en geen drugs meer gebruikte, die ik gelukkig bevestigend zou kunnen beantwoorden. Ik had niets te verbergen, dacht ik.

De stukken die in kranten en op internet werden gepubliceerd, waren bijna alleen maar positief. Een journalist van de London Evening Standard schreef een paar geweldige dingen over Bob, bijvoorbeeld dat hij ‘de eerste katachtige was die Londen zo had weten te hypnotiseren’. Maar ik schrok wel een beetje toen hij schreef dat ik gaten in mijn spijkerbroek had en dat mijn ‘nagels en tanden zwart waren’ door het leven op straat. Hij schreef ook dat ik ‘de smekende houding heb van iemand die eraan gewend is te worden geregeerd’. Ik was gewaarschuwd dat ik dat soort dingen kon verwachten; het hoorde bij een leven waardoor ik ‘beschadigd’ was, zoals dezelfde journalist het noemde. Maar het was niet leuk om te lezen.

Het signeren zou twee dagen voor de officiële publicatiedatum op 15 maart plaatsvinden, precies op mijn drieëndertigste verjaardag. Ik hoopte dat er geen rampspoed zou gebeuren, want mijn verjaardagen waren nooit erg feestelijk geweest, althans niet sinds ik een tiener was. Mijn dertiende verjaardag had ik doorgebracht op de afdeling van een kinderziekenhuis in Australië. Het was een ellendige periode in mijn jonge leven geweest die de neerwaartse spiraal had bespoedigd. Niet lang daarna was ik begonnen met lijmsnuiven en experimenteren met marihuana.

Tien jaar later, op mijn drieëntwintigste verjaardag, was ik dakloos. Ik leefde in Londen op straat. Misschien dat ik die dag in een daklozenopvang heb doorgebracht, maar ik kan net zo goed buiten hebben geslapen in een zijstraatje van Charing Cross Road. Op dat moment in mijn leven zat ik helemaal aan de grond; ik kan me er absoluut niets meer van herinneren. De dagen, weken, maanden en jaren vormden één grote waas. Als ik al besefte dat ik jarig was, is de kans groot dat ik de dag heb doorgebracht met bedelen, lenen of – nog waarschijnlijker – het stelen van geld dat ik nodig had om mezelf te trakteren op een extra bolletje heroïne.

Weer tien jaar later had mijn leven eindelijk een positieve wending genomen. De periode van verslaving leek zich in een ander leven en een andere wereld af te hebben gespeeld. Als ik eraan terugdacht, vond ik het moeilijk om te geloven dat ik had overleefd. Maar het zou hoe dan ook altijd een deel van mijn leven blijven. Het was zeker een deel van het boek. Ik had besloten mijn verhaal niet te censureren. Het stond er allemaal eerlijk in, alle ellende en narigheid, en dat was waarschijnlijk een van de redenen voor mijn nervositeit.

In de uren voor de signeersessie zou ik worden gefilmd en gefotografeerd door het internationale persbureau Reuters. Ze wilden ook een serie foto’s van Bob en mij maken tijdens ons gewone leven van alledag, als we met de metro naar het centrum reisden en dan muziek maakten op Neal Street. Ik was best blij met de afleiding. Tegen de tijd dat de fotograaf klaar was, was het al bijna avond.

Een vochtige kilte daalde over Londen neer toen we terugliepen naar Islington en ons bekende wandelingetje maakten vanaf metrostation Angel. De kerel die mijn standplaats had ingepikt was in geen velden of wegen te bekennen. Een van de bloemverkopers vertelde me dat de man en zijn hond veel problemen hadden veroorzaakt, en van hun plek verwijderd waren door de coördinatoren van de straatkrant. Er was nu niemand van de Big Issue die kranten verkocht bij Angel.

‘Hè, wat zonde,’ riep ik meteen. ‘Ik heb die standplaats in een goudmijn veranderd, waar iemand een goede boterham mee kan verdienen.’ Maar het was mijn zorg niet langer. Ik had andere dingen aan mijn hoofd.

Bob en ik liepen door Islington Memorial Park naar boekhandel Waterstones. We waren vroeg, dus ik liet Bob op zijn gemak doen waar we voor gekomen waren, en nam plaats op het bankje om even een sigaretje te roken. Aan de ene kant voelde ik me als een veroordeelde die zijn laatste, kortstondige moment van vreugde geniet voordat hij tegenover het vuurpeloton komt te staan. Aan de andere kant was ik vervuld met hoop. Ik stond op het punt een nieuwe start te maken. Om het anders uit te drukken: ik zou aan een nieuw hoofdstuk in mijn leven beginnen.

Tegenstrijdige gedachten vochten om voorrang in mijn hoofd. Wat als er niemand kwam opdagen? Wat als er heel veel mensen kwamen opdagen, maar het boek waardeloos werd gevonden? Hoe zou Bob reageren op al die mensen? Hoe zouden de mensen op mij reageren? Ik was geen auteur, ik was geen sprankelende persoonlijkheid. Ik was een gozer die nog steeds aan de zelfkant van de maatschappij opereerde. Bob was een hartenbreker, maar zou ík wel in de smaak vallen?

Ik zoog aan het laatste restje van mijn sigaret en probeerde er zoveel mogelijk uit te halen. De zenuwen in mijn lijf waren zo verkrampt, dat ik het gevoel had dat iemand me keihard in mijn maag had gestompt.

Gelukkig was Bob extra rustig en beheerst. Hij wroette een paar minuten rond op zijn lievelingsplekjes en kwam toen doodgemoedereerd terug slenteren. Hij keek me geruststellend aan. Volgens mij wilde hij zeggen: Het is oké, vriend, het komt allemaal goed. Het was bizar dat hij er zo goed in slaagde om mij te kalmeren.

Een halfuur voor de start van de signeersessie stonden er vier of vijf mensen buiten in de rij voor de boekhandel. Gelukkig, er is tenminste iemand komen opdagen, dacht ik opgelucht. De geïnteresseerden knikten en lachten naar ons en ik zwaaide met een slap handje terug. Ik kon er gewoon met mijn hoofd niet bij dat mensen bereid waren een uur van hun kostbare tijd op te geven om ons te ontmoeten. Binnen stonden nog meer mensen. Ze hadden het boek al gekocht.

Alan, de manager, bracht me naar de personeelskamer op de eerste verdieping, waar ik kon wachten tot het zes uur was.

‘Je kunt een glas wijn nemen. Voor Bob staat er een schoteltje melk. Rust maar even uit voordat je aan het werk moet,’ zei hij, want hij merkte dat ik bloednerveus was.

Ik wist niet wat beter was: mijn hoofd helder houden of mezelf moed indrinken. Ik besloot het eerste te doen en na afloop een glas wijn te nemen.

Belle, Mary, Garry en een paar mensen van de uitgeverij waren er ook. Ze wensten me succes. Er lag ook een stapel boeken die ik moest signeren voor de algemene verkoop in de winkel. Iemand had het briljante idee gehad om een stempel met een pootafdruk klaar te leggen, zodat Bob ook kon ‘signeren’. Ik begon mijn naam in de eerste exemplaren te krabbelen. Belle maakte de boeken stijlvol af met het stempel van de kattenpoot. Er lagen zeker twintig boeken klaar. Wisten ze wel zeker dat ze die allemaal zouden verkopen?

Het personeel van de winkel was optimistisch. Op zeker moment kwam een van hen opgewonden binnenlopen. ‘Ze staan tot aan het einde van de straat,’ zei ze stralend.

‘Wie?’ vroeg ik onnozel.

‘De mensen. Ze staan zelfs om de hoek. Het zijn er al zeker honderd en er komen er nog steeds bij.’

Ik had gedacht dat het niet mogelijk was om nog zenuwachtiger te worden, maar toen ik dat hoorde gierden de zenuwen door mijn keel. Naast mij stond het raam open. Heel even dacht ik eraan om naar buiten te klimmen, langs de regenpijp naar beneden te klauteren en me uit de voeten te maken.

Toen de wijzer van de klok steeds dichter naar de twaalf kroop, liet ik Bob op mijn schouder klimmen. Het was tijd om naar beneden te gaan. Toen ik de personeelskamer uit liep, keek ik voorzichtig langs de trap naar beneden, de winkel in. Mijn hart sloeg over. In de winkel zag het zwart van de mensen.

Voor Bob en mij stond een tafel klaar met stapels boeken erop. De wachtende mensen stonden in een rij langs de boekenkasten tot aan de ingang en verder, de donkere, maartse avondlucht in. Het was echt waar: er stonden zeker honderd mensen in de rij. Aan de andere kant van de winkel had zich ook een rij mensen gevormd, die voor de kassa stonden. Er waren fotografen van de krant gearriveerd en ik zag zelfs een cameraploeg.

Het was surrealistisch, bijna alsof ik uit mijn lichaam was getreden. Tot nu toe had het publiek ons niet kunnen zien, maar toen we de laatste trap naar beneden namen, begonnen de fotocamera’s te flitsen en er werd van alles naar ons geroepen.

‘Bob, Bob, kijk eens deze kant op, Bob!’

Er ging een golf van applaus door de rijen en er klonken een paar juichkreten.

In de jaren dat ik met Bob op straat had gewerkt, had ik geleerd het onverwachte te verwachten. We hadden geleerd ons aan te passen en klappen zo goed mogelijk op te vangen, soms letterlijk. Maar nu waren we op volkomen onbekend terrein.

Eén ding stond echter vast. We waren te ver gekomen om deze kans te laten lopen. Als we hem grepen, zou onze tijd op straat misschien – heel misschien – ten einde lopen. Dan begon er misschien een nieuw hoofdstuk voor ons.

‘Kom op, Bob,’ fluisterde ik, en ik aaide hem in zijn nek voordat ik een diepe hap lucht nam. ‘We kunnen nu niet meer terug.’