10

Verschillende werelden

Toen ik de gordijnen opendeed en over de daken van Noord-Londen uitkeek, was het duidelijk dat het winterse weer dat voorspeld was, het eindpunt van zijn reis uit Siberië – of welke bevroren woestenij ook – had bereikt.

Dikke, asgrauwe wolken stapelden zich boven onze hoofden op. Ik hoorde de wind gieren. Als er ooit een dag was om thuis te blijven en met een dikke trui bij de kachel te kruipen, dan was het vandaag. Helaas was dat een luxe die ik me niet kon permitteren.

Ik zat de laatste tijd behoorlijk krap bij kas. Zowel de gas- als de elektriciteitsmeter moest bijgevuld worden; de flat was ijskoud. Bob had er een gewoonte van gemaakt om ’s nachts op bed dicht tegen me aan te komen liggen, om zijn voordeel te doen met mijn lichaamswarmte. Op dit moment had het verkopen van de Big Issue dus prioriteit en ik kon me niet veroorloven een dagje vrij te nemen – zelfs niet als het weer er zo onplezierig uitzag als vandaag.

Dus toen ik mijn rugzak pakte, moest ik alleen nog uitvinden of Bob zin had om met me mee te gaan. Zoals altijd liet ik die beslissing aan hem. Ik wist dat hij meestal het juiste besluit nam.

Katten zijn – zoals veel andere dieren – goed in het ‘lezen’ van het weer en andere manifestaties van de natuur. Het schijnt dat ze heel goed aardbevingen en tsunami’s kunnen voorspellen. De meest waarschijnlijke verklaring die ik daarvoor heb gehoord is hun grote gevoeligheid voor luchtdruk. Dat maakt het logisch dat ze ook veranderingen in de lucht kunnen waarnemen die slecht weer voorspellen. Bob had in ieder geval laten zien dat hij aanleg had om te registreren dat er regen aankwam. Hij had een hekel aan nat worden, en het was vaak genoeg voorgekomen dat hij zich oprolde en weigerde mee naar buiten te gaan als het weer er in mijn ogen prachtig uitzag; maar dan barstte een paar uur later, als ik in mijn eentje de straat op was gegaan, de eerste bui al los.

Dus toen ik hem die ochtend zijn riem en sjaal liet zien, en hij net als anders naar me toe kwam lopen, ging ik ervan uit dat zijn weersvoorspellende instincten hem zeiden dat het veilig was om zich buiten te wagen.

‘Zeker weten, Bob?’ vroeg ik. ‘Ik vind het niet erg om alleen te gaan.’

Ik had een van zijn dikste en warmste sjaals gepakt en die wikkelde ik behaaglijk om zijn nek. Zo stapten we het grauwe weer in.

Zodra ik een voet buiten had gezet, sneed de wind als een mes door me heen. Het deed echt pijn. Ik voelde hoe Bobs middenrif zich aanspande toen hij zich steviger om mijn nek klemde.

Even was ik bang dat ik een halfuur bij de bushalte zou moeten wachten, maar gelukkig verscheen onze bus al binnen enkele minuten. Bob en ik stapten de warmte van de bus in en dat beurde me even op. Maar al snel namen de zaken een ongunstige wending.

We zaten nog geen tien minuten, toen ik door het raam de eerste sneeuwvlokken zag ronddwarrelen. Eerst waren het er maar een paar, maar enkele ogenblikken later was de lucht gevuld met dikke, witte vlokken, die op het trottoir en op de daken van geparkeerde auto’s bleven plakken.

‘Dat ziet er niet best uit,’ zei ik tegen Bob, die gebiologeerd zat te kijken naar de verandering op straat.

Tegen de tijd dat we bij Newington Green aankwamen, ongeveer anderhalve kilometer bij Angel vandaan, was het verkeer volledig tot stilstand gekomen. Ik begreep dat het vandaag een kansloze missie was. Het zou moeilijk, zo niet onmogelijk worden om een paar pond te verdienen. Deze omstandigheden vormden een ware uitdaging. Maar ik moest doorzetten, want ik was bijna door mijn geld heen. Ik had nauwelijks genoeg voor de terugreis, laat staan dat ik een paar pond in de elektriciteitsmeter kon gooien.

‘Kom op, Bob, als we vandaag iets willen verdienen, kunnen we beter gaan lopen,’ zei ik met tegenzin.

We stapten het trottoir op, waar iedereen met een chagrijnig gezicht voortschuifelde. Het begon al gevaarlijk glad te worden. Voor Bob was het echter een fascinerende nieuwe wereld, die hij heel graag wilde verkennen. Ik had hem net als anders op mijn schouders gezet, maar toen ik een paar meter gelopen had, wilde hij eraf.

Ik liet hem naar beneden klauteren en besefte toen dat het de eerste keer was dat Bob buiten in de sneeuw liep – althans sinds ik hem kende. Ik keek toe en zag dat hij zijn voorpoot in de laag blank poeder doopte, en toen een stapje achteruit deed alsof hij de afdruk wilde bewonderen. Even probeerde ik me voor te stellen hoe de wereld er door zijn ogen uit moest zien. Het moest een vreemde gewaarwording zijn om alles wit te zien worden.

‘Kom op, jochie, we kunnen hier niet de hele dag blijven hangen,’ zei ik na een paar minuten.

Inmiddels sneeuwde het zo hard, dat we bijna niet om ons heen konden kijken. Bob had het enorm naar zijn zin. Hij tilde zijn poten hoog op en zette ze in de steeds dieper wordende sneeuw. Op den duur werd de laag echter zo dik, dat zijn buik bedekt was met witte kristallen.

‘Kom maar weer op mijn schouders zitten,’ zei ik en ik pakte hem op.

De sneeuw kwam constant en in grote hoeveelheden naar beneden, waardoor we beiden bedekt raakten. Om de paar meter veegde ik een paar centimeter verse sneeuw van mijn schouders en van Bobs rug.

Ik had nog een oude, aftandse paraplu bij me, die ik uit mijn rugzak haalde. Maar die was zo goed als onbruikbaar vanwege de sterke wind, dus na een paar minuten vouwde ik hem weer dicht.

‘Dit schiet niet op, Bob. We gaan een jas voor je zoeken,’ zei ik. Ik dook een kleine buurtsuper in en stampte op de mat de sneeuw van mijn voeten.

De eigenaresse, een Indiase, keek heel verbaasd toen ze ons daar zag staan. Dat was te begrijpen: we moeten er vreemd hebben uitgezien. Maar al snel klaarde haar gezicht op.

‘Jullie zijn dapper om in dit weer op stap te gaan,’ zei ze glimlachend.

‘Ik weet niet of het dapper is,’ antwoordde ik. ‘Misschien zijn we gewoon niet goed snik.’

Ik had nog geen goede voorstelling van de oplossing waarnaar ik op zoek was. Eerst wilde ik een nieuwe paraplu kopen, maar die was te duur voor me. Ik had alleen wat losse munten in mijn zak. Maar toen kreeg ik een idee. Ik ging op zoek naar de schappen met keukenspullen. Daar vond ik een rol kleine, stevige vuilniszakken.

‘Misschien is dat de oplossing, Bob,’ zei ik zachtjes.

‘Hoeveel kost één zak?’ vroeg ik de dame.

‘U kunt niet één enkele zak kopen. Alleen de hele rol. En die kost twee pond,’ zei ze.

Zoveel geld wilde ik niet uitgeven, want dan was ik meteen blut. Maar toen zag ik een stapel zwarte plastic boodschappentasjes op de toonbank liggen.

‘Zou ik misschien een van die tasjes kunnen kopen?’

‘Ja, hoor,’ zei ze en ze keek me schaapachtig aan. ‘Ze kosten vijf cent.’

‘Oké, dan wil ik er graag één. Hebt u misschien een schaar?’

‘Een schaar?’

‘Ja, ik wil er een gat in maken.’

Deze keer keek ze me aan alsof ik niet goed bij mijn hoofd was. Desondanks dook ze achter de toonbank om een klein schaartje tevoorschijn te halen.

‘Perfect,’ zei ik.

Ik pakte de gesloten kant van de tas en knipte er een halve cirkel uit, ongeveer ter grootte van Bobs kop. Toen opende ik de tas en schoof het gat over zijn kop heen. De geïmproviseerde poncho zat als gegoten en bedekte zijn lijf en poten precies.

‘O, nu snap ik het,’ zei de dame lachend. ‘Heel slim. Zo blijft hij droog.’

Het kostte ons nog bijna een kwartier om bij Angel te komen. Sommige mensen wierpen ons verwonderde blikken toe als we langsliepen, maar om eerlijk te zijn maakte ik me er alleen druk over hoe we in deze sneeuwstorm veilig van A naar B konden komen.

Ik wist dat het onmogelijk was om vandaag buiten het metro-station, op onze normale plek, te overleven. Op het trottoir lag een dikke laag modderige sneeuw. Bob en ik zochten een plekje onder de dichtstbijzijnde overkapping, waar het merendeel van de reizigers zijn toevlucht zocht.

Ik wilde Bob niet te lang aan de kou blootstellen, dus ik deed extra mijn best om de straatkranten kwijt te raken. Gelukkig bleken veel mensen daar begrip voor te hebben: ze tastten in hun zakken, en mijn stapel kranten slonk snel.

Aan het eind van de middag had ik genoeg geld verdiend om een paar dagen vooruit te kunnen. Het belangrijkste was dat ik geld had voor gas en elektriciteit, hopelijk genoeg om beter weer af te wachten.

‘Nu moeten we alleen nog thuis zien te komen,’ zei ik tegen Bob toen we weer voorovergebogen de ijzige wind in stapten op weg naar de bushalte.

Toen ik in de warme bus zat, dacht ik bij mezelf: er moeten toch eenvoudigere manieren zijn om een boterham te verdienen. Geld verdienen was erg moeilijk, vooral doordat de kloof tussen degenen met en zonder geld steeds groter werd. Als je in Londen op straat werkte, zag je twee verschillende werelden, zoals ik een paar dagen later zou merken.

Rond lunchtijd stond ik met Bob op mijn schouders net buiten de stationshal van metrostation Angel, toen er commotie ontstond bij de poortjes waar de passagiers uit de metro naar boven kwamen. Een groepje mensen voerde een opgewonden gesprek met de bewakers. Toen dat voorbij was, leek het alsof ze zonder te betalen door de poortjes werden gelaten en kwamen ze onze kant op lopen.

Ik herkende onmiddellijk de grote, ietwat slordige, blonde figuur die het middelpunt van de groep vormde. Het was de burgemeester van Londen, Boris Johnson. Hij had een jonge knul bij zich, ik denk zijn zoon, en een klein groepje mannen in pak. Ze marcheerden regelrecht naar mijn uitgang.

Ik had niet echt tijd om na te denken, dus ik reageerde intuïtief toen hij vlakbij was.

‘Wilt u een Big Issue, burgemeester?’ Ik zwaaide een straatkrant door de lucht.

‘Ik heb een beetje haast,’ antwoordde hij en hij zag er zenuwachtig uit. ‘Wacht even.’

Het sierde hem dat hij in zijn zakken op zoek ging naar geld. Hij trok een handje munten tevoorschijn, die hij vervolgens in mijn hand liet vallen.

‘Alsjeblieft. Meer waard dan Britse ponden,’ zei hij.

Ik begreep niet wat hij bedoelde, maar ik toonde me dankbaar.

‘Dank u wel dat u Bob en mij wilt helpen,’ zei ik en ik overhandigde hem een krant.

Hij pakte hem aan, glimlachte en draaide zijn hoofd in de richting van Bob.

‘Wat een prachtige kat heb je daar,’ merkte hij op.

‘Jazeker, hij is een beroemdheid. Hij heeft zelfs zijn eigen vervoerspasje, zodat hij met de metro mee kan.’

‘Niet te geloven,’ mompelde hij, waarna hij met zijn gevolg verderliep in de richting van Islington Green.

‘Het beste, Boris,’ zei ik terwijl hij uit mijn zicht verdween.

Ik had niet onbeleefd willen zijn door meteen te kijken hoeveel hij me gaf, maar te oordelen naar het gewicht en de hoeveelheid munten was het veel meer dan de officiële prijs van de straatkrant.

‘Dat was gul van hem, vind je niet, Bob?’ zei ik terwijl ik in mijn jaszak naar de muntjes viste die ik daar haastig in had gestopt. Maar toen ik het kleingeld zag, was ik diep teleurgesteld. De muntjes droegen allemaal het opschrift CONFOEDE-RATIO HELVETICA.

‘O, nee toch, Bob,’ zei ik. ‘Hij heeft me Zwitserse flutfranken gegeven.’

Toen pas viel het kwartje, om die uitdrukking maar te gebruiken.

‘Dat bedoelde hij toen hij zei “meer waard dan Britse ponden”,’ mompelde ik bij mezelf. Alleen waren ze natuurlijk niet méér waard. Hij had er vast niet aan gedacht dat je bij een bank of wisselkantoor wel bankbiljetten kunt wisselen, maar geen munten. Ze waren waardeloos, althans voor mij.

Een paar minuten later kwam Davika langs, een van onze kennissen op het metrostation.

‘Ik zag je met de burgemeester, James,’ zei ze glimlachend. ‘Heeft hij een krant gekocht?’

‘Wat heet “gekocht”,’ antwoordde ik. ‘Hij heeft me er een paar Zwitserse franken voor gegeven.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat zijn nou de rijken,’ zei ze. ‘Ze wonen op een andere planeet dan wij.’

Ik knikte instemmend. Het was niet de eerste keer dat me zoiets was overkomen. Een paar jaar daarvoor trad ik op als straatmuzikant in Covent Garden. Tegen halfacht ’s avonds, het tijdstip waarop de meeste theaters en opera’s in de buurt begonnen, kwamen er hordes mensen gehaast uit het metro-station gerend. Het verbaasde me niet dat ze geen aandacht aan me besteedden, zoals ik daar zat te tokkelen met Bob naast me, maar een nogal nerveus type met vlinderdas vormde een uitzondering.

Van een paar meter afstand zag hij me zitten en hij stak meteen zijn hand in zijn zak. Het was een voornaam uitziende persoon met lange, grijze manen. Ik had echt het idee dat ik hem herkende van de televisie, maar ik kon hem niet plaatsen. Toen ik hem in zijn broekzak zag tasten en hij er een verkreukeld briefje uittrok, dacht ik dat mijn geluksdag was aangebroken. Het papier was rood. Ik rekende op een smak geld, mogelijk een briefje van vijftig, want dat was het enige papiergeld waarvan ik wist dat er rood in zat.

‘Alsjeblieft, beste man,’ zei hij terwijl hij zijn pas inhield en het geld in mijn hand duwde.

‘Dag! Heel erg bedankt,’ zei ik.

‘Een goede avond nog,’ zei hij lachend; hij versnelde zijn pas weer en rende naar de Piazza.

Waarom hij lachte wist ik niet, maar ik dacht dat hij in een goede stemming was.

Ik wachtte een paar minuten totdat de drukte een beetje was geluwd. Toen haalde ik het verkreukelde papiertje uit mijn zak. Het duurde niet lang voordat ik in de gaten had dat het geen briefje van vijftig was. Het was inderdaad rood, zoals ik al dacht, maar er stond een plaatje van een bebaarde kerel op die ik nog nooit van mijn leven had gezien. Het getal 100 stond erop. Het schrift was in een of ander Oost-Europese taal. Het enige woord dat me bekend voorkwam was Srbije. Ik had geen idee wat het was of wat het waard zou kunnen zijn. Voor zover ik wist kon het ook best meer dan vijftig pond zijn. Dus ik pakte mijn spullen en zocht een wisselkantoor op aan de andere kant van de Piazza, waarvan ik wist dat het tot laat open was voor de toeristen.

‘Hoi, kun je me vertellen wat dit waard is, alsjeblieft?’ zei ik tegen het meisje achter het loket.

Ze keek ernaar en schonk me een onzekere blik. ‘Ken ik niet. Wacht even, ik vraag het aan iemand anders.’

Ze liep het kantoor in, waar een oudere man zat. Na een kort gesprekje kwam ze terug. ‘Het blijkt Servisch te zijn; het is honderd Servische dinar,’ zei ze.

‘Oké,’ antwoordde ik. ‘Kan ik het wisselen?’

‘Eens kijken wat het waard is…’ Ze begon iets in te tikken op een computer en daarna op een rekenmachine. ‘Hmm,’ vervolgde ze. ‘Het is iets meer dan zeventig cent, dus dat wisselen we niet.’

Dat viel tegen! Ik had stiekem gehoopt een fortuin te bezitten dat mij en Bob over het weekend heen kon tillen.

Op dit soort momenten voelde ik me echt gedeprimeerd door de situatie waarin ik me bevond. Ik was dertig geworden. De meeste mannen van mijn leeftijd hadden een baan of een auto, een huis en een pensioenplan, misschien zelfs een vrouw en een paar kinderen. Ik had niets van dat alles. Een deel van mij wilde dat ook niet, eerlijk is eerlijk. Maar ik verlangde wel naar het gevoel van veiligheid dat sommige van die dingen met zich meebrachten. Ik had er genoeg van om mijn kostje op straat bij elkaar te scharrelen. En ik was het spuugzat om vernederd te worden door mensen die absoluut geen idee hadden van het leven dat ik moest leiden – en soms zonder enige empathie handelden. Er waren tijden dat ik het gevoel had dat mijn geduld op raakte. Een paar dagen na het incident met de burgemeester kwam de druppel die de emmer deed overlopen.

Bob en ik waren vroeg gestopt met werken; we namen de metro naar huis. We stapten van de ene lijn over op de andere en gingen op weg naar station Victoria. Terwijl we ons zigzaggend een weg baanden door het metrostelsel van Londen, liep Bob voor me uit aan zijn riem. Hij wist precies waar we naartoe gingen.

We hadden afgesproken met mijn vader, iets wat ik de laatste maanden steeds vaker deed. Onze relatie was in het verleden uiterst moeizaam verlopen. Na de scheiding van mijn ouders had ik lange tijd in Australië gewoond, en tegen de tijd dat ik naar Londen kwam, was ik een echte lastpost. Binnen een jaar werd ik dakloos. Toen ik weer boven water kwam, had hij me geprobeerd weer op het rechte pad te krijgen, maar dat was een heilloze weg geweest.

We spraken wat vaker af toen ik orde op zaken begon te stellen, en we hadden de gewoonte ontwikkeld om elkaar te ontmoeten in een pub op station Victoria, waar we samen wat dronken. Het personeel daar was vriendelijk en stond toe dat ik Bob mee naar binnen nam, mits ik hem verborgen hield voor andere klanten. Ik had hem aangeleerd onder de tafel te blijven zitten, waar hij lekker lag te doezelen. Het was een gezellige en niet te dure pub, en meestal aten we er ook. Het was altijd mijn vader die trakteerde. Maar ja, ik had natuurlijk ook nooit genoeg geld om hem te trakteren.

Zoals altijd zat hij al op me te wachten.

‘Heb je nog nieuws?’

‘Niet veel,’ zei ik. ‘Het verkopen van de Big Issue begint me de keel uit te hangen. Het is te gevaarlijk. En Londen is vergeven van de mensen die geen reet om me geven.’

Toen vertelde ik hem het verhaal over Boris Johnson. Hij keek me medelevend aan, maar zijn antwoord was voorspelbaar.

‘Je moet zorgen dat je opknapt en op zoek gaan naar een fatsoenlijke baan, Jamie.’ Hij was de enige die me zo noemde.

Ik weerstond de verleiding om met mijn ogen te rollen. ‘Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, pa.’

Mijn vader was altijd een buffelaar geweest, een harde werker en een echte aanpakker. Hij had zich opgewerkt van antiekhandelaar naar een witgoedzaak en bezat nu een bedrijf in scootmobielen. Hij was altijd eigen baas geweest. Ik denk niet dat hij begreep waarom het mij niet gelukt was hetzelfde te doen. Maar hij had nooit zijn handen van me af getrokken. Hij had altijd geprobeerd me te helpen. Op zeker moment was ik van plan geweest in de muziek te gaan en hij had me willen steunen met een opleiding, maar het was niks geworden. Het idee was er wel, maar ik kwam niet in actie. Hij was hertrouwd nadat hij van mijn moeder was gescheiden en had twee kinderen om voor te zorgen, mijn halfzus Caroline en halfbroer Anthony. Dat maakte het ingewikkeld.

Ik had nooit overwogen voor zijn bedrijf te gaan werken en hij had het me nooit aangeboden. Volgens mij vond hij dat privé en zaken niet samengaan, en ik denk dat hij gelijk had. Bovendien wist hij diep vanbinnen dat ik niet betrouwbaar – of presentabel – genoeg was om met de klanten om te gaan.

‘Wat dacht je van een computeropleiding? Dat is big business,’ opperde hij.

Dat was helemaal waar, maar voor een goede cursus had ik niet de vereiste diploma’s. Dat lag gedeeltelijk aan mij. Een paar jaar geleden had ik een mentor gehad, een geweldige vent. Hij heette Nick Ransom en werkte voor de liefdadigheidsinstelling Family Mosaic. Hij was een goede vriend geweest. De ene keer kwam hij naar mijn flat en de andere keer ging ik naar zijn kantoor in Noord-Londen. Hij hielp me met alles – van het betalen van rekeningen tot het solliciteren naar banen. Hij had me aangemoedigd om een cursus te gaan doen, en ik probeerde van alles, van fietsonderhoud tot computeren. Maar de strijd om van mijn verslaving af te komen kostte zoveel energie, dat ik me nooit serieus aan de opleiding kon wijden. Muziek maken op straat was eenvoudiger, en toen Nick andere dingen ging doen, raakten mijn plannen in het slop. Het was niet de eerste kans die ik had laten lopen, en het zou niet de laatste zijn.

Mijn vader zei dat hij eens zou rondvragen om te kijken of er iemand een baan voor me had. ‘Maar het valt momenteel niet mee,’ zei hij en hij hield de krant omhoog. ‘Ik lees niks dan narigheid. Overal verdwijnen banen.’

Zo ver stond ik ook weer niet van de realiteit. Ik wist heus wel dat er miljoenen mensen in dezelfde situatie zaten als ik en dat iedereen beter gekwalificeerd was dan ik. Ik stond helemaal onderaan op de arbeidsmarkt, en dat gaf me het gevoel dat solliciteren zinloos was.

Mijn vader was er niet de man naar om zijn emoties met mij te delen. Ik wist dat hij de manier waarop ik mijn leven leidde frustrerend vond. Hij was van mening dat ik het niet hard genoeg probeerde. Ik begrijp wel waarom hij dat dacht, maar de waarheid was dat ik het wel degelijk probeerde. Alleen op mijn eigen manier.

Om het gesprek wat luchtiger te maken, vroeg ik naar zijn gezin. Ik kende Anthony en Caroline niet erg goed; we hadden elkaar maar een paar keer ontmoet. Hij vroeg me wat ik met kerst ging doen. Ik had de feestdagen wel eens bij hem thuis doorgebracht, maar niemand had daar erg van genoten.

‘Ik blijf thuis met Bob,’ zei ik. ‘Dat vinden we allebei gezellig.’

Mijn vader begreep niets van mijn verhouding met Bob. Hij aaide hem wel af en toe, en hij hield ook een oogje in het zeil als ik naar het toilet ging. Hij vroeg zelfs aan de serveerster om een schoteltje melk voor hem en gaf hem een paar keer iets lekkers. Maar hij was geen kattenliefhebber. En bij al die keren dat ik hem verteld had hoeveel Bob voor me betekende en hoe hij me geholpen had mezelf weer op de rails te krijgen, keek hij alleen maar verbaasd. Ik denk dat ik hem dat niet kwalijk kon nemen.

Zoals altijd vroeg mijn vader naar ‘mijn gezondheid’, wat ik uitlegde als een codewoord voor: Ben je nog van de drugs af?

‘Het gaat heel goed,’ zei ik. ‘Er is pas een kerel bij mij op de gang aan een overdosis doodgegaan. Ik stond er met mijn neus bovenop. Toen flipte ik behoorlijk.’

Hij keek me geschokt aan. Hij begreep niks van de drugs-scene en hoe het werkte; net als veel mensen van zijn generatie was hij er een beetje bang voor. Dat was ook de reden dat hij niet echt begreep hoe slecht mijn situatie was geweest toen ik op het dieptepunt van mijn verslaving was.

We hadden elkaar in die periode wel gesproken, maar zoals alle verslaafden had ik geleerd om die kant van mijn leven verborgen te houden. Ik had hem een paar keer ontmoet toen ik high was. Dan zei ik gewoon dat ik grieperig was. Ik dacht dat hij het verschil toch niet zag. Maar hij was niet dom en waarschijnlijk had hij haarfijn aangevoeld dat er iets mis was, al had hij zijn vinger niet precies op de zere plek kunnen leggen. Hij wist niet wat het was om drugs te gebruiken. Daar kon ik hem wel om benijden.

We brachten anderhalf uur samen door, maar toen moest hij zijn trein naar Zuid-Londen halen. Hij gaf me wat geld om me verder te helpen en we spraken af om elkaar over een paar weken weer te zien.

‘Zorg goed voor jezelf, Jamie,’ zei hij.

Het station was nog steeds druk in de naweeën van het spitsuur. Ik had nog een paar straatkranten in mijn tas, dus ik besloot een poging te doen om ze te verkopen voordat ik naar huis ging. Ik vond een lege plek net buiten het station en al snel had ik een koper.

Bob had een volle maag en was goed in vorm. Mensen schonken hem aandacht. Ik was net aan het uitrekenen of ik genoeg verdiend had voor de afhaalchinees, toen de problemen weer de kop opstaken.

Zodra ik ze zag, wist ik dat ze moeilijk zouden gaan doen. Het waren twee mannen die naar de hoofdingang van station Victoria kwamen lopen. Ik herkende een van hen uit de tijd dat ik de straatkrant verkocht in Covent Garden. Het was een gespierde vent van in de veertig met grijs haar. Hij droeg het herkenbare rode hesje, maar ik wist dat hij geen legitieme verkoper was; zijn verkoperspas was hem lang geleden afgenomen vanwege de misdrijven die hij had begaan. Zijn maat kwam me niet bekend voor, maar ik hoefde hem niet te kennen om te zien dat hij een gewelddadig type was. Hij zag er woest uit en had het voorkomen van een zak aardappels.

Ik begreep meteen waar ze mee bezig waren. De kleinste van de twee zwaaide een straatkrant door de lucht, hield mensen tegen en pakte geld aan, maar gaf ze nooit een krant. Ze lichtten voorbijgangers op met een truc die one booking werd genoemd, waarbij verkopers één enkele krant gebruiken die al over de datum is en die iedere keer opnieuw verkopen. Elke keer dat iemand hun geld geeft, dissen ze een zielig verhaal op dat het hun laatste krant is en dat ze erg krap bij kas zitten. Het is eigenlijk bedelen. Een ander woord is er niet voor.

Het verbaasde me altijd dat mensen erin trapten. Maar er waren altijd wel een paar lichtgelovige – of misschien vrijgevige – zielen in de buurt.

Ik hoopte dat ze niet mijn kant op zouden komen. Maar al snel stonden ze bij de ingang naar de metro. De kleinste van de twee benaderde de reizigers die de trap op kwamen. Het was zonneklaar dat hij geen officiële verkoper was. Zijn hesje was gescheurd en zag eruit alsof hij het uit een vuilnisbak had gevist. Ook droeg hij geen officiële pas, die verkopers verplicht zijn te dragen aan de linkerkant van het voorpand.

Terwijl zijn maat aan het verkopen was, kwam de grootste van de twee regelrecht op mij af stevenen. Hij was net zo agressief als hij eruitzag.

‘Hé, jij daar, donder op of ik vermoord je kat,’ zei hij terwijl hij zijn dikke rode gezicht vlak voor het mijne bracht. Zijn accent klonk Iers en hij stonk naar drank.

Bob rook zoals altijd het gevaar en blies meteen naar hem. Ik knielde neer en liet hem op mijn schouders klimmen.

Maar ik was niet van plan me te laten intimideren en mijn plek af te staan. ‘Ik heb het recht hier te verkopen en ik wil alleen deze laatste kranten nog kwijt,’ zei ik. ‘Je weet heel goed dat wat jij doet niet klopt. Je bent gewoon een bloedzuiger, je dwingt hem voor jou te bedelen.’

Dat vond de man niet leuk; hij waarschuwde me opnieuw: ‘Je krijgt twee minuten om je spullen te pakken en op te rotten.’ Maar toen werd hij afgeleid door zijn maat, die om onduidelijke redenen naar hem zwaaide. Hij draaide zich om en baande zich een weg door de menigte.

Er stroomden mensen in en uit het station, dus ik verloor het tweetal uit het oog. Ik kende dit soort. Ze waren allebei drugsverslaafd en gingen door met hun zwendel totdat ze genoeg geld hadden om een shot te scoren. Ik hoopte dat het signaal van zijn vriend betekende dat ze hun doel hadden behaald en zouden verdwijnen. Maar helaas.

Een paar minuten later kwam de dikke vent terug. Hij zag er nog woedender uit dan daarvoor. Hij schuimbekte letterlijk en gooide er allerlei krachttermen uit. ‘Heb je me niet gehoord?’ snauwde hij ten slotte.

En voordat ik het wist gaf hij me een klap. Hij liep gewoon naar me toe en sloeg me in mijn gezicht. Het gebeurde zo snel dat ik niet eens zag dat hij zijn arm hief. Hij stompte doodleuk met zijn vuist in mijn gezicht.

‘Doe effe normaal!’ zei ik terwijl ik achteruitliep. Bob hield zich aan me vast alsof zijn leven ervan afhing.

Toen ik mijn hand van mijn gezicht haalde, zag ik dat die bedekt was met bloed. Het stroomde uit mijn neus en ik had het gevoel alsof hij gebroken was.

Ik concludeerde dat ik dit gevecht niet kon winnen. Er was geen politie te zien, dus ik stond er alleen voor en ik had te maken met een paar behoorlijk onaangename gasten.

Op straat werken was riskant, dat wist ik. Maar soms was het ronduit gevaarlijk. Ik had verhalen gehoord over straatkrantverkopers die vermoord waren. Pas was er nog een geval in Norwich geweest, waarbij twee of drie kerels een verkoper hadden aangevallen en doodgeschopt. Ik wilde de statistieken niet verder omhoog helpen.

‘Kom op, Bob, we gaan hier weg,’ zei ik met een mengeling van woede en wanhoop. Ik wilde graag verandering brengen in mijn lot. Ik had het gevoel dat ik dit leven niet langer aankon. Maar hoe hard ik ook nadacht, ik had geen idee hoe ik ooit aan dit leven kon ontsnappen. Plotseling leek het gesprek met mijn vader over banen en opleidingen volslagen belachelijk, een droombeeld. Wie was er zo gek om een ex-junkie een fatsoenlijk salaris te betalen? Wie had er zin om iemand in dienst te nemen met een curriculum vitae dat net zo kaal was als de binnenlanden van Australië, waar ik een groot deel van mijn jeugd had doorgebracht? Op dat moment, toen ik me zo wanhopig voelde, was het antwoord klip en klaar: niemand.