3
De Bobmobiel

Het was een zwoele zomermiddag en ik had besloten om vroeg met mijn werk te stoppen. Het zonnige weer leek een glimlach te toveren op de gezichten van de mensen. Daar had ik de vruchten van geplukt: in een paar uur tijd had ik mijn complete voorraad straatkranten verkocht.
Sinds ik een paar jaar eerder begonnen was met de verkoop van de Big Issue had ik geleerd om verstandig met mijn geld om te gaan, dus ik besloot een deel ervan te investeren in wat extra kranten voor de rest van de week. Met Bob op mijn schouders zette ik koers naar het hoofdkantoor in Islington High Street, voordat ik de bus naar huis zou nemen.
Vanuit de verte kon ik al zien dat Rita, de coördinator, een levendig gesprek voerde met een groep straatkrantverkopers die duidelijk herkenbaar waren door hun rode hesjes. Ze stonden met z’n allen ergens omheen. Het bleek een fiets te zijn. Ik kon het goed met Rita vinden, en ik wist dat ze wel tegen een grapje kon.
‘Wat krijgen we nou, Rita?’ vroeg ik. ‘Ga je de Tour de France rijden?’
‘Dat dacht ik niet, James,’ zei ze lachend. ‘Ik heb dit ding net geruild voor tien kranten. Maar eerlijk gezegd weet ik niet wat ik ermee aan moet. Fietsen is niks voor mij.’
Het was duidelijk dat de fiets niet in een al te goede staat verkeerde. Er zaten spoortjes roest op het stuur en de voor-lamp was kapot. De verf schilferde en overal zaten krassen. Bovendien was een van de spatborden doormidden gebroken. Maar de banden zagen er nieuw uit en de kettingkast leek redelijk in orde.
‘Is hij rijwaardig?’ vroeg ik aan Rita.
‘Volgens mij wel,’ zei ze schouderophalend. ‘De remmen moeten nagekeken worden, maar verder schijnt hij goed te zijn.’ Ze kon zien dat mijn hersenen op volle toeren draaiden. ‘Wil je hem even uitproberen?’
‘Nou… graag,’ zei ik. ‘Kun jij Bob dan in de gaten houden?’
Ik was geen Bradley Wiggins, maar als kind had ik altijd gefietst. Daar was ik nog een tijdje mee doorgegaan nadat ik weer in Londen was gaan wonen. En toen ik aan het afkicken was, had ik een fietsenmakerscursus gevolgd als onderdeel van mijn rehabilitatieprogramma. Dus ik wist wel het een en ander van fietsonderhoud.
Ik gaf Bobs riem aan Rita, nam de fiets van haar over en onderwierp hem aan een grondige inspectie. De banden waren hard; de ketting zat goed in de olie en liep als een trein. Het zadel stond een beetje laag voor mij. Ik stapte op om een rondje te rijden. De versnellingen waren stroef en op het voorwiel werkte de rem niet goed. Ik moest er stevig in knijpen voordat hij reageerde en zelfs toen kreeg ik het niet voor elkaar om de fiets tot stilstand te brengen. Het leek op een probleem met de binnenkabel dat goed te repareren was. De rem aan de achterkant werkte prima; en meer hoefde ik niet te weten.
‘Wat vind jij?’ vroeg Rita.
‘Een prima fiets,’ zei ik. Ik had een besluit genomen. ‘Weet je wat, ik geef je er een tientje voor.’
‘Echt? Weet je het zeker?’ vroeg Rita enigszins verrast.
‘Helemaal.’
‘Oké, dan hebben we een deal. Deze heb je ook nodig,’ zei ze terwijl ze onder haar karretje hengelde en een nogal gehavende, oude, zwarte fietshelm tevoorschijn haalde.
Ik ben altijd een hamsteraar geweest: ik verzamelde van alles en nog wat. Lange tijd was mijn kleine flatje tot de nok toe gevuld met allerlei oude troep, van etalagepoppen tot verkeersborden. Maar dit was anders. Dit was een van de eerste slimme investeringen die ik in lange tijd gedaan had. Ik wist dat de fiets handig zou zijn in de wijk waar ik woonde, Tottenham. Ik zou hem daar kunnen gebruiken voor korte ritjes naar de winkel of de dokter. De tien pond die ik ervoor betaald had, zou ik binnen de kortste keren hebben uitgespaard op busritten. Voor langere reizen naar het centrum van Londen of mijn werk bij Angel zou ik de bus of de metro blijven nemen. Die reis was te gevaarlijk op de fiets, vanwege de drukke wegen en kruisingen die ik onderweg tegenkwam. Sommige ervan waren berucht om hun ongelukken met fietsers.
Pas toen ik in mijn hoofd de routes in kaart bracht die ik voortaan op de fiets zou kunnen afleggen, bedacht ik me opeens iets anders.
‘O help, hoe moet ik dit ding mee naar huis nemen?’
Buschauffeurs laten geen fietsen toe en het was uitgesloten dat ik ermee in de metro kon stappen. Ik zou bij de toegangspoortjes al tegengehouden worden. Misschien zou het lukken hem een gewone trein in te krijgen, maar er waren geen spoorlijnen in de buurt van mijn flat.
Er zit maar één ding op, zei ik tegen mezelf.
‘Oké, Bob, het lijkt erop dat jij en ik op de fiets naar huis gaan,’ zei ik.
Bob lag op de stoep bij Rita te zonnebaden, maar had me de hele tijd met een half oog in de gaten gehouden. Toen ik op de fiets klom, tilde hij zijn kop een beetje scheef op, alsof hij wilde zeggen: Wat is dat voor geval en waarom ga je erbovenop zitten?
Hij keek me achterdochtig aan terwijl ik de fietshelm onder mijn kin vastmaakte, mijn rugzak over mijn schouder slingerde en met de fiets zijn kant op kwam lopen.
‘Kom op, jochie, klim maar aan boord,’ zei ik terwijl ik me vooroverboog zodat hij op mijn schouders kon springen.
‘Succes,’ zei Rita.
‘Bedankt. We zullen het nodig hebben!’ antwoordde ik.
Het verkeer op Islington High Street was druk en zoals gewoonlijk stond het zo goed als stil. Daarom liep ik eerst een stukje met de fiets over het voetpad, naar Islington Memorial Green. Ik passeerde een paar politieagenten, die me bevreemd aankeken, maar ze zeiden niets. Er was geen wet die verbood om met een kat op je schouders te fietsen. Althans, voor zover ik wist niet. Hoewel ik denk dat ze me hadden kunnen aanhouden als ze dat hadden gewild. Maar ze hadden blijkbaar belangrijker dingen te doen, goddank.
Ik wilde niet over High Street fietsen, daarom liep ik met de fiets aan mijn hand naar de voetgangersoversteekplaats. We trokken meer aandacht dan normaal; de uitdrukking op de gezichten van de voorbijgangers varieerde van verbazing tot hilariteit. Meer dan eens stopte er iemand en wees naar ons alsof we van een andere planeet kwamen.
Maar wij bleven niet stilstaan. We namen het pad door het park, voorbij boekwinkel Waterstones, en daar, op Essex Road, stapte ik op de fiets.
‘Goed, daar gaan we, Bob,’ zei ik, gespannen vanwege het drukke verkeer. Al snel zigzagden we tussen de bussen, vrachtwagens, bestelbusjes en auto’s door.
Bob raakte er binnen de kortste keren aan gewend. Toen ik me oprichtte, klaar om een betere houding aan te nemen, kon ik voelen hoe hij ging verzitten. In plaats van op mijn schouders te staan besloot hij – heel verstandig – zich rondom mijn nek te draperen, met zijn kop naar beneden over mijn borst. Hij wilde blijkbaar lekker liggen en tegelijkertijd ook nog van het uitzicht genieten.
Het was halverwege de middag. Er waren veel kinderen op weg van school naar huis. Langs heel Essex Road liepen kinderen in hun schooluniform, die stopten om naar ons te zwaaien zodra ze ons in het oog kregen. De eerste keer probeerde ik terug te zwaaien, maar ik verloor bijna mijn evenwicht, waardoor Bob een stukje van mijn schouder gleed.
‘Oeps! Sorry, jochie. Ik zal het niet meer doen,’ zei ik.
Langzaam maar zeker kwamen we verder. Als we moesten stoppen vanwege het verkeer, was er altijd wel iemand die naar ons riep, of vroeg of hij een foto mocht maken. Op zeker moment sprongen twee tienermeiden de weg op om een foto te maken van hen en ons samen.
‘O jee, dit is zó schattig,’ zei een van hen. Daarbij leunde ze zo zwaar tegen ons aan dat we bijna omvielen.
Ik had al een paar jaar niet meer op een fiets gezeten en mijn conditie was niet zo goed. Af en toe nam ik even pauze. En elke keer dat ik dat deed, bleven er mensen staan om ons te bekijken. De meesten lachten, maar sommigen schudden afkeurend hun hoofd.
‘Stomme idioot,’ hoorde ik een man van middelbare leeftijd in pak mompelen, terwijl hij ons voorbijliep.
Maar ik voelde me helemaal niet stom. Eerlijk gezegd had ik het best naar mijn zin. En ik wist zeker dat Bob er ook van genoot. Zijn kop lag vlak naast mijn oor en ik hoorde hem tevreden spinnen.
We fietsten het hele stuk naar Newington Green, en daarvandaan naar Kingsland Road, waar de weg naar Seven Sisters begon. Daar had ik me op verheugd. Het grootste deel van de reis was vlak geweest, op een paar hellinkjes en glooiingen na. Maar ik wist dat de weg vanaf hier een paar kilometer lang naar beneden liep. Ik zou freewheelend de heuvel af kunnen stormen.
Tot mijn genoegen zag ik dat er een fietsstrook was, die helemaal leeg was. Al snel vlogen Bob en ik de heuvel af, met de warme zomerwind in onze haren. ‘Woehoe! Is dit niet geweldig, Bob?’ Ik voelde me een beetje zoals Elliot in E.T. Niet dat ik nou direct verwachtte op te stijgen en vliegend naar Noord-Londen te gaan, maar we gingen op zeker moment op zijn minst dertig kilometer per uur.
Het verkeer op de rijstrook naast ons stond vast en mensen hadden de autoraampjes geopend om de zomerlucht op te snuiven. De uitdrukking die op sommige gezichten verscheen als we voorbij zoefden was onbetaalbaar.
Een paar kinderen staken hun hoofd uit het open dak van een auto en schreeuwden naar ons. Sommige mensen staarden alleen in volslagen ongeloof. Dat begreep ik wel. Je ziet niet elke dag een rode kat op een fiets van een heuvel naar beneden suizen.
We deden er maar een halfuur over om thuis te komen, wat heel bijzonder was als je bedenkt dat we onderweg heel vaak hadden moeten stoppen.
Toen we tot stilstand kwamen op het pleintje voor onze flat, sprong Bob van mijn schouders alsof het een dag als alle andere was en hij gewoon uit de bus stapte. Dat hoorde echt bij zijn relaxte levenshouding. Het maakte hem allemaal niets uit, voor hem was het een gewone dag in Londen geweest.
Terug in de flat besteedde ik de rest van de middag en avond aan het oplappen van de fiets. Eerst repareerde ik de voorrem. Toen gaf ik de rest van de fiets een opknapbeurt.
‘Klaar is kees,’ zei ik tegen Bob terwijl ik het resultaat van mijn doe-het-zelfklus bewonderde. ‘Dit is onze nieuwe Bobmobiel.’
Ik weet het niet zeker, maar volgens mij was de blik die hij me toewierp er een van goedkeuring.

Mensen vragen me vaak hoe Bob en ik zo goed met elkaar kunnen communiceren.
‘Dat is simpel,’ antwoord ik doorgaans. ‘Hij heeft zijn eigen taal en ik heb geleerd om die te begrijpen.’
Het klinkt misschien wat vergezocht, maar het is waar. Zijn belangrijkste communicatiemiddel is lichaamstaal. Hij heeft een reeks signalen waarmee hij me precies vertelt wat hij voelt, en nog belangrijker: wat hij op een specifiek moment wil.
Als hij bijvoorbeeld zijn behoefte wil doen terwijl we over straat lopen, begint hij een beetje te grommen en brommen. Vervolgens kan hij niet meer stilzitten op mijn schouder. Ik hoef niet naar hem te kijken om te weten wat hij in zijn schild voert: hij verkent de omgeving en zoekt naar een plek met wat losse grond waar hij een grote boodschap kan doen.
Of als hij aan zijn riem over straat loopt en moe wordt, laat hij een soort zacht, donker geklaag horen. Dan weigert hij nog een stap te verzetten. Hij kijkt me alleen aan alsof hij zeggen wil: Kom op zeg, pak me op; ik heb het helemaal gehad.
Als hij bang is, zet hij zijn klauwen in mijn schouder. Is hij op de grond, dan schuift hij achteruit totdat hij tussen mijn benen komt te staan en ik hem kan oppakken. Maar eerlijk gezegd gebeurt het zelden dat hij ergens bang voor is, en dat siert hem. Het geluid van een ambulance of politieauto met gillende sirenes stoort hem nauwelijks. Hij is eraan gewend doordat we midden in Londen wonen en werken. Het enige geluid waar hij het benauwd van kan krijgen, komt uit de pneumatische remmen van grote vrachtauto’s en bussen. Als hij dat harde sissen hoort, krimpt hij in elkaar en maakt een angstige indruk. Ook als er vuurwerk wordt afgestoken is hij soms een beetje onrustig, vooral bij harde klappen en explosies, maar meestal geniet hij ervan om door het raam van mijn flat naar de felle kleuren te kijken die oplichten aan de nachtelijke hemel.
Er zijn nog meer signalen. Zo kan ik uit de manier waarop hij zijn staart beweegt zijn stemming aflezen. Als hij ligt te dommelen of slapen, ligt zijn staart helemaal stil. Op andere momenten kwispelt hij ermee. Hij bezit een groot repertoire aan bewegingen. De meest gangbare kwispel is een langzame heen-en-weerbeweging, een beetje als een ruitenwisser in zijn langzaamste stand. Dit is zijn tevreden kwispel. Ik heb vele uren met hem doorgebracht in Londen en hem deze beweging zien maken als hij zich vermaakte of ergens door geïntrigeerd werd. De dame die hem probeerde te stelen bij Angel was niet de eerste die het signaal verkeerd interpreteerde. Anderen hebben dezelfde fout gemaakt en het uitgelegd als het teken van een slecht humeur. Bob wordt wel eens kwaad, maar dan beweegt hij zijn staart met snelle schokken in het rond, een beetje als een vliegenmepper.
Hij zendt ook subtielere signalen uit. Als hij zich zorgen maakt over mij, komt hij heel dicht bij me, alsof hij me wil onderzoeken. Als ik me niet zo lekker voel, komt hij vaak schuchter naar me toe lopen en luistert naar mijn ademhaling. Hij doet veel van dat soort lieve dingen. Zo heeft hij de gewoonte om op mijn schoot te springen en me spinnend kopjes te geven. Of hij duwt zijn hoofd tegen mijn hand en buigt zich dan op zo’n manier dat ik achter zijn oor kan krabben. Gedragspsychologen en zoölogen mogen er het hunne van denken, maar ik denk dat dit Bobs manier is om me te vertellen dat hij van me houdt.
Maar de boodschappen die hij het meest probeert over te brengen hebben natuurlijk met eten te maken. Als hij wil dat ik naar de keuken kom om hem eten te geven, begint hij op de keukenkastjes te bonzen. Hij is zo slim! Het lukt hem zelfs om de kindersloten los te maken – die ik nou juist heb aangebracht om Bob uit de kastjes te houden. Daarom ga ik altijd even checken of alles nog dicht zit. Als ik in de keuken ben, zorgt hij er altijd voor dat hij in het hoekje naast de radiator zit en zet hij zijn onschuldige gezicht op. Maar zulke periodes duren maar heel kort, dan begint hij weer te jengelen om eten.
Bob is ontzettend vasthoudend en laat me niet met rust totdat hij heeft gekregen wat hij hebben wil. Hij kan behoorlijk gefrustreerd raken als ik besluit hem te negeren. Dan trekt hij zijn trukendoos open, klopt me op mijn knie of trakteert me op zijn Gelaarsde Kat-blik. Zijn creativiteit is onuitputtelijk als het gaat om het vullen van zijn maag.
Een tijdlang was zijn grootste uitdaging om mijn aandacht te trekken als ik computerspelletjes speelde op de tweede-hands Xbox, die ik in de kringloopwinkel had gekocht. Het grootste deel van de tijd vond Bob het prima om toe te kijken als ik speelde. Hij was gefascineerd door bepaalde spelletjes, vooral racen. Dan stond hij naast me en keek belangstellend naar alle bochten en manoeuvres. Eén keer dacht ik zelfs te zien dat zijn lichaam meeslingerde toen we samen een scherpe haarspeldbocht namen. Maar spelletjes waarin veel geschoten werd, konden hem niet boeien. Als ik die speelde, trok hij zich terug in een hoekje van de kamer. Als het spel – of ik – te veel herrie maakte naar zijn zin, tilde hij zijn kop op en keek me aan. De boodschap was duidelijk: Zet hem eens wat zachter, je ziet toch dat ik lig te slapen!
Ik kon helemaal in mijn spel opgaan. Het gebeurde wel dat ik om negen uur ’s avonds met een computerspel begon en doorging tot in de kleine uurtjes. Bob had daar weinig waardering voor. Hij haalde alles uit de kast om mijn aandacht te krijgen, vooral als hij honger had. Maar soms was ik immuun voor zijn charmes, en dan nam hij drastische maatregelen.
Op een avond zat ik een computerspel te spelen samen met mijn vriendin Belle toen Bob verscheen. Hij had een paar uur ervoor zijn avondeten gehad en vond dat het tijd was voor een tussendoortje. Hij draaide zijn reeks gebruikelijke aandachttrekkerijtrucs af, van het maken van geluiden tot het geven van kopjes en hij drapeerde zich zelfs over mijn voeten. Maar we waren allebei te druk bezig met het halen van het volgende niveau, dus we reageerden nergens op.
Hij droop weer af en liep wat rond in de buurt van de kast waar de televisie en Xbox stonden. Even later liep hij naar de Xbox toe en drukte met zijn kop tegen de grote tiptoets in het midden.
‘Bob, wat doe je?’ vroeg ik argeloos, te zeer verdiept in het spel om te snappen waar hij op uit was.
Maar een ogenblik later ging het scherm op zwart: de Xbox schakelde zichzelf uit. Bob had hard genoeg tegen de knop gedrukt om hem uit te zetten. We waren halverwege een echt lastig niveau van het spel, dus eigenlijk hadden we uit ons vel moeten springen van nijd. Maar we zaten elkaar alleen maar ongelovig aan te staren.
‘Heeft hij zojuist gedaan wat ik denk dat hij heeft gedaan?’ vroeg Belle.
‘Nou, volgens mij zag ik het ook, dus ik ben bang van wel. Het is niet te geloven.’
Bob stond erbij en keek ons triomfantelijk aan. Het was duidelijk wat hij wilde zeggen: Hoe dacht je me nu nog te negeren?

We kunnen niet altijd op signalen en lichaamstaal vertrouwen. Het gebeurt ook dat we een vreemd soort telepathie hebben, alsof we allebei weten wat de ander denkt of doet. We hebben ook geleerd elkaar te waarschuwen als er gevaar dreigt.
Een paar dagen nadat ik de fiets had gekocht, besloot ik Bob mee te nemen naar een park in de buurt, dat pas helemaal opnieuw was ingericht. Inmiddels voelde Bob zich op zijn gemak als hij op mijn schouders meereed. Hij was steeds zelfverzekerder geworden en bewoog met de bochten mee als een duopassagier die achter op een motor zit.
Het park was een beetje teleurstellend. Behalve een paar nieuwe banken en wat lage struiken, en een nieuwe speeltuin voor kleine kinderen, was er niet veel veranderd. Niettemin ging Bob enthousiast op onderzoek uit. Als ik dacht dat de omgeving veilig was, maakte ik hem los van zijn riem zodat hij lekker kon rondscharrelen tussen de struiken. Dat deed ik vandaag ook en ik installeerde mezelf met een stripboek op een bankje om van de zon te genieten. Toen hoorde ik in de verte een hond blaffen.
O jee, zei ik bij mezelf.
Eerst dacht ik dat het geluid van een paar straten verderop kwam. Maar toen het blaffen luider werd, realiseerde ik me dat de hond heel wat dichterbij was. En ineens zag ik een gigantische, dreigend uitziende Duitse herder het park in komen rennen. Het beest was nog geen honderdvijftig meter bij ons vandaan en liep los. Ik kon gewoon zien dat hij problemen zocht.
‘Bob!’ riep ik naar de struiken waarin mijn kat was verdwenen. ‘Bob, kom hier!’
Heel even voelde ik paniek opkomen. Maar als altijd zaten we op dezelfde golflengte en al snel kwam zijn koppie uit de struiken tevoorschijn. Ik wenkte hem, moedigde hem aan naar me toe te komen maar maakte geen geluid. Ik wilde niet de aandacht van de hond trekken. Bob begreep onmiddellijk wat er aan de hand was en sprong uit de bosjes tevoorschijn. Hij was niet bang voor honden, maar hij koos zijn vijanden zorgvuldig uit. Te oordelen naar het geluid dat deze Duitse herder maakte, was het niet een hond waarmee we ruzie wilden krijgen.
Maar Bobs knaloranje vacht had hem verraden: de hond rende met grote snelheid onze kant op, woest blaffend. Ik pakte mijn fiets. Als de Duitse herder hem te pakken kreeg, kon het slecht met Bob aflopen.
Maar ik had hem weer eens onderschat.
Bob sprintte over het gras naar me toe en ik hurkte op mijn knie. In één vloeiende beweging klom hij op mijn schouder, waarna ik op mijn fiets sprong en met mijn kat het park begon uit te fietsen.
De woedende Duitse herder achtervolgde ons nog een tijdje. Op zeker moment rende hij zelfs naast ons toen we in volle vaart over straat fietsten. Bob blies naar hem. Ik kon zijn gezicht niet zien, maar het zou me niet verbazen als hij hem uitlachte. Hij bedoelde waarschijnlijk zoiets te zeggen als: Wat wou je er nu aan doen, stoere jongen?
Op de hoofdweg die naar ons flatgebouw leidde, keek ik achterom. Onze belager had zich teruggetrokken. Zijn eigenaar, een potige kerel die was gekleed in een spijkerbroek en een zwartleren jack, voegde zich bij hem en moest moeite doen om het beest weer aan de riem te krijgen. Maar dat was zijn probleem, niet het mijne.
‘Dat scheelde niet veel, Bob,’ zei ik. ‘Het is maar goed dat we de Bobmobiel hebben!’
