11
Twee coole katten

Op een dag in september 2010 kwam ik rond lunchtijd bij metrostation Angel aan, waar ik werd opgewacht door Davika. Ze was kaartjescontroleur en een van onze trouwste vrienden sinds Bob en ik in Islington werkten. Vaak bracht ze iets lekkers voor Bob mee of kwam ze hem drinken brengen, vooral bij heet weer. Vandaag wilde ze alleen een boodschap doorgeven.
‘Hoi James, er was iemand op zoek naar jou en Bob,’ zei ze. ‘Hij is verslaggever bij een lokale krant, en hij vroeg me hem te bellen als je bereid was om met hem te praten.’
‘O ja?’ zei ik. ‘Dat lijkt me prima. Zeg maar dat hij ons kan spreken onder werktijd.’
Het was niet de eerste keer dat iemand aandacht aan ons schonk. Er stonden filmpjes van Bob en mij op internet en die waren al door een paar duizend mensen bekeken. Ook waren er bloggers uit Londen die iets over ons geschreven hadden. Maar nog nooit had iemand van de krant belangstelling voor ons getoond. Eerlijk gezegd nam ik het bericht met een korreltje zout. In de loop der jaren hadden mensen ons op de meest vreemde manieren benaderd, maar negenennegentig procent van al die contacten was op niets uitgedraaid.
Maar toen ik een paar dagen later bij Angel aankwam, stond de verslaggever bij de uitgang op ons te wachten.
‘Dag James, ik ben Peter. Ik vroeg me af of ik je mag interviewen voor de Islington Tribune?’
‘Tuurlijk, waarom niet?’
Eerst nam hij een foto van mij met Bob boven op mijn schouders, en op de achtergrond het bord van metrostation Angel. Ik voelde me een beetje ongemakkelijk. Ik was niet bepaald voor de gelegenheid gekleed en ik had me al heel lang niet geschoren, maar hij leek tevreden.
Daarna praatten we wat over mijn verleden en ik vertelde hoe Bob en ik met elkaar in contact waren gekomen. Het was geen diepte-interview, maar het leverde blijkbaar genoeg informatie op voor zijn stuk, waarvan hij zei dat het in de volgende editie van de Tribune zou verschijnen. Ik nam het allemaal niet erg serieus. Ik leefde volgens het principe dat ik iets pas geloofde als ik het zag. Dat was makkelijker.
Een paar dagen later, op een donderdagochtend, riepen Rita en Lee, de coördinators van de Big Issue in Islington Green, me bij zich.
‘Hé James, Bob en jij staan vandaag in de krant.’ Rita haalde een editie van de Tribune tevoorschijn.
‘Meen je dat?’ vroeg ik.
Er stond waarachtig een artikel van een halve pagina over Bob en mij in de krant, geschreven door Peter Gruner. De kop luidde:
TWEE COOLE KATTEN:
DE STRAATKRANTVERKOPER EN BOB DE ZWERFKAT
Het verhaal begon zo:
In de straten van Islington zijn een man en zijn kat twee onwaarschijnlijke beroemdheden geworden. De straatkrantverkoper James Bowen en zijn volgzame rode kater Bob, die onafscheidelijk zijn, trekken sinds ze bij metrostation Angel staan de aandacht van het publiek. Het verhaal over hoe ze elkaar hebben leren kennen staat uitgebreid in reportages op internet. Het is zo aandoenlijk dat het nog slechts een kwestie van tijd lijkt voordat er een Hollywood-film over hen zal verschijnen.
Ik moest hardop lachen vanwege de journalistieke vrijheid die hij zich had gepermitteerd. Hollywood-film? Ik was niet erg gecharmeerd van hoe ik eruitzag op de foto, met die enorme baard. Maar het was een prachtig verhaal, dat moest ik toegeven.
Ik ging langs de kiosk om een paar kranten voor thuis mee te nemen.
Toen we die avond de bus naar huis namen, keek Bob met me mee naar het artikel en het leek wel alsof hij twee keer moest kijken. Het gebeurde niet vaak, maar een fractie van een seconde had hij zo’n lichtelijk verbaasde uitdrukking op zijn gezicht. Alsof hij wilde zeggen: nee, dat kan niet waar zijn. Zie ik het goed?
Veel mensen hadden echter door dat het artikel over ons ging. En de publiciteit begon al snel haar vruchten af te werpen. Ik had vooral met het interview ingestemd omdat ik verwachtte dat het goed zou zijn voor de verkoop van mijn kranten. Ik dacht dat het vergroten van mijn bekendheid mijn klantenkring zou doen groeien. En dat gebeurde. In de dagen na de publicatie kwamen er meer mensen naar ons toe om een praatje te maken, niet alleen bij Angel, maar ook op straat en in de bus.
Op een morgen liep ik met Bob naar Islington Green om hem zijn behoefte te laten doen, toen er een groep schoolkinderen opdook. Ze waren hooguit negen of tien jaar oud en droegen keurige blauwe uniformen.
‘Kijk, dat is Bob!’ riep een van hen, een kleine jongen, en hij wees opgewonden onze kant op.
Het was duidelijk dat de rest van de klas geen idee had waar hij het over had.
‘Wie is Bob?’ vroeg iemand.
‘De kat op de schouders van die man. Hij is beroemd. Mijn moeder zegt dat hij op Garfield lijkt,’ zei de jongen.
Ik was ontroerd dat deze jonge kinderen ons herkenden, maar ik weet niet of ik wel zo blij was met de vergelijking met de beroemdste stripkat ter wereld. Garfield staat bekend om zijn omvang, zijn obsessie voor eten, zijn luiheid en zijn onhebbelijke karakter. Hij heeft een hekel aan elke vorm van lichaamsbeweging of werk. Bob had altijd een uitstekende conditie gehad, overat zich niet en had het makkelijkste en vriendelijkste karakter van alle katten die ik ooit was tegengekomen. En niemand zou ooit van hem kunnen zeggen dat hij werkschuw was.
In de dagen daarna hadden we nog veel van dergelijke ontmoetingen, maar de meest opvallende was met iemand die ik één keer eerder had ontmoet.
Ik was ooit een keer benaderd door een Amerikaanse dame die vertelde dat ze literair agent was. Ze heette Mary. Ze vertelde dat ze vlak bij Angel woonde en dat ze Bob en mij vaak bij het metrostation had zien staan. Ze had me gevraagd of ik wel eens had overwogen een boek te schrijven over mijn leven met Bob. Ik zei dat ik erover na zou denken, maar eerlijk gezegd had ik haar niet echt serieus genomen. Waarom zou ik? Ik was aan het herstellen van mijn verslavingsproblemen en moest alle zeilen bijzetten om mijn hoofd boven water te houden door de straatkrant te verkopen. Ik schreef geen proza. Ik hield geen dagboek bij. Ik stuurde zelfs nooit berichten met mijn mobiele telefoon. Ja, ik hield van lezen. Maar voor zover ik het kon bekijken stond een boek schrijven net zo ver van de werkelijkheid af als mijn eigen ruimteraket bouwen of me kandidaat stellen voor de parlementsverkiezingen. Met andere woorden: het was een volkomen kansloze zaak.
Gelukkig hield ze vol en we spraken elkaar opnieuw. Ze had al verwacht dat ik mijn bedenkingen zou hebben; daarom had ze voorgesteld dat ik zou praten met een ervaren schrijver die mensen hielp hun levensverhaal aan het papier toe te vertrouwen. Hij had het nu weliswaar te druk om mij te ontmoeten, maar aan het eind van het jaar zou hij weer tijd hebben en me opzoeken. Na het stuk in de Islington Tribune nam ze contact met me op om te vragen of ik hem wilde zien.
Als hij dacht dat het verhaal van Bob en mij goed genoeg was voor een boek, zou hij de tijd voor me nemen, me mijn hele verhaal laten vertellen en me helpen het vorm te geven en op te schrijven. Daarna zou zij proberen het aan een uitgeverij te verkopen. Maar zelfs in deze vorm klonk het verhaal mij erg vergezocht.
Een hele poos hoorde ik niets, maar eind november kreeg ik een telefoontje van deze auteur. Hij heette Garry.
Ik sprak met hem af en we dronken koffie in het Design Centre aan de overkant van mijn vaste standplaats. We hadden Bob bij ons, dus we moesten buiten zitten in de bijtende kou. Bob was beter in het beoordelen van mensen dan ik, dus ik ging een paar keer naar het toilet, zodat hij met Garry alleen was. Ze konden het fantastisch met elkaar vinden, wat ik als een goed teken beschouwde.
Ik merkte dat hij probeerde te achterhalen of mijn verhaal geschikt was voor een boek en ik was zo open tegen hem als ik kon. Als ik naar mezelf luisterde, had ik niet echt veel zin om over de donkere kanten van mijn leven te praten. Maar hij raakte een gevoelige snaar bij me. Bob en ik, zei hij, waren allebei beschadigd door het leven. We hadden elkaar ontmoet toen we beiden een absoluut dieptepunt hadden bereikt. En we hadden elkaar geholpen er weer bovenop te komen.
‘Dat is het verhaal dat je moet vertellen,’ drukte hij me op het hart.
Op die manier had ik er nog nooit naar gekeken. Instinctief wist ik dat Bob een enorme positieve kracht in mijn leven was. Ik had mezelf wel eens op een video op YouTube zien vertellen dat hij mijn leven had gered. Ik denk dat dat in zekere zin waar was. Maar ik kon me gewoon niet voorstellen dat iemand in dat verhaal geïnteresseerd zou zijn.
Zelfs toen ik Garry voor de tweede keer had gesproken, langer dit keer, leek het allemaal nog een beetje een luchtkasteel. Er waren zoveel mitsen en maren. Als zowel Garry als Mary het zag zitten om met me samen te werken, dan moest er nog een uitgever geïnteresseerd zijn om het boek op de markt te brengen. Ik zag die drie dingen nog niet allemaal gebeuren. De obstakels leken me te groot. Aangezien de feestdagen eraan kwamen, zei ik tegen mezelf dat er meer kans was dat de Kerstman echt bestond.
Bob en ik waren van onze gezamenlijke kerstfeesten gaan houden. In het eerste jaar dat we bij elkaar waren, hadden we de kerst samen doorgebracht in mijn flat, kant-en-klaar-maaltijden gegeten en tv gekeken. Gezien het feit dat ik de tien jaar daarvoor de kerst meestal in mijn eentje had door-bracht in de daklozenopvang of verdoofd was door de heroïne, was het de gelukkigste kerst in tijden geweest.
De tweede kerst had ik gemist omdat ik in Australië was, maar sindsdien waren we samen geweest.
Tijdens de aanloop naar kerst hadden we, zoals altijd, bergen cadeautjes gekregen, van sjaals voor Bob tot cadeaubonnen van supermarkten en warenhuizen voor ons samen. Het was overduidelijk wat Bobs favoriete cadeau was: een adventskalender gevuld met zijn favoriete kattensnoepjes. Hij was er natuurlijk op slag verliefd op geworden en had er al snel een gewoonte van gemaakt om ’s morgens meteen om zijn nieuwe snoepje te zeuren op de aftelkalender naar Kerstmis.
We kregen ook een fantastisch Santa Klauw-outfit. Belle had er een gemaakt voor onze eerste kerst samen, maar die was ik kwijtgeraakt. Deze had een behaaglijk rood jasje en een knalrode muts, die Bob kon dragen in de aanloop naar de feestdagen. De reizigers bij metrostation Angel vonden het geweldig.
Op eerste kerstdag speelde Bob meer met zijn cadeaupapier dan met de cadeautjes zelf. Hij rolde over de vloer en knabbelde erop. Ik liet hem zijn gang gaan en keek de hele middag tv. Belle kwam ook een paar uurtjes langs. Het voelde voor mij als een echte familiekerst.

Begin januari kreeg ik het telefoontje van Mary, die vertelde dat een grote uitgever in Londen me wilde ontmoeten – en Bob ook natuurlijk.
Een paar dagen later ging ik samen met haar naar hun kantoor in een reusachtige kantoorflat vlak bij Tottenham Court Road. In eerste instantie wilde de beveiliging Bob niet binnenlaten. Er werd nogal verbaasd gekeken toen we vertelden dat hij het onderwerp van een boek zou worden. Ik snapte wel waarom ze moeilijk deden, want bij deze uitgeverij kwamen mensen als John Grisham en Gordon Ramsay over de vloer. Hoe haalde die het in hun hoofd om een boek te publiceren over een sjofele kerel en zijn rode kater?
Een van de uitgevers kwam echter naar beneden om me op te halen, en daarna kregen Bob en ik allebei een warm ontvangst. Bob werd behandeld alsof hij koninklijk bezoek was. Hij kreeg een cadeautasje met een paar lekkernijen en wat speeltjes met kattenkruid erin, en had toestemming om door de kantoren te lopen en op onderzoek uit te gaan. Waar hij ook ging, hij werd begroet alsof hij een beroemdheid was. Mensen namen foto’s met hun mobiele telefoons en kirden tegen hem. Ik wist dat hij sterallures had, maar tot op dat moment had ik niet vermoed dat ze zo overtuigend waren.
Ik moest een vergadering bijwonen met een groot aantal mensen die kwamen praten over verschillende disciplines, variërend van marketing en publiciteit tot productie en verkoop. Het was allemaal zakelijk gewauwel over publicatie-data en ‘tijdpaden’. Ze hadden net zo goed Servo-Kroatisch of Mandarijns kunnen spreken. Maar het kwam er in grote lijnen op neer dat ze het materiaal hadden gelezen waar Garry en ik aan gewerkt hadden, en het interessant genoeg vonden voor een boek. Er was zelfs al een titel bedacht: A Street Cat Named Bob. Ik vond het een heel leuk idee.
Na deze bijeenkomst vroeg Mary me het literair agentschap in Chelsea waar zij werkte te bezoeken. Dat was ook weer zo’n gigantisch intimiderend gebouw. Ze waren daar gewend om winnaars van de Nobelprijs en andere literaire prijzen te ontvangen, dus er werd opgekeken toen bleek dat een straatkrantverkoper en zijn kat die exclusieve ruimte hadden weten binnen te dringen. Terwijl Bob op onderzoek uitging in de kamers, liep Mary met mij het contract door dat de uitgeverij had aangeboden. Ze vertelde me dat het een goede deal was, vooral gezien het feit dat ik een ‘onbekende auteur’ was. Ik stelde vertrouwen in haar en ondertekende alle papieren.
In de afgelopen tien jaar had ik voornamelijk methadon-formulieren en papieren van de politie getekend. Het voelde vreemd om mijn naam neer te krabbelen op een heus contract, maar tegelijkertijd – dat moest ik toegeven – was het heel opwindend.
Soms werd ik ’s morgens wakker en dacht ik dat het allemaal een hersenspinsel van me was. Dit gebeurde niet echt. Niet met mij.

Ik was nog niet zover dat ik Garry in mijn flat wilde uitnodigen. Dus we spraken af om elkaar een of twee keer per week in Islington te ontmoeten. Er zaten voor- en nadelen aan deze afspraak. Aan de ene kant betekende het dat ik wat geld kon verdienen door na afloop een paar uur kranten te verkopen. Maar dat ik Bob bij me had maakte het lastig om een plek te vinden waar we konden zitten en praten, vooral als het weer slecht was. De plaatselijke cafés lieten meestal geen kat binnen, en er was geen bibliotheek in de buurt. Dus moesten we op zoek naar alternatieven.
De eerste mensen die ons vroegen binnen te komen waren ironisch genoeg de mensen van Waterstones, de boekwinkel aan Islington Green. Ze kenden me daar, want ik ging wel eens met Bob naar binnen om bij de sciencefictionboeken te kijken. De manager van de winkel, Alan, had dienst. We vroegen hem of hij het erg vond als we boven in een rustig hoekje aan het werk gingen. Hij vond het niet alleen prima, hij vroeg een van de personeelsleden om twee stoelen naar de afdeling Geschiedenis te brengen. Zelf kwam hij koffie brengen.
Als de zon scheen, gingen we naar een pub aan Essex Road met een terras. Daar kon ik ook een sigaretje opsteken, wat een bijkomend voordeel was.
Garry en ik waren het erover eens dat het boek niet alleen over mijn leven met Bob moest gaan. We wilden de lezers iets laten zien van het leven op straat. Ik wilde dat de mensen begrepen hoe makkelijk het was voor iemand als ik om onopgemerkt te blijven, om genegeerd en over het hoofd gezien te worden door de maatschappij. Maar om dat voor elkaar te krijgen, moest ik natuurlijk ook mijn ‘voorgeschiedenis’ prijsgeven.
Ik keek niet bepaald uit naar dat deel van de exercitie. Over mezelf praten was iets wat ik niet makkelijk vond, vooral niet als het om de duistere kanten ging. En daar had ik er heel veel van. Het waren aspecten van mijn leven als verslaafde die ik begraven had in de verste uithoeken van mijn geest. Ik had keuzes gemaakt waar ik me diep voor schaamde, dingen gedaan die ik met niemand wilde delen, laat staan in een boek wilde zetten. Maar toen we eenmaal begonnen te praten, was het tot mijn verbazing minder pijnlijk dan ik had gevreesd. Ik kon me geen psycholoog of psychoanalyticus veroorloven, maar het gebeurde wel dat praten tegen Garry net zo heilzaam was als je hart uitstorten bij een zielenknijper. Het dwong me om sommige pijnlijke waarheden onder ogen te zien en het was op een vreemde manier louterend; het hielp me mezelf een beetje beter te begrijpen.
Ik wist dat ik niet makkelijk in de omgang was. Ik had opstandige, destructieve trekken die me steevast in de problemen hadden gebracht. Het was vrij duidelijk dat mijn jeugd alles in het honderd had gestuurd. De scheiding van mijn ouders en de jaren waarin ik van de ene plek naar de andere was gereisd, heen en weer fladderend tussen Engeland en Australië, waren niet bepaald stabiliserende factoren geweest. Ik had als kind altijd mijn best gedaan om erbij te horen en populair te zijn, maar het werkte nooit. Uiteindelijk had ik te veel mijn best gedaan en was ik een buitenstaander en verschoppeling geworden.
Tegen de tijd dat mijn puberteit begon, traden ook mijn gedragsproblemen aan het licht. Ik was een boos en rebellerend kind, dat ruzie met mijn moeder en stiefvader maakte. Gedurende een periode van ongeveer twee jaar, van mijn elfde tot mijn dertiende, werd ik heel vaak opgenomen in een kinder-ziekenhuis in Perth, in Australië. Op zeker moment kreeg ik de diagnose bipolaire stoornis of een andere stemmingsstoornis. Ik weet niet meer precies wat het was, het leek wel of ze iedere week een andere diagnose verzonnen. Hoe dan ook, het resultaat was dat ik allerlei medicijnen kreeg voorgeschreven, waaronder lithium.
De herinneringen aan die tijd zijn wisselend. Eén levendige herinnering was dat ik naar de polikliniek van het ziekenhuis ging voor een wekelijkse bloedtest. De muren van het ziekenhuis waren beplakt met posters van muzikanten en bands. Terwijl mijn bloed werd afgenomen staarde ik naar foto’s van Gladys Knight and The Pips.
Elke keer verzekerde de laborant me dat de naald geen pijn zou doen. ‘Je voelt alleen een prikje,’ zei hij, maar het was altijd meer dan dat. Het klinkt waarschijnlijk nogal ironisch, maar ik heb nog jarenlang een enorme afkeer van naalden gehad. Kun je nagaan hoe diep mijn drugsverslaving zat, dat ik dit op de een of andere manier vergeten was en mezelf vrolijk elke dag injecteerde.
Er waren ook leukere herinneringen. Ik wist nog dat ik na mijn ontslag uit het ziekenhuis iets terug had willen doen en was begonnen dozen stripboeken aan de kinderafdeling te doneren. Ik had een baantje geregeld in een stripboekenwinkel en had mijn baas overgehaald de onverkochte boeken aan mij te geven voor de kinderen in het ziekenhuis. Ik had daar urenlang tafelvoetbal en videospelletjes gespeeld in de speelkamer van de kinderafdeling, dus ik wist dat ze wel een paar fatsoenlijke boeken konden gebruiken.
Maar voor het merendeel waren mijn herinneringen aan die tijd nogal akelig. Ze openden mijn ogen voor aspecten van mijn jeugd die ik nooit eerder goed had onderzocht.
Op zeker moment werkten we aan het boek nadat ik een documentaire van Louis Theroux had gezien over ouders in Amerika, die steeds meer psychoactieve middelen gebruikten voor de behandeling van hun kinderen met ADHD, Asperger of een bipolaire stoornis. Plotseling besefte ik dat dit precies leek op wat er met mij gebeurd was. En ik bedacht me dat die behandeling een enorme impact op me moet hebben gehad toen ik jong was. Daardoor vroeg ik me af wat er eerder was geweest: de kip of het ei. Had ik medicijnen gekregen omdat ik lastig was? Of werd ik weerspannig door al die bezoeken aan artsen die me ervan overtuigden dat er iets mis met me was? Het meest angstaanjagende van alles was misschien wel dat ik niet wist welke effecten al die medicijnen op mijn jeugdige persoonlijkheid hadden gehad. Toen ik jong was beschouwde ik mezelf als een zorgeloos kind, maar sinds die tijd was ik iemand geworden die je ‘zorgelijk’ zou kunnen noemen. Ik deed mijn best me aan te passen aan de maatschappij en leed aan depressies en stemmingswisselingen. Was er een verband? Ik had geen idee.
Wat ik echter wel wist, was dat ik de artsen noch mijn moeder of iemand anders de schuld kon geven van de manier waarop mijn leven sindsdien was verlopen. Ja, zij hadden daarin een rol gespeeld, maar ik kon de verantwoordelijkheid niet op hen afschuiven. Niemand had tegen me gezegd dat ik een drugsprobleem moest ontwikkelen. Niemand had me gedwongen in Londen over straat te gaan zwerven. Niemand had tegen me gezegd dat ik met heroïne moest beginnen. Het waren fouten die ik uit vrije wil had gemaakt. Ik had geen hulp van anderen nodig gehad om mijn leven te verknallen. Dat had ik helemaal zelf voor elkaar gekregen.
Het boek bood in elk geval de gelegenheid om dat helder te krijgen.

Heel even was mijn vader met stomheid geslagen. De uitdrukking op zijn gezicht was een mengeling van ongeloof, vreugde, trots – en lichte bezorgdheid.
‘Dat is een berg geld, Jamie,’ zei hij na een paar ogenblikken en hij legde de cheque die ik zojuist aan hem gegeven had op tafel. ‘Daar kun je maar beter zuinig op zijn.’
De werkelijkheid van wat er was gebeurd was nog niet echt geland. Niet bij mijn vader, maar ook niet bij mij. Er waren vergaderingen geweest met uitgevers, contracten getekend, zelfs artikelen in de krant gepubliceerd. Maar pas toen ik deze cheque voor het voorschot ontving, drong het eindelijk tot me door.
Toen hij een paar dagen daarvoor door de brievenbus was gevallen, had ik de enveloppe opengemaakt en er een tijdlang alleen maar naar zitten staren. De enige cheques die ik in de afgelopen tien jaar had gezien waren die van de Sociale Verzekeringsbank geweest. Er stonden altijd kleine bedragen op: de ene keer vijftig pond, de andere keer honderd, nooit iets met meer dan twee nullen.
Vergeleken bij sommige mensen, vooral in Londen, was het eigenlijk niet eens zoveel geld. Ik denk dat het voor veel kantoorpersoneel dat dagelijks langs me heen wandelde naar het centrum van Londen, niet eens een maandsalaris was. Maar voor iemand die zestig pond beschouwt als een goede dagopbrengst was het een duizelingwekkende hoeveelheid geld.
Het ontvangen van de cheque had me echter direct met twee problemen opgezadeld. Ik was doodsbenauwd om het geld te verspillen – maar wat nog erger was, ik had geen bankrekening waar ik dit bedrag op kon zetten. Jaren daarvoor had ik een rekening gehad, maar ik had er niets mee gedaan. Ik was eraan gewend geraakt van contant geld te leven en de afgelopen jaren was ik met alle cheques die ik kreeg naar zogenaamde ‘cash converters’ gegaan om ze te ruilen tegen contant geld. Vandaar dat ik nu naar mijn vaders huis in Zuid-Londen was gereisd.
‘Ik wil vragen of jij het bij je wilt houden,’ had ik via de telefoon gevraagd. ‘Dan kan ik je om geld vragen als ik het nodig heb.’
Hij had ingestemd en ik had de cheque over laten zetten op zijn naam. (Geen grote verandering, want we hadden niet alleen dezelfde achternaam, maar ook exact dezelfde initialen.)
In plaats van hem bij station Victoria te ontmoeten, had hij me uitgenodigd naar hem toe te komen. We gingen naar een pub vlak bij zijn huis, waar we een paar uur met elkaar kletsten.
‘Dus dit wordt een echt boek?’ vroeg hij en ik voelde dat de scepsis weer kwam bovendrijven die hij steeds had getoond als we het erover hadden.
‘Wat bedoel je?’
‘Nou, wordt het een prentenboek of een kinderboek of…? Waar gaat het eigenlijk precies over?’ vroeg hij.
Ik denk dat het een logische vraag was. Ik legde uit dat het boek zou gaan over hoe ik Bob had ontmoet en hoe we elkaar geholpen hadden. Hij leek een beetje in de war door mijn antwoord.
‘En komen je moeder en ik er ook in voor?’ vroeg hij.
‘Het kan zijn dat jullie genoemd worden,’ zei ik.
‘Dan kan ik maar beter contact opnemen met mijn advocaat,’ zei hij lachend.
‘Nee, maak je geen zorgen. De enige persoon die in een slecht daglicht komt te staan, ben ik.’
Toen veranderde zijn toon een beetje. ‘En wordt dit iets voor de lange termijn?’ ging hij verder. ‘Dat je boeken schrijft?’
‘Nee,’ zei ik in alle eerlijkheid. ‘Ik ben niet de nieuwe J.K. Rowling, pa. Er worden ieder jaar duizenden boeken gepubliceerd. Maar een heel klein deel daarvan is een bestseller. Ik verwacht echt niet dat een verhaal over een straatmuzikant en drugsverslaafde met zijn rode zwerfkat erg populair zal worden. Dus dit is iets voor de korte termijn. Zie het als een leuke meevaller, meer niet.’
‘Des te meer reden om zuinig op het geld te zijn.’ Hij greep de gelegenheid meteen aan om me wat wijze vaderlijke raad te geven.
Hij had natuurlijk gelijk. Dit geld zou de druk die ik voelde misschien een paar maanden verminderen, maar niet veel langer. Ik had nog schulden die afbetaald moesten worden en mijn flat was nodig aan een opknapbeurt toe. Ik wist dat ik realistisch moest zijn, wat betekende dat ik mijn baan als straatkrantverkoper moest aanhouden. Daar spraken we een tijdje over, maar daarna verzandde hij in een preek over de voordelen van allerlei investeringen en spaarschema’s. Toen deed ik wat ik zo vaak had gedaan als mijn ouders tegen me praatten: ik stopte met luisteren.
