15

Mijn redding

Na het drama bij Angel voelde ik me een tijdje somber en verloren. Diep vanbinnen wist ik dat ik de juiste beslissing had genomen, maar ik had toch momenten van grote twijfel. Ik was bang dat de Big Issue mijn vijand was geworden en dat zich dat op de een of andere manier tegen me zou keren.

Na ongeveer een week zette ik er een punt achter. Ik sprak mezelf streng toe en besloot dat ik verder moest. Ik kon beter aandacht schenken aan de positieve dingen, met name aan het boek.

Het manuscript was overgedragen aan de uitgevers, die er blij mee leken te zijn. Ik had me stiekem afgevraagd of ze zich zouden bedenken als ze het hadden gelezen. Mijn verhaal was niet bepaald romantisch of betoverend. Het leven op straat dat ik beschreven had, was hard en soms bijzonder onaangenaam. Een week of twee nadat Garry en ik de tekst hadden overhandigd, verwachtte ik half en half een telefoontje waarin me zou worden medegedeeld: Sorry, we hebben een vreselijke vergissing begaan. Maar dat gebeurde niet. Het boek zou in het voorjaar uitgegeven worden, in maart.

Nu had ik een doel om naartoe te leven, maar ondertussen moest ik geld blijven verdienen, dus ik ging weer muziek maken – ik keerde terug naar Covent Garden.

Dat deed ik met gemengde gevoelens. Aan de ene kant voelde het als een stap terug nadat ik een paar jaar de straatkrant had verkocht. Optreden als straatmuzikant is op een bepaalde manier slechts één tree hoger dan bedelen. Ik dacht dat ik dat stadium voorbij was.

Een ander probleem was dat mijn stem achteruitgegaan was. Honderden keren per dag ‘Big Issue, Big Issue’ roepen vroeg heel wat meer van mijn stembanden dan af en toe een liedje zingen. Dus toen ik mijn gitaar weer pakte en ging zingen, merkte ik dat het ver beneden de maat was, vooral sinds de vorige keer dat ik optrad. Ik moest er ook weer aan gewend raken om lang achter elkaar gitaar te spelen. Ik had geen eelt meer op mijn vingers.

Tot zover de negatieve kanten, maar er waren ook positieve. Daar probeerde ik op te focussen. Het belangrijkste was mijn onafhankelijkheid. De Big Issue had mijn leven een positieve wending gegeven, dat stond buiten kijf. Het leidende principe van de instelling was altijd het bieden van een helpende hand geweest en niet het geven van aalmoezen. Dat was in mijn geval ook werkelijk gebeurd. De krant had me geholpen stabiliteit in mijn leven te brengen. En zonder de krant zou ik waarschijnlijk nooit gevraagd zijn een boek te schrijven.

Ja, ik had het moeilijk gevonden om me aan de regels van de organisatie te houden. Soms had ik gewoon dikke pech gehad, en soms waren er botsende persoonlijkheden, maar andere keren – dat geef ik eerlijk toe – was het ook mijn eigen schuld geweest dat er dingen misgingen. Ik kon niet goed met autoriteit overweg. Dat had ik nooit gekund. Het voelde dus goed om weer helemaal mijn eigen baas te zijn.

Een ander positief aspect was het feit dat Bob en ik nu veel bekender waren. Dankzij de verschillende artikelen in de kranten en op internet waren we nu min of meer plaatselijke beroemdheden.

Vanaf het moment dat ik weer muziek maakte op straat, was het duidelijk dat we meer publiek trokken dan vroeger. Soms stond er een grote kring van toeristen en winkelende mensen om ons heen. Ze namen foto’s met hun telefoons en knielden neer om Bob te aaien. Ik verbaasde me erover dat wildvreemde mensen die een buitenlandse taal spraken naar ons glimlachten, naar Bob wezen en hem bij zijn naam noemden. Bob leek ervan te genieten.

Een van de meest populaire verzoeknummers die ik speelde was ‘Wonderwall’ van Oasis. Het was geen moeilijk lied. Ik zette gewoon mijn capo op de tweede fret van mijn gitaar en sloeg de snaren aan. Ik had het vroeger zo vaak gespeeld, maar elke keer dat ik nu de vertrouwde akkoorden speelde, troffen de woorden me, vooral die ene regel uit het refrein: Maybe you’re gonna be the one that saves me. Toen ik naar Bob keek, realiseerde ik me dat het voor hem geschreven had kunnen zijn. Er was alleen geen sprake van ‘misschien’. Hij wás mijn redding geweest.

Een ander positief aspect van het werken in Covent Garden was natuurlijk dat het leven daar nooit of te nimmer saai was. Ik merkte al snel weer dat deze plek een eigen ritme en sfeer had. De drukste tijd van de dag was de avondspits, rond zeven uur, als er hordes mensen van hun werk naar huis gingen en nog grotere hoeveelheden mensen de stad binnenstroomden om cafés, restaurants, theaters en opera’s te bezoeken.

Als we vanaf onze plek op Neal Street de wereld aan ons voorbij zagen trekken, was het nooit moeilijk om te zien wie waarheen ging. Ik herkende de tieners die een avondje uitgingen op kilometers afstand. De meisjes gingen getooid in minirokjes en torenhoge hakken, de jongens droegen leren jacks en hadden veel te veel gel in hun haar. Operaliefhebbers gingen meestal het best gekleed, de mannen vaak in avondkleding en de dames in indrukwekkende jurken met de nodige blingbling om het af te maken. Sommigen hoorde je rinkelen als ze over straat liepen in de richting van de Piazza of het Royal Opera House. Er liepen ook veel rare snoeshanen rond. Toen Bob en ik daar weer dagelijks stonden, leek het alsof ze allemaal naar ons kwamen.

Op een middag aan het begin van de zomer zag ik een paar meter bij ons vandaan een onbekende man op het trottoir staan. Het was niet ongebruikelijk dat andere mensen vlak in onze buurt probeerden een paar pond te verdienen. Daar had ik geen problemen mee, zolang ze maar van ons levensonderhoud afbleven. De enige rivalen aan wie ik echt een hekel had waren de ‘straatwervers’, uitzendkrachten die donateurs wierven voor goede doelen, en daarbij elke keer uitzwermden over één bepaalde straat en iedere voorbijganger aanklampten.

Dat was geen schijnheiligheid van me. We moesten allemaal onze boterham verdienen en ik was zelf ook wel eens brutaal geweest als ik de straatkrant verkocht. Maar de straatwervers gingen te ver, en ze gedroegen zich vaak zo onbeleefd en opdringerig dat het grensde aan intimidatie.

Maar deze man was totaal anders. Hij had een donkere huid en zat keurig in het pak. Op de grond naast zijn voeten stond een mand die er uitheems uitzag. Ik vermoedde dat hij een of andere entertainer was, maar ik wist niet wat ik moest verwachten.

Geïntrigeerd bleef ik een poosje naar hem kijken. Al snel ging de mand open en haalde hij een gele slang tevoorschijn, die hij vervolgens rond zijn nek drapeerde. Ik had geen verstand van slangen, maar later hoorde ik dat mensen dit beest een albino python noemen. Hij was behoorlijk dik en ongeveer een meter lang. De eigenaar begon ermee te spelen en vroeg om giften van de voorbijgangers.

‘Kijk, Bob, dat is een slangenbezweerder,’ zei ik en ik kon mijn ogen niet afhouden van het indrukwekkende beest dat zich om de man heen kronkelde.

Bob nam de situatie aandachtig op, maar het was duidelijk dat hij niet echt begreep wat er aan de hand was. We stonden een behoorlijk eindje bij hem vandaan, dus hij kon het waarschijnlijk niet goed zien. Daarom ging hij weer lekker liggen en begon aan zijn middagdutje.

Toen de man zo’n drie kwartier bezig was geweest, kwam hij naar ons toe om gedag te zeggen. De slang hing nog steeds om zijn nek alsof het een groot uitgevallen, dure ketting was.

‘Hallo mannen, hoe gaat-ie?’ zei hij met een sterk Portugees – of misschien Braziliaans – accent.

Bob had liggen slapen in de middagzon, maar ging nu rechtop zitten en bekeek de vreemdeling eens goed. Ik kon zien dat zijn hersenen hard werkten om te achterhalen wat hij hiervan moest denken – of dit een welkome verschijning was in zijn wereld. Hij had niet lang nodig om zijn conclusie te trekken.

Toen Bob zijn kop naar voren strekte om het vreemde dier beter te bekijken, besloot de slang zijn lange, gevorkte tong uit te steken en een nogal angstaanjagend gesis te laten klinken. Het leek wel iets uit The Jungle Book.

Bob schrok zich rot. Hij liet een luid gejank horen, sprong tegen me op en smeekte me hem op zijn schouders te zetten. Als hij zijn tuigje niet om had gehad, denk ik dat hij op de vlucht was geslagen, net als die keer bij Angel toen een agressieve hond hem besprongen had.

‘Sorry man, ik wilde je kat niet bang maken,’ zei de man. Hij liet de slang van zijn schouders glijden. ‘Ik ga wel een stukje verderop staan.’

De rest van de middag was Bob op zijn hoede. Hij was zo bang om de slang tegen het lijf te lopen dat hij de hele tijd de riempjes van mijn rugzak bleef aanvallen. Hij zat al jaren op die rugzak en had er nooit problemen mee gehad. Maar opeens behandelde hij alles wat hem aan een gele python deed denken met grote achterdocht. Hij bleef maar zijn tanden in de riempjes zetten, alsof hij wilde testen of ze levend waren of niet.

Het duurde een paar dagen voordat Bob over zijn ontmoeting met de slang heen was. Elke keer dat iemand op straat op ons af kwam, reageerde hij zenuwachtig. Steeds checkte hij diens schouders alsof hij bang was dat daar iets op de loer lag. Het moet verwarrend voor hem zijn geweest. In al die jaren was hij het enige dier geweest dat werd vervoerd terwijl hij over de nek van een mens was gedrapeerd. Ik denk dat hij helemaal van de kaart was nu hij daar een ander wezen had zien liggen, vooral zo’n exotisch en griezelig exemplaar.

Dat hoorde natuurlijk allemaal bij de wonderlijke wereld van Covent Garden.

Niet iedereen op straat was zo begripvol. Het bleef een omgeving met veel concurrentie en soms agressie, vol mensen die alleen aan zichzelf dachten.

Bob en ik speelden op een middag in Neal Street, toen een jonge gast een eindje verderop een versterker en een microfoon neerzette. Hij droeg skaterkleding, een baseballpet en gymschoenen van Nike. Ik zag hoe hij zich installeerde en ik wachtte tot hij een instrument tevoorschijn zou halen, maar dat was er niet. Het enige wat hij had was een microfoon.

Ik negeerde hem en ging weer verder met gitaar spelen.

Maar het lukte niet lang om hem buiten te sluiten. Een paar minuten later hoorde ik een oorverdovend, repeterend geluid uit de versterker dreunen. De jongeman paradeerde in het rond met de microfoon tegen zijn lippen: ‘beatboxen’ heet dat. Ik hou van veel soorten muziek, maar hier was ik echt niet dol op. Wat mij betreft was dit in de verste verte niet muzikaal, het was gewoon herrie.

Bob deelde mijn mening, dat was duidelijk. Misschien kwam het doordat hij zoveel tijd had doorgebracht met het luisteren naar mijn akoestische gitaar, want die muziek leek hij wel te waarderen. En thuis luisterden we ook wel eens naar wat hardere rock. Hij maakte zijn mening over deze ‘muziek’ echter meteen duidelijk. Hij keek de straat in met een uitdrukking op zijn gezicht die ik alleen als volslagen minachting kan omschrijven.

Soms liet ik me door Bob leiden, en dit was een van die momenten. Hij stond op, draaide zijn hoofd mijn kant op en gaf me in duidelijke termen te kennen dat we moesten verkassen. Ik pakte mijn spullen op en ging ongeveer zeventig meter verderop staan. Daar ging ik weer gitaar spelen. Het kabaal van de jongen verderop in de straat was nog steeds te horen, maar ik kon nu in ieder geval mezelf weer horen denken.

Maar het verhaal kreeg nog een staartje.

Waarschijnlijk hadden er mensen geklaagd over het lawaai, want een halfuur later arriveerde er een politiebusje. Ik keek van een afstandje toe hoe er een paar agenten uitstapten en naar hem toe liepen. Ik zag de jongen protesterend met zijn armen door de lucht zwaaien, maar het mocht niet baten. Een paar minuten later zag ik hem zijn microfoon opruimen en zijn spullen inpakken. Je kon de mensen in de kantoorgebouwen, cafés en restaurants bijna horen zuchten van opluchting.

‘Dat is gelukkig voorbij, hè, Bob?’ zei ik.

Maar mijn vreugde was van korte duur. De politieagenten zagen mij en Bob op het trottoir zitten en kwamen onze kant op lopen.

‘Je hebt geen vergunning om hier te spelen, vriend,’ zei een van hen.

Ik had kunnen zeggen dat we wel degelijk dat recht hadden, wat ook min of meer zo was. Maar ik besloot geen risico te nemen. Zonder de politie tegen me in het harnas te jagen, was het al moeilijk genoeg om weer gewend te raken aan het leven in Covent Garden. Kijk uit met wie je vecht, James, zei ik tegen mezelf. Dat bleek een wijze raad te zijn.

Het was rond het lunchuur en het aantal toeristen en winkelende mensen op Neal Street begon te groeien. Bob en ik waren vandaag wat eerder begonnen, deels omdat het de eerste mooie dag was na een week regen, maar ook omdat we op tijd naar huis moesten, want ik had een afspraak bij de dokter.

Als gevolg van een luchtweginfectie had ik een week lang niet geslapen. Hoesten en benauwdheid hielden me wakker. Ik wilde ernaar laten kijken, want ik viel inmiddels bijna om door het gebrek aan slaap.

Ik was net begonnen met gitaar spelen, toen ik een dame met een blauwe broek en trui doelgericht op ons af zag komen. Ik merkte aan alles dat zij geen toerist was. Toen ze dichterbij was, zag ik de epauletten op haar schouders en haar badge met het bekende logo: ze was van de Dierenbescherming.

Onder normale omstandigheden ben ik een grote fan van de Dierenbescherming. Die organisatie doet goed werk in het voorkomen van dierenmishandeling en het stimuleren van dierenwelzijn, en had mij in het verleden ook goed geholpen. Toen ik Bob net had gevonden in de gang van mijn flatgebouw, had ik hem meegenomen naar de dierenkliniek bij mij in de buurt. Daar werd me niet alleen een recept gegeven, maar de dierenarts had ook veel goede raad gegeven over hoe ik voor Bob moest zorgen.

Dat leek nu allemaal heel ver weg. Vandaag kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat de aanwezigheid van de Dierenbescherming slecht nieuws betekende.

‘Hallo James, hoe gaat het?’ vroeg de dame, terwijl ze een kaartje met haar naam tevoorschijn haalde. Daarop stond dat ze inspecteur was.

Het verbaasde me nogal dat ze mijn naam kende. ‘Prima, dank u. Wat is het probleem?’

‘Er is me gevraagd om bij je langs te gaan. Ik ben bang dat we klachten hebben gehad dat je je kat zou mishandelen. Bob heet hij, toch?’

‘Wat?! Mishandelen? Hoe dan?’ Ik was geschokt. Mijn hoofd tolde. Wie had er geklaagd? En wat zou ik met Bob doen? Ik voelde me misselijk worden, maar ik wist dat ik voorzichtig moest zijn en me niet moest laten gaan. Dit kon serieus worden.

‘Ik ben ervan overtuigd dat de beschuldigingen nergens op gebaseerd zijn. Ik heb een tijdje naar je staan kijken voordat ik hierheen liep en ik kan zien dat je Bob heel goed behandelt,’ zei ze en ze kriebelde hem onder zijn kin. ‘Maar ik moet hem toch even onderzoeken om te controleren of er niets mis is. En dan heb ik ook een paar vragen voor jou, als je dat goed vindt.’

‘Gaat uw gang,’ zei ik. Ik wilde haar niet tegen de haren in strijken.

Ze zette haar rugzak op de grond, haalde een schrijfblok en wat instrumenten tevoorschijn en knielde naast Bob neer om hem te onderzoeken.

Hij was niet altijd aardig tegen mensen die hem begonnen te betasten. In de loop der jaren had hij venijnig gereageerd naar dierenartsen; hij had een keer een assistente gekrabd die hem een beetje te ruw behandelde naar zijn zin. Hoe zou hij zich gedragen tegen deze nieuwe vreemdeling, vooral als hij voelde dat ik nerveus was? Dit kan ik er nu niet bij hebben, dacht ik bij mezelf.

Het was natuurlijk niet de eerste keer dat mensen mij hadden beschuldigd van dierenmishandeling. Ik had allerlei beschuldigingen gehoord. Ze waren in te delen in drie categorieën. De eerste was dat ik Bob exploiteerde en ‘misbruikte’ om er zelf beter van te worden. Mijn antwoord daarop was altijd hetzelfde. Zoals iemand eens heeft gezegd: een kat kan je vriend zijn, maar nooit je slaaf. Een kat zal nooit iets doen wat hij niet wil. En hij zal nooit bij iemand blijven bij wie hij niet wil blijven, maakt niet uit wat die persoon met hem doet. Bob had een erg sterk karakter en een vrije wil. Hij zou niet in mijn buurt zijn blijven rondhangen als hij me niet vertrouwde en aardig vond. En hij kon elke dag zelf kiezen of hij met me mee de stad in wilde of niet.

Er waren soms dagen waarop hij geen zin had de straat op te gaan. Maar die waren zeldzaam. Meestal genoot hij ervan om buiten te zijn, mensen te ontmoeten en aandacht te krijgen. Maar als hij zich verstopte of niet met me meeliep naar de deur, respecteerde ik zijn besluit. Er waren natuurlijk mensen die dat niet geloofden, maar het was de waarheid.

Een tweede veelgehoorde beschuldiging was dat ik mijn kat mishandelde door hem aangelijnd te hebben. Als ik een pond zou krijgen voor elke keer dat ik iemand had horen zeggen ‘je mag hem niet vastbinden, hij is een kat en geen hond’ dan was ik inmiddels steenrijk geweest. Ik had al zo vaak uitgelegd waarom ik hem aanlijnde, dat ik het verhaal zelf niet meer kon horen. Beide keren dat hij op de vlucht was geslagen, was hij opgelucht en aanhankelijk geweest toen ik hem teruggevonden had. Ik had gezworen om dat nooit meer te laten gebeuren. Maar, zoals gezegd, ik kon dat blijven herhalen tot ik een ons woog, sommige mensen zouden het nooit snappen. Voor hen was het een uitgemaakte zaak: ik was een soort monster dat dieren mishandelde.

De derde beschuldiging, die me het meest van mijn stuk had gebracht, was dat ik Bob drogeerde. Ik had dat gelukkig maar een paar keer gehoord. Maar het raakte me diep. Als je bedenkt waar ik de afgelopen tien jaar doorheen ben gegaan en de strijd die ik heb gevoerd om mijn heroïneverslaving te overwinnen, vond ik het de pijnlijkste belediging van allemaal. Het was echt heel kwetsend.

Toen ik zag hoe de inspecteur Bob onderzocht, was ik er vrij zeker van dat iemand behoorlijk grondig was geweest met zijn aanklacht. Misschien ging het wel om een samengestelde klacht die in alle drie de categorieën lag. Maar ik wist dat de dame van de Dierenbescherming daar niks over zou vertellen, althans niet voordat ze klaar was met haar onderzoek en een rapport had opgemaakt.

Ze haalde een apparaatje tevoorschijn om te kijken of Bob gechipt was, wat hij natuurlijk was. Het apparaat liet mijn naam en adres zien en toonde aan dat ik Bobs rechtmatige eigenaar was.

‘Dat is een goed begin,’ zei ze met een glimlach. ‘Je zou verbaasd staan als je wist hoeveel bazen hun huisdier nog steeds niet laten chippen.’

Daarna controleerde ze zijn vacht op vlooien, bekeek zijn gebit en checkte zijn adem, ik denk om te zien of er iets mis was met zijn lever of zijn nieren. Ze keek ook naar zijn ogen om te zien of ze troebel waren, waardoor ik me afvroeg of iemand geprobeerd had me te beschuldigen van het toedienen van drugs. Ik werd witheet als ik eraan dacht dat iemand dat tegen de Dierenbescherming had gezegd.

Terwijl dit alles aan de gang was, maakte ik geen muziek. Ik stelde toeschouwers gerust dat er niets mis was. Ik hoopte tenminste van niet. Het enige wat ik verder kon doen was ijsberen en proberen al mijn zorgen weg te stoppen. Ik moest positief blijven, zei ik tegen mezelf. Ik had niets verkeerd gedaan.

Na een paar minuten was ze klaar met haar inspectie. Ze begon vragen te stellen. ‘Problemen met zijn gezondheid, dat je weet, James?’ vroeg ze terwijl haar pen boven het schrijfblok zweefde.

‘Nee,’ antwoordde ik. Ik vertelde haar dat ik af en toe met hem naar het busje van het Blue Cross in Islington ging. Ze hadden me geprezen om de manier waarop ik voor hem zorgde en hij werd altijd kerngezond verklaard. ‘Zij hebben niets gevonden, dus ik denk dat hij behoorlijk fit is,’ zei ik tegen haar.

‘Goed om te horen, James,’ zei ze. ‘Vertel eens, hoe hebben jullie elkaar eigenlijk leren kennen?’

Ik vertelde het verhaal, en ze luisterde aandachtig en knikte af en toe instemmend.

‘Het klinkt alsof jullie voor elkaar bestemd waren,’ zei ze lachend.

Ze leek tevreden over alles en zei: ‘Het is een prachtkerel, hè? Je hebt zeker geen telefoonnummer waarop ik je kan bereiken?’

Mijn krakkemikkige oude Nokia werkte nog steeds – al was het maar net – dus ik gaf haar het nummer.

‘Dank je. Nou, op dit moment ben ik tevreden, maar ik kom nog terug voor een vervolgbezoek. Ben je hier elke dag?’

‘Ja, momenteel zijn we hier praktisch elke dag,’ zei ik en ik kreeg een onbehaaglijk gevoel.

‘Goed, dan bel ik je binnenkort of ik kom je opzoeken.’ Ze gaf Bob een klopje ten afscheid en vertrok.

Aan de ene kant was ik blij dat ze vertrokken was zonder dat er iets ernstigs was gebeurd. Allerlei scenario’s waren door mijn hoofd gegaan. Wat als ze iets had gevonden waar ik niets van afwist, zoals een probleem met zijn gezondheid? Wat als ze hem mee had genomen? Dat was de ergst denkbare uitkomst. Ik zou ziek zijn geworden van ellende.

Maar mijn opluchting werd getemperd door andere zorgen. Ik wist dat de Dierenbescherming veel macht had. Huisdieren in beslag nemen of zelfs juridische stappen nemen tegen iemand die schuldig werd bevonden aan dierenmishandeling, het behoorde allemaal tot de mogelijkheden. Waarom wilde ze terugkomen? Wat ging ze aan haar superieuren vertellen? Wat stond er in het verslag? Wat als ik vervolgd zou worden en – de hemel verhoede – Bob me werd afgenomen? Ik kon er niets aan doen dat deze dingen door mijn hoofd gingen, ook al had ik nog zo weinig invloed op de situatie.

Ik probeerde mezelf tot kalmte te manen. Ik was weer eens paranoïde. Dat ging allemaal niet gebeuren. Er was geen aanleiding voor. Ik moest die obsessieve gedachten aan de kant zetten.

Maar toen ik die avond naar huis ging, had ik nog steeds een knoop in mijn maag. Ik had het vreselijke voorgevoel dat ik hier voorlopig nog niet van af was.

Ongeveer een week later kwam de inspecteur van de Dierenbescherming terug. Ze was deze keer veel vriendelijker en meer ontspannen. Bob reageerde goed op haar en liet zich opnieuw onderzoeken.

Ik voelde me ook zelfverzekerder, dus ik maakte een praatje met haar.

Ze schreef een paar dingen op en stelde me nog wat vragen over wat we die week hadden gedaan en wat onze plannen voor de komende dagen waren. Daarna keek ze een tijdje toe hoe we samenwerkten. Ze volgde onze interactie met de voorbijgangers. Natuurlijk was ze getraind om het gedrag van dieren te observeren; ze zag dat Bob het naar zijn zin had en er geen hekel aan had om kunstjes te doen voor publiek.

Toen vertrok ze weer, maar ze zou snel contact met me opnemen. Toen ze wegging, aaide ze Bob nog een keer en gaf mij glimlachend een hand.

Ik ging verder met mijn werk, maar met mijn gedachten was ik ergens anders. Ik wilde net gaan inpakken toen ik een bekend gezicht zag. In de verte naderde de conciërge van een van de flatgebouwen aan Neal Street. We hadden al vaker met elkaar in de clinch gelegen over mijn muziek, waar ze nogal wat bezwaren tegen had. Haar gezicht stond op onweer. Ze had waarschijnlijk vanuit een raam de inspecteur van de Dierenbescherming gadegeslagen en gezien dat ze mij de hand schudde voordat ze wegliep.

‘Er zijn mensen die proberen te slapen,’ zei ze.

‘Het is twee uur ’s middags,’ zei ik verbaasd.

‘Dat doet er niet toe,’ zei ze op geduldige toon, alsof ze een kleuter te woord stond. ‘Je mag hier geen muziek maken. Kun je dat bord niet lezen?’ Ze wees naar een bord aan de zijkant van het gebouw waar ze werkte.

‘Ik maak daar toch geen muziek, ik sta aan deze kant van de straat,’ zei ik. ‘En ik heb het volste recht om dat te doen als ik daar zin in heb. De welzijnswerkers en de politie hebben dat zelf gezegd.’

Maar ze had geen zin om in discussie te gaan. Ze was alleen gekomen om tegen me te razen en te tieren. ‘Ik heb genoeg van jou en die klotekat, ik ga de politie bellen om je weg te laten halen,’ zei ze en ze marcheerde weg. Ze leek nog bozer dan toen ze kwam.

Het was belachelijk wat ze zei. Hoe kon ik mensen storen in hun slaap als het midden op de dag was? Ik had niet eens een versterker, dus er schalde niet bepaald een enorme hoeveelheid decibellen over straat. En bovendien stond ik in een drukke straat met veel verkeer op alle uren van de dag en de nacht. Als er al iets was waar haar bewoners van wakker werden, was dat het constante geraas en geloei van bestelwagens, vrachtwagens en sirenes. Het sloeg nergens op.

Maar desondanks wist ik dat ze een punt had. Er golden in deze buurt beperkingen voor het maken van muziek op straat, dus ik moest voorzichtig zijn. Voor alle zekerheid hield ik mijn omgeving scherp in de gaten.

En ja hoor, ongeveer een halfuur na de confrontatie met de conciërge zag ik een politiebusje de straat in rijden, ongeveer honderd meter bij ons vandaan.

‘Dat ziet er niet best uit, Bob,’ zei ik terwijl ik mijn gitaar losmaakte en mijn spullen inpakte.

Tegen de tijd dat de twee agenten mij bereikt hadden, was ik klaar om te vertrekken.

‘Je moet verhuizen,’ zeiden ze.

‘Ja, ik weet het. Ik ga al,’ zei ik.

Het incident had me woedend gemaakt. Ik was ervan overtuigd dat de conciërge degene was geweest die me had aangegeven bij de Dierenbescherming. Nu die tactiek mislukt was, had ze het over een andere boeg gegooid. Het leek erop dat ze alles zou doen om ons weg te krijgen.

Toen ik die avond weer thuis was, belde de inspecteur van de Dierenbescherming me op en zei dat ik me nergens zorgen over hoefde te maken. ‘Hij is een bijzonder dier en je doet het hartstikke goed,’ zei ze. ‘Mijn advies aan jou is om iedereen die wat anders beweert, te negeren.’

Dat was het beste advies dat ik in lange tijd had gehad. En wat heel ongebruikelijk was voor mij: ik nam het aan.