17
Basic instinct

Het gezegde luidt: maart roert zijn staart. Nou, dat klopte: de maand was nog niet begonnen of het weer werd onstuimig en buiig. Er waren dagen dat de wind zo guur was en zo tekeerging in de straatjes van Soho, dat het wel hartje winter leek. Op sommige dagen voelde ik nauwelijks de topjes van mijn vingers als ik gitaar speelde.
Gelukkig had Bob betere isolatie dan ik. Zelfs nu het voorjaar er bijna aankwam, liep hij nog te pronken met zijn luxe wintervacht. Aan zijn buik hing nog het extra gewicht dat hij tijdens de kerstdagen had opgelopen. De kou leek hem totaal niet te deren.
Bob en ik misten Angel wel, maar eerlijk gezegd genoten we meer van het leven in Covent Garden. We waren een kunstenaarsduo geworden en voelden ons thuis tussen de jongleurs, vuurvreters, menselijke standbeelden en andere straatkunstenaars die door de Piazza en door de straten doolden. Er was veel concurrentie, dus we verfijnden onze act toen de dagelijkse optredens waren begonnen.
Soms speelde ik op mijn gitaar terwijl ik in kleermakerszit op het trottoir zat. Bob vond het geweldig en drapeerde zich over de kast van de gitaar, net zoals hij vroeger had gedaan toen we elkaar net kenden. We gaven elkaar zo nu en dan een hand of hij ging op zijn achterpoten staan om een kattensnoepje in ontvangst te nemen.
We hadden ook een nieuwe act ontwikkeld in onze flat. Op een dag was hij met Belle aan het spelen. Zoals altijd joeg hij zijn oude, toegetakelde speelgoedmuis door de kamer. Belle wilde die afpakken zodat ze hem een goede schoonmaakbeurt kon geven.
‘De hemel mag weten hoeveel bacteriën zich in dat ding verzameld hebben, Bob,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Hij moet eens goed afgeschrobd worden.’
Maar Bob had helemaal geen zin om zijn kostbare speeltje af te staan. Dat had hij nooit. Daarom pakte ze een kattensnoepje. Het was een heel dilemma voor Bob om te kiezen tussen zijn speelgoed en de lekkernij, maar na even dubben ging hij toch voor het snoepje. Hij liet zijn armeluismuis even los, waarop Belle het speelgoed onder zijn neus weg snaaide.
‘Goed zo, Bob,’ zei ze. ‘Geef me een high five.’ Ze stak haar hand in de lucht zoals sporters doen met hun teamgenoten na het scoren van een punt.
Ik zat toe te kijken en zag dat Bob zijn poot in de lucht stak en tegen haar hand hield. ‘Te gek!’ riep ik lachend. ‘Dat lukt je nooit een tweede keer.’
‘Wedden van wel?’ zei Belle en ze stak haar hand op, waarop Bob haar groet opnieuw beantwoordde.
Hij had meteen door dat hij iets lekkers kreeg als hij een high five gaf. Dat trok op Neal Street veel bewonderaars, waaronder een paar beroemdheden.

Het was op zaterdag rond vier uur ’s middags dat er paar meisjes stopten om Bob te bewonderen. Ze waren een jaar of negen, tien, en ze werden begeleid door een groep volwassenen, waaronder enkele grote, stevige kerels met zonnebrillen en het postuur van een uitsmijter. Te oordelen naar de manier waarop ze de omgeving in de gaten hielden toen de meisjes Bob aaiden, waren het beveiligers.
‘Pappa, kijk eens,’ zei een van de meisjes opgewonden.
‘O ja, die kat is geweldig,’ zei een stem.
Ik stond als aan de grond genageld toen ik de broemde stem herkende. ‘Dat kan niet,’ mompelde ik. Maar hij was het echt: Paul McCartney.
Wie had ooit kunnen denken dat een van de grootste popsterren aller tijden zich zou inlaten met een eenvoudige straatmuzikant? Hij speelde tenslotte in een iets andere klasse dan ik. Maar hij was erg aardig.
Naast me op de grond lag een voorpublicatie van het boek en ik zag dat zijn oog erop viel. Ik had ook een stapeltje folders bij me waarin werd geadverteerd voor de eerste signeersessie, die de uitgever had georganiseerd. Die was over drie dagen.
Het evenement zou het begin – en waarschijnlijk ook meteen het einde – markeren van mijn carrière als auteur. Ik maakte me er best zorgen over en had enorm mijn best gedaan om de flyers uit te delen aan iedereen die ook maar enige interesse toonde, in de hoop dat de schande me tenminste bespaard zou blijven dat ik de week daarop in een lege boekhandel zou zitten. Ik was ervan overtuigd dat als ik zou rondsnuffelen in de vuilnisbakken van Covent Garden, ik de meeste folders daar weer terug zou vinden.
In mijn hoofd klonk een stemmetje: Ach, waarom niet, geef hem zo’n folder.
‘Eh, ik heb een boek geschreven over Bob en mij,’ zei ik terwijl ik naar mijn roodharige metgezel wees, die aan mijn voeten zat. ‘Volgende week heb ik een signeersessie, dus als u zin hebt om te komen…’ Ik overhandigde hem de flyer.
Tot mijn verbazing pakte hij hem aan. ‘Ik zal ernaar kijken,’ zei hij.
Rondom ons was een flinke menigte ontstaan en de bodyguards begonnen een beetje zenuwachtig te worden. Iedereen nam foto’s met zijn telefoon of camera. En deze keer was het niet Bob die op de foto ging.
‘We kunnen beter verder lopen, meiden,’ zei de dame die erbij was. Ik begreep wie ze was: de nieuwe vrouw van McCartney, Nancy Shevell, met wie hij vorig jaar getrouwd was. Ze leek me heel vriendelijk.
‘Hé vriend, succes en zet ’m op,’ zei McCartney terwijl hij zijn vrouw een arm gaf en wegliep met zijn gevolg.
Toen hij verdwenen was, duizelde het me gewoon. Ik was de rest van de middag van de kaart. Ik bleef nog een uurtje muziek maken, maar ging toen naar huis in een soort gelukkige roes.
De kans dat Paul McCartney naar de signeersessie zou komen, was natuurlijk nihil. Waarom zou hij dat doen? Waarschijnlijk zat ik er voor anderhalve man en een paardenkop. Maar dat gaf nu allemaal niet meer. Zelfs als er maar vijf exemplaren van mijn boek verkocht zouden worden, dan had ik in elk geval iets bereikt wat ik altijd voor onmogelijk had gehouden: ik had met een lid van The Beatles gesproken.

Bob trok tegenwoordig zoveel aandacht dat er vaak een kleine menigte om ons heen stond. Op de maandagmiddag nadat ik de McCartneys had ontmoet, stonden er een stuk of tien Spaanssprekende studenten om ons heen, die allemaal foto’s van ons namen. Het was altijd leuk om mensen te ontmoeten; dat hoorde bij de charme van mijn werk. Maar het leidde me ook af en op straat was het nooit zo’n goed idee om te worden afgeleid.
Terwijl de menigte zich verspreidde en de meeste mensen zich op weg begaven naar Covent Garden, ging ik op het trottoir zitten om Bob wat kattensnoepjes te geven. Het begon al te schemeren en ik voelde dat het behoorlijk koud begon te worden. Morgen was de dag van de signeersessie in Islington. Ik wilde op tijd naar bed, hoewel ik wist dat ik niet veel zou slapen. Maar vanwege de kou wilde ik ook Bob niet lang meer buiten houden. Toen ik hem aaide, merkte ik meteen dat zijn lichaamstaal heel afwerend was. Zijn rug was gebogen en zijn lijf gespannen. Hij was ook niet erg geïnteresseerd in zijn eten, wat altijd een teken was dat er iets aan scheelde. Zijn blik was gericht op iets een klein eindje verderop. Iets – of iemand – zat hem duidelijk dwars.
Ik keek naar de overkant van de straat. Daar zat een kerel naar ons te staren die er onbehouwen uitzag.
Als je op straat leeft, ontwikkel je een antenne voor mensen. Ik herkende een rotte appel onmiddellijk, en deze vent was bedorven tot op het bot. Hij was iets ouder dan ik, waarschijnlijk eind dertig. Hij droeg een afgedragen spijkerbroek en spijkerjasje, zat in kleermakerszit op het trottoir, rolde een sjekkie en nam af en toe een slokje uit een blik goedkoop bier. Zijn bedoelingen waren duidelijk: hij zat te bedenken hoe hij me van mijn geld af kon helpen.
In de afgelopen minuten hadden de Spaanse studenten en allerlei anderen geld in mijn gitaarkoffer gegooid. Een donkere man die er cool uitzag, had me een briefje van vijf gegeven. We hadden waarschijnlijk in een halfuur tijd zo’n twintig pond verdiend. Ik wist wel beter dan te veel geld open en bloot te laten liggen, dus ik had het meeste al in mijn rugzak laten glijden. Dat had die ongure kerel vermoedelijk geregistreerd.
Het leek me niks om de confrontatie met hem aan te gaan. En zolang hij daar bleef zitten, was dat ook niet nodig. Ik had zelf in zijn schoenen gestaan en het was me bekend hoe wanhopig mensen konden worden. Ik voelde dat hij me een hoop problemen kon bezorgen, maar zolang hij zich gedeisd hield gaf ik hem het voordeel van de twijfel.
Voor alle zekerheid keek ik hem aan en knikte hem toe, alsof ik wilde zeggen: Ik heb je gezien en ik weet wat je denkt. Vergeet het maar.
Mensen van de straat spreken dezelfde taal. We hebben vaak maar één blik nodig om een boodschap over te brengen, dus hij begreep me meteen. Hij gromde alleen maar, stond op en maakte zich uit de voeten. Hij liep in de richting van Shaftesbury Avenue, waarschijnlijk op zoek naar een ander slachtoffer.
Zodra de man uit het zicht verdwenen was, ontspande Bob zich en toonde hij weer belangstelling voor de snacks.
‘Maak je geen zorgen, jochie,’ zei ik terwijl ik hem een kattenkoekje gaf. ‘Hij is weg. Die zien we niet meer terug.’
Het was die dag drukker dan anders op straat en al snel hadden we meer dan genoeg geld opgehaald om voor Bob en mij boodschappen te kunnen doen. Toen ik begon in te pakken, hoefde ik Bob niet te vragen of hij op mijn schouders wilde klimmen. Het werd met de minuut kouder.
Ik wist dat hij zijn behoefte moest doen voordat we de bus naar huis pakten, dus we liepen in de richting van zijn gebruikelijke toiletplek vlak bij het chique kantoorgebouw aan Endell Street. Om daar te komen moesten we door een paar kleinere en minder goed verlichte straten lopen. Terwijl we dat deden, werd het om ons heen ineens stil. Zo ging dat in Londen. Het ene moment was het er barstensvol, het volgende moment verlaten. Dat hoorde bij de vele tegenstellingen van de stad.
Ik was halverwege de straat toen ik Bob voelde bewegen. Mijn eerste gedachte was dat hij heel nodig moest plassen.
‘Nog even geduld, jochie,’ zei ik. ‘We zijn er bijna.’
Maar al snel besefte ik dat hij zich zo had geïnstalleerd dat hij achter ons kon kijken.
‘Wat is er, Bob?’ vroeg ik terwijl ik me omdraaide. Ik tuurde door de straat. Een man stond te rommelen aan het slot van zijn café. Verder zag ik niks. De kust leek veilig.
Maar Bob leek daar niet zo van overtuigd. Er was echt iets wat hem hinderde. Ik had nog geen paar stappen gezet of hij maakte het hardste geluid dat ik hem ooit had horen maken. Het was net een oerkreet, een doordringend wieieieuw gevolgd door een keihard sissend hssssss. Tegelijkertijd voelde ik een ruk aan mijn rugzak en daarop volgde een oorverdovende schreeuw, deze keer van een mens.
Ik draaide me vliegensvlug om en daar zag ik dezelfde vent die ons eerder op Neal Street in de gaten had gehouden. Hij stond voorovergebogen en hield zijn hand vast. Die was bedekt met diepe krassen waaruit donker bloed opwelde.
Het was in één klap duidelijk wat er gebeurd was. Hij had geprobeerd mijn rugzak af te pakken en Bob had naar hem uitgehaald. Hij had zijn klauwen diep in de hand van de man begraven. Hij was nog steeds in een vechtstemming en stond rechtop op mijn schouder, grauwend en blazend.
Maar de man was nog niet klaar. Hij sprong weer op me af en haalde met zijn vuisten naar me uit. Ik slaagde erin ze te ontwijken. Verder kon ik niet veel doen, met Bob op mijn schouders, maar ik gaf hem een rake trap tegen zijn been. Door mijn zware schoeisel had die het gewenste effect; de man viel op zijn knieën.
Maar al snel stond hij weer op. Een paar seconden lang stonden we alleen maar tegenover elkaar te schreeuwen.
‘Klotekat! Kijk eens wat hij verdomme met mijn hand heeft gedaan!’ foeterde hij en hij zwaaide zijn bloedende hand in het halfduister door de lucht.
‘Je verdiende loon, je wilde me beroven,’ riep ik.
Hij wees naar Bob en schreeuwde: ‘Als ik dat rotbeest ooit weer tegenkom, vermoord ik hem!’ Toen zag hij een stuk hout liggen. Hij pakte het op en zwaaide ermee. Bob krijste en blies opgewonden naar hem. De man zette een stap in onze richting met het stuk hout dreigend in zijn hand; toen bedacht hij zich en gooide het aan de kant. Nadat hij nog een stroom verwensingen over ons had uitgestort, draaide hij zich om en liep wankelend de schemering in, terwijl hij zijn gewonde hand met de andere vasthield.
In de bus naar huis zat Bob bij me op schoot. Hij spinde voortdurend en had zijn kop weggestopt onder mijn arm, iets wat hij vaak deed als hij zich kwetsbaar voelde – of als hij merkte dat ik dat was. Ik denk dat we ons allebei zo voelden na al die commotie.
‘Katten zijn een mysterieus soort wezens: er gaat meer door hun hoofd dan wij beseffen,’ schreef Sir Walter Scott. Bob had ook een hoop geheimen. Dat maakte hem tot zo’n bijzondere compagnon. We hadden samen zoveel meegemaakt, maar toch was hij nog steeds in staat om me totaal te verrassen.
Bij alles wat we hadden beleefd waren we nog nooit op zo’n grove wijze aangevallen. En ik had Bob nooit zo fanatiek in de verdediging zien gaan. Ik had de bedreiging van onze belager helemaal niet zien aankomen, maar Bob wel.
Hoe had hij vanaf het eerste moment dat hij die man zag, geweten dat hij niet te vertrouwen was? Ik kon het aan iemand zien vanuit menselijk perspectief, maar wat was er door Bob heen gegaan? En hoe had hij zijn aanwezigheid opgemerkt? Had hij hem gezien? Of misschien geroken?
Ik wist het niet. Ik moest gewoon accepteren dat Bob gaven en instincten had die mijn begrip te boven gingen – en dat zou waarschijnlijk altijd zo blijven. Dat was het frustrerende deel. Het was geweldig om hem als gezelschap te hebben, maar hij was ook een mysterie. Ik zou nooit echt weten wat er in zijn kattenbrein omging. Ja, hij was mijn beste vriend. We hadden een bijna telepathische band. Instinctief wisten we soms wat de ander dacht. Maar dat begrip ging niet zover dat we onze diepste gedachten konden delen. We konden elkaar niet echt vertellen wat we voelden. En het mag misschien stom klinken, maar daar was ik wel eens verdrietig over. Dat was nu ook het geval.
Terwijl ik hem dicht tegen me aan hield in de bus die zich door het Londense verkeer slingerde, dacht ik dat ik hem kon horen denken: Ik ben dit leven zat. Ik heb geen zin om voortdurend op mijn hoede te moeten zijn. Ik wil in een veiliger, vriendelijker, gelukkiger wereld leven.
Natuurlijk zou Bob liever niet met tuig van de straat vechten. Natuurlijk zou hij liever op een warm plekje zitten in plaats van buiten in de kou. Wie niet?
En terwijl ik zo zat te mijmeren, liet ik mijn hand in mijn zak glijden en trok er een verkreukelde flyer uit. Het was de enige die ik nog had. De rest had ik uitgedeeld. Er stond een foto op van mij met Bob op mijn schouder. De tekst luidde:
Kom naar Waterstones en ontmoet
James Bowen en zijn kat Bob.
James en Bob signeren hun nieuwe boek
BOB DE STRAATKAT
in boekhandel Waterstones, Islington Green, Londen
op dinsdag 13 maart 2012 vanaf 18.00 uur
Bob keek ernaar en tilde zijn kop een heel klein stukje op. Het was alsof hij de foto van ons tweeën herkende.
Ik staarde een paar minuten lang naar het blaadje, in gedachten verzonken. Ik stelde me nu al zo lang dezelfde vragen. Eigenlijk was ik ze meer dan zat. Maar deze avond had ze opnieuw naar de oppervlakte gebracht. Hoeveel vaker zouden Bob en ik nog in de vuurlinie moeten staan? Zou het me ooit lukken deze vicieuze cirkel te doorbreken en een leven te leiden dat zich niet langer op straat afspeelde?
Ik streek de flyer glad, vouwde hem op en stopte hem weer in mijn zak. ‘Ik hoop dat dit het antwoord is, Bob,’ zei ik. ‘Dat hoop ik echt.’
