7
Kattenkwaad

Bob en ik zijn altijd een nogal apart stel geweest. Er zijn nou eenmaal niet veel kerels van bijna twee meter die door de straten van Londen lopen met een rode kater op hun schouders. We trekken aandacht.
Gedurende een aantal maanden in de zomer en herfst van 2009 waren we helemaal een opvallende verschijning. Helaas had ik te veel pijn om van al die aandacht te genieten.
De problemen waren begonnen in het jaar daarvoor, toen ik naar Australië reisde om mijn moeder te zien. Mijn moeder en ik hadden altijd een moeizame relatie gehad en we waren in de tien jaar daarvoor van elkaar vervreemd geraakt. Behalve tijdens een kort bezoekje aan Londen had ik haar voor het laatst gezien toen ik achttien jaar oud was en Australië verliet om het als muzikant ‘te gaan maken’ in Londen. Ze kwam me uitzwaaien op het vliegveld. In de jaren die daarop volgden, spraken we elkaar nauwelijks. Maar de tijd had de wonden enigszins geheeld, dus toen ze me aanbood mijn ticket te betalen zodat ik haar in Tasmanië kon opzoeken, voelde het goed om dat te doen.
Dankzij Bob had ik een grote doorbraak bereikt: het lukte me om af te kicken van de methadon. Maar ik voelde me erg zwak en een vakantie kon ik goed gebruiken. Bob verbleef tijdens mijn reis bij mijn vriendin Belle, in haar flat in Hoxton in het noorden van Londen, niet ver van Angel.
De lange vliegreis van en naar Australië had lichamelijk echter zijn tol geëist. Ik kende de risico’s van urenlang stilzitten op intercontinentale vluchten, vooral als je zo lang was als ik, en ik had mijn best gedaan te voorkomen dat ik te lang achter elkaar stilzat op een te krappe plek. Maar hoewel ik zoveel mogelijk had rondgelopen in het vliegtuig, was ik thuisgekomen met een zeurende pijn in mijn bovenbeen.
Toen het ongemak nog enigszins draaglijk was bestreed ik de pijn met gewone pijnstillers van de drogist. Langzaam maar zeker was mijn toestand echter achteruitgegaan. Af en toe kwam er een verschrikkelijke kramp in mijn been opzetten, alsof mijn bloed niet meer stroomde en mijn spieren niet meer konden bewegen. Ik weet dat een mens nooit zijn eigen rigor mortis kan ervaren, maar als dat wel kon, voelde het vast precies zo. Het leek wel alsof ik het been van een zombie had.
De pijn werd zo erg dat ik niet meer kon zitten of liggen in een normale houding. Ik had voortdurend pijn. Dus als ik thuis in mijn flat televisiekeek of een maaltijd nuttigde, zat ik altijd met mijn been op een kussen of een stoel. Slapen deed ik met mijn voet op het verhoogde hoofdeinde van het bed.
Ik was een paar keer naar de dokter geweest, maar die had alleen sterkere pijnstillers voorgeschreven. In de donkere dagen van mijn heroïneverslaving had ik mezelf overal geïnjecteerd, ook in mijn lies. Ik ben ervan overtuigd dat de dokter mijn ziekte, wat het ook mocht zijn, zag als een restverschijnsel van mijn heftige verleden. Daar had ik niet tegen geprotesteerd, want ik was er wel aan gewend om te worden afgescheept. De situatie versterkte het oude gevoel van onzichtbaarheid dat ik als dakloze had gehad: mensen trokken zich weinig van mijn lot aan.
Maar ik moest wel mijn boterham verdienen. Daarom sleepte ik mezelf ondanks alle pijn toch elke dag uit bed en ging op weg naar Angel.
Het was niet makkelijk. Zodra ik mijn voet op de grond zette, ging er een signaal door mijn been omhoog, als een elektrische schok. Ik kon maar drie of vier stappen achter elkaar zetten. De wandeling naar de bushalte was voor mij een marathon; ik deed er twee tot drie keer zo lang over om de afstand af te leggen als normaal.
Bob wist eerst niet wat hij ervan moest denken. Hij wierp me steeds vragende blikken toe, alsof hij wilde zeggen: Wat ben je aan het doen, joh? Hij was een slimme jongen. Daarom paste hij zijn gedrag aan. Zo begroette hij me ’s morgens niet langer met zijn gebruikelijke repertoire van geluiden, kopjes en smekende blikken, maar bekeek hij me met een onderzoekende en enigszins medelijdende uitdrukking op zijn gezicht. Net alsof hij wilde zeggen: Voel je je vandaag wat beter?
Het was hetzelfde verhaal als we op weg gingen naar ons werk. Vaak liep Bob naast me in plaats van op zijn gewone plek op mijn schouders te zitten. Ik weet dat hij liever op het bovendek reisde, maar nu wandelde hij naast me. Hij wist gewoon dat ik pijn had.
Als hij het gevoel had dat ik het lang genoeg had volgehouden, deed hij pogingen om me even te laten zitten. Dan sneed hij me de pas af en probeerde me in de richting van een bankje of muurtje te sturen. Maar ik vond het beter om niet om de paar stappen halt te houden, dus een tijdlang voerden we daar strijd over.
Het moet er nogal vermakelijk hebben uitgezien voor de mensen in Tottenham die ons langs zagen strompelen op weg naar de bushalte. Ik praatte tegen mijn kat alsof hij een mens was: ‘Nee, Bob, ik moet in beweging blijven.’ Als ik niet zo’n ondraaglijke pijn had gehad, had ik het zelf waarschijnlijk ook amusant gevonden. We leken net een oud getrouwd stel dat aan het kibbelen was.
Na een poosje was het echter volkomen duidelijk dat ik niet op deze manier kon doorgaan. Vaak kwam ik uitgeput thuis van mijn werk en was de lift defect. De klim naar de vijfde verdieping was echt een marteling. Ik deed er eindeloos lang over om boven te komen. Daarom besloot ik op een dag bij Belle te gaan logeren.
Dat had allerlei voordelen. Om te beginnen lag haar flat op de eerste verdieping en niet op de vijfde. En vlak voor de deur stopte een bus die rechtstreeks naar mijn werk ging.
Het hielp een beetje, maar de pijn nam nog steeds toe. Ik werd bang om mijn voet op de grond te zetten. Op een ochtend besloot ik om een kruk voor mezelf te maken. Ik nam Bob mee naar een leuk parkje vlak bij Belles flat en daar vond ik een geschikte boomtak. Hij paste perfect onder mijn arm, zodat ik mijn zere been niet hoefde te belasten tijdens het lopen. Na ongeveer een dag was ik er helemaal aan gewend.
Het verbaasde me niet dat me vreemde blikken werden toegeworpen. Met mijn lange haar en woeste baard moet ik er hebben uitgezien als een soort hedendaagse Gandalf uit The Lord of the Rings of Professor Perkamentus uit Harry Potter. En om er nog een schepje bovenop te doen, zat er een rode kat op mijn schouder, wat waarschijnlijk het beeld opriep van een tovenaar die met zijn ‘huisgeest’ rondliep. Maar eerlijk gezegd kon het me op dat moment niet zoveel schelen hoe ik eruitzag. Alles wat de pijn enigszins verminderde was meer dan welkom.
Maar het was een ware beproeving om ergens te voet naartoe te gaan. Ik zette een paar stappen en zakte dan neer op het dichtstbijzijnde muurtje. Ik had ook geprobeerd de fiets te gebruiken, maar dat was absoluut onmogelijk. Zodra ik met mijn rechtervoet ook maar de minste druk uitoefende op het pedaal, werd mijn been gefolterd. De Bobmobiel stond in de gang in mijn flat stof te verzamelen.
Het leed geen twijfel dat Bob doorhad dat er iets behoorlijk mis was met me, en soms had ik het gevoel dat hij er genoeg van had. Op sommige ochtenden, als hij zag hoe ik met moeite mijn broek aantrok en me klaarmaakte voor mijn werk, wierp hij me een vernietigende blik toe. Volgens mij bedoelde hij dan: Waarom doe je dit jezelf aan? Waarom blijf je niet in bed? Het antwoord daarop was natuurlijk dat ik geen keus had. We waren, zoals gewoonlijk, blut.
Mijn dagelijkse routine werd een enorm corvee. We stapten uit de bus bij Islington Green en zetten koers naar het parkje, zodat Bob de natuur haar werk kon laten doen. Daarvandaan strompelde ik naar de coördinator van de Big Issue, vlak bij het Starbucks-café. Dan stak ik de weg over en liep naar het metrostation, naar onze standplaats.
Om daar vijf of zes uur per dag te staan was niet haalbaar. Dan zou ik van mijn stokje gaan. Gelukkig had een van de bloemisten bij het metrostation gezien in welke toestand ik verkeerde; op een dag kwam hij naar me toe met een paar emmers die hij voor de bloemen had gebruikt.
‘Hier, kijk eens, ga daar maar op zitten. En zet Bob dan op die andere emmer,’ had hij gezegd en hij gaf me een bemoedigend schouderklopje. Het was een geweldige uitkomst, want ik kon onmogelijk langer dan een paar minuten achter elkaar rechtop staan.
Ik was wel bang dat zitten op de emmer een ramp zou zijn voor mijn handel. (Mensen moeten altijd lachen als ik het verkopen van de straatkrant ‘handel’ noem, maar dat is het wel. Je moet eerst kranten kopen om ze te kunnen verkopen, dus als verkoper moet je precies kunnen beoordelen hoeveel voorraad je nodig hebt en elke week budgetteren. Het principe is eigenlijk hetzelfde als bij het runnen van een gigantisch bedrijf en er staat net zoveel op het spel, of zelfs nog meer. Als je slaagt, heb je te eten; als je faalt, dan lijd je honger.) Normaal gesproken liep ik rond bij de ingang naar het metrostation en probeerde mensen over te halen om wat van hun zuurverdiende geld uit te geven. Toen ik op de emmer ging zitten, was ik doodsbenauwd dat de mensen mij gewoonweg niet zouden zien. Ik had beter moeten weten. Bob nam dat probleem voor zijn rekening.
Misschien kwam het doordat ik nu vaker met hem zat, maar tijdens deze periode werd hij een echte publiekstrekker. In het verleden was ik meestal degene geweest die met een spelletje begon. Maar nu nam hij het initiatief. Hij begon me kopjes te geven en keek me aan met een blik van: Kom op, vriend, haal eens wat lekkers tevoorschijn, dan doen we wat kunstjes en verdienen we een paar pond. En dan kunnen we lekker vroeg naar huis. Het was soms gewoon griezelig hoeveel hij doorhad.
Ik wenste soms dat mijn eigen kijk op het leven net zo helder was.

Bij Belle wonen met Bob had zijn voor- en zijn nadelen. Ik wilde heus wel weten wat er aan de hand was met mijn been, maar tegelijkertijd hoopte ik dat het probleem zich op de een of andere manier vanzelf zou oplossen. Terwijl ik zoveel mogelijk tijd zittend en liggend doorbracht, zorgde Belle voor me. Ze kookte heerlijke maaltijden en deed mijn was, en Bob kon het heel goed met haar vinden. Tijdens mijn vakantie in Australië had hij bij haar gelogeerd en ze waren dikke maatjes geworden. Zo was zij de enige andere persoon die toestemming had hem op te pakken.
Het leed geen twijfel dat hij haar huis als een veilige plek beschouwde. Het jaar ervoor, toen hij bij metrostation Angel vandaan op de vlucht was geslagen nadat hij door een hond was aangevallen, was hij in de richting van Belles flat gelopen, ook al was dat best een eind. Het duurde een paar uur voordat ik bedacht had dat hij zijn toevlucht bij haar had gezocht. Het was de langste nacht van mijn leven.
Dat zij zulke dikke vrienden waren, maakte het leven voor mij een stuk eenvoudiger. Maar Bob zag het als een vrijbrief om ondeugend te zijn.
Op een ochtend stond ik op en ging naar de keuken om een kop thee te zetten. Ik verwachtte dat Bob daar zou zitten. Net als thuis had hij de neiging om ’s morgens vroeg in de keuken rond te hangen, voornamelijk in de hoop dat hij eten kreeg, want hij kon zeer inhalig zijn. Maar vandaag was hij nergens te vinden. En Belle ook niet.
Het had die ochtend hard geregend. Inmiddels was de lucht weer opgeklaard en de zon scheen volop. De temperatuur steeg. Voor later die dag werd broeierig weer voorspeld. Ik zag dat Belle het keukenraam had opengezet om wat frisse lucht binnen te laten.
‘Bob, waar ben je, jongen?’ zei ik, terwijl ik naar hem op zoek ging. Ik liep nog steeds in mijn boxershort en een T-shirt.
In de woonkamer of in de gang was hij ook niet, dus ik liep naar de achterste slaapkamer, die van Belle was. Toen ik zag dat het raam daar op een kier stond, sloeg de schrik me om het hart.
Belles flat was op de eerste verdieping en het raam van haar slaapkamer keek uit op het dak van de aanbouw van de flat onder ons. Voorbij het dak lag een tuin en nog verder was de parkeerplaats van het gebouw. Daarvandaan was het maar een klein stukje naar de weg, een van de drukste in dit gedeelte van Londen.
‘O nee, Bob, je bent toch niet naar buiten gegaan, hè?’
Ik slaagde erin mijn hoofd door de kier in het raam te wringen. Zo tuurde ik de daken onder me af. Overal langs het gebouw staken stukken dak uit. En waarachtig, vijf flats verderop zag ik Bob zitten. Hij lag lekker te zonnen op het dak.
Toen ik zijn naam riep, draaide hij langzaam zijn hoofd in mijn richting en wierp me een verbaasde blik toe, alsof hij wilde zeggen: Is er iets?
Ik had er geen problemen mee dat hij wilde zonnebaden. Maar ik maakte me wel zorgen dat hij van het dak zou glijden of via de tuin naar de parkeerplaats en de weg zou lopen.
Ik deed het raam verder open zodat ik op het dak kon klimmen. Dat ik nog niet fatsoenlijk aangekleed was had ik helemaal niet in de gaten.
De dakpannen van leisteen waren spekglad door de regen van die ochtend, dus het viel niet mee om houvast te vinden, vooral niet doordat mijn been zo’n pijn deed. Maar ik slaagde erin om Bob te bereiken. Ik was ongeveer een meter bij hem vandaan toen ik me realiseerde dat het een zinloze missie was.
Bob kwam plotseling tot leven en maakte zich uit de voeten, terug in de richting van Belles flat, waarbij hij langs me liep zonder acht op me te slaan. Toen ik hem probeerde te pakken, spurtte hij soepel naar het open raam. Daar wierp hij me een neerbuigende blik toe, waarna hij naar binnen sprong.
Ik had nog een lange weg te gaan. Het kostte me een aantal minuten om terug te glibberen. Mijn vernedering werd nog groter toen er hier en daar hoofden voor de ramen verschenen. De uitdrukkingen op de gezichten spraken boekdelen. Ze varieerden van ongeloof en medelijden tot hilariteit.
Niet lang nadat ik was teruggekeerd in de veiligheid van de flat, hoorde ik de voordeur dichtslaan. Daar stond Belle in de gang met een tas vol boodschappen.
Ze barstte in lachen uit. ‘Waar ben jij in vredesnaam geweest?’ vroeg ze.
‘Op dat klotedak, om Bob te redden,’ antwoordde ik.
‘O, daar gaat hij de hele tijd naartoe,’ zei ze met een nonchalant handgebaar. ‘Soms gaat hij zelfs de tuin in. Hij komt altijd weer terug.’
‘Ik wou dat je me dat eerder verteld had,’ zei ik terwijl ik langzaam in de richting van mijn slaapkamer schuifelde om me eindelijk aan te kleden.

Maar het duurde niet lang voordat de rollen werden omgedraaid. Kort na mijn reis over het dak was Belle aan de beurt om zich over Bobs streken op te winden.
Zoals ik door schade en schande had geleerd, vond Bob het heerlijk om de achterkant van Belles flatgebouw te verkennen. Hij maakte gretig misbruik van het feit dat hij zich op de eerste verdieping bevond. In zeker opzicht was het normaal en gezond. Bob ging graag ’s morgens naar buiten om zijn behoefte te doen en ’s avonds nog een keer. Maar daardoor was hij natuurlijk ook in de gelegenheid zijn andere instincten te doen gelden.
Het zat in zijn genen om te jagen. Ik weet dat veel mensen denken dat katten lieve, schattige pluizebolletjes zijn, maar het zijn ook roofdieren – en nog ijverige roofdieren ook. Toen we gewend raakten aan het leven in Belles flat, begon hij ons cadeautjes te brengen. Op een dag zaten we in de woonkamer, toen hij kwam aanzetten met een muisje dat uit zijn bek bungelde. Hij legde het voorzichtig bij mijn voeten, alsof hij me een aardigheidje aanbood.
Ik gaf hem een standje. ‘Bob, als je dat soort dingen eet, word je weer ziek,’ zei ik.
Wat kon ik ertegen doen? Ik kon hem huisarrest geven, wat ik niet wilde. En ik wilde hem geen belletje om zijn nek binden. Althans niet op dat moment.
Maar natuurlijk werd hij steeds brutaler.
Op een ochtend lag ik op bed te lezen, toen ik Belle keihard hoorde gillen.
‘O god, nee toch!’
Ik sprong zo goed en zo kwaad als ik kon uit bed en liep naar de woonkamer, waar ze stond te strijken. En daar, boven op een stapel pas gestreken lakens en shirts, zat een bruin kikkertje.
‘James, James, pak hem en gooi hem weg. Alsjeblieft,’ smeekte ze.
Bob stond in de deuropening alles goed op te nemen. Hij had een vreemde uitdrukking op zijn gezicht, die ik alleen kon uitleggen als ondeugend.
Ik pakte het kikkertje voorzichtig op en hield het behoedzaam in mijn handen, liep door de voordeur naar buiten en bracht het beestje naar de achterkant van het gebouw. Bob volgde me op de voet.
Daarop ging ik terug naar binnen en pakte mijn boek weer op. Ik vergat het voorval. Maar ongeveer een uur later hoorde ik opnieuw een gil, dit keer vergezeld van het geluid van iets wat de muur raakte. Het lawaai kwam deze keer uit de gang.
‘Wat nu weer?’ zei ik terwijl ik op de consternatie af ging.
Belle stond aan de ene kant van de gang met haar handen voor haar mond en een verschrikte uitdrukking op haar gezicht. Ze wees de gang door naar een paar pantoffels die ze zojuist die kant op had gegooid.
‘Hij zit in mijn pantoffel,’ stamelde ze.
‘Wat zit er in je pantoffel?’ vroeg ik verbaasd.
‘De kikker!’
Ik moest een lach onderdrukken. Maar daarna bracht ik de kikker opnieuw in veiligheid. Dit keer liet ik hem los in de tuin. En opnieuw liep Bob achter me aan met een gezicht alsof het puur toeval was dat die kikker twee keer binnen één uur in de flat was verschenen.
‘Daar blijven, jongen,’ zei ik. Ik had er genoeg van.
Bob keek me afkeurend aan. Toen draaide hij zich om en glipte stilletjes het huis binnen met een blik van: Met jou kun je ook niet lachen!

Al was het leven bij Belle nog zo comfortabel, na een tijdje begon ik te beseffen dat het niet goed was voor mijn relatie met Bob.
De pijn in mijn been had me chagrijnig gemaakt. Ik was minder aangenaam gezelschap dan normaal. Bob en ik brachten niet meer zoveel tijd samen door. Hij merkte dat ik lang sliep en nogal humeurig was als ik wakker werd. Het was niet meer zo aantrekkelijk om ’s morgens naar mijn slaapkamer te komen voor een spelletje. Vaak kreeg hij zijn ontbijt van Belle. Hij ging bijna elke dag het raam uit en scharrelde rond aan de achterkant van de flats. Soms was hij lang weg. Ik kreeg het idee dat hij het daarbuiten veel te goed naar zijn zin had.
En er waren aanwijzingen dat hij buiten de deur at. Het kwam steeds vaker voor dat hij aan het eind van de middag pas thuiskwam van zijn reis over de daken en in de tuin. Maar als Belle of ik dan een bak eten voor hem neerzette, speelde hij daar alleen maar mee. De moed zakte me in de schoenen. Hij eet weer uit de vuilnisbak, dacht ik. Maar Belle en ik bekeken de afvalcontainers achter het gebouw en concludeerden dat het onmogelijk was dat hij in die gigantische, gesloten containers kon komen.
Op een dag, toen we op weg gingen naar ons werk, zag ik beneden een oudere man, die de post uit zijn brievenbus haalde. Bob zag hem ook en wierp hem een blik van herkenning toe.
‘Hallo, kleine vriend,’ zei de man. ‘Leuk om je weer te zien.’
Opeens begreep ik wat er aan de hand was. Ik herinnerde me het kinderboek De kat die zes keer at van Inga Moore, over een kat die mensen zo weet te charmeren dat iedereen in de straat dol op hem is, waardoor hij ’s avonds in elk huis een maaltijd voorgeschoteld krijgt. Bob had dezelfde stunt uitgehaald. Hij was die kat geworden.
Zijn succes gaf aan dat hij gelukkig was. Maar het liet ook zien dat hij gewend raakte aan een leven waarin ik niet langer het middelpunt was. Toen ik die nacht in bed lag en probeerde aan iets anders te denken dan aan de kloppende pijn in mijn been, stelde ik mezelf een vraag die ik nooit eerder had gesteld in al die tijd dat we samen waren: zou hij beter af zijn zonder mij?
Het was een logische, eerlijke vraag. Wie had er zin om rond te hangen bij een kreupele ex-junk zonder geld en zonder uitzicht op een baan? Wie had er zin om in weer en wind zijn dagen op straat te slijten, en door voorbijgangers betast en bepoteld te worden? Helemaal als er ook vriendelijker, minder gecompliceerde zielen in de buurt waren die je elke dag een stevige maaltijd voorzetten.
Ik had altijd het idee gehad dat ik net zo goed voor Bob kon zorgen als ieder ander, misschien zelfs beter. We waren beste maatjes en uit hetzelfde hout gesneden. Maar voor het eerst sinds we samen waren, was ik daar niet meer zo zeker van.
