13

Staatsvijand nummer 1

Opnieuw werd het zomer en de middagzon brandde fel toen Bob en ik een schaduwrijk plekje bij metrostation Angel opzochten. Ik had net een bak met water voor Bob neergezet, toen ik twee mannen onze kant op zag komen.

Ze droegen allebei vrijetijdskleding, een spijkerbroek en een T-shirt. Eén was achter in de twintig en ik denk dat de ander een jaar of tien ouder was. Bijna tegelijkertijd haalden ze een pasje uit hun broekzak om te laten zien dat ze agenten waren van de wijkpolitie van Islington.

‘Goedemiddag, meneer. Hoe heet u?’ vroeg de oudste van de twee.

‘Eh, ik ben James Bowen, hoezo?’

‘Meneer Bowen, iemand heeft u beschuldigd van geweldpleging. Dat is een serieuze zaak, dus ik moet u helaas vragen met ons mee te komen naar het politiebureau om een paar vragen te beantwoorden,’ zei de jongste.

Politieagenten in burger waren een normaal verschijnsel op straat; ik was er al meer dan genoeg tegen het lijf gelopen. Gelukkig waren deze twee heel beleefd, in tegenstelling tot sommigen van hun collega’s, die zich soms nogal agressief en anti-straatkrantverkoper opstelden.

Toen ik vroeg of ze even wilden wachten tot ik mijn spullen had gepakt en voor Bob had gezorgd, zeiden ze dat ik zoveel tijd mocht nemen als ik wilde. Daarna legden ze uit dat we naar het hoofdbureau in Tolpuddle Street zouden lopen.

‘Het is maar een paar minuten hiervandaan,’ zei de jongste agent.

Ik verbaasde me over mijn eigen kalmte. Vroeger zou ik in paniek zijn geraakt en waarschijnlijk hebben geprotesteerd; misschien was ik zelfs uit mijn slof geschoten. Dit bewees hoeveel rustiger ik tegenwoordig was en hoeveel meer zelfvertrouwen ik had. Trouwens, ik had niets gedaan. Ik had niemand aangevallen.

De politieagenten kwamen ook heel ontspannen over. Onderweg naar het bureau liepen ze gewoon voor mij en Bob uit. Af en toe kwam een van hen naast ons lopen. Op zeker moment vroeg de jongste van de twee of ik begreep wat er aan de hand was en of ik mijn rechten kende.

‘Jazeker,’ antwoordde ik. Ik wist dat ik niet officieel in staat van beschuldiging was gesteld en dat ik hen alleen hielp bij hun onderzoek. Het leek me niet nodig om een advocaat te bellen, althans niet in dit stadium.

Ondertussen pijnigde ik mijn hersens om erachter te komen wie er aangifte had gedaan. Daar had ik wel ideeën over.

De meest logische verklaring was dat iemand gewoon zin had om mijn dag te verpesten. Helaas gebeurde dat wel vaker. Ik had gehoord dat het andere verkopers en straatmuzikanten ook was overkomen. Iemand die wrok koesterde tegen een verkoper of gewoon een boosaardig karakter had, diende een klacht in en dan was de politie verplicht die te onderzoeken. Soms deed iemand het om de persoon van zijn standplaats af te krijgen en die dan in te pikken. Er liepen een paar mensen rond van wie ik wist dat ze het niet leuk vonden dat ik de standplaats bij Angel tot een succes had gemaakt. Ze waren jaloers en wilden niets liever dan mijn plek overnemen. Dat was bijzonder onaangenaam, maar ik moest het accepteren.

Een andere mogelijkheid, die veel bedreigender was, was dat iemand probeerde mijn boek te ondermijnen. Intussen wist zo’n beetje iedereen van de Big Issue-gemeenschap ervan. Verschillende kranten hadden over het boek geschreven en sommige verkopers hadden daarop gereageerd, zowel positief als negatief.

Een van de coördinatoren had me verteld dat een van hen vond dat ik niet langer de straatkrant mocht verkopen. Dat wist ik al, omdat een verkoper in het centrum van Londen het me recht in mijn gezicht had gezegd. Hij had zijn bezwaren kenbaar gemaakt en me een ‘verdomde namaakhippie’ genoemd, wat ik best grappig vond. Ik was in de naïeve veronderstelling geweest dat ik iets positiefs deed voor de straatkrant. Maar op sommige momenten had ik het gevoel dat ik Staatsvijand nummer 1 was geworden in de ogen van de andere verkopers.

Tegen de tijd dat we bij het politiebureau aankwamen, waren beide agenten dikke maatjes met Bob geworden. Hij had ze helemaal ingepakt. Het was zelfs zo erg dat ze eerst voor hem wilden zorgen voordat ze mij gingen ondervragen.

‘Goed, laten we het Bob eerst naar zijn zin maken voordat we jou naar de arrestantenkamer brengen,’ zei de oudste agent.

Er kwam een blonde, geüniformeerde agente van achter in de twintig. Ook zij richtte haar aandacht op Bob, die nog steeds op mijn schouders lag en zijn nieuwe omgeving geïnteresseerd opnam.

‘Oké, is dat Bob?’ vroeg ze en ze aaide hem voorzichtig. Hij leek haar direct aardig te vinden en streek spinnend met zijn kop langs haar hand.

‘Zou hij het erg vinden als ik hem oppak?’ vroeg ze.

‘Nee hoor, als hij je kopjes geeft dan kun je hem pakken,’ zei ik, want ik voelde dat hij op zijn gemak was. Zoals ik al dacht, liet hij zich door haar oppakken.

‘Kom jij maar met mij mee, dan gaan we kijken of ik een mooi plekje voor je weet en iets te eten of te drinken kan versieren,’ zei ze.

Ik keek hen na toen ze achter de receptie een kantoor met bureaus, kopieerapparaten en computers binnenliepen. Bob keek gefascineerd naar de rode lichtjes en de zoemende machines, en zag er tevreden uit. Dus ik liet hem met een gerust hart achter toen ik met de twee agenten meeliep.

‘Maak je geen zorgen, bij Gillian is hij in goede handen,’ zei de jongste agent tegen me toen we een aantal deuren doorgingen naar de arrestantenkamer. Ik was ervan overtuigd dat hij de waarheid vertelde.

Toen we de verhoorkamer binnenstapten, voelde ik opeens iets fladderen in mijn maag. Ze hadden aan me uitgelegd dat ik zou worden ondervraagd over een van de zogenaamde ‘kleine vergrijpen’. Dat waren vergrijpen waarbij drugsgebruikers of dealers misdaden pleegden zoals winkeldiefstal, beroving en geweldpleging om drugs te kunnen kopen. Ik wist dat ik om die reden waarschijnlijk getest zou worden op drugs; ze zouden ook vingerafdrukken willen nemen.

De tijden waren wel veranderd, want het deed me weinig dat ik een paar druppels bloed moest afgeven en wat wang-slijmvlies. Ik wist dat ik clean was. Dat zei ik ook tegen de agenten, maar ze legden uit dat ze geen keus hadden.

‘Het zijn de regels, het spijt me,’ zei een van hen.

Eindelijk mocht ik gaan zitten en begonnen ze me vragen te stellen.

Ze wilden weten of ik de dag daarvoor op een bepaalde locatie in Islington was geweest. Ik kende het adres helemaal niet. Vervolgens noemden ze de naam van een vrouw.

Jaren eerder, toen ik op het dieptepunt van mijn verslaving was, was ik een paar keer gearresteerd vanwege winkeldiefstal. Toen had ik geleerd om op dit soort vragen alleen te antwoorden met: ‘Geen commentaar.’ Ik wist dat dat heel irritant was voor de politie, dus nu probeerde ik mee te werken.

‘Ik zou u graag helpen, maar ik weet echt niet waar u het over hebt,’ zei ik.

Ze werden niet kwaad of opdringerig. Ze gebruikten geen good cop bad cop-methode. Ze knikten gewoon als ik antwoord gaf, schreven een paar dingen op en dat was alles. Na een minuut of tien, misschien korter, waren we klaar.

‘Oké, meneer Bowen, u moet hier helaas nog even blijven terwijl we dit verder onderzoeken,’ zei de jongste agent.

Het was schitterend weer geworden en de zon straalde volop. Ik had heel veel zin om Bob terug te zien en weer aan het werk te gaan. Maar de klok tikte door en de schaduwen werden langer. Het was behoorlijk frustrerend en ik maakte me zorgen over Bob. Op zeker moment kwam er een agent langs die me thee aanbood. Ik vroeg naar Bob.

‘Hij maakt het prima, hij is beneden bij Gillian,’ zei hij. ‘Volgens mij heeft ze wat kattensnoepjes voor hem gehaald, dus ik denk dat hij het best naar zijn zin heeft.’

Uiteindelijk kwamen de twee agenten die me op straat hadden opgehaald terug naar de verhoorkamer.

‘Ik ben bang dat we uw tijd verspild hebben – en ook de onze,’ zeiden ze. ‘Degene die de beschuldiging telefonisch heeft ingediend, is niet bereid om hierheen te komen voor een officiële verklaring. Er is geen ondersteunend bewijs tegen u en daarom wordt u niets ten laste gelegd.’

Ik was opgelucht, maar ik voelde me ook boos, al besloot ik me in te houden. Het had geen zin om een aanklacht in te dienen of te dreigen met gerechtelijke stappen, vooral niet omdat iedereen zo beleefd was geweest. Het beste was om te maken dat ik wegkwam en weer aan het werk te gaan. Mijn belangrijkste zorg betrof Bob. Wat hadden ze al die tijd met hem gedaan?

Ik moest naar beneden, naar de receptie, om een verklaring te tekenen. Daar was Bob samen met Gillian en hij keek net zo tevreden als ik hem achtergelaten had. Maar zodra hij me zag, zwaaide hij zijn staart heen en weer en spitste zijn oren. Hij sprong in mijn armen.

‘Nou, hij lijkt heel blij om je weer te zien,’ zei Gillian.

‘Heeft hij zich gedragen?’ wilde ik weten.

‘Hij heeft zich onberispelijk gedragen. Nietwaar, Bob?’ zei ze.

Ik zag dat ze een plekje voor hem had ingericht in de hoek van haar kantoor. Ze vertelde dat ze naar de winkel was geweest om kattenmelk, een blikje vleesvoer en een grote zak met zijn favoriete kattensnoepjes te kopen. Geen wonder dat hij zo tevreden was.

We kletsten nog even terwijl mijn tas en hesje werden gehaald. Gillian vertelde me dat katten meestal werden opgesloten in een hok bij de zwerfhonden.

‘Als je hier vannacht had moeten blijven, hadden we hem waarschijnlijk daarnaartoe gebracht,’ zei ze. ‘Ik ben blij dat dat niet nodig is.’

Al snel werd ik officieel vrijgelaten. De twee agenten verontschuldigden zich opnieuw.

‘Gewoon een rancuneuze persoon, denk ik,’ zei ik tegen hen en ik gaf hun allebei een hand.

Tegen de tijd dat ik het politiebureau uit liep, ging de zon al bijna onder. De hele dag was ik bang geweest dat iemand mijn vaste standplaats had ingepikt, dus ik liep terug naar Angel om dat te checken, maar tot mijn opluchting stond er niemand.

‘Niks ernstigs, James?’ vroeg een van de bloemenverkopers.

‘Nee, gewoon een lolbroek die me had aangegeven voor geweldpleging.’

‘Echt waar? Waarom doen mensen zoiets?’ Hij schudde afkeurend zijn hoofd.

Dat was een goede vraag, waarop ik helaas het antwoord schuldig moest blijven.

Ruim een week later waren Bob en ik straatkranten aan het verkopen tijdens het spitsuur, toen een aantrekkelijke blonde dame onze kant op kwam lopen. Bob leek haar te herkennen en strekte zijn kop naar haar uit toen ze naast hem neerknielde.

‘Je herkent me niet, hè?’ zei ze tegen mij, terwijl ze Bob aaide en achter zijn oor krabbelde.

Er kwamen elke dag zoveel gezichten voorbij dat het onmogelijk was om iedereen in me op te nemen. Ze kon zien dat ik mijn best deed te bedenken waarvan ik haar zou moeten kennen.

‘Bureau Tolpuddle? Ik was degene die vorige week voor Bob heeft gezorgd,’ zei ze glimlachend.

‘O, ja, natuurlijk. Sorry,’ zei ik, en ik schaamde me oprecht. ‘Jij bent Gillian, toch?’

‘Zo te zien gaat het goed met jullie beiden,’ zei ze.

In de afgelopen jaren waren er vaak wijkagenten bij ons langsgekomen, maar het leek alsof zij geen dienst had. Ze droeg in ieder geval geen uniform.

‘Ik kom net uit mijn werk. Nu ben ik op weg naar huis,’ zei ze toen ik ernaar vroeg.

‘We hadden niet echt de gelegenheid om een praatje te maken toen hij op het bureau was; dat ging natuurlijk niet,’ zei Gillian. ‘Maar hoe hebben jullie elkaar eigenlijk leren kennen?’

Toen ik verslag deed van onze eerste dagen samen, luisterde ze met een glimlach op haar gezicht, en af en toe lachte ze hardop.

‘Boezemvrienden, zo te horen,’ concludeerde ze.

Ze zag dat ik het druk had – het was spitsuur – dus al snel vertrok ze weer.

‘Misschien dat ik nog eens langsloop als je het goed vindt,’ zei ze.

‘Natuurlijk,’ zei ik.

Ze hield woord en vanaf die dag wipte ze geregeld even langs. Vaak bracht ze cadeautjes mee voor Bob. Hij leek echt een zwak voor haar te hebben.

Gillian was ook vrijgevig voor mij. Op een keer bracht ze een beker koffie, een sandwich en een enorme koek mee, die ze bij een dure lunchroom vlak bij Angel had gehaald. We maakten een praatje, maar ik merkte dat we allebei het incident van een paar weken daarvoor vermeden. Eigenlijk was ik benieuwd wie die beschuldiging tegen me had ingediend, maar ik wist dat ze daar niets over mocht zeggen.

Ik legde haar uit dat er dingen waren veranderd doordat we een boek aan het schrijven waren; dat het leek alsof er meer vijandigheid jegens mij was dan eerst.

‘O, maak je er niet druk om. Mensen zijn altijd jaloers op het succes van anderen. Het klinkt geweldig,’ zei ze. ‘Je vrienden en familie zullen wel heel trots op je zijn.’

‘Ja, dat zijn ze zeker,’ zei ik schaapachtig en ik stak snel een sigaret op.

De waarheid was natuurlijk dat ik amper vrienden had. Behalve Belle was er niemand bij wie ik terecht kon, niet in goede tijden, maar ook niet in slechte. Ik had Bob, en dat was het wel zo’n beetje.

Deels had ik dat aan mezelf te danken. Ik was een product van het milieu waarin ik me de afgelopen tien jaar bewogen had. Toen ik aan de drugs was, trok ik me uit de wereld terug. Mijn belangrijkste relaties in die tijd waren de contacten met mijn dealers. Maar zelfs nu ik clean was, vond ik het moeilijk om vriendschappen te sluiten. Daar waren verschillende redenen voor. Om te beginnen geld. Om vrienden te maken moest je uitgaan en mensen opzoeken. Dat kostte geld, dus dat deed ik zelden. Op een dieper niveau speelde het probleem dat ik moeite had mensen te vertrouwen. Tijdens de ergste periode van mijn afhankelijkheid van drugs had ik in opvanghuizen geslapen waar je wist dat iedereen je op elk moment van al je bezittingen kon beroven. Ook als je sliep. Dus ik was heel voorzichtig geworden. Het was treurig, maar ik bekeek de meeste mensen nog altijd met argwaan. De gebeurtenissen van de afgelopen weken hadden mijn wantrouwen weer bevestigd. Iemand had me vals beschuldigd van een agressieve daad. Het kon best iemand zijn die ik elke dag zag. Het kon zelfs iemand zijn die ik als een vriend beschouwde.

Dus toen ik zag hoe Bob met Gillian omging, wenste ik dat ik net zo ongecompliceerd en open was als hij. Hij had haar onder ongewone omstandigheden ontmoet, maar hij had meteen aangevoeld dat hij haar kon vertrouwen. Hij wist diep vanbinnen dat ze een sympathiek mens was en daarom had hij zich voor haar opengesteld. Dat moest ik ook proberen te doen. Ik moest datzelfde vertrouwen in mensen tonen. Maar om zover te komen, moest ik mijn leven veranderen. Ik moest van de straat af.