6
De vuilnisinspecteur

We zijn allemaal wel ergens door geobsedeerd in het leven. Bob heeft een grote interesse in verpakkingen. Hij is helemaal gefascineerd door allerlei soorten kartonnen dozen, pakpapier en plastic flessen die we gebruiken in het leven van alledag. Maar bepaalde materialen trekken zijn aandacht meer dan andere.
Bubbeltjesplastic is natuurlijk een eindeloze bron van vermaak. Welk kind houdt er niet van om de bubbeltjes te laten knallen? Zo ook Bob: hij gaat helemaal uit zijn dak als ik hem ermee laat spelen. Ik hou hem altijd goed in de gaten. Elke keer dat hij een bubbeltje kapotmaakt met zijn poot of bek, draait hij zich naar me om en kijkt me aan alsof hij wil zeggen: Hoorde je dat?
Cadeaupapier is een andere obsessie. Als ik een cadeautje voor hem uitpak, toont hij meer belangstelling voor het papier dan voor het eigenlijke speelgoed. Hij is ook bijzonder gefascineerd door het ritselende, knisperende cellofaan dat gebruikt wordt in dozen cornflakes of bij de supermarkt om broodjes in te verpakken. Ik verbaas me er nog steeds over dat hij gerust een halfuur kan rondrennen met een balletje cellofaan. Een prop aluminiumfolie heeft dezelfde aantrekkingskracht.
Er is echter één soort verpakkingsmateriaal dat met kop en schouders boven de andere uitsteekt: kartonnen dozen. Elke doos die hij tegenkomt ziet hij als een stuk speelgoed, een object dat ontworpen is om hem urenlang bezig te houden. Zodra ik langs Bob loop met een kartonnen doos in mijn hand, stormt hij op me af alsof hij hem wil afpakken. Het maakt niet uit of het een doos cornflakes, een pak melk of een grotere doos is. Hij springt ertegenop en krabbelt er met zijn poot aan alsof hij wil zeggen: Geef hier dat ding, ik wil ermee spelen en wel NU.
Hij vindt het ook geweldig om zich te verstoppen in grote dozen, een gewoonte die me meer dan eens de kriebels heeft bezorgd.
Ik laat Bob nooit in zijn eentje buiten lopen. De ramen zijn altijd gesloten om te voorkomen dat hij naar buiten klimt. Ik weet wel dat katten altijd ‘op hun pootjes terechtkomen’ als je ze in de lucht gooit en dat we ‘slechts’ vijf hoog wonen, maar ik test zijn vliegvermogen liever niet uit. Dus toen ik hem afgelopen zomer op een avond niet op zijn gebruikelijke plekjes kon vinden, raakte ik een beetje in paniek.
‘Bob! Bob, waar zit je, jochie?’ riep ik.
Ik zocht in alle hoeken en gaten, wat niet zo erg lang duurde gezien de afmetingen van mijn flat. Maar er was geen teken van leven in mijn slaapkamer, noch in de keuken of badkamer. Ik begon me echt zorgen te maken om zijn welzijn, toen ik me opeens herinnerde dat ik een doos met afdankertjes, die ik van een liefdadigheidsinstelling had gekregen, in de inbouwkast had gezet. En ja hoor, ik deed de deur open en zag meteen een opvallende, rode gedaante ineengedoken in de doos zitten.
Niet lang daarna haalde hij dezelfde grap nogmaals uit, met bijna rampzalige gevolgen.
Belle was een dagje komen helpen opruimen. Mijn flat was niet echt wat je noemt ‘netjes op orde’. Wat het nog erger maakte, was dat ik jarenlang spullen had verzameld. Misschien dat ik onbewust de droom koesterde ooit een kringloopwinkel te beginnen, of misschien was ik gewoon geobsedeerd door oude troep, maar om de een of andere reden had ik allerlei ditjes en datjes mee naar huis genomen, van oude boeken en kaarten tot kapotte radio’s en broodroosters.
Belle had me ervan weten te overtuigen dat ik een deel van de rommel moest weggooien en we hadden een paar kartonnen dozen vol spullen uitgezocht. Er was een doos die bij de vuilnis kon, eentje voor de tweedehandswinkel en een andere voor het stort, waar je zelf naartoe gaat om dingen te brengen die weggegooid moeten worden, zoals oude apparaten en sloopmaterialen en dergelijke. Belle ging een doos naar de vuilcontainers beneden brengen en stond op de lift te wachten, toen ze opeens de doos voelde schommelen. Ze schrok zich kapot en ik kon haar binnen in de flat horen gillen. Toen ik de voordeur opendeed om te kijken wat er aan de hand was, had ze de doos op de vloer laten vallen en ontdekt dat Bob erin zat. Hij moest moeite doen om zichzelf tussen de oude boeken en tijdschriften vandaan te wurmen, waar hij was gaan liggen om een tukje te doen.
Niet lang daarna heb ik voor hem een bed gemaakt van een kartonnen doos. Ik dacht dat als hij in een doos sliep, hij op andere momenten misschien minder interesse in karton zou hebben. Ik had één zijkant van de doos uitgesneden en er een klein dekentje in gelegd. Hij lag er prinsheerlijk in en vond het fantastisch.
Maar hij raakte zijn obsessie niet helemaal kwijt. De vuilnisbak in de keuken bleef zijn aandacht trekken. Altijd als ik er iets in deed, ging hij op zijn achterpoten staan en stak zijn neus naar binnen. Als ik het deksel sloot zonder hem te laten zien wat ik weggooide, wierp hij me een blik toe alsof hij wilde zeggen: Hé, wat doe je nou? Ik heb nog niet besloten of ik daarmee wil spelen of niet. Een tijdlang noemde ik hem daarom voor de grap de ‘vuilnisinspecteur’. Maar het was niet altijd even grappig.

Op een ochtend kwam ik uit bad, toen ik vreemde geluiden uit de keuken hoorde komen. Het klonk als een metaalachtig, schrapend geluid, alsof er iets over de vloer werd gesleept. Het geluid ging vergezeld van een soort laag, donker gejammer.
‘Bob, wat vreet je nu weer uit?’ vroeg ik. Ik greep een handdoek van de stapel om me af te drogen en ging op onderzoek uit.
Ik moest grinniken om de scène in de keuken: Bob stond midden in de ruimte met een leeg blik kattenvoer vastgeklemd om zijn kop. Het blikje stond zwierig op zijn hoofd en reikte tot net over zijn ogen. Hij zag eruit als een kruising tussen de Zwarte Ridder uit de film Monty Python and the Holy Grail en een gardesoldaat bij Buckingham Palace met een zwarte berenmuts op zijn hoofd.
Het was duidelijk dat hij weinig kon zien, want hij liep achterwaarts over de keukenvloer in een poging zichzelf eruit te trekken. Hij deed het heel bedachtzaam, liep voorzichtig stapje voor stapje naar achteren, terwijl hij het blik liet wiebelen of zijn hoofd oprichtte om daarna met het blik op de vloer te tikken in de hoop dat het daardoor los zou schieten. Maar die methode werkte niet. Het was komisch om te zien.
Je hoefde geen Hercule Poirot te heten om te begrijpen wat er gebeurd was. In de hoek van de keuken zag ik de zwarte vuilniszak staan die ik van plan was vanochtend beneden in de vuilcontainer te gooien. Meestal bracht ik de zak meteen naar beneden als ik de vuilnisbak had geleegd, juist om te voorkomen dat Bob ermee ging spelen. Maar om de een of andere reden had ik dat gisteravond vergeten en was hij in de keuken blijven staan. Niet slim.
Klaarblijkelijk had Bob zijn voordeel gedaan met mijn afwezigheid en de bodem van de zak opengeknabbeld en -gescheurd, zodat hij zijn geluk kon beproeven en het afval kon doorzoeken. Hij had geen karton gevonden, waar hij ongetwijfeld naar op zoek was geweest, maar wel het oude blikje. Helaas had hij de pech gehad om in zijn enthousiasme zijn kop iets te diep in het blik te steken, waardoor hij klem was komen te zitten. Het was het soort ongeluk dat je vaak tegenkwam in video’s op YouTube of in programma’s als De leukste thuis. Hij had zichzelf behoorlijk in de nesten gewerkt en liet een nogal zielig, erbarmelijk geklaag horen. Het was niet de eerste keer dat hij zoiets had gedaan. De vorige keer had ik in de woonkamer gezeten toen ik een vreemd tikkend geluid uit de keuken hoorde komen: pok… pok… pok, gevolgd door een sneller pokkepokkepok.
Ik had Bob toen aangetroffen met een boterkuipje aan een van zijn voorpoten. Hij was dol op boter en had er vermoedelijk zijn poot in gestoken om de boter af te likken. Op de een of andere manier was zijn poot klem komen te zitten in het kuipje, en nu liep hij rond met een stuk plastic aan zijn poot. Zo nu en dan tilde hij hem op en klopte ermee tegen een keukendeurtje in een poging het kwijt te raken. Uiteindelijk had ik hem geholpen en hem van het ding bevrijd. Ik begreep dat ik nu hetzelfde moest doen.
Hij had duidelijk medelijden met zichzelf en besefte dat hij iets doms had gedaan.
‘Bob, arme sukkel. Wat heb je nou toch gedaan?’ Ik boog me voorover om hem te helpen, allang blij dat hij zijn kop niet dieper in het blik had geduwd. Er zat een gevaarlijke kartelrand aan van de blikopener, dus ik ging zeer voorzichtig te werk. Uit het blik maakte zich een lucht los die ik niet zou willen omschrijven als de meest plezierige die ik ooit geroken had.
Zodra hij was bevrijd, schoot Bob naar een hoekje van de keuken. Er zaten stukjes eten aan zijn oor en aan de achterkant van zijn kop, dus hij begon zichzelf verwoed te likken en te wassen. Terwijl hij dat deed, wierp hij me nogal schaapachtige blikken toe, alsof hij wilde zeggen: Ja, ik weet dat dit niet handig was. Ga me nou niet vertellen dat je zelf nooit iets stoms doet.
Toen we ongeveer een uur later op weg gingen naar ons werk, had hij nog steeds dezelfde beschaamde, ietwat schuchtere uitdrukking. Ik moest er stilletjes om lachen.
De eerste aanwijzing dat er iets mis was, deed zich een paar dagen later voor. Hij begon meer te eten dan normaal. Bobs dagelijkse maaltijden waren al lange tijd hetzelfde. Hoewel ik krap bij kas zat, probeerde ik hem altijd goede voeding te geven van een bekend merk, dat ‘wetenschappelijk verantwoord’ was. Ik rantsoeneerde het nauwgezet en volgde de aanwijzingen op de verpakking op. Zo kreeg hij ’s morgens één maatbeker vol kattenbrokjes en aan het einde van de dag, ongeveer een uur voordat hij ging slapen, een halve maatbeker brokjes, samen met een half zakje vlees.
Deze twee maaltijden werden aangevuld met de kleine traktaties die hij kreeg als we aan het werk waren. Alles bij elkaar at hij genoeg om hem tevreden en gezond te houden. Vaak liet hij ongeveer een kwart van zijn ochtendbrokjes over, omdat de portie hem te ruim was. Soms at hij er nog wat van voordat we van huis gingen, als een soort tussendoortje.
Een paar dagen nadat hij met zijn kop had vastgezeten in het blikje, merkte ik echter dat hij zijn ontbijt twee keer zo snel als vroeger naar binnen schrokte. En daarna likte hij zelfs zijn bakje schoon.
Hij was ook veeleisender. Ik was altijd degene die besliste wanneer hij een beloning kreeg voor zijn kunstjes. Maar nu begon hij zelf om zijn kattensnoepjes te vragen. Bovendien smeekte hij op een andere manier. Het was niet de gebruikelijke, klaaglijke Gelaarsde Kat-blik. Het leek wel of hij wanhopig om eten verlegen zat. En hij ging ermee door als we thuiskwamen. Normaal gesproken was hij nogal relaxed als het om zijn avondmaaltijd ging. Maar nu begon hij me lastig te vallen zodra we binnenkwamen. Hij was behoorlijk geïrriteerd totdat ik zijn bakje had gevuld. En ook toen weer werkte hij zijn eten gulzig naar binnen, zo snel als hij kon, waarna hij me aankeek als Oliver Twist die om een extra portie vroeg.
Het meest verontrustende was dat hij niet scheen aan te komen.
Dat is vreemd, dacht ik op een avond bij mezelf, toen hij zijn avondmaal had opgeschrokt en nog steeds hongerig overkwam.
Mijn vermoeden dat er iets mis was, werd versterkt door het feit dat hij vaker naar de wc ging. Bob was een gewoontedier als het om poepen en plassen ging, zoals de meeste katten. In de afgelopen jaren had hij zijn afkeer van de kattenbak overwonnen en ’s morgens deed hij daarop zijn behoefte. Daarna ging hij opnieuw als we in het centrum van Londen waren. Maar ineens was deze gewoonte veranderd en ging hij drie keer per dag, of nog vaker. Eigenlijk weet ik niet precies hoe vaak hij ging. Ik had hem ooit betrapt toen hij het toilet in de flat gebruikte. Maar daarna had ik nooit meer gezien dat hij daarop zat. Misschien vond hij het niet prettig dat ik naar hem keek? Maar terwijl ik me meer zorgen begon te maken over zijn verandering van gewoonten, merkte ik op dat het water in de wc soms een beetje verkleurd was.
Hij begon ook onrustig te worden als we bij Angel waren. Dat was een heel gedoe, want ik moest iedere keer mijn spullen inpakken en naar het park lopen, zodat hij zijn behoefte kon doen. Maar ja, het moest nu eenmaal gebeuren.
‘Wat is er toch met je aan de hand, Bob?’ zei ik op een dag.
Hij wierp me alleen een koele blik toe, alsof hij me duidelijk wilde maken dat ik me met mijn eigen zaken moest bemoeien.
Maar het moment waarop ik zeker wist dat ik een probleem had, was toen ik hem met zijn achterste over de vloer zag slepen. Ik was net wakker en zag Bob in uiterste concentratie bezig terwijl hij zich met zijn onderstel over de vloerbedekking in de woonkamer voortbewoog.
Daar was ik helemaal niet blij mee. ‘Bob, dat is walgelijk, waarom doe je dat?’ voer ik tegen hem uit.
Maar al snel realiseerde ik me dat hij een probleem had. Zoals altijd zat ik krap bij kas en kon ik het me niet veroorloven de dierenarts te bezoeken en de medicijnen aan te schaffen die hij daar ongetwijfeld voorgeschreven zou krijgen. Dus ik besloot de volgende morgen, voordat ik naar mijn werk ging, langs de bibliotheek te gaan en even rond te neuzen op internet. Ik had wel een idee wat er aan de hand was, maar ik moest zekerheid hebben. Mijn gevoel zei dat hij een bepaald soort darminfectie had waar een parasiet bij betrokken was. Dat verklaarde niet direct zijn nieuwe eetpatroon, maar het paste wel bij vaker naar het toilet gaan en met zijn achterwerk over de vloer wrijven.
Het was een vreselijk idee dat hij een parasitaire infectie had. Ik dacht terug aan mijn kinderjaren in Australië, waar ik een paar keer katten met wormen had meegemaakt. Dat was niet bepaald plezierig en de aandoening was ook besmettelijk. Veel kinderen in Australië hadden wormen opgelopen via hun kat. Dat was behoorlijk onsmakelijk, als je er goed over nadacht.
Het is natuurlijk een van de domste dingen die je kunt doen om op internet naar een ziekte te gaan speuren. Ik had het al vaker gedaan, maar ik had er niets van geleerd. Zoals te verwachten was ik er binnen ongeveer een halfuur van overtuigd dat Bobs symptomen hoorden bij een heel nare worm: een mijnworm of een lintworm. Geen van beide zijn dodelijk, maar ze kunnen wel echt gemeen zijn als ze niet behandeld worden, omdat ze tot ernstig gewichtsverlies leiden en de vacht aantasten.
Ik besefte dat ik geen andere optie had dan zijn ontlasting te controleren als hij weer zijn behoefte deed. Ik hoefde niet lang te wachten. Nog geen uur nadat we ons hadden geinstalleerd bij metrostation Angel, begon hij veelbetekenende geluiden en gebaren te maken en moest ik hem meenemen naar het park. Ik deed mijn best een heimelijke blik tussen de struiken te werpen om te kijken waar hij zijn drol begroef. Hij vond het maar niets dat ik inbreuk maakte op zijn privacy.
‘Het spijt me, Bob, maar ik moet even een kijkje nemen,’ zei ik terwijl ik met een takje zijn uitwerpselen inspecteerde.
Misschien klinkt het vreemd, maar ik was blij toen ik een paar piepkleine, witte, kronkelende wezentjes in zijn poep ontdekte. Het waren wormen, maar gelukkig kleintjes. Het is geen mijnworm of lintworm, hield ik mezelf de rest van de dag voor.
Toen ik die avond naar huis ging voelde ik een vreemde, ietwat verwarrende mengeling van emoties. De verantwoordelijke kattenbezitter in mij was flink nijdig. Ik was zo voorzichtig met zijn eten geweest en had hem nooit rauw vlees gegeven, of andere dingen waarvan bekend is dat ze wormen veroorzaken. Ook had ik ijverig mijn best gedaan om hem regelmatig op vlooien te controleren, die als gastheer voor wormen dienen. Bovendien was hij echt een schone en gezonde kat, en ik hield mijn flat netjes bij. De wormen brachten mij in diskrediet. Ik had het gevoel dat ik niet goed voor Bob gezorgd had. Maar aan de andere kant was ik opgelucht dat ik nu tenminste wist wat me te doen stond.
Het toeval wilde dat het busje van het Blue Cross de volgende dag bij Islington Green zou staan. Dus ik zorgde ervoor dat we vroeg van huis gingen om de lange rijen voor te zijn die zich daar altijd vormden voordat het spreekuur begon.
Het personeel daar kende Bob en mij goed: in de afgelopen jaren waren we er regelmatig op bezoek geweest. Ze hadden Bob een microchip gegeven en hij had een aantal andere behandelingen ondergaan. Vervolgens was ik een jaar lang bezig geweest met het afbetalen van de rekeningen, waardoor ik geregeld bij hen langsging. Dan liet ik mijn kat meteen door hen controleren, ironisch genoeg ook op vlooien.
De dierenarts die deze ochtend dienst had, vroeg me het probleem te omschrijven. Daarna inspecteerde hij Bob en bekeek de ontlasting, waarvan ik een monster had meegenomen in een plastic pillenflesje dat ik thuis nog had staan. Zijn diagnose kwam niet als een verrassing.
‘Ja, ik ben bang dat hij wormen heeft, James,’ zei hij. ‘Wat heeft hij de laatste tijd gegeten? Iets anders dan anders? Heeft hij in de vuilnisbakken gesnuffeld of zoiets?’
Opeens viel het kwartje. Wat voelde ik me dom.
‘O god, ja.’
Ik had helemaal niet meer aan de gebeurtenis met het lege blikje gedacht. Hij had daar vast een oud stuk kip of ander vlees in gevonden. Hoe kon het dat ik daar zelf niet aan had gedacht?
De dierenarts gaf me een medicijnenkuur en een spuit om ze toe te dienen.
‘Hoelang duurt het om van de wormen af te komen?’ vroeg ik.
‘Over een paar dagen is hij aan de beterende hand, James,’ antwoordde hij. ‘Maar als de symptomen aanhouden, laat het me dan weten.’
Jaren geleden, toen ik voor de eerste keer met Bob de bus had bezocht en hem antibiotica moest geven, had ik het met de hand gedaan. Ik stopte dan een tablet in zijn bek en wreef vervolgens over zijn keel om te zorgen dat het ding naar beneden gleed. De spuit zou, theoretisch gezien, dat proces vereenvoudigen. Maar hij moest me nog steeds vertrouwen om het apparaat in zijn keel te kunnen steken.
Toen we die avond terug waren in de flat, zag ik dat de aanblik ervan hem niet aanstond. Toch stond hij me gewoon toe om de plastic spuit in zijn bek te stoppen en de tablet ermee in te brengen. Dat bewees hoezeer hij me vertrouwde. Ik denk dat hij wel wist dat ik hem niets zou aandoen als het niet absoluut noodzakelijk was.
Zoals de dierenarts had voorspeld, was Bob binnen een paar dagen de oude. Zijn eetlust werd weer zoals het hoorde en al snel waren zijn eetpatroon en toiletbezoek ook normaal.
Toen ik nadacht over wat er was gebeurd, gaf ik mezelf een uitbrander. De verantwoordelijkheid van het zorgen voor Bob was een positieve kracht in mijn leven geweest. Maar ik moest die verantwoordelijkheid wel een beetje beter nakomen. Het was geen parttime baantje waarop ik kon inklokken als ik toevallig in de stemming was.
Ik had vooral het gevoel dat ik nalatig was geweest omdat het niet de eerste keer was dat Bob geleden had als gevolg van zijn gewoonte in de vuilnisbak te snuffelen. Ongeveer een jaar daarvoor was hij behoorlijk ziek geworden nadat hij de grote vuilcontainers van het flatgebouw had doorzocht.
Ik zei tegen mezelf dat ik nooit meer een vuilniszak op die manier kon laten rondslingeren. Het was gewoon dom van me dat ik dat had gedaan. Ook al had ik hem dichtgebonden, Bob was vindingrijk en nieuwsgierig, en zou altijd een manier vinden om bij de inhoud te komen.
Maar ik slaakte ook een zucht van opluchting. Het kwam niet vaak voor dat hij niet lekker of ziek was, maar als het gebeurde stak de pessimist in me de kop op. Ik ging altijd uit van het ergste. Het mag misschien wat overdreven klinken, maar in de afgelopen dagen had ik me voorgesteld dat Bob doodging en dat ik zonder hem verder moest. Het was een vooruitzicht dat te vreselijk was om over na te denken.
Ik heb altijd gezegd dat we partners waren en dat we elkaar allebei even hard nodig hadden. Maar diep vanbinnen geloofde ik dat dat niet helemaal waar was. Ik had het gevoel dat ik hem harder nodig had.
