5
De geest op de trap

Het had dagenlang onafgebroken geregend; de straten van Londen waren veranderd in grote plassen water. Geregeld kwamen Bob en ik totaal doorweekt thuis, dus vandaag gaf ik mijn pogingen om kranten te verkopen al vroeg op en besloot naar huis te gaan.
Toen ik halverwege de middag bij ons flatgebouw aankwam, verlangde ik naar droge kleren aan mijn lijf. En ik wilde Bob de gelegenheid geven zich op te warmen bij de radiator.
De lift van onze flat was nogal wispelturig. Nadat ik een paar minuten herhaaldelijk op de knop had gedrukt om hem naar beneden te laten komen, besefte ik dat hij weer eens defect was.
‘Fantastisch,’ mopperde ik. ‘Ik ben bang dat we het hele eind naar boven moeten lopen, Bob.’
Hij keek me mistroostig aan.
‘Kom maar op,’ zei ik en ik maakte een buiging, zodat hij aan boord kon klimmen.
We begonnen net aan de laatste twee trappen, van de vierde naar de vijfde verdieping, toen ik iemand opmerkte in de schaduw van het trapportaal boven ons.
‘Wacht even hier, Bob,’ zei ik. Ik zette hem op de grond onder aan de trap en liep door naar boven.
Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat er een man tegen de muur geleund stond. Hij stond voorovergebogen met zijn broek gedeeltelijk naar beneden en hij hield iets metaalachtigs in zijn hand. Ik wist meteen wat hij aan het doen was.
In het verleden stonden deze flats bekend om hun vele drugsdealers en gebruikers. Verslaafden konden makkelijk binnenkomen. Ze gebruikten het trappenhuis en de portieken om crack en marihuana te roken of heroïne te spuiten, zoals deze kerel aan het doen was. In de jaren sinds ik hier was komen wonen, had de politie ervoor gezorgd dat de situatie enorm verbeterd was, maar er kwamen nog steeds dealers in de hal op de begane grond. Het was lang zo erg niet als in een beschermdwonenproject waar ik eerder had gewoond, in Dalston, dat werd platgelopen door cocaïneverslaafden. Maar toch was het beangstigend, vooral voor gezinnen. Niemand wil dat zijn kinderen als ze thuiskomen uit school, een junkie tegenkomen die zichzelf staat te injecteren vlak naast hun voordeur.
Voor mij was het natuurlijk een herinnering aan het verleden dat ik graag achter me wilde laten. Ik worstelde nog steeds met mijn verslaving; dat zou altijd zo blijven. Maar sinds ik met Bob de straat op ging was ik op weg naar een volledig herstel. Ik was afgekickt van de heroïne, daarna van de methadon, en gebruikte nu Subutex, een minder sterk middel dat tot doel had mijn afhankelijkheid van drugs te verminderen. Mijn counselor bij de verslaafdenkliniek had dit laatste deel van mijn herstel vergeleken met het landen van een vliegtuig: ik zou langzaam terug op aarde komen. Het landingsgestel was al uitgeklapt en ik kon de lichten van de landings-baan voor me zien. De afdaling verliep helemaal volgens plan; weldra zou ik weer met beide wielen aan de grond staan.
Dit wilde ik liever niet zien.
Ik schatte de man halverwege de veertig. Hij had kort stekeltjeshaar en droeg een zwarte jas, een T-shirt, een spijkerbroek en een paar afgetrapte gympen. Hij maakte geen agressieve indruk. Eigenlijk gebeurde juist het tegenovergestelde: hij begon zich te verontschuldigen. Een junk die rekening met zijn omgeving houdt is heel ongebruikelijk.
‘Sorry man, ik ga al aan de kant,’ zei hij met een moeilijk verstaanbaar Londens accent. Hij trok de naald uit zijn been en hees zijn broek op. Ik kon zien dat hij klaar was met spuiten. Zijn ogen hadden die kenmerkende glazige blik.
Ik besloot dat ik hem zou laten voorgaan, want een verslaafde was niet helemaal te vertrouwen: ik had hem liever voor me, waar ik hem kon zien.
Hij stond behoorlijk onstabiel op zijn benen en strompelde de trap op naar het trapportaal op de vijfde verdieping, waar hij in de richting van de lift liep.
Bob was inmiddels ook de laatste twee trappen op gewandeld en stond achter me. Ik wilde hem naar binnen brengen, dus ik liep naar de deur van mijn flat. Toen ik de sleutel in de deur stak en Bob naar binnen liet, hoorde ik een luid gekreun. Ik draaide me om en zag de kerel in elkaar zakken. Hij was als een zak aardappels omgevallen en met een smak op de grond terechtgekomen.
‘Hé, gaat het?’ zei ik terwijl ik naar hem toe rende. Maar het ging helemaal niet. Ik zag meteen dat het helemaal fout zat. Hij leek geen adem meer te halen.
‘O god, een OD!’ zei ik hardop, want ik herkende de symptomen van een overdosis.
Gelukkig had ik mijn mobieltje bij me. Ik belde meteen het alarmnummer en vroeg om een ambulance. De dame aan de andere kant van de lijn vroeg naar mijn adres en vertelde me dat het minstens tien minuten zou duren voordat er hulp zou komen.
‘Kunt u zijn toestand beschrijven?’ vroeg ze op een rustige, professionele toon.
‘Hij is bewusteloos en haalt geen adem,’ antwoordde ik. ‘En zijn huid heeft een rare kleur.’
‘Goed, dat klinkt alsof zijn hart ermee opgehouden is. Ik ga u vragen hem te reanimeren. Weet u wat dat is?’ zei de dame.
‘Ja, dat weet ik. Maar u moet me echt precies vertellen wat ik moet doen.’
Ze zei dat ik de man op zijn zij moest leggen en controleren of zijn luchtwegen vrij waren. Daarna moest ik hem weer op zijn rug draaien, zodat ik hartmassage kon geven in een poging zijn hart weer aan de praat te krijgen.
Een paar ogenblikken later was ik bezig met beide handen zijn borstkas naar beneden te drukken, onderwijl tellend. Toen ik bij de dertig was, stopte ik om te kijken of zijn toestand veranderd was.
De dame van de meldkamer was nog steeds aan de telefoon.
‘Is er al een reactie?’ vroeg ze.
‘Nee, niets. Hij haalt nog steeds geen adem,’ zei ik. ‘Ik zal het opnieuw proberen.’
Zo ging ik nog een aantal minuten door. Ik duwde krachtig en met korte stoten zijn borst naar beneden, en vervolgens beademde ik zijn mond. Toen ik er later op terugkeek, verbaasde het me dat ik me zo kalm voelde. Maar nu besef ik dat het zo’n situatie was waarin je hersenen op de automatische piloot werken. De emotionele werkelijkheid drong helemaal niet tot me door. Ik concentreerde me alleen maar op de fysieke kant van de dingen: die kerel moest weer gaan ademhalen. Maar ook al deed ik nog zo mijn best, zijn toestand veranderde niet.
Op zeker moment begon hij een rochelend, snurkend geluid te maken. Ik had wel eens gehoord van de ‘doodsreutel’, die iemand maakt als hij zijn laatste adem uitblaast. Ik wilde er niet over nadenken, maar ik was bang dat dat het geluid was dat ik hoorde.
Na wat een eeuwigheid leek, hoorde ik dat er aangebeld werd. Ik rende naar mijn flat en drukte de knop van de intercom in.
‘Ambulancedienst,’ zei een stem. Ik zei dat ze snel naar boven moesten komen en bediende de deuropener. Gelukkig had onze onbetrouwbare lift inmiddels besloten weer te gaan werken, dus binnen een paar seconden waren ze op de vijfde verdieping. Ze gooiden hun tassen neer en haalden ogenblikkelijk een AED-apparaat tevoorschijn met paddels om elektrische schokken toe te dienen. Toen knipten ze zijn T-shirt open.
‘Ga maar aan de kant, meneer,’ zei een van hen. ‘Wij nemen het van u over.’
In de minuten daarna werkten ze koortsachtig om zijn hart weer aan het kloppen te krijgen. Maar zijn lichaam lag daar maar, lam en levenloos. Langzaam maar zeker begon tot me door te dringen wat er gebeurd was. Ik stond trillend in de deuropening.
Uiteindelijk kwam een van de ambulancebroeders overeind. Hij zei tegen zijn collega: ‘Nee. Hij is vertrokken.’ Langzaam legden ze een deken over hem heen en ruimden hun spullen op.
Ik voelde me als door de bliksem getroffen. Ik was compleet van de kaart. Een van de broeders vroeg of het wel goed met me ging.
‘Ik ga even naar binnen. Ik moet even gaan zitten, geloof ik,’ antwoordde ik.
Bob was gedurende het drama in de flat gebleven, maar nu verscheen hij in de deuropening. Misschien voelde hij dat ik overstuur was.
‘Kom op, jochie, we gaan naar binnen,’ zei ik en ik tilde hem op. Om de een of andere reden wilde ik niet dat hij het lichaam daar zag liggen. Hij zag wel eens akelige dingen op straat, maar ik probeerde hem er altijd tegen te beschermen.
Een paar minuten later werd er op de deur geklopt. De politie en de ambulancedienst hadden de hal afgezet, en een jonge agent stond bij mij voor de deur.
‘Bent u degene die hem heeft gevonden en het alarmnummer heeft gebeld?’ vroeg hij.
‘Ja, klopt.’ Ik had mezelf weer een beetje vermand, maar ik stond nog steeds te trillen.
‘U hebt het heel goed gedaan. Ik denk niet dat er meer was dat u voor hem had kunnen doen,’ zei de agent troostend.
Ik beschreef hoe ik de man had aangetroffen in het trappenhuis en hoe hij in elkaar was gezakt.
‘Het leek hem echt heel snel te treffen,’ zei ik.
Ik vertelde hem dat ik zelf aan het herstellen was van een drugsverslaving. De woorden kwamen vanzelf. Ik ratelde maar door. Ik vertelde hoe verslaafden waren: uiteindelijk geven ze alleen om zichzelf. Ze zijn zo egoïstisch dat ze letterlijk hun eigen moeder zouden verkopen of zouden toekijken hoe hun vriendin doodging. Een verslaafde die een andere verslaafde vindt met een overdosis zal twee dingen doen: de zakken van de arme drommel doorzoeken op geld, en daarna hard wegrennen. Misschien dat hij nog op de gedachte komt een ambulance te bellen, maar hij zal niet wachten om te kijken of er hulp voor het slachtoffer komt opdagen.
De politieagent was natuurlijk op de hoogte van het twijfelachtige verleden van de flats. Hij toonde zich heel begripvol.
‘Goed, meneer Bowen, ik weet genoeg. Ik denk niet dat we nog meer hoeven te weten voor het onderzoek, maar we bewaren uw gegevens voor het geval we nog vragen hebben,’ zei de agent.
We bleven nog even praten. Hij vertelde dat er een identiteitskaart was aangetroffen in de zakken van de junk, en ook wat medicatie waar zijn naam en adres op stond. Hij bleek een dag verlof te hebben van de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis.
Tegen de tijd dat ik de politie uitgeleide deed naar de gang, was het daar helemaal opgeruimd. Het leek wel of er niets was gebeurd. Er hing een doodse stilte in het flatgebouw. Blijkbaar waren er geen andere bewoners thuis.
De stilte greep me bij de keel, en ik kon mijn emoties niet langer tegenhouden. Ik liep mijn flat in en barstte in tranen uit. Toen belde ik Belle. Ik vroeg haar of ze die avond kon komen, omdat ik gezelschap nodig had.
Dat deed ze. We bleven op tot ver na middernacht en dronken een paar biertjes te veel. Ik kon het beeld van de man die in elkaar zakte niet uit mijn hoofd krijgen.

Dagenlang verkeerde ik in een lichte shock. Ik was overstuur door het feit dat die arme kerel op zo’n nare manier was doodgegaan. Hij had zijn laatste minuten doorgebracht op de grond van een anoniem flatgebouw, in het gezelschap van een volslagen vreemde. Zo hoort het niet te gaan in het leven. Hij was iemands zoon, misschien iemands broer of zelfs iemands vader geweest. Hij had bij hen moeten zijn, of bij zijn vrienden. Waar waren ze? Waarom hadden ze niet voor hem gezorgd? Ik vroeg me ook af hoe het in hemelsnaam mogelijk was dat hij toestemming had gekregen om de psychiatrische afdeling te verlaten terwijl hij zo kwetsbaar was.
Maar het hardst was ik getroffen door het besef dat ik zelf die man had kunnen zijn. Het klinkt misschien een tikje overdreven, maar ik weet nog dat ik mezelf vergeleek met Scrooge uit het kerstverhaal van Dickens, die bezocht werd door de geest uit zijn niet-zo-verre verleden.
Ik had bijna tien jaar lang op dezelfde manier geleefd. Ik was ook een geestverschijning geweest, had me verstopt in trappenhuizen en steegjes, verloren in mijn heroïneverslaving. Ik herinnerde me natuurlijk geen echte details. Grote stukken van mijn leven van toen waren één grote waas. Maar ik ben er zeker van dat er tientallen – misschien wel honderden – gelegenheden waren geweest waarop ik eenzaam had kunnen sterven in een uithoek van Londen, ver bij mijn ouders, familie en vrienden vandaan, van wie ik mezelf had afgesneden.
Nu ik erover nadacht, kon ik eigenlijk niet geloven dat ik op die manier had geleefd. Was ik echt zo diep weggezakt? Had ik mezelf die dingen allemaal aangedaan? Ik kon me nauwelijks voorstellen hoe ik ooit in staat was geweest een naald in mijn eigen vlees te steken, soms wel vier keer per dag. Het leek onwerkelijk, hoewel ik wist dat het de werkelijkheid was. Ik droeg er nog steeds de littekens van; ik hoefde maar naar mijn armen en benen te kijken om ze te zien.
Ze herinnerden me eraan hoe kwetsbaar mijn situatie nog steeds was. Een verslaafde leidt een onzeker bestaan. Ik zou altijd een afhankelijke persoonlijkheid hebben en een bepaalde aanleg bezitten die me vatbaar maakte voor destructief gedrag. Er was maar één moment van zwakte nodig of ik zou weer de verkeerde kant op gaan, en dat maakte me bang. Maar het gaf me ook de vastberadenheid om door te gaan met mijn ‘langzame landing op aarde’. Ik wilde niet die anonieme man op de trap worden. Ik moest verder.
