De Rijke Berg van Potosí, wat aan lager wal geraakt, is nu eigendom van een onderneming in Londen, de spookachtige Potosí, La Paz and Peruvian Mining Association. Zoals meer gebeurt met waanvoorstellingen op het hoogtepunt van de speculatiekoorts is de naam langer dan het kapitaal: de onderneming kondigt een miljoen pond aan, maar brengt er vijftigduizend bij elkaar.

 

 

De vervloeking van de zilverberg

 

Weinig zilver geeft Potosí, dat zoveel zilver heeft gegeven. De berg wil niet.

Gedurende meer dan twee eeuwen heeft de berg in zijn binnenste de Indianen horen kreunen. De Indianen, de veroordeelden van de mijngangen, smeekten hem zijn aders uit te putten. En tenslotte vervloekte de berg de hebzucht.

Sindsdien kwamen er ’s nachts geheimzinnige karavanen muildieren, die de berg in gingen en heimelijk vrachten zilver meenamen. Niemand kon hen zien, niemand kon hen betrappen, en de berg werd elke nacht leger.

Wanneer een muildier een poot brak, omdat het gewicht van het erts te zwaar was, liep er ’s morgens vroeg een kreupele kever moeizaam over de weg.

 

 

1826 Chuquisaca

Bolívar en de Indianen

 

In de Spaanse koloniën in Amerika zijn de wetten nooit nageleefd. Goed of slecht, in de realiteit hebben de wetten nooit bestaan, noch de vele koninklijke decreten die de Indianen beschermden en die door zich te herhalen hun onmacht toegaven, noch de voorschriften die de vestiging van joden of de circulatie van romans verboden. Deze traditie verhindert niet dat de ontwikkelde creolen, generaals of advocaten, geloven dat de Grondwet het onfeilbare drankje is voor het algemeen geluk.

Simón Bolívar zet met grote ijver grondwetten in elkaar. Nu biedt hij de Kamer van Afgevaardigden een ontwerp-Grondwet aan voor de nieuwe republiek die zijn naam draagt. Volgens de tekst zullen er in Bolivia een president voor het leven en drie wetgevende kamers zijn: één voor de tribunen, één voor de senatoren en één voor de censoren, die enige overeenkomst vertoont, zegt Bolívar, met die van de areopagus in Athene en die van de censoren in Rome.

Zij die niet kunnen lezen hebben geen stemrecht. Dat wil zeggen dat slechts een selecte groep mannen stemrecht zal hebben. Bijna alle Bolivianen spreken Quechua of Aymara, zijn onbekend met de Spaanse taal en kunnen niet lezen.

Evenals in Colombia en Peru heeft Bolívar in het nieuwe land de afschaffing van de inheemse schatting en van de dwangarbeid door de Indianen verordend en heeft hij bepaald dat de grond van de gemeenschappen in individuele percelen moet worden verdeeld. En opdat de Indianen, de overgrote meerderheid van het land, het Europese licht van de Beschaving kunnen ontvangen, heeft Bolívar zijn oude leermeester, Simón Rodrfguez, naar Chuquisaca gehaald met de opdracht scholen te stichten.

 

1826 Chuquisaca

Die vervloekte scheppende verbeelding

 

Simón Rodríguez, de leermeester van Bolívar, is naar Amerika teruggekeerd. Een kwart eeuw was hij aan de andere kant van de zee. Daar was hij de vriend van socialisten in Parijs, Londen en Genève, werkte hij met de typografen in Rome en met de scheikundigen in Wenen, en zelfs onderwees hij het alfabet in een dorpje in de Russische steppen.

Na de lange welkomstomhelzing benoemt Bolívar hem tot directeur opvoeding in het pas gestichte land.

Met een modelschool in Chuquisaca begint Simón Rodríguez aan zijn taak tegen de leugens en de door de traditie geheiligde angsten.

De kwezels gillen, de professoren krassen en de honden huilen over liet schandaal. Afgrijzen: de gek Rodríguez stelt zich voor de kinderen van goede afkomst te vermengen met de jonge mestiezen

die tot gisteravond op straat liepen. Wat wil hij eigenlijk? Dat de weeskinderen hem naar de hemel dragen? Of brengt hij hen op het slechte pad zodat zij hem naar de hel zullen vergezellen? In de lokalen wordt geen cathechismus gehoord, geen kerklatijn, geen grammaticaregels, maar een lawaai van zagen en hamers dat onverdraaglijk is voor de oren van paters en pruladvocaten die in de afschuw voor handenarbeid zijn opgevoed. Een school voor hoeren en dieven! Degenen die menen dat het lichaam een schuld is en de vrouw een ornament schreeuwen moord en brand: op de school van Don Simón zitten jongens en meisjes naast elkaar, allemaal dicht tegen elkaar aan, en, wat helemaal het toppunt is, zij leren al spelend.

De prefect van Chuquisaca leidt de campagne tegen de wellusteling die gekomen is om de moraal van de jeugd de corrumperen. Korte tijd later verlangt maarschalk Sucre, president van Bolivia, van Simón Rodriguez dat hij zich terugtrekt, omdat hij zijn rekeningen niet met de vereiste uitvoerigheid heeft ingediend.

 

 

De ideeën van Simón Rodríguez:

‘Om de mensen te leren denken’

 

De auteur wordt voor gek versleten. Laat hem zijn gekheden overdragen aan de ouders die nog geboren moeten worden.

Iedereen dient zonder onderscheid naar ras of kleur te worden opgevoed. Laten wij onszelf niets wijsmaken: zonder opvoeding van het volk zal er geen werkelijke maatschappij zijn.

Onderrichten is niet opvoeden. Onderricht, en u krijgt mensen die weten, voed op, en u krijgt mensen die doen.

Uit het hoofd laten opzeggen wat men niet begrijpt is papegaaien maken. Laat een kind in geen enkel geval iets doen wat niet zijn ‘omdat’ meekrijgt. Wanneer het kind gewend is de opdrachten die het ontvangt altijd door de reden gesteund te zien, mist het die wanneer het die niet ziet en vraagt er naar door te zeggen: ‘Waarom?’ Leer de kinderen een vraagal te zijn, zodat zij, door naar het waarom van wat men hen laat doen te vragen, er aan gewend raken de reden te gehoorzamen en niet de autoriteit, zoals de beperkten, noch de gewoonte zoals de dommen.

Op school moeten jongens en meisjes samen leren. Ten eerste omdat de mannen daardoor van jongs af aan de vrouwen leren respecteren, en ten tweede omdat de vrouwen leren niet bang te zijn voor de mannen.

De jongens moeten de drie voornaamste ambachten leren: metselen, timmeren en smeden, omdat met klei, hout en metaal de meest noodzakelijke dingen worden gemaakt. De vrouwen moeten onderricht en vaardigheid worden gegeven, opdat zij zich niet door de nood gedwongen prostitueren noch van het huwelijk een speculatie maken om hun bestaan te verzekeren. Wie niet weet wordt door iedereen bedrogen. Wie niet heeft wordt door iedereen gekocht.

 

 

1826 Buenos Aires

Rivadavia

 

Op de rug van de kloof van de Plata, boven de modderige kust van de rivier, verheft zich de havenstad die de rijkdom van het hele land naar zich toe trekt.

In het Coliseo in Buenos Aires bezet de Britse consul de loge van de onderkoning van Spanje. De creoolse patriciërs gebruiken Franse woorden en Engelse handschoenen en zo bewegen zij zich in het onafhankelijke leven.

Vanaf de Thames stroomt de stortvloed van goederen die op Argentijnse mallen in Yorkshire of Lancashire zijn gemaakt. In Birmingham wordt tot in de details de traditionele koperen ketel voor het koken van het maté-water nagemaakt, en worden houten stijgbeugels, met ijzeren ballen versterkte vanglijnen en lasso’s in de nationale trant geproduceerd. De werkplaatsen en weefgetouwen in de provincies kunnen niet tegen die aanval op. Eén enkel schip brengt twintigduizend paar laarzen tegen een uitverkoopprijs en een poncho uit Liverpool is vijf keer zo goedkoop als een uit Catamarca. De Argentijnse bankbiljetten worden in Londen gedrukt en de Nationale Bank, met een meerderheid van Britse aandeelhouders, monopoliseert de uitgifte. Via deze bank opereert de River Plate Mining Association, die Bernardino Rivadavia een jaarsalaris van twaalfhonderd pond betaalt.

Vanuit een zetel die heilig zal zijn verveelvoudigt Rivadavia de staatsschuld en de openbare bibliotheken. De ontwikkelde jurist uit Buenos Aires, die in een door vier paarden getrokken koets rondrijdt, zegt president te zijn van een land dat hij niet kent en minacht.

Buiten de muren van Buenos Aires wordt hij door dat land gehaat.

 

 

1826 Panama

Vaderlanden die eenzaamheden zijn

 

De pasgeborene sprak zijn eerste woorden. Het waren ook zijn laatste. Van de naar de doop genodigden kwamen er slechts vier naar Panama en in plaats van een doopsel was er een heilig oliesel. De pijn, de pijn van een vader, doet het gezicht van Bolívar ineenkrimpen. De vrome woorden en condoleances klinken hem hol in de oren.

De klokken luiden voor de eenheid van Spaans Amerika.

Bolívar had de nieuwe vaderlanden opgeroepen zich onder Engelse bescherming tot één enkel vaderland te verenigen. De Verenigde Staten noch Haïti had hij uitgenodigd, omdat zij vreemd zijn aan onze Amerikaanse regelingen, maar hij wilde dat Groot-Brittannië deel zou uitmaken van de Spaans-Amerikaanse bond om deze te verdedigen tegen de Spaanse herovering.

Londen heeft geen enkel belang bij de eenheid van zijn nieuwe domeinen. Het congres in Panama heeft niets anders dan stichtelijke verklaringen voortgebracht, omdat de oude onderkoninkrijken nieuwe landen hebben voortgebracht, die aan het nieuwe overzeese imperium gebonden en onderling gescheiden zijn. De koloniale economie, mijnen en plantages die voor het buitenland produceren en steden die het warenhuis boven de fabriek verkiezen, schept geen ruimte voor een grote natie maar voor een archipel. De onafhankelijke landen zijn bezig uiteen te vallen, terwijl Bolívar droomt van het grote vaderland. Zij hebben geen enkele onderlinge handelsovereenkomst getekend, maar worden overstroomd door Europese goederen en bijna allen, hebben zij de leer van de vrijhandel gekocht, die het belangrijkste Engelse exportprodukt is.

In Londen toont Eerste Minister George Canning zijn trofee aan het Lagerhuis.

 

 

1826 Londen

Canning

 

De parel aan de kroon spreekt. De burgerman George Canning, hoofd van de Britse diplomatie, zet tegenover het Lagerhuis de kroon op zijn werk. Canning spreidt zijn armen, zijn valkevleugels: ‘Ik riep de Nieuwe Wereld tot leven,’ verkondigt de architect van het imperium, ‘om de balans van de Oude in evenwicht te brengen.’

In een hoek klinkt een spottend lachje. Er volgt een lange stilte. In het duister heft Canning zijn spookachtig profiel en dan barst de grootste ooit in deze zaal gehoorde ovatie los.

Engeland is de as van de planeet. Lord Castlereagh had veel voor de vestiging van het imperium gedaan tot hij op een avond, gekweld, zijn keel opensneed. Nauwelijks was hij aan de macht gekomen of Canning, de opvolger van Castlereagh, kondigde aan dat het tijdperk van de heren voorbij was. De militaire roem moest plaats maken voor de diplomatieke sluwheid. De smokkelaars hadden meer voor Engeland gedaan dan de generaals, en de tijd was gekomen dat de kooplieden en de bankiers de werkelijke gevechten om de overheersing van de wereld moesten winnen.

Het geduld van de kat bereikt meer dan de woede van de tijger.

 

 

1828 Bogotá

Hier wordt zij gehaat

 

Zonder hun stem te laten zakken noemen ze haar de Vreemdelinge of Mesalina en fluisterend geven ze haar lelijker namen. Ze zeggen dat Bolívar om haar zwaarmoedig van schaduwen en doorgroefd met rimpels is en dat zij zijn talenten in bed verteert.

Manuela Sáenz heeft met de lans gevochten in Ayacucho. De snor die zij een vijand ontrukte was de talisman van het patriottische leger. Toen Lima tegen Bolívar in opstand kwam, vermomde zij /ich als man en ging de kazerne langs met een pistool en een geldbuidel. Hier, in Bogotá, wandelt zij in kapiteinsuniform en geëscorteerd door twee negerinnen in huzarenuniform onder de kersebomen. Een paar avonden geleden, op een feest, stelde zij tegen de muur een lappenpop terecht onder een bord waarop te lezen stond:

Francisco de Paula Santander sterft als verrader.

Santander is tijdens de jaren van oorlog in de schaduw van Bohvar groot geworden: het was Bohvar die hem tot vice-president benoemde. Nu zou hij de monarch zonder kroon op een gemaskerd bal of door een verraderlijke overval willen vermoorden.

Met de lantaarn in zijn hand heft de nachtwacht van Bogotá zijn laatste roep aan. Hij krijgt antwoord van de kerkklokken, die de Duivel verschrikken en oproepen zich te ruste te begeven.

Er klinken schoten, wachters vallen. De moordenaars rennen de trap op. Dankzij Manuela, die met leugens hun aandacht afleidt, kan Bohvar door het raam ontsnappen.

 

 

1828 Bogotá

Uit de brief van Manuela Sáenz

aan haar echtgenoot, James Thorne

 

Nee, nee, niet meer, man, alstublieft! Waarom dwingt u mij te schrijven en zo mij niet aan mijn beslissing te houden? Kom, wat bereikt u er anders mee dan mij het verdriet aan te doen iedere keer nee tegen u te zeggen? Mijnheer, u bent voortreffelijk, u bent onnavolgbaar, ik zal nooit iets anders zeggen dan wat u bent. Maar, mijn vriend, u voor generaal Bolívar verlaten is iets, een andere echtgenoot zonder uw kwaliteiten verlaten zou niets zijn. ...Ik weet heel goed dat niets mij aan hem kan binden in het teken van wat u eer noemt. Acht u mij minder rechtschapen omdat hij mijn minnaar en niet mijn echtgenoot is? Ah! Ik leef niet van de sociale bekommernissen, die zijn uitgevonden om elkaar te kwellen.

Laat mij met rust, mijn lieve Engelsman. Wij zullen iets anders doen: in de hemel zullen wij weer trouwen, maar op aarde niet... Daar zal alles op zijn Engels zijn, want het eentonige leven is aan uw natie voorbehouden (in de liefde bedoel ik, want in al het andere, wie zijn bekwamer in de handel en de zeevaart?). De liefde past u zonder genietingen, de conversatie zonder geestigheid, de wandeling in alle kalmte, de begroeting met een buiging, het opstaan en gaan zitten met zorg, de scherts zonder lach. Dit zijn goddelijke formaliteiten, maar ik, armzalige sterveling, die om mijzelf, om u en om deze Engelse zwarigheden lacht, hoe slecht zou het mij in de hemel vergaan!...

 

 

1829 Corrientes

Bonpland

 

Hij ontdekte Amerika over negenduizend mijl en in zestigduizend plantjes. Toen hij naar Parijs was teruggekeerd, miste hij Amerika. Door de openbaring van zijn heimwee besefte Aimé Bonpland dat hij dezelfde aarde toebehoorde als de wortels en de bloemen die hij had verzameld. Die aarde riep hem zoals Europa hem nooit had geroepen en voor haar stak hij opnieuw de zee over.

Hij was professor in Buenos Aires en arbeider op de maté-plantages van de Boven-Paraná. Daar werd hij verrast door de soldaten van Claspar Rodriguez de Francia, de Opperste en Bestendige Dictator van Paraguay. Zij ranselden hem af en namen hem in een kano stroomopwaarts mee.

Negen jaar heeft hij in Paraguay gevangen gezeten. Omdat hij een spion is, zegt men dat dictator Francia heeft gezegd, die doormiddel van terreur en mysterie regeert. Koningen, keizers en presidenten sprongen in de bres voor de vrijheid van de beroemde geleerde, maar noch diplomatieke stappen of missies, noch smeekbeden of bedreigingen haalden iets uit.

De dictator had hem veroordeeld op een dag met noordenwind, een wind die zijn hart verbittert. Op een dag met zuidenwind besluit hij hem in vrijheid te stellen. Omdat Bonpland niet weg wil, zet de dictator hem het land uit.

Bonpland had niet in een cel gevangen gezeten. Hij bewerkte akkers, die hem katoen, suikerriet en sinaasappels gaven, en hij had een distilleerderij, een timmerwerkplaats en een ziekenhuis opgericht.

Hij hielp bij de bevallingen van vrouwen en koeien in de hele streek rii gaf onfeilbare stroopjes tegen de reumatiek en de koorts weg. Paraguay hield van zijn barrevoetse gevangene met zijn losse hemd, deze zoeker naar zeldzame planten, deze man van tegenspoed die zoveel voorspoed geeft. En nu gaat hij weg omdat de soldaten hem gevankelijk meenemen.

Hij is de grens nog niet over of op Argentijns grondgebied worden zijn paarden gestolen.

 

 

1829 Asunción in Paraguay

Francia, de Opperste

 

Er zijn geen dieven in Paraguay, behalve onder de grond, en geen rijken en geen bedelaars. Op de klanken van de trommel, niet van de bel, gaan de kinderen naar school. Hoewel iedereen kan lezen, bestaat er geen enkel drukwerk, niet één bibliotheek, noch ontvangt men uit het buitenland enig boek, dagblad of tijdschrift en het postwezen is opgeheven omdat er geen gebruik van wordt gemaakt. Stroomopwaarts ingesloten door de natuur en de buren is het land voortdurend op zijn hoede voor de uithaal van Argentinië of Brazilië. Om de Paraguyanen hun onafhankelijkheid te laten berouwen heeft Buenos Aires hen van de zee afgesneden. Hun schepen liggen aan de kade te rotten, maar verarmend volharden zij in hun waardigheid. Waardigheid, nationale eenzaamheid: verheven boven de uitgestrekte oeverlanden regeert en waakt Gaspar Rodriguez de Francia. De dictator leeft alleen en alleen eet hij het brood en het zout van zijn land van borden die eerst door de honden worden geproefd.

Alle Paraguyanen zijn spionnen of worden bespioneerd. Heel vroeg in de ochtend, terwijl hij het scheermes aanzet, brengt Alejandro, de barbier, de Opperste het eerste rapport van de dag uit over geruchten en samenzweringen. Wanneer de nacht reeds is aangebroken vangt de dictator sterren met zijn telescoop en ook die vertellen hem wat de vijanden tegen hem aan het beramen zijn.

 

 

1829 Rio de Janeiro

De sneeuwbal van de buitenlandse schuld

 

Zeven jaar geleden riep prins Pedro zich uit tot keizer van Brazilië. Aan de deur van de Britse bankiers kloppend trad het land in het onafhankelijke leven: koning Juan, de vader van Pedro, had de bank geplunderd en de voorraad goud en zilver tot de laatste gram naar Lissabon meegenomen. Spoedig arriveerden de eerste miljoenen pond sterling uit Londen. Als waarborg werden de douanerechten verhypothekeerd en de binnenlandse bemiddelaars ontvingen twee procent van iedere lening.

Nu is Brazilië het dubbele schuldig van wat het heeft ontvangen en de schuld rolt en groeit als een sneeuwbal. De schuldeisers zijn de baas en iedere Braziliaan wordt met een schuld geboren.

In een plechtige toespraak onthult keizer Pedro dat de schatkist uitgeput is, in ellendige staat, en dat het land wordt bedreigd door een totale ineenstorting. Echter, hij kondigt de redding aan: de keizer heeft besloten maatregelen te nemen die in één klap de oorzaak van de bestaande rampspoed zullen wegnemen. En hij legt uit welke radicale maatregelen dat zijn: zij bestaan uit nieuwe leningen die Brazilië van de huizen Rothschild en Wilson te Londen hoopt te krijgen tegen een hoge maar fatsoenlijke rente.

Intussen melden de kranten dat talloze feesten in voorbereiding zijn om het huwelijk van de keizer met prinses Amelia te vieren. De advertenties in de kranten bieden negerslaven te koop of te huur aan, zojuist uit Europa aangekomen kazen en piano’s, jassen van fijn Engels laken en wijnen uit Bordeaux. Het Hotel do Globo in de Quitanda-straat zoekt een blanke, buitenlandse kok, die niet drinkt en geen sigaren rookt, en in de Ouvidor-straat 76 zoekt men een dame die Frans spreekt om een blinde te verzorgen.

 

 

1830 De Magdalena

Het schip vaart naar zee

 

Groen land, zwart land. In de verte doet de nevel de bergen vervagen. De Magdalena neemt Simón Bolivar stroomafwaarts mee.

‘Nee. ’

In Lima wordt zijn Grondwet op straat verbrand door dezelfde mensen die hem een zwaard met diamanten hadden geschonken. Degenen die hem ‘Vader des Vaderlands’ noemden, verbranden zijn beeltenis in de straten van Bogotá. In Caracas wordt hij officieel tot ‘vijand van Venezuela’ verklaard. In Parijs nemen de artikelen die hem onteren in aantal toe en de vrienden die hem wisten op te hemelen, weten hem niet te verdedigen.

‘Ik kan niet.

Was dit de geschiedenis van de mensen? Deze doolhof, dit loze schaduwspel? Het Venezolaanse volk vervloekt de oorlogen, die het in verre streken de helft van zijn zonen hebben ontrukt en het er niets voor hebben teruggegeven. Venezuela maakt zich los van Groot-Colombia en Ecuador trekt zich eveneens terug, terwijl Bolivar onder een smerig zonnescherm ligt op het schip dat de rivier de Magdalena afvaart in de richting van de zee.

‘Ik kan niet meer.’

Ondanks de wetten zijn de negers in Venezuela nog steeds slaven. In Colombia en in Peru worden de wetten, die zijn uitgevaardigd om de Indianen te beschaven, gebruikt om hen van hun grond te beroven. De schatting, een koloniale belasting die de Indianen betalen omdat zij Indianen zijn, is in Bolivia weer ingesteld.

Was dit dan de geschiedenis? Alle grootsheid vergaat tot dwergformaat. Over de schouder van iedere belofte loert het verraad. Hoogstaande mannen veranderen in vraatzuchtige grootgrondbezitters. De zonen van Amerika vermorzelen elkaar. Sucre, de uitverkorene, de erfgenaam die aan het gif en de dolk was ontkomen, valt op weg naar Quito, in de bossen door een kogel neergelegd.

Ik kan niet meer. We gaan.

In de rivier glijden kaaimannen en boomstammen voorbij. Bolivar, gele huid, ogen zonder licht, rillend, ijlend, vaart de Magdalena af naar zee, naar de dood.

 

 

1830 Maracaibo

De gouverneur maakt bekend:

 

...Bolívar, de genius van het kwaad, de toorts van de anarchie, de onderdrukker van zijn vaderland, heeft opgehouden te bestaan.

 

 

1830 La Guaira

Divide et impera

 

De Noordamerikaanse consul in La Guaira, J.G. Williamson, profeet en protagonist van de desintegratie van Groot-Colombia, heeft een trefzeker rapport naar het State Department verstuurd. Een maand van tevoren kondigde hij de afscheiding van Venezuela aan en het einde van de douanerechten, die de Verenigde Staten niet schikken.

Simón Bolivar is op 17 december gestorven. Op een andere 17de december, elf jaar geleden, had hij Groot-Colombia gevormd, dat was ontstaan uit het samengaan van Colombia en Venezuela en waarbij zich later Ecuador en Panama hadden gevoegd. Groot-Colombia is met hem gestorven.

Een andere Noordamerikaanse consul, William Tudor, heeft er vanuit Lima toe bijgedragen het web te weven van de samenzwering tegen het Amerikaanse project van Bolivar, de gevaarlijke gek uit Colombia. Niet alleen Bolivars strijd tegen de slavernij, een slecht voorbeeld voor het zuiden van de Verenigde Staten, baarde Tudor zorgen, maar ook, en vooral, de buitensporige uitbreiding van het van Spanje bevrijde Amerika. Zeer terecht heeft de consul gezegd dat Engeland en de Verenigde Staten gemeenschappelijke en krachtige redenen van staatsbelang hebben tegen de ontwikkeling van een nieuwe mogendheid. Intussen voer de Britse admiraal Flemming heen en weer tussen Valencia en Cartagena om de scheiding aan te moedigen.

 

 

1830 Montevideo

Schoolplaten: De Eed van trouw aan de Grondwet

 

De Engelse regering, had lord John Ponsonby gezegd, zal nooit toestaan dat slechts twee staten, Brazilië en Argentinië, de exclusieve beheersers zijn van de oostkust van Zuid-Amerika.

Onder invloed en bescherming van Londen wordt Uruguay een onafhankelijk land. De meest opstandige provincie van Rio de la l’lata, die de Brazilianen van haar grond heeft verdreven, rukt zich los van de oude stam en begint een eigen leven. De havenstad Buenos Aires is tenslotte bevrijd van de nachtmerrie van deze onhandelbare grasvlakte, waar Artigas in opstand kwam.

In de Matriz-kerk in Montevideo draagt pater Larrañaga een lofzang van dankzegging aan God op. Het vrome vuur straalt van het gezicht van de priester, zoals bij dat andere Te Deum dat hij enkele laren geleden van dezelfde kansel ter ere van de Braziliaanse indringers opdroeg.

De Grondwet wordt ingezworen voor de balkons van het gemeentehuis. De dames, die in de wetten niet bestaan, wonen de juridische inwijding van het nieuwe land bij alsof die taak op hen rustte: met de ene hand ondersteunen zij hun reusachtige sierkammen, die op winderige dagen gevaarlijk zijn, en met de andere houden zij de met patriottische motieven beschilderde waaiers open voor de borst. De hoge stijve boorden verhinderen de heren hun blik te laten afdwalen. Op het plein weerklinkt bepaling na bepaling, de Magna Charta over een zee van hoge hoeden. Volgens de Grondwet van de nieuwe republiek zullen de mannen die zich hebben blootgesteld aan de Spaanse, Argentijnse en Braziliaanse kogels, geen burgers zijn. Uruguay is niet gemaakt voor arme gaucho’s, noch voor Indianen, die worden uitgeroeid, noch voor negers, wie nog steeds niet is verteld dat een wet hen heeft bevrijd. Wie bediende, werkman of gemeen soldaat is, zwerver, dronkaard of analfabeet, zal niet kunnen stemmen of een openbaar ambt bekleden, zegt de Grondwet.

’s Avonds loopt het Coliseo vol. Daar wordt de première gegeven van Het gelukkige bedrog of de triomf van de onschuld van Rossini, de eerste volledige opera die in deze stad wordt gezongen.

 

 

1830 Montevideo

Het Vaderland of het Graf

 

De eerste dichter van de Uruguyaanse Parnassus, Francisco Acuña de Figueroa, betrad het gebied van de letteren met de compositie van een ode in stanza’s aan de militaire glorie van Spanje. Toen de gaucho’s van Artigas Montevideo innamen, vluchtte hij naar Rio de Janeiro. Daar droeg hij zijn lofrijmen aan de Portugese prins en aan het hele hof op. Nog steeds met de lier op de rug keerde Don Francisco in het voetspoor van de Braziliaanse indringers naar Montevideo terug, en werd er de lyrische dichter van de bezettingstroepen. Jaren later, op de dag na de verdrijving van de Braziliaanse troepen, bliezen de muzen Don Francisco patriottische tienlettergrepige verzen in het oor, lauwertakken van woorden om de slapen van de helden van de onafhankelijkheid te omkransen. En nu schrijft de reptielachtige dichter het volkslied van het pasgeboren land. Wij Uruguyanen zullen voor altijd gedwongen zijn staande naar zijn verzen te luisteren.

 

 

1832 Santiago de Chile

Nationale industrie

 

Ook in Chili gaan de heren gekleed en dansen zij volgens de Franse mode, imiteren zij Byron bij het knopen van hun das en gehoorzamen zij aan tafel de Franse kok. De thee drinken zij op zijn Engels en de borrel op zijn Frans.

Toen Vicente Pérez Rosales zijn brandewijnfabriek vestigde, kocht bij in Parijs de beste distilleertoestellen en een flinke voorraad etiketten met gouden arabesken en sierlijke letters: Old Champagne Cognac. Bij de deur van zijn kantoor liet hij een groot bord schilderen:

 

RECHTSTREEKSE
IMPORT

 

De smaak was niet tip-top, meer zo-zo, maar niemand hield er een maagzweer aan over. De zaak liep voortreffelijk en de fabriek kon de omzet nauwelijks aan, maar Don Vicente kreeg een aanval van patriottisme en besloot dat hij niet langer in een staat van verraad kon leven.

‘Onze goede naam komt uitsluitend Chili toe. ’

Hij gooide de Europese etiketten in het vuur en bij zijn deur kwam een ander, nog groter bord:

 

NATIONAAL
FABRIKAAT

 

De flessen dragen nu een nieuw jasje, hier gedrukte etiketten, waarop staat: Chileense cognac.

Er wordt er niet één verkocht.

 

 

Geroep op de markt van Santiago de Chile

 

'Anjers en basilicum voor de kleine meid!

‘W A AAAAAAFELS! ’

‘Mooie knopen, een kwartje het kaartje!’

‘Zwaaaaavelstokjes! ’

‘Riemen, riemen voor de singel, neusriemen zo zacht als een handschoen!’

‘Een aalmoes, om Godswil?’

‘Rundvlees!’

‘Een aalmoes voor een arme blinde?

‘BEEEEEEZEMS. HET ZIJN DE LAATSTE!’

‘Koopjes, koopjes!’

‘Wonderpenningen! Per stuk of in het groot. ’

‘Lekkere brandewijnkoek!’

‘Messen voor uw eigen veiligheid!’

‘SCHAAAAARENSLIEP! ’

‘Aan wie verkoop ik deze mooie strik?’

‘Lekker brood!’

‘Eén belletje heb ik nog maar!’

‘SAPPIGE WATERMELOENEN!’

‘Lekker brood door kuise vrouwenhand gekneed!

‘WATERMELOENEN! ’

‘Lekker warm brood!’

 

 

1833 Arequipa

De lama’s

 

Gelukkige schepsels,’ zegt Flora Tristán

Flora reist door Peru, het vaderland van haar vader, en in de bergen ontdekt zij het enige dier dat de mens niet heeft kunnen verloederen.

De zachte lama’s zijn vlugger dan de muildieren en gaan hoger. Zij verdragen kou, vermoeidheid en zware lasten. In ruil voor niets geven zij de Indiaan van de bergen vervoer, melk, vlees, en de schone glanzende zijde die hun lichamen bedekt. Maar zij laten zich nooit vastbinden of slecht behandelen en nemen geen bevelen aan. Wanneer zij hun koninklijke gang onderbreken, smeekt de Indiaan hun weer te gaan lopen. Indien iemand hen slaat, beledigt of bedreigt, gaan de lama’s liggen: zij rekken hun nek, richten hun ogen, de mooiste ogen van de schepping, ten hemel en gaan zachtjes dood.

Gelukkige schepsels, ’ zegt Flora Tristán.

 

 

1833 San Vicente

Aquino

 

Het hoofd van Anastasio Aquino valt in de mand van de beul.

Hij ruste in oorlog. De aanvoerder van de Indianen van El Salvador had drieduizend lansen tegen de dieven van de grond bijeengebracht. Hij overwon de musketgeweren, die met de vuurpunt van de sigaar werden afgeschoten, en kleedde op het hoofdaltaar van een kerk Jozef uit. Bedekt met de mantel van de vader van Christus vaardigde hij wetten uit opdat de Indianen nooit meer slaaf, soldaat, hongerlijder of dronkaard zouden zijn. Maar er kwamen meer troepen en hij moest een schuilplaats in de bergen zoeken. Zijn plaatsvervanger, Rinkelbel genoemd, leverde hem aan de vijand uit.

‘Ik ben nu een tijger zonder nagels of klauwen,’ zei Aquino toen hij zich zo in voetboeien en ketenen vastgebonden zag, en hij biechtte aan pater Navarro dat hij in zijn hele leven alleen bang was geweest voor de woede of de tranen van zijn vrouw.

‘Ik ben klaar om blindemannetje te spelen, ’ zei hij toen ze een doek voor zijn ogen bonden.

 

 

1834 Parijs

Tacuabé

 

Op de punten van de Queguay heeft de cavalerie van generaal Rivera met welgerichte schoten het beschavingswerk voltooid. Er is geen enkele levende Indiaan meer in Uruguay.

De regering schenkt de laatste vier Charrua-Indianen aan de Academie van Natuurwetenschappen te Parijs. Zij worden in het ruim van een schip verzonden, als bagage, tussen de andere pakken en koffers.

Het Franse publiek betaalt entree om de wilden te zien, zeldzame exemplaren van een uitgestorven ras. De wetenschapsmensen noteren gebaren, gewoonten en antropometrische maten. Uit de vorm van de schedels leiden zij het gering verstand en het gewelddadige karakter af.

Binnen enkele maanden laten de Indianen zichzelf doodgaan. De academici betwisten elkaar de lijken.

Alleen de strijder Tacuabé blijft leven. Hij vlucht met zijn pasgeboren dochtertje en bereikt op onnaspeurlijke wijze de stad Lyon, waar hij verdwijnt.

Tacuabé was degeen die muziek maakte. Dat deed hij in het museum, wanneer het publiek de zaal verliet. Hij wreef met een in speeksel natgemaakt stokje over zijn boog en ontlokte zachte trillingen aan de paardeharen snaar. De Fransen, die van achter de gordijnen naar hem gluurden, vertellen dat hij zachte, gedempte, bijna onhoorbare geluiden voortbracht, alsof hij in het geheim zat te praten.

 

 

1834 Mexico Stad

Liefhebben is geven

 

Een kalebas vol azijn houdt achter de deur de wacht. Op ieder altaar smeken ontelbare kaarsen. De artsen schrijven aderlatingen en uitroking met chloride voor. Gekleurde vlaggen geven de huizen aan, waar de besmettelijke ziekte heeft toegeslagen. Sombere gezangen en akelige kreten wijzen op het voorbijgaan van de karren vol doden door de straten zonder mensen.

De gouverneur vaardigt een verordening uit die verschillende gerechten verbiedt. Volgens hem hebben de gevulde Spaanse pepers en de vruchten de cholera naar Mexico gebracht.

In de Espíritu Santo-straat snijdt een koetsier een enorme chirimoya open. Hij strekt zich op de bok uit om er op zijn gemak van te genieten. De uitroep van een voorbijganger doet zijn mond van verbazing openvallen:

‘Barbaar! Zie je dan niet dat je zelfmoord pleegt? Weet je niet dat die vrucht je naar je graf helpt?’

De koetsier aarzelt. Hij kijkt naar het sappige vruchtvlees zonder te kunnen beslissen er in te bijten. Tenslotte staat hij op, verwijdert zich een paar stappen en geeft de chirimoya aan zijn vrouw, die op de hoek zit.

Eet maar lekker op, schat. ’

 

 

1835 Galápagos Eilanden

Darwin

 

Zwarte heuvels rijzen uit de zee en uit de nevel op. Op de rotsen bewegen zich in siësta-ritme schildpadden zo groot als koeien, en er tussendoor glijden leguanen, draken zonder vleugels.

‘De hoofdstad van de hel,’ merkt de kapitein van de ‘Beagle’ op.

Zelfs de bomen voelen zich niet goed,’ bevestigt Charles Darwin, terwijl het anker valt.

Op deze eilanden, de Galapagos Eilanden, komt Darwin heel dicht bij de onthulling van het mysterie der mysteriën. Hier krijgt hij een vermoeden van de sleutels van het voortdurende transformatieproces van het leven op aarde. Hier ontdekt hij dat de vinken hun snavels hebben gespecialiseerd en dat de snavel die grote en harde zaden breekt de vorm van een notekraker heeft aangenomen en de snavel die de nectar uit de cactussen haalt de vorm van een pincet.

Hetzelfde is gebeurd, zo ontdekt Darwin, met de schilden en de halzen van de schildpadden, naar gelang zij op grondhoogte eten of de voorkeur geven aan hoger hangende vruchten.

Op de Galápagos Eilanden ligt de oorsprong van al mijn opvattingen, zal Darwin schrijven. Ik val van de ene verbazing in de andere, schrijft hij nu in zijn reisdagboek.

Toen de ‘Beagle’ vier jaar geleden uit een Engelse haven vertrok, geloofde Darwin nog letterlijk ieder woord van de Heilige Schrift.

Hij geloofde dat God in zes dagen de wereld had gemaakt zoals hij nu is en dat hij zijn werk, zoals aartsbisschop Usher verzekert, om negen uur in de ochtend van zaterdag 12 oktober van het jaar 4004 voor Christus had voltooid.

 

 

1835 Colombia

Texas

 

Vijftien jaar geleden trok een karavaan karren kreunend door de verlaten prairie van Texas en heetten de lugubere kreten van uilen ril coyotes hen onwelkom. Mexico stond land af aan de driehonderd families die met hun slaven en ploegen uit Louisiana waren gekomen. Vijf jaar geleden waren er al twintigduizend Noordamerikaanse kolonisten in Texas en hadden zij vele slaven gekocht in Cuba of in de kralen waar de heren uit Virginia en Kentucky negertjes mestten. De kolonisten hijsen nu een eigen vlag, de afbeelding van een beer, en weigeren belasting te betalen aan de Mexicaanse regering en zich aan de Mexicaanse wet te houden die de slavernij in het hele nationale grondgebied heeft opgeheven.

De vicepresident van de Verenigde Staten, John Calhoun, gelooft dat God de negers heeft geschapen om voor het uitverkoren volk hout te hakken, katoen te plukken en water te dragen. De textielfabrieken willen meer katoen en de katoen wil meer grond en meer negers. Er bestaan krachtige redenen, zei Calhoun een jaar eerder, waarom Texas deel moet uitmaken van de Verenigde Staten. Toen had president Jackson, die grenzen wegblaast met de longen van een atleet, zijn vriend Sam Houston al naar Texas gezonden.

De ruwe Houston baant zich overal een weg met zijn vuisten, benoemt zichzelf tot generaal van het leger en roept de onafhankelijkheid van Texas uit. De nieuwe staat, die spoedig een volgende ster op de vlag van de Verenigde Staten zal zijn, heeft meer grondgebied dan Frankrijk.

En de oorlog tegen Mexico breekt uit.

 

 

1836 San Jacinto

De vrije wereld groeit

 

Sam Houston biedt grond aan tegen vier cent de acre. De bataljons Noordamerikaanse vrijwilligers stromen over alle wegen toe en uit New York en New Orleans lopen de met wapens geladen schepen binnen.

De komeet had reeds onheil aangekondigd boven de hemel van Mexico. Daar keek niemand van op, want Mexico leeft in een staat van permanent onheil sinds de moordenaars Hidalgo en Morelos de onafhankelijkheid uitriepen om die voor zichzelf te houden.

De oorlog is van korte duur. De Mexicaanse generaal Santa Anna komt om te kelen en hij keelt en fusilleert in El Álamo, maar in San Jacinto verliest hij in een kwartier tijds vierhonderd man. Santa Anna levert Texas uit in ruil voor zijn leven en keert naar Mexico terug, vergezeld van zijn verslagen leger, zijn privé-kok, zijn zwaard van zevenduizend dollar, zijn ontelbare onderscheidingen en zijn wagon met vechthanen.

Generaal Houston viert zijn overwinning door zich tot president van Texas te laten beëdigen.

De Grondwet van Texas garandeert de meester het eeuwig recht op zijn slaven, omdat het wettig verkregen eigendommen betreft. Het gebied van de vrijheid uitbreiden was de leuze van de zegevierende troepen geweest.

 

 

1836 El Álamo

Portretten van de held in het grensgebied

 

Bij het uitbreken van de Texas-oorlog, toen de fortuin de Mexicaanse troepen nog toelachte, is kolonel Davy Crockett, door bajonetten doorboord, gevallen. Hij sneuvelde in fort El Álamo, samen met zijn bende heldhaftige struikrovers, en de aasgieren maakten een eind aan zijn geschiedenis.

De Verenigde Staten, die dik worden door het eten van grond van Indianen en Mexicanen, hebben een van hun helden van het verre westen verloren. Davy Crockett had een geweer dat Betsy heette en vijf beren per kogel doodde.

Crockett had heel goed de zoon van Daniël Boone kunnen zijn, de legendarische pionier van de vorige eeuw, een hele stoere, eenzame killer, die de beschaving haatte, maar in zijn bestaan voorzag door kolonisten neer te zetten op van zijn vrienden de Indianen gestolen grond. En hij had heel goed de vader van Natty Bumppo kunnen zijn, een romanheld die zo beroemd is dat hij al van vlees en bloed lijkt te zijn.

Sinds Fenimore Cooper De laatste der Mohikanen publiceerde, is Natty Bumppo, de ruwe, nobele jager, deel gaan uitmaken van het dagelijks leven van de Verenigde Staten. De natuur heeft hem alles geleerd wat hij van moraal weet en zijn energie komt uit de bergen en de bossen. Hij is lelijk, met één tand in de enorme mond, maar zonder iets daarvoor in ruil te verwachten beschermt hij de schone blanke maagden, die dankzij hem ongedeerd door het bosschage en het verlangen komen. Natty Bumppo looft de stilte met heel veel woorden en liegt niet wanneer hij zegt dat hij de dood

niet vreest, noch wanneer hij de Indianen bewondert terwijl hij ze met een melancholieke glimlach doodt.

 

 

1836 Hartford

De colt

 

Samuel Colt, ingenieur, registreert in Hartford, Connecticut, het patent op de revolving pistol die hij heeft uitgevonden. Het gaat om een pistool met een ronddraaiende trommel van vijf schoten, die vijf keer doodt in twintig seconden.

Uit Texas komt de eerste bestelling.

 

 

1837 Guatemala Stad

Morazán

 

Er steekt een storm van soutanes op. Rafael Carrera is de bliksem die vrees inboezemt en overal in Guatemala rollen de donderslagen. ‘Leve de godsdienst! Dood aan de buitenlanders! Dood aan Morazán! ’ Geen kaars die niet wordt aangestoken. De nonnen bidden zo snel dat zij in negen seconden negen novenen afwerken. De koren zetten met dezelfde vrome ijver het salve in als zij Morazán vervloeken. Francisco Morazán, president van Midden-Amerika, is de buitenlandse ketter die de mystieke furie heeft ontketend. Morazán, geboren in Honduras, heeft niet alleen de Middenamerikaanse provincies tot één natie verenigd. Hij heeft bovendien de graven en markiezen tot de categorie van gewone burgers teruggebracht en hij heeft openbare scholen opgericht, die dingen van de aarde onderwijzen en niets over de Hemel zeggen. Volgens zijn wetten is er geen kruis meer nodig voor het graf en geen pastoor voor het huwelijk, en niets onderscheidt het in het echtelijk bed verwekte kind van het kind dat zonder voorafgaand contract op het stro in de stal is gemaakt, zodat zowel de een als de ander erft. En het ergst van al: Morazán heeft de Kerk van de Staat gescheiden, hij heeft de vrijheid om te geloven of niet te geloven afgekondigd, hij heeft de tienden en de primeurs van de dienaren van de Heer afgeschaft en hij heeft hun grond te koop aangeboden.

De paters roepen luid dat Morazán de schuld is van de besmettelijke ziekte die Guatemala geselt. De cholera brengt de dood en vanaf de kansel worden hem de beschuldigingen naar het hoofd geslingerd: Morazán heeft het drinkwater vergiftigd, de Antichrist heeft een pact met de Duivel gesloten om hem de zielen van de doden te verkopen.

De bergdorpen komen tegen de gifmenger in opstand. Rafael Carrera, de varkensfokker die de opstand leidt, is iets meer dan twintig jaar en heeft al drie kogels in zijn lichaam. Hij wandelt rond met een verzameling scapulieren en medailles en met een groene twijg door zijn hoed.

 

 

1838 Buenos Aires

Rosas

 

Juan Manuel de Rosas, een groot temmer van veulens en mannen, is de leider van de velden van Río de la Plata. Hij speelt op de gitaar, danst graag en weet de geschiedenissen te vertellen die de grootste schrik of het meeste gelach rond de kampvuren opwekken, maar hij is van marmer gemaakt en zelfs zijn zonen noemen hem patroon. Hij laat de kokkin, die de kip heeft verknoeid, gevangen zetten en hijzelf laat zich geselen wanneer hij per ongeluk een van de door hem vastgestelde normen overtreedt.

Zijn estancia’s zijn de meest welvarende, zijn zouterijen het best georganiseerd. Rosas bezit het beste van de zee van grasland, die zich tussen de haven van Buenos Aires en de kampen van de Indianen uitstrekt.

Rosas regeert. Hij heeft een wet uitgevaardigd, die de Argentijnse produktie van poncho’s en paardedekens, schoenen, rijtuigen, schepen, wijnen en meubels beschermt, en hij heeft de rivieren in het binnenland voor buitenlandse handelaren gesloten.

De ‘Revue des Deux Mondes’ eist dat Frankrijk de gedegenereerde zonen van de Spaanse verovering een lesje in beschaving en discipline geeft. Het Franse eskader onder bevel van admiraal Leblanc begint de blokkade van Buenos Aires, de enige Argentijnse haven die ingericht is voor de overzeese handel.

 

 

1838 Buenos Aires

‘Het slachthuis’

 

Esteban Echeverría schrijft het eerste verhaal van de literatuur van Río de la Plata. In ‘Het slachthuis’ is de dictatuur van Rosas de jacht van een troep messetrekkers op een weerloze advocaat uit Buenos Aires.

Geboren in de buitenwijken en opgegroeid in ruzie, maar gepolijst in Parijs, veracht Echeverna het schorem. Een slachthuis in het zuiden van de stad biedt de schrijver het beste scenario om te beschrijven hoe de honden en de negerinnen, die de kadavers ontweien, elkaar de ingewanden betwisten, en te vertellen hoe de vloeken in gutsen uit de mond van het grauw opwellen, zoals het bloed uit de hals van de beesten welt. De slachter van het verhaal draagt een gaucho-broek, zijn gezicht zit onder het bloed, en hij stoot de dolk tot het heft in de keel van het rund. En vervolgens drijft hij de geleerde heer in rok, die geweigerd heeft hem eerbied te betuigen, in de hoek.

 

 

Meer over het kannibalisme in Amerika

 

In zijn laatste cavaleriecharge laat kolonel Juan Ramón Estomba zijn ruiters op niemand los. De oorlog tegen Spanje is afgelopen, maar veel gruwelijker is nu de oorlog van Argentijnen tegen Argentijnen, en kolonel Estomba steekt zijn sabel omhoog en brult: Charge! en in een windhoos van geschreeuw en sabelgekletter stormen de paarden op de lege horizon af.

Dit verscheurde vaderland is gek van razernij. De helden van de onafhankelijkheid verslinden elkaar. Estanislao López ontving het in een schapehuid gewikkelde hoofd van Pancho Ramírez, deed het in een ijzeren kooi en zat er een hele nacht met leedvermaak naar te kijken. Gregorio Lamadrid sloeg de moeder van Facundo Quiroga in ketenen en sleepte haar door de straten, voordat Facundo in een hinderlaag viel met een kogel door zijn oog. Juan Lavalle fusilleerde Manuel Dorrego in een kraal op de koeiemest, en sindsdien wordt Lavalle achtervolgd door de schim van Dorrego, die hem op de hielen zit tot hij hem te pakken krijgt en hem met kogels op het naakte lichaam van zijn minnares vastklinkt, om Lavalle het geluk te laten smaken in een vrouw te sterven.

 

 

1838 Tegucigalpa

Midden-Amerika valt in stukken

 

terwijl Morazán in Guatemala tegen de door de monniken opgehitste menigte vecht.

De een na de ander begeven de zwakke draden het, waarmee de gebieden van dit vaderland aan elkaar waren genaaid. Costa Rica en Nicaragua verbreken het federale verdrag en ook Honduras verklaart zich onafhankelijk. De stad Tegucigalpa viert met trommels, bekkens en redevoeringen de mislukking van haar zoon, die tien jaar geleden van hier zijn grote campagne voor de eenheid begon.

De provinciale gevoelens van wrok, afgunst en hebzucht, oude giften, zijn sterker dan de hartstocht van Morazán. De Federale Republiek Midden-Amerika ligt gevierendeeld in vier stukken. Spoedig zullen het er vijf zijn, daarna zes. Arme stukken. Zij voelen meer haat dan medelijden voor elkaar.

 

 

1839 Copán

Een heilige stad wordt

voor vijftig dollar verkocht

 

en John Lloyd Stephens, ambassadeur van de Verenigde Staten in Midden-Amerika, is de koper. Het is de Maya-stad Copan, gelegen .i.in de oever van een rivier in Honduras, waarin het oerwoud is binnengedrongen.

In Copán zijn de goden steen geworden en steen de mannen die de goden uitverkozen of straften. In Copán hadden meer dan duizend jaar geleden de wijze astronomen geleefd, die de geheimen van de morgenster ontdekten en het zonnejaar met een nooit eerder bereikte nauwkeurigheid berekenden.

De tijd heeft de tempels met de prachtige friezen en de bewerkte toegangstrappen wel verminkt maar niet overwonnen. De godheden verheffen zich nog op de altaren en spelen verstoppertje tussen

de veren van de maskers. De jaguar en de slang openen hun muilen nog op de uit het struikgewas oprijzende zuilen, en mensen en goden ademen vanaf deze stille, nooit zwijgende stenen.

 

 

1839 Havanna

De trommel spreekt, de lichamen zeggen

 

De kapitein-generaal van Cuba besluit de trommeldansen op de plantages toe te staan, mits deze plaatsvinden op feestdagen en onder toezicht van de opzichters.

De opzichters zullen er op toezien dat de trommels geen oproep tot opstand doorgeven. De zwarte trommel, een levende trommel, roffelt niet alleen. De trommel praat met andere trommels, de man-trom roept, de vrouw-trom bemint, hij praat gevaarlijk met de mensen en de goden. Wanneer de trommel hen roept, komen de goden en gaan de lichamen binnen, en vanuit de lichamen vliegen

zij.

In zeer oude tijden doodde de schorpioen de verveling door zijn angel in een mensenpaar te slaan. Sindsdien komen de negers dansend uit de buik van hun moeder, dansend uiten zij hun liefde of hun smart of hun woede, en dansend gaan zij door het wrede leven.

 

 

1839 Havanna

Kranteadvertenties

 

 

ECONOMISCHE RUBRIEK

Verkoop van dieren

 

Te koop een creoolse negerin, jong, gezond en zonder smet, zeer nederig en trouw, goede kokkin met enige kennis van wassen en strijken, en uitstekend om voor de kinderen te zorgen. Prijs 500 peso. Nadere inlichtingen in de Calle de Daoiz nummer 150.

 

Te koop een prachtig paard, goed gebouwd, anderhalve el en drie duim hoog

 

kranteadv

 

  Te huur bezittingen voor woningen. Negerinnen voor de huishouding. Negers voor op het land en voor alle soorten werk, een gratis negertje om met kinderen te spelen. Alle nadere inlichtingen in de Calle de Daoiz nummer 11.

 

Bloedzuigers van superieure kwaliteit, zojuist uit Spanje aangekomen, zijn te koop in de

 

 

1839 Valparaíso

De verlichter

 

De heuvel op, in de La Rinconada-buurt van de Chileense havenstad Valparaíso, staat voor een gewoon huis een bord:

AMERIKAANSE KENNIS EN DEUGDEN
Dat zijn: waskaarsen, geduld, zeep,
berusting, sterke lijm, liefde voor het werk

 

Binnen: keukendamp en kinderlawaai. Hier woont Simón Rodríguez. De leermeester van Simón Bolívar heeft in zijn huis een school en een fabriekje. De kinderen leert hij de vreugde van het maken. Met de produktie van zeep en kaarsen betaalt hij de kosten.

 

 

1839 Veracruz

‘Geef mij toch een echtgenoot,

al is hij oud, lam of met één poot’

 

De ambassadeur betreedt voor het eerst Mexicaanse grond. In Veracruz vindt hij geen andere vogels dan de aasgieren die op de doden wachten. Aan de arm van zijn vrouw maakt hij een wandeling door de treurige straten om de gewoonten van het land te leren kennen.

In een kerk treft hij een beschadigde heilige aan. Met stenigingen vragen de ongehuwde vrouwen om een wonder. De jonge vrouwen gooien stenen uit hoop en denken dat de best gemikte worp hun de beste echtgenoot zal geven, en uit wraak de oude vrijsters, die van Sint Antonius uit Padua al geen man of troost verwachten en hem stenigen terwijl zij hem met beledigingen overladen. De arme Sint Antonius is flink gehavend, een kapot gezicht, stompen in plaats van armen en zijn borst vol gaten. Aan zijn voeten leggen zij bloemen neer.

 

 

1840 Mexico Stad

Een maskerade

 

De Franse kleermakers en kappers in de stad Mexico rennen zonder ophouden van het ene huis naar het andere, van de ene dame naar de andere. Wie zal de meest elegante zijn op het grote bal ten bate van de armen? Welke schoonheid zal zegevieren?

Madame Calderón de la Barca, echtgenote van de ambassadeur van Spanje, past het nationale kostuum van Mexico, de typische klederdracht van de Puebla-vallei. Vreugde van de spiegel die het beeld ontvangt: de witte blouse met kanten garnering, de rode rok, de schittering van lovertjes op de geborduurde onderrokken. Madame Calderón wikkelt de gekleurde band in vele slagen om haar middel, kamt haar haar met een scheiding in het midden en brengt de vlechten met een ring bijeen.

De hele stad heeft ervan gehoord. De Ministerraad komt bijeen om het gevaar te bezweren. Drie ministers —Buitenlandse Betrekkingen, Binnenlandse Zaken en Oorlog—laten zich ten huize van de ambassadeur aandienen en brengen een officiële waarschuwing aan hem over. De voorname dames kunnen het niet geloven: bezwij-mingen, vlugzout, waaierkoelte, zo’n waardige dame zo onwaardig gekleed! En in het openbaar! De vrienden geven goede raad, het corps diplomatique oefent druk uit: pas op, vermijd het schandaal, dergelijke kleren horen bij vrouwen van twijfelachtige reputatie. Madame Calderón de la Barca ziet af van de nationale klederdracht. Zij zal niet als Mexicaanse gekleed naar het bal gaan. Zij zal het kostuum van een Italiaanse boerin uit Lazio dragen. Eén van de beschermdames van het feest zal als koningin van Schotland uitgedost komen. Andere dames zullen Franse hofdames of Zwitserse, Engelse of Aragonese landvrouwen zijn of zich in extravagante Turkse sluiers hullen.

De muziek zal in een zee van parels en briljanten varen. Er zal zonder enige gratie worden gedanst, niet vanwege onwillige voeten maar door de minuscule, kwellende schoentjes.

 

 

Hoge Mexicaanse kringen:

zo begint een visite

 

‘Hoe gaat het met u? Gaat het u goed?’

‘Om u te dienen. En met u?’

‘Hetzelfde, om u te dienen?’

‘Hoe heeft u de nacht doorgebracht? ’

‘Om u te dienen. ’

‘Dat doet mij genoegen! En hoe gaat het met u, mevrouw?’

‘Tot uw dienst. En met u?’

‘Dank u zeer. En met mijnheer?’

‘Om u te dienen, hetzelfde. ’

‘Gaat u alstublieft zitten. ’

‘U eerst, mejuffrouw.’

‘Nee, mevrouw, u eerst, alstublieft.’

‘Nou ja, goed, om u te gerieven, zonder plichtplegingen, ik houd niet van beleefdheden en etiquette.’

 

 

Straatkreten in de loop van de dag

in Mexico Stad

 

‘Beste kolen!’

‘Booooooter! Boter voor zeven stuivers!’

‘Lekker rookvlees!’

‘Ik heb vaaaarkensvet!’

‘KNOOOOOPEN!’

‘Chileense peperpruimen!

‘Bananen, sinaasappels, granaatappeltjes?’

‘SPIIIIIEGELTJES! ’

‘DIKKERDJES UIT DE WARME OVEN!’

‘Wie koopt mijn slaapmatten uit Puebla, slaapmatten van vijf el?’

‘Honingtaartjes! Kaas en honing, kwark en honinggebak!’

‘Toffees! Kokosbroodjes! Schuimpjes!’

‘Het laatste lootje, het laatste voor drie stuivers!’

‘MAÏSKOEKEN!’

‘Wie wil noooooten?’

‘KWARKKOEKEN!’

‘Lekkere eenden! Gebraden eenden!’

‘Maïspasteitjes, lekkere maïspasteitjes!’

‘Gepofte kastaaaanjes?’

 

 

Hoge Mexicaanse kringen:

zo neemt de dokter afscheid

 

Naast het bed:

‘Mevrouw, ik sta tot Uw dienst!’

‘Dank U zeer, mijnheer. ’

Aan het voeteneind van het bed:

‘Aanvaardt U mij, mevrouw, als Uw nederigste dienaar!’

‘Goedendag, mijnheer. ’

Staat stil bij de tafel:

‘Mevrouw, ik kus Uw voeten!’

‘Mijnheer, ik kus Uw hand!’

Bij de deur:

‘Mevrouw, mijn armzalig huis en al wat er in is, en ikzelf, hoewel nutteloos, en al wat ik bezit behoort U toe!’

‘Dank U zeer, mijnheer. ’

Hij keert mij de rug toe om de deur te openen, maar draait zich naar mij om nadat hij hem heeft geopend.

‘Dag mevrouw, Uw dienaar!’

‘Dag mijnheer!’

Eindelijk gaat hij weg, maar dan doet hij de deur halfopen en steekt zijn hoofd naar binnen:

‘Goedendag, mevrouw!’

 

 

1840 Mexico Stad

Zo wordt een non in afzondering opgenomen

 

Je hebt het goede pad gekozen

niemand kan je er meer van afbrengen

uitverkorene

 

Op haar zestiende neemt zij afscheid van de wereld. In een rijtuig is zij door de straten gereden die zij nooit meer zal zien. Familieleden en vrienden wonen de dienst bij in het klooster van de Heilige Theresia.

 

niemand niemand niets

zal je er vanaf kunnen brengen

 

Zij zal samen met andere bruiden van Christus uit een aarden nap eten, met een doodshoofd in het midden van de tafel. Zij zal penitentie doen voor de zonden die zij niet bedreef, mysterieuze vergrijpen waarvan anderen genieten en die zij zal goedmaken door haar vlees met een doornengordel en een doornenkroon te pijnigen. Zij zal voor altijd alleen slapen in een bed van kastijding en zij zal stoffen dragen die de huid schuren.

 

ver van de gevechten van het grote Babylonië

verdorvenheden verzoekingen gevaren

ver

 

Zij is overdekt met bloemen en parels en diamanten. Zij wordt ontdaan van alle sier en van haar kleren.

 

Nooit

 

Bij de klanken van het orgel vermaant en zegent de bisschop. De herderlijke ring, een enorme amethist, tekent het kruis op het hoofd van het geknielde meisje. De nonnen zingen:

 

Ancilla Christi sum...

 

Zij wordt in het zwart gekleed. De geknielde nonnen buigen het hoofd tegen de grond, zwarte vleugels rond de cirkel van kaarsen gespreid.

Er wordt een gordijn gesloten, als het deksel van een doodkist.

 

 

1842 San José de Costa Rica

De tijd mag je vergeten, de aarde niet

 

In de stad Guatemala bereiden dames en paters Rafael Carrera, leider van de bergen, voor op de uitoefening van een lange dictatuur. Zij passen hem de driekanten steek, de jas en de eredegen, zij leren hem met lakleren laarzen te lopen, zijn naam te schrijven en de tijd af te lezen op zijn gouden horloge. Carrera, de varkensfokker, zal zijn beroep met andere middelen blijven uitoefenen.

In San José de Costa Rica bereidt Francisco Morazán zich voor op de dood. Moeilijke moed. Het kost Morazán, liefhebber van het leven, man van zoveel leven, moeite zich los te rukken. De hele nacht houdt hij zijn ogen op het plafond van zijn cel gericht, vaarwelzeggend. Er is zoveel wereld geweest. De generaal talmt met afscheid nemen. Hij had meer willen regeren en minder vechten. Vele jaren heeft hij met niets anders dan zijn kapmes oorlog gevoerd voor het grote Middenamerikaanse vaderland, terwijl dit met alle geweld in stukken wilde vallen.

Nog vóór de militaire hoorn klinkt het geluid van de merels. Het vogelgezang komt hoog uit de hemel en diep uit de jeugd, zoals vroeger, zoals altijd, aan het eind van de donkerte. Deze keer kondigt het de laatste dageraad aan.

Morazán staat tegenover het vuurpeloton. Hij ontbloot zijn hoofd en geeft zelf het bevel de geweren aan de schouder te nemen. Hij beveelt aan te leggen, corrigeert het richten, en geeft de order om te vuren.

Het salvo geeft hem terug aan de aarde.

 

 

1844 Mexico Stad

De krijgshaftige haantjes

 

De kerk, grootgrondbezitter en geldschieter, bezit de helft van Mexico. De andere helft is eigendom van een handjevol heren en de in hun dorpen teruggedrongen Indianen. De eigenaar van het presidentschap is generaal López de Santa Anna, die over de openbare rust en de goede gezondheid van zijn vechthanen waakt. Santa Anna regeert met de een of andere haan onder de arm. Zo ontvangt hij bisschoppen en ambassadeurs, en om een gewonde haan te verzorgen verlaat hij kabinetsvergaderingen. Hij sticht meer hanenringen dan ziekenhuizen en vaardigt meer vechtregels dan onderwijsdecreten uit. De hanenfokkers vormen zijn privé-hofhouding, samen met de kaartspelers en de weduwen van kolonels die nooit hebben bestaan.

Hij is erg gesteld op een gevlekte haan die net doet alsof hij een kip is en met de tegenstander koketteert tot hij hem van de wijs heeft gebracht en hem afmaakt, maar zijn lievelingshaan is toch de woeste Pedrito. Pedrito heeft hij uit Veracruz gehaald, met aarde van de streek zodat hij zich daarin zonder heimwee rond kon wentelen. Santa Anna zelf bindt hem in de ring de spoor aan. Hij sluit weddenschappen af met muilezeldrijvers en vagebonden en kauwt op veren van zijn rivaal om hem ongeluk te brengen. Als hij geen geldstukken meer heeft gooit hij onderscheidingen in de ring.

‘Ik geef acht tegen vijf’

‘Acht tegen vier als je wilt!’

Een bliksemschicht flitst door de werveling van veren en de spoorslag van Pedrito opent de keel van iedere kampioen of rukt hem een oog uit. Santa Anna danst op één poot en de overwinnaar strekt zijn kam, klapwiekt en kraait.

 

 

1844 Mexico Stad

Santa Anna

 

fronst het voorhoofd en staart in de leegte: hij denkt aan een in de strijd gevallen haan of aan zijn eigen been, het been dat hij kwijt is, het vereerde pand van militaire glorie.

Zes jaar geleden tijdens een oorlogje tegen de Franse koning rukte een kanonskogel zijn been af. Vanaf zijn ziekbed dicteerde de verminkte president bij wijze van afscheid van het vaderland aan zijn secretarissen een laconieke boodschap van vijftien pagina’s, maar hij keerde terug in het leven en aan de macht zoals zijn gewoonte was.

Een enorme stoet begeleidde het been van Veracruz tot de hoofdstad. Het been kwam onder een draaghemel de stad binnen, geëscorteerd door Santa Anna die zijn hoed met witte veren door het

raam van zijn rijtuig stak, en daar achter kwamen in vol ornaat bisschoppen, ministers, ambassadeurs en een leger van huzaren, dragonders en kurassiers. Het been ging tussen rijen vlaggen en onder reeksen erebogen door, van dorp tot dorp, en ontving bij zijn doorkomst responsories van redevoeringen, oden en hymnen, kanongebulder en klokgelui. Op het kerkhof gekomen sprak de president voor het pantheon het laatste eerbetoon uit aan dat stuk van hem dat de dood alvast als voorschot van hem had meegenomen.

Sindsdien heeft hij pijn aan het ontbrekende been. Vandaag meer dan ooit, niet om uit te houden, omdat het opgestane volk het monument waarin het werd bewaard, heeft opgeblazen, en het been nu door de straten van Mexico sleurt.

 

 

1845 Vuelta de Obligado

De invasie van de kooplieden

 

Drie jaar geleden vernederde het Britse vlooteskader het Hemelse Rijk. Na de blokkade van Kanton en de hele kuststreek heeft de Engelse invasie de Chinezen in naam van de vrije handel en de westerse beschaving het opiumgebruik opgelegd.

Na China Argentinië. De lange jaren van blokkade van de haven van Buenos Aires hebben weinig of niets uitgehaald. Juan Manuel de Rosas, die zijn portret laat aanbidden en omringd door als konin-gen geklede narren regeert, weigert nog de Argentijnse rivieren open te zetten. Bankiers en kooplieden in Engeland en Frankrijk eisen al jaren lang dat deze onbeschaamdheid wordt gestraft.

Vele Argentijnen vallen bij de verdediging, maar ten slotte breken de oorlogsschepen van de twee machtigste landen van de wereld de over de Paraná gespannen kettingen.

 

 

1847 Mexico Stad

De verovering

 

‘Mexico schittert voor onze ogen, ’ had president Adams zich bij het aanbreken van de eeuw laten verblinden.

Bij de eerste beet verloor Mexico Texas.

Nu hebben de Verenigde Staten heel Mexico op hun bord. Generaal Santa Anna, een kenner van terugtrekkingen, vlucht naar het zuiden met achterlating van een stroom zwaarden en lijken in de greppels. Van nederlaag naar nederlaag trekt zijn leger van bloedende, slecht gevoede en nooit betaalde soldaten zich terug, en met hen de ouderwetse door muildieren getrokken kanonnen, en achter hen de karavaan van vrouwen die in hun manden kinderen, vodden en maïskoeken dragen. Het leger van generaal Santa Anna, dat meer officieren dan soldaten telt, is alleen geschikt om arme landgenoten te doden.

In het kasteel van Chapultepec geven de Mexicaanse kadetten, nog bijna kinderen, zich niet over. Zij bieden weerstand aan het bombardement met een hardnekkigheid die niet van de hoop komt. Op hun lichamen vallen de stenen neer. Tussen de stenen steken de overwinnaars de vlag met de sterren en de strepen in de grond, die zich uit de rook boven de uitgestrekte vallei verheft.

De veroveraars trekken de hoofdstad binnen. Mexico Stad: acht ingenieurs, tweeduizend paters, vijfentwintighonderd advocaten, twintigduizend bedelaars.

Het bedeesde volk mort. Vanaf de daken regent het stenen.

 

 

1848 Villa de Guadalupe Hidalgo

De veroveraars

 

In Washington verkondigt president Polk dat zijn natie al even groot is als heel Europa. Niemand houdt de aanval van dit jonge allesverslindende land tegen. De Verenigde Staten groeien naar het zuiden en naar het westen, door Indianen te doden, door buren onder de voet te lopen of door te betalen. Van Napoleon hebben zij Louisiana gekocht en Spanje bieden zij honderd miljoen dollar voor het eiland Cuba.

Maar het recht van verovering is roemvoller en goedkoper. Het verdrag met Mexico wordt in de stad Guadalupe Hidalgo getekend. Mexico staat, met het pistool op de borst, de Verenigde Staten de helft van zijn grondgebied af.

 

 

1848 Mexico Stad

De Ieren

 

De overwinnaars straffen op de Plaza Mayor van Mexico Stad. De Mexicaanse opstandelingen worden gegeseld. De Ierse deserteurs worden eerst met het gloeiende ijzer in het gezicht gebrandmerkt en vervolgens aan de galg opgehangen.

Het Ierse bataljon Saint Patrick kwam met de overweldigers, maar streed samen met de overweldigden. Van het noorden tot Molino del Rey hebben de Ieren het lot, het noodlot, van de Mexicanen tot het hunne gemaakt. Velen zijn gesneuveld bij de verdediging, zonder munitie, van het klooster van Churubusco. De gevangenen bengelen met verbrande gezichten op het schavot.

 

 

1848 Ibiray

Een oude man in een witte poncho

in een huis van rode steen

 

Hij heeft nooit van steden gehouden. Zijn geliefde plek is een moestuin in Paraguay en zijn koets, een kruiwagen vol genezende mierikswortels. Een stok helpt hem bij het lopen en de neger Ansina, een zanger van vrolijke teksten, helpt hem de grond te bewerken en zonder kwade schaduwen het licht van iedere dag te ontvangen. ‘José Artigas, om u te dienen. ’

Hij biedt de bezoekers, die af en toe vanuit Uruguay naar hem toe komen, maté-thee en respect maar weinig woorden aan:

Dus mijn naam wordt daar nog genoemd.’

Hij is over de tachtig jaar oud, waarvan achtentwintig in ballingschap, en weigert terug te keren. De ideeën die hij aanhing en de mensen die hij liefhad zijn nog steeds overwonnen. Artigas weet heel wel hoe zwaar de wereld en het geheugen wegen en zwijgt liever. Er is geen kruid dat de innerlijke wonden heelt.

 

 

José Artigas volgens Domingo Faustino Sarmiento

 

Hij was een struikrover, niets meer, niets minder. Dertig praktijkjaren moord en roof geven het onbetwistbare recht om het bevel te voeren over een door een politieke revolutie opgeruid Indianendom van het platteland, bij wie de angstaanjagende naam van Artigas als aanvoerder van een bende bandieten in het geheugen is gegrift... Wie gehoorzaamden hem? De domme of wilde Indianenrassen, die hij commandeert op grond van het recht van de meest woeste, meest wrede, de blanken meest vijandige... Onbeschaafd, want hij kwam nooit in een stad, onbekend met elke menselijke traditie van vrij bestuur, en, hoewel een blanke, de leider van inboorlingen van nog geringere opleiding dan hijzelf.... De feiten en de daden van Artigas beziend, voelen wij een soort opstand van de rede, van de instincten van de mens van het blanke ras, wanneer wij hem een politieke gedachtengang en een menselijk gevoel willen toekennen.

 

 

1848 Buenos Aires

De geliefden (I)

 

Dramatis personae:

CAMILA O’GORMAN. Twintig jaar geleden in Buenos Aires geboren in een huis met drie binnenplaatsen. Opgevoed in geur van heilig heid om achtereenvolgens maagd, echtgenote en moeder te zijn op het rechte pad dat naar de echtelijke vrede, het naaldwerk, de pia nosoirees en de met een zwarte mantilla op het hoofd gebeden rozen krans leidt. Zij is met de parochiepriester van de Socorro-kerk gevlucht. Het was haar idee.

LADISLAO GUTIÉRREZ. Dienaar des altaars. Vijfentwintig jaar. Neet van de gouverneur van Tucuman. Hij kon de slaap niet meer vatten vanaf het moment dat hij de hostie op de tong van die in het licht der kaarsen geknielde vrouw legde. Tenslotte liet hij het missaal en de soutane vallen en ontketende een wilde vlucht van engeltjes en duiven.

ADOLFO O’GORMAN. Hij begint iedere maaltijd met het opzeggen van de tien geboden aan het hoofd van een lange mahoniehouten tafel. Bij een kuise vrouw heeft hij een zoon die priester is, een zoon die politieagent is en een dochter die voortvluchtig is verwekt

Als voorbeeldige vader is hij de eerste die een voorbeeldige straf vraagt voor het afgrijselijke schandaal dat de familie te schande maakt. In een brief aan Juan Manuel de Rosas eist hij een harde hand tegen deze meest gruwelijke en in het land ongehoorde daad.

FELIPE ELORTONDO Y PALACIO. Secretaris van de curie. Ook hij schrijft Rosas en vraagt hem om de gevangenneming en de onverbiddelijke bestraffing van de geliefden, teneinde dergelijke misdaden in de toekomst te voorkomen. In zijn brief licht hij toe dat hij niets van doen heeft gehad met de benoeming van de priester, die een zaak van de bisschop was.

JUAN MANUEL DE ROSAS. Hij beveelt jacht te maken op de geliefden. Vanuit Buenos Aires galopperen de boodschappers met een drukwerk dat de voortvluchtigen beschrijft. Camila: blank, donkere ogen met aangename blik, lang, slank van lijf, goed geproportioneerd. Ladislao: donker, slank, met volle baard en kroeshaar. Er zal recht worden gedaan, belooft Rosas, teneinde genoegdoening te geven aan de godsdienst en aan de wetten en om de uit deze daad voortvloeiende verleiding, losbandigheid en wanorde te verhinderen. Het hele land ligt op de loer.

 

 

Ook spelen mee:

DE OPPOSITIEPERS. Vanuit Montevideo, Valparaíso en La Paz halen de vijanden van Rosas de openbare moraal erbij. In het dagblad ‘El Mercurio Chileno’ leest men: Het is zo ver gekomen met het afschu-welijke zedenbederf onder de verschrikkelijke tirannie van de ‘Caligula rail de Plata’ dat de goddeloze en heiligschennende priesters van Buenos Mi es er vandoor gaan met de jonge meisjes uit de hoogste kringen zonder dot de eerloze satraap ook maar enige maatregel tegen die monsterachtige onzedelijkheden treft.

DE PAARDEN. Zij brengen de geliefden door het open veld, buiten de steden om, naar het noorden. Het paard van Camila is grijsachtig, zwaar en heeft een korte staart. Net als hun ruiters slapen zij onder de blote hemel. Zij worden niet moe.

DE BAGAGE. Van hem: een wollen poncho, enkele kledingstukken, een stel messen en een stel pistolen, een tondeldoos, een zijden das en een kristallen inktpot. Van haar: een zijden shawl, enkele kleding-. nikken, vier onderrokken van Brabants linnen, een waaier, een paar handschoenen, een kam en een gebroken gouden ringetje.

 

 

De geliefden (II)

 

Zij zijn met zijn tweeën door een vergissing die door de nacht wordt hersteld.

 

 

1848 Santos Lugares

De geliefden (III)

 

Zij vluchten in de zomer. De herfst brengen zij in het havenstadje Goya aan de oever van de Parana door. Daar geven zij zich een andere naam. In de winter worden zij ontdekt, aangegeven en gegrepen.

In gescheiden rijtuigen worden zij naar het zuiden gebracht. De wielen laten littekens op de weg achter.

In de gevangenis van Santos Lugares worden zij in gescheiden kerkers opgesloten.

Als zij vergeving vragen, zullen zij worden vergeven. Camila, in verwachting, toont geen berouw. Ladislao ook niet. Er worden ijzers aan hun voeten geklonken. Een priester besprenkelt de boeien met wijwater.

Met verbonden ogen worden zij op de binnenplaats gefusilleerd.

 

 

1848 Bacalar

Cecilio Chi

 

De maïskolven hebben gesproken en hebben honger aangekondigd. De onmetelijke suikerplantages verslinden de maïsvelden van de Maya-gemeenschappen in het Mexicaanse gebied van Yucatán. Mensen worden, als in Afrika, met brandewijn gekocht. De Indianen horen met hun rug, zegt de zweep.

En de oorlog breekt uit. De Maya’s zijn het beu hun doden aan de oorlogen van anderen te geven en stromen toe op de roep van de holle boomstam. Zij duiken op uit het struikgewas, uit de nacht, uit het niets, met het kapmes in de ene en de toorts in de andere hand: met de haciënda’s branden ook hun eigenaren en de kinderen van hun eigenaren en ook de schuldbewijzen die slaven maken van de Indianen en van de kinderen van de Indianen.

De Maya-maalstroom wentelt en verwoest. Cecilio Chi valt met vijftienduizend Indianen aan tegen kanonnen die in het wilde weg schieten en zo valt het trotse Valladolid van Yucatán, dat zich zo adellijk, zo Castiliaans waande, en vallen Bacalar en, de een na de ander, vele dorpen en garnizoenen.

Cecilio Chi roeit de vijand uit onder het aanroepen van de vroegere opstandeling Jacinto Canek en van de nog oudere profeet Chilam Balam. Hij kondigt aan dat het bloed op het plein van Mérida tot aan de enkels van de mensen zal staan. De beschermheilige van ieder dorp dat hij bezet biedt hij brandewijn en vuurwerk aan: als de heiligen weigeren van partij te veranderen en in dienst van de meesters blijven, onthoofdt Cecilio Chi hen met zijn kapmes en werpt hen op de brandstapel.

 

 

1849 Aan de oevers van de Platte

Een ruiter die Pokken heet

 

Van iedere vier Pawnee-Indianen is er dit jaar één aan de pokken of de cholera gestorven. De Kiowa’s, hun eeuwige vijanden, zijn er dankzij de Oude Oom Saynday aan ontkomen.

De oude vos liep over de prairie en viel van de ene droeve gedachte in de andere: mijn wereld is afgelopen, stelde hij vast, terwijl hij tevergeefs herten en buffels zocht en de Washita hem rode modder gaf in plaats van helder water. Weldra zal mijn Kiowa-volk binnen hekken opgesloten zijn, net als de koeien.

Verzonken in deze zwaarmoedigheid liep de Oude Oom Saynday daar rond, toen hij in het oosten in plaats van de zon iets zwarts zag verschijnen. Een grote donkere vlek werd steeds groter over de prairie en toen hij dichtbij was gekomen ontdekte hij dat de vlek een ruiter in zwarte kleren was met een grote zwarte hoed en een zwart paard. De ruiter had woeste littekens in zijn gezicht.

‘Ik heet Pokken,’ stelde hij zich voor.

‘Nooit van gehoord,’ zei Saynday.

‘Ik kom van ver, van de overzijde van de zee,’ legde de onbekende uit. ‘Ik breng dood mee.’

Hij vroeg naar de Kiowa’s. De Oude Oom Saynday wist zijn koers te verleggen. Hij vertelde hem dat de Kiowa’s niet de moeite waard waren, een klein en armoedig volk, maar beval hem daarentegen de Pawnee-Indianen aan, die mooi, machtig en met velen zijn en hij wees hem de rivieren waar zij wonen.

 

 

1849 San Francisco

Het goud van Californië

 

Vanuit Valparaíso stromen de Chilenen toe. Zij hebben een paar laarzen en een dolk, een lantaarn en een schop bij zich.

Gouden Poort heet de toegang tot de baai van San Francisco nu. Tot gisteren was San Francisco het Mexicaanse dorp Yerbas Buenas. In deze grond, in een veroveringsoorlog van Mexico afgenomen, liggen klompen van drie kilo zuiver goud.

Er is geen plaats in de baai voor zoveel schepen. Zodra het anker is gevallen, vliegen de avonturiers weg, de heuvels over. Niemand verliest zijn tijd met verrassingen of begroetingen. De valsspeler zakt met zijn lakschoenen in de modder:

‘Leve mijn verzwaarde dobbelsteen, leve mijn hartenboer!’

Door alleen maar deze grond te betreden wordt de armoedzaaier koning en sterft de schone, die hem had versmaad, van ergernis Vicente Pérez Rosales, zojuist aangekomen, luistert naar de gedachten van zijn landgenoten: ‘Ik heb het bekeken! Want wie is in Chili nog een domoor wanneer hij rijk is?’ Wie hier tijd verliest, verliest goud. Onafgebroken gedreun van hamers, geweldige drukte, luid geschreeuw: uit het niets verrijzen de tenten waar gereedschap, drank en gedroogd vlees worden aangeboden in ruil voor leren zakjes vol stofgoud. De raven en de mannen krassen, zwermen mannen uit alle landen, en dag en nacht draait de maalstroom rond van geklede jassen en duffelse jassen, huiden uit Oregon en knopen uit Maule, Franse dolken, Chinese hoeden, Russische laarzen en glimmende kogels in de gordel van de cowboys.

Een knappe Chileense doet haar best te glimlachen onder haar kanten parasol, ingesnoerd door het korset en door de menigte, die haar boven de met gebroken flessen geplaveide modderpoel draagt. Zij is, in deze haven, Rosarito Améstica. Zij was Rosarito Izquierdo toen zij een geheim aantal jaren geleden in Quilicura werd geboren, en later was zij Rosarito Villaseca in Talcahuano, Rosarito Toro in Talca en Rosarito Montalva in Valparaíso.

Vanaf het achterdek van een schip biedt de veilingmeester de dames aan de menigte aan. Hij laat hen een voor een zien en prijst hen aan, kijk eens heren, wat een taille, wat een jeugd, wat een schoonheid, wat...

‘Wie biedt meer?’ dringt de veilingmeester aan. ‘Wie biedt meer voor deze weergaloze bloem?’

 

 

1849 El Molino

Zij waren hier het eerst

 

De man roept en het goud vlamt in het zand en in de rotsen. Vonken van goud vliegen door de lucht. Gedwee komt het goud uit de diepte van de Californische rivieren en ravijnen naar de hand van de man.

El Molino is een van de vele aan de oever van het goud verrezen kampen. Op een dag bemerken de gouddelvers van El Molino bepaalde hardnekkige rookkolommen, die opstijgen uit de cypres-senheuvel in de verte, ’s Nachts zien zij een rij vuren die spotten met de wind. Iemand herkent de signalen: de telegraaf van de Indianen roept op tot de oorlog tegen de indringers.

In minder dan geen tijd vormen de mannen een detachement van honderdzeventig geweren en vallen bij verrassing aan. Zij nemen meer dan honderd gevangenen mee en schieten er vijftien ter afschrikking dood.

 

 

As

 

Vanaf de dag dat hij de droom van het Witte Konijn had gehad sprak de oude man over niets anders. Het praten kostte hem moeite en hij kon al heel lang niet meer rechtop staan. De jaren hadden zijn ogen verwaterd en hem onomkeerbaar gekromd. Hij leefde in een mand, het hoofd achter de puntige knieën verborgen, in de houding om naar de buik van de aarde terug te keren. In deze mand reisde hij op de rug van een zoon of een kleinzoon en vertelde aan iedereen zijn droom: Het Witte Konijn zal ons verslinden, stamelde hij. Het zal ons zaad, ons gras, ons leven verslinden. Hij zei dat het Witte Konijn rijdend op een dier dat groter was dan het hert zou komen, op een dier met ronde poten en haar op zijn nek.

De oude man leefde niet lang genoeg om de goudkoorts in dit land van Californie te zien. Voordat de gouddelvers te paard arriveerden, kondigde hij aan:

‘De oude wortel is gereed om te groeien.’

Hij werd in zijn mand verbrand op het hout dat hij zelf had uitgekozen.

 

 

1849 Baltimore

Poe

 

Voor de deur van een kroeg in Baltimore ligt de stervende op zijn rug, wijdbeens, stikkend in zijn braaksel. Een medelijdende hand sleepte hem in de vroege ochtend naar het ziekenhuis, en niets meer, nooit meer.

Edgar Allan Poe, de zoon van sjofele rondreizende toneelspelers, rondzwervende dichter, schuldig aan openlijk beleden ongehoorzaamheid en waanvoorstellingen, was door onzichtbare rechtbanken veroordeeld en door onzichtbare tangen fijngeknepen.

Op zoek naar zichzelf verdwaalde hij. Niet op zoek naar het goud van Californië, nee, op zoek naar zichzelf.

 

 

1849 San Francisco

De broeken van Levi

 

De schittering van gewelddadigheden en wonderen verblindt Levi Strauss niet, die uit het verre Beieren komt en in één oogopslag ziet dat hier de bedelaar miljonair en de miljonair bedelaar of lijk wordt door het spelen van een kaart of het overhalen van een trekker. En in een tweede oogopslag ontdekt hij dat de broeken in deze mijnen van Californië aan flarden gaan en besluit hij een betere bestemming te geven aan de sterke stoffen die hij heeft meegenomen. Hij zal broeken verkopen, ruwe broeken voor ruwe mannen in het ruwe graafwerk in rivieren en mijngangen. Om er voor te

zorgen dat de naden het niet begeven versterkt hij die met koperen klinknagels. Op de achterkant, onder de riem, stampt hij zijn naam in een leren etiket.

Weldra zullen de cowboys in het hele westen deze broeken van blauwe serge uit Nîmes, die zich niet door de zon of de tijd laten verslijten, gaan dragen.

 

 

1850 San Francisco

De weg van de ontwikkeling

 

De Chileen Pérez Rosales is zijn geluk aan het zoeken in de mijnen van Californië. Wanneer hij hoort dat er op slechts enkele mijlen van San Francisco fabelachtige prijzen worden betaald voor alles wat eetbaar is, koopt hij een paar zakken uitgeslagen gedroogd vlees, een stel potten met zoetigheden en een boot. Hij vaart al weg van de kade, wanneer een agent van de douane een geweer op zijn hoofd richt: ‘Halt.

Deze boot mag op geen enkele rivier in de Verenigde Staten varen, omdat hij in het buitenland is gebouwd en geen kiel van Noordamerikaans hout heeft.

De Verenigde Staten verdedigen hun nationale markt sinds de tijd van de eerste president. Zij voorzien Engeland van katoen, maar de douanetarieven houden de Engelse stoffen en elk ander produkt dat hun industrie kan benadelen tegen. De planters in de zuidelijke staten willen Engelse kleren, die veel beter en goedkoper zijn, en zij klagen dat de weefgetouwen van het noorden hun lelijke en dure stoffen aan hen opleggen, van de luier van de pasgeborene tot het doodskleed van de overledene.

 

 

1850 Buenos Aires

De weg van de onderontwikkeling:

de gedachtengang van Domingo Faustino Sarmiento

 

Wij zijn geen industriëlen en ook geen zeevaarders en Europa zal ons gedurende lange eeuwen van zijn apparaten voorzien in ruil voor onze grondstoffen.

 

 

1850 Río de la Plata

Buenos Aires en Montevideo halverwege de eeuw

 

Van zijn zetel in de Académie Française vaart de dichter Xavier Marmier naar de kade van de Río de la Plata.

De Europese grootmachten zijn tot een vergelijk gekomen met Rosas. De blokkade van Buenos Aires is reeds opgeheven. Marmier meent dat hij door de rue Vivienne wandelt, wanneer hij de calle Peru afloopt. In de etalages treft hij zijden stoffen uit Lyon en het ‘Journal de Modes’ aan, romans van Dumas en Sandeau en gedichten van Musset, maar in de schaduw van de ingangen van het gemeentehuis lopen negers op blote voeten in soldatenuniform heen en weer en weerklinkt op het plaveisel de draf van een gaucho. Iemand vertelt Marmier dat geen enkele gaucho iemand zal doden zonder eerst het lemmet van zijn mes te kussen en bij de Onbevlekte te zweren, en als de overledene een man was op wie hij was gesteld zet de keiensnijder hem op zijn paard en bindt hem stevig vast, zodat hij te paard het kerkhof oprijdt. Verderop, op de pleinen in de buitenwijken, ontdekt Marmier de karren, de schepen van de pampa, die vanuit het binnenland huiden en graan aanvoeren en op de terugreis uit Le Havre of Liverpool aangekomen stoffen en dranken meenemen.

De dichter steekt de rivier over. Al zeven jaar wordt Montevideo in de rug belegerd door het gaucholeger van generaal Oribe, maar de stad blijft in leven met het gezicht naar de rivier-zee dankzij de Franse schepen die goederen en geld op de kaden uitstorten. Een van de kranten van Montevideo heet ‘Le Patriote Français’ en de meerderheid van de bevolking is Frans. In de wijkplaats van de vijanden van Rosas, noteert Marmier, zijn de rijken arm en is iedereen gek geworden. Een minnaar betaalt een goudstuk om zijn verloofde een camelia in het haar te steken en de vrouw des huizes biedt het bezoek een boeketje kamperfoelie aan dat door een met robijnen en smaragden bezette zilveren ring bijeen wordt gehouden. Voor de dames in Montevideo lijkt de oorlog tussen de avantgardisten en de conservatieven belangrijker dan de oorlog tegen de Uruguyaanse boeren, een echte oorlog die mensen doodmaakt. De avantgardisten dragen het haar heel kort en de conservatieven hebben een hoofd vol krullen.

 

 

1850 Parijs

Dumas

 

Alexander Dumas stroopt zijn mouwen van fijn batist op en schrijft in één ruk de epische pagina’s van ‘Montevideo of het nieuwe Troje’. De romanschrijver, een man van fantasie en gulzigheid, heeft deze professionele heldendaad van de verbeelding op vijfduizend francs gewaardeerd. De bescheiden heuvel van Montevideo noemt hij berg en de oorlog van de buitenlandse kooplieden tegen de gaucho-caval-lerie een Grieks epos. De mannen van Giuseppe Garibaldi, die yoor Montevideo vechten, volgen niet de vlag van Uruguay, maar het klassieke piratendoodshoofd met de gekruiste doodsbeenderen op een zwarte achtergrond, maar in de roman die Dumas in opdracht schrijft vindt men slechts martelaars en titanen in de verdediging van de bijna Franse stad.

 

 

1850 Montevideo

Lautréamont toen hij vier was

 

Isidore Ducasse ziet het levenslicht in de havenstad Montevideo. Een dubbele wal van versterkingen scheidt de belegerde stad van het open veld. Isidore groeit op met het oorverdovend gebulder van de kanonnen en het voorbijtrekken van over hun paarden hangende stervenden. Zijn schoenen brengen hem naar zee. Rechtop in het zand, met zijn gezicht in de wind, vraagt hij de zee waar de muziek naar toe gaat nadat zij uit de viool is gekomen, en waar de zon heen gaat, wanneer de nacht komt, en waar de doden naar toe gaan. Isidore vraagt de zee waar zijn moeder naar toe is gegaan, die vrouw die hij zich niet kan herinneren, die hij niet mag noemen, die hij zich niet voor kan stellen. Iemand heeft hem gezegd dat de andere doden haar van het kerkhof hebben verjaagd. De zee, die zoveel praat, geeft geen antwoord en het jongetje rent de helling op en huilend omarmt hij met al zijn kracht een enorme boom, opdat die niet zal vallen.

 

 

1850 Chan Santa Cruz

Een kruis dat spreekt

 

Drie lange jaren van Indiaanse oorlog in Yucatán. Meer dan honderdvijftigduizend doden, honderdduizend vluchtelingen. De bevolking is gehalveerd.

Een van de aanvoerders van de opstand, José María Barrera, brengt de Indianen naar een grot in het diepst van het oerwoud. Daar, in de schaduw van een hele hoge mahonieboom, geeft de bron fris water. Uit de mahonieboom is het kleine kruis dat spreekt geboren. Het kruis zegt, in de taal van de Maya’s:

‘De tijd is gekomen dat Yucatán opstaat. Ik val ieder uur verder, ze hakken op mij in met het kapmes, zij steken mij met de dolk, zij slaan mij met de knuppel. Ik ga door Yucatán om mijn geliefde Indianen te verlossen... ’ Het kruis is zo groot als een vinger. De Indianen kleden het aan. Zij trekken het jak en rok aan en versieren het met gekleurde draden. Het zal de verstrooiden bijeenbrengen.

 

 

1851 Latacunga

‘Dolend en naakt trek ik rond...’

 

‘In plaats van aan Meden en Perzen en Egyptenaren te denken moeten wij aan de Indianen denken. Wij hebben er meer profijt van een Indiaan te begrijpen dan Ovidius. Zet uw school op met Indianen, mijnheer dc rector!’

Simón Rodríguez geeft zijn adviezen aan de school van het dorp Latacunga in Ecuador: dat een leerstoel voor de Quechua-taal die voor het Latijn vervangt en dat natuurkunde wordt onderwezen in plaats van theologie. Dat de school een aardewerk- en een glas fabriek moet oprichten. Dat er opleidingen voor metselen, timmeren en smeden moeten komen.

Langs de kusten van de Stille Oceaan en over de bergen van de Andes trekt Don Simón van dorp naar dorp. Hij wilde nooit boom zijn, maar wind. Al een kwart eeuw doet hij het stof opwaaien op de wegen van Amerika. Sinds Sucre hem uit Chuquisaca verjoeg, heeft hij vele scholen en kaarsenfabrieken gesticht en enkele boeken gepubliceerd die niemand heeft gelezen. Hij heeft de boeken eigen handig gezet, letter voor letter, want er is geen typograaf die weg weet met al die tekens en tabellen. Deze oude zwerver, kaal, lelijk, dikbuikig, getaand door de zon, torst een koffer vol manuscripten mee, die gedoemd zijn door het totale gebrek aan geld en lezers. Kleren heeft hij niet bij zich. Hij heeft alleen wat hij draagt. Bolivar noemde hem mijn leermeester, mijn Socrates. Hij zei hem: U hebt mijn hart gekneed voor het grote en het schone. De mensen bijten zich op de lippen om niet in lachen uit te barsten, wanneer de gekke Rodriguez zijn oraties houdt over het tragische lot van deze Spaans-Amerikaanse landen:

‘Blind zijn wij! Blind!

Bijna niemand luistert naar hem, niemand gelooft hem. Zij houden hem voor een jood, omdat hij met kinderen strooit waar hij maar komt en hen niet naar heiligen vernoemt, maar hen namen geeft als Maïskolf, Kalebas, Wortel en andere ketterijen. Hij is drie keer van naam veranderd en zegt dat hij in Caracas is geboren, maar hij zegt ook dat hij in Philadelphia en in Sanlúcar de Barrameda is geboren. Het gerucht gaat dat een van zijn scholen, die in Concepción in Chili, is verwoest door een aardbeving, die God zond toen hij hoorde dat Don Simón anatomie onderwees door spiernaakt voor de leerlingen heen en weer te lopen.

Iedere dag is Don Simón eenzamer. De meest vermetele, de meest beminnelijke van de Amerikaanse denkers, iedere dag eenzamer. Op zijn tachtigste schrijft hij:

‘Ik wilde van de aarde een paradijs voor allen maken. Ik maakte er een hel voor mijzelf van.’

 

 

De ideeën van Simón Rodríguez:

‘Of wij vinden uit of wij zijn verloren’

 

Zie Europa hoe het uitvindt en zie Amerika hoe het nabootst!

Sommigen houden het voor welvaart hun havens vol schepen te zien... van anderen, en hun huizen veranderd in magazijnen met artikelen... van anderen. Iedere dag komt er een zending kant en klare kleren en zelfs mutsen voor de Indianen binnen. Binnenkort zullen er vergulde pakjes met het wapen van de kroon verschijnen met ‘volgens een nieuw procédé’ bereide leem voor de jongetjes die gewend zijn aarde te eten.

De vrouwen die in het Frans biechten! De missionarissen die in het Castiliaans zondén vergevén!

Amerika moet niet slaafs nabootsen maar oorspronkelijk zijn.

De kennis van Europa en de welvaart van de Verenigde Staten zijn in Amerika twee vijanden van de vrijheid van denken. De nieuwe republikeinen willen niets toelaten dat niet is voorzien van hun goedkeuring... De staatslieden van die landen hebben voor hun instellingen slechts de rede geraadpleegd, en die vonden zij op eigen bodem. Boots de oorspronkelijkheid na, nu geprobeerd wordt alles na te bootsen!

Waar zullen wij voorbeelden gaan halen? Wij zijn onafhankelijk, maar niet vrij, eigenaar van de grond, maar niet van onszelf.

Laten wij de geschiedenis openen: en laat ieder voor wat nog niet geschreven is in zijn geheugen lezen.

 

 

1851 La Serena

De voorlopers

 

Ellende is niet te kunnen denken of geen andere herinnering aan het geheugen te geven dan pijn, zegt Francisco Bilbao, en hij zegt dat de exploitatie van de mens door de mens de mens geen tijd laat mens te zijn. De maatschappij is verdeeld in degenen die alles kunnen en degenen die alles doen. Om Chili, een onder de heuvel begraven reus, te laten herrijzen moet een einde worden gemaakt aan een systeem dat onderdak ontzegt aan wie paleizen bouwt en in lompen kleedt wie de mooiste kleren weeft.

De voorlopers van het socialisme in Chili zijn nog geen dertig jaar oud. Francisco Bilbao en Santiago Arcos, in Parijs gevormde jongemannen in rok, hebben hun klasse verraden. In hun streven naar een solidaire maatschappij hebben zij in de loop van dit jaar in het hele land verschillende militaire muiterijen en volksopstanden ontketend tegen de pruiken, de paters en het privébezit.

Op oudejaarsdag valt het laatste revolutionaire bastion in de stad La Serena. Vele rooien vallen voor de vuurpelotons. Bilbao, die bij een andere gelegenheid als vrouw vermomd ontsnapte, is deze keer over de daken gevlucht en is met soutane en missaal in ballingschap gegaan.

 

1852 Santiago de Chile

‘Wat heeft de onafhankelijkheid voor de armen betekend?’

vraagt de Chileen Santiago Arcos zich vanuit de gevangenis af

 

De regering is van de rijken en is dat vanaf de onafhankelijkheid geweest. De armen zijn soldaten geweest, nationale lichtingen, hebben gestemd zoals hun baas hun dat beval, hebben de grond bewerkt, hebben bevloeiingskanalen gegraven, hebben in de mijnen gewerkt, hebben lasten gedragen, hebben het land ontwikkeld, zijn anderhalve reaal blijven verdienen, zijn gegeseld, aan het blok geketend... De armen hebben net zoveel van de roemrijke onafhankelijkheid genoten als de paarden die bij Chacabuco en Maipú op de troepen van de koning losstormden.

 

 

Het Chileense volk bezingt de glorie van het paradijs

 

Sint Petrus, als patroon,

liet wijn en maïsbier komen,

rollade met plakjes spek,

worst en varkenspootjes,

een mand vol warme broodjes,

en een flink koppige punch,

zodat alle lieve vrouwtjes

van de hemelhof

een feestje konden vieren

waarover niets dan lof.

 

Het werd al aardig laat,

toen Sint Antonius sprak:

‘Verdomme, alle duivels,

het gaat hier vrolijk toe!

Ik ga een slippertje maken,

net als de anderen doen,

en zonder dat iemand het merkt

geef ik Sinte Clara slaag,

heel zachtjes en zonder erg,

want ik mag haar o zo graag.’

 

 

1852 Mendoza

De lijnen in de hand

 

Zelfs de engeltjes op het altaar dragen in Argentinië een rood lint. Wie weigert riskeert de woede van de dictator. Zoals vele vijanden van Rosas heeft ook Federico Mayer Arnold verbanning en gevangenis ondergaan.

Kort geleden heeft deze jonge leraar uit Buenos Aires in Santiago de Chile een boek uitgegeven. Het boek, opgesierd met Franse, Engelse en Latijnse citaten, begon als volgt: Nauwelijks tweeëntwintig jaar! Drie steden hebben mij uit hun midden verdreven en vier gevangenissen hebben mij binnen hun muren opgenomen. Maar als een vrij man heb ik de despoot mijn gedachten in het gezicht geworpen! Opnieuw stuur ik mijn ideeën de wereld in en onbevreesd wacht ik af wat het Lot mij zal bereiden.

Twee maanden later, wanneer hij een hoek omslaat, baadt Federico Mayer Arnold in zijn bloed. Maar niet op last van de tiran: dc schoonmoeder van Federico, Dona María, een vrouw uit Mendoza met een boosaardig karakter, heeft de messetrekkers betaald. Zij heeft de opdracht gegeven de schoonzoon af te maken, omdat hij haar niet bevalt.

 

 

1853 La Cruz

De schat van de jezuïeten

 

Zij weet het. Daarom volgt de raaf haar, vliegt hij iedere ochtend op weg naar de mis achter haar aan en blijft hij bij de deur van de kerk op haar wachten.

Het is al weer een tijdje geleden dat zij honderd werd. Zij zal het geheim zeggen wanneer zij gaat sterven, anders zou de Goddelijke Voorzienigheid haar straffen.

‘Over drie dagen,’ belooft zij.

En drie dagen later:

‘Volgende maand.’

En na een maand:

‘Morgen misschien.’

Wanneer ze haar te na komen, zet zij kippeogen op en doet net of zij beduusd is of begint te lachen en met haar beentjes te trappelen, alsof zo oud zijn een ondeugendheid was.

Heel La Cruz weet dat zij het weet. Zij was nog een klein meisje, toen zij de jezuïeten hielp de schat in de bossen van Misiones te begraven, maar zij is het niet vergeten.

Een keer, gebruik makend van haar afwezigheid, hebben de buren de grote kist, waarop zij haar dagen zittend slijt, opengemaakt. In de kist vonden zij de uitgedroogde navelstrengen van haar elf kinderen.

Dan komt de doodsstrijd. Het hele dorp staat aan haar bed. Zij opent en sluit haar vissemond, alsof zij iets wil zeggen.

Zij sterft in een geur van heiligheid. Het geheim was het enige dat zij in haar leven had bezeten, en zij gaat heen zonder het te geven.

 

 

1853 Paita

De drie

 

Zij gaat niet meer in kapiteinsuniform gekleed, schiet niet meer met pistolen en rijdt geen paard meer. Haar benen willen niet meer en haar lichaam puilt aan alle kanten uit, maar zij zit in haar invalidenstoel alsof het een troon was en schilt sinaasappels en guaves met de mooiste handen van de wereld.

Omringd door aarden kruiken heerst Manuela Sáenz in het halfdonker van de ingang van haar huis. Verder weg, tussen heuvels met de kleur van de dood, ligt de baai van Paita. Verbannen naar dit Peruaanse havenstadje leeft Manuela van het bereiden van zoetigheden en vruchtenconserven. Schepen lopen binnen om bij haar te kopen. Haar lekkernijen genieten een grote faam aan deze kusten, De walvisjagers snakken naar een lepeltje siroop.

Wanneer de avond valt vermaakt Manuela zich met het toewerpen van afval aan de zwerfhonden, die zij de namen heeft gegeven van de generaals die Bolívar ontrouw zijn geweest. Terwijl Santander, Páez, Córdoba, Lamar en Santa Cruz om de beenderen vechten, begint haar vollemaansgezicht te schijnen, bedekt zij haar tandeloze mond met haar waaier en lacht zij vrolijk. Zij lacht met haar hele lichaam en al haar luchtige kantwerk.

Soms komt er uit het dorp Amotape een oude vriend op bezoek.

De graag wandelende Simón Rodríguez gaat naast Manuela in een schommelstoel zitten en de twee roken, praten en zwijgen. De mensen van wie Bolívar het meest heeft gehouden, de meester en de minnares, veranderen van onderwerp wanneer de naam van de held in het gesprek opduikt.

Wanneer Don Simón weggaat, vraagt Manuela hem haar het zilveren kistje aan te geven. Zij opent het met de sleutel die zij op haar borst draagt en streelt de vele brieven, die Bolívar aan de enige vrouw had geschreven, vergeelde vellen papier die nu nog zeggen: Ik wil je zien en opnieuw zien en je aanraken en je voelen en je proeven... Dan vraagt zij de spiegel en kamt heel lang haar haar, voor het geval hij haar in haar slaap komt opzoeken.

 

 

1854 Amotape

Een getuige vertelt hoe Simón Rodríguez

afscheid nam van de wereld

 

Zodra Don Simón de pastoor van Amotape zag binnenkomen ging hij rechtop in bed zitten, liet de pastoor plaatsnemen op de enige stoel die er was en begon zoiets als een materialistische verhandeling tegen hem af te steken. De pastoor was met stomheid geslagen en had nauwelijks de moed een paar woorden te zeggen in een poging hem te onderbreken...

 

 

1855 New York

Whitman

 

Bij gebrek aan een uitgever betaalt de dichter de uitgave van Leaves of Grass uit eigen zak.

Waldo Emerson, theoloog van de Democratie, zegent het boek, maar de pers valt het aan omdat het prozaïsch en obsceen is.

In de grootse elegie van Walt Whitman brullen de menigten en de machines. De dichter omhelst God en de zondaars en omhelst de Indianen en de pioniers die hen vernietigen, hij omhelst de slaaf en de meester, het slachtoffer en de beul. Alle misdaad wordt goedgemaakt in de extase van de nieuwe wereld, het gespierde en overweldigende Amerika, zonder enige schuld aan het verleden, winden

520

van de vooruitgang die de man tot kameraad van de man maken en de mannelijkheid en de schoonheid in hem bevrijden.

1855 New York Melville

De baardige zeeman is een schrijver zonder lezers. Vier jaar geleden publiceerde hij de geschiedenis van de kapitein die de witte walvis over de zeeën van het universum achtervolgt, bloedige harpoen op zoek naar het Kwaad, en niemand heeft de minste aandacht aan hem geschonken.

In deze tijd van euforie, in dit Noordamerikaanse land in volle expansie, detoneert de stem van Herman Melville. Zijn boeken wantrouwen de Beschaving, die aan de wilde de rol van de Duivel toebedeelt en hem dwingt die te vervullen, zoals kapitein Ahab doet met Moby Dick in de onmetelijkheid van de oceaan. Zijn boeken wijzen de enige en verplichte Waarheid af die enkelen, die zich uitverkorenen menen, aan alle anderen opleggen. Zijn boeken twijfelen aan de Deugd en de Ondeugd, Schaduwen van hetzelfde niets, en leren dat de zon de enige betrouwbare lamp is.

1855 Het gebied Washington ‘Verstikt door uw eigen afval zult u sterven’ waarschuwt Seattle, Indianenopperhoofd

De aarde is niet de zuster van de blanke man, maar zijn vijand. Wanneer hij haar heeft veroverd vervolgt hij zijn weg. Maar alle dingen zijn met elkaar verbonden. Wat de aarde overkomt, overkomt de kinderen van de aarde...

Het geraas van de steden beledigt mijn oren...

De lucht is iets kostbaars voor de mens met een rode huid. Want allen delen wij dezelfde adem: de dieren, de bomen, de mensen. Na verloop van enkele dagen ruikt de stervende de stank van zijn lichaam niet... Het doet er weinig toe waar wij de rest van onze dagen doorbrengen. Het zijn er niet veel. Nog enkele uren, nog enkele winters. De blanken zullen ook voorbijgaan. Misschien eerder dan andere stammen. Gaat u door uw bed te bevuilen en op een nacht zult u verstikt door uw eigen vuil sterven.

 

 

De Far West

 

Is er iemand die naar het oude opperhoofd Seattle luistert? De Indianen zijn ten dode opgeschreven, zoals de buffels en de elanden. Wie niet door een kogel sterft, sterft van honger of verdriet. Vanuit het reservaat, waar hij wegkwijnt, spreekt het oude opperhoofd Seattle in eenzaamheid over inbezitnemingen en uitroeiingen en zegt onbegrijpelijke dingen over het geheugen van zijn volk dat in het sap van de bomen rondgaat.

De colt blaft. Net als de zon trekken de blanke pioniers naar het westen. Een licht als van diamanten leidt hen vanuit de bergen. Het beloofde land maakt jong wie de ploeg erin zet om het vruchtbaar te maken. In minder dan geen tijd verschijnen er straten en huizen in de door cactussen, Indianen en slangen bewoonde eenzaamheid. Het klimaat, zegt men, is zo, maar dan ook zo gezond dat om de begraafplaatsen in te wijden er niets anders opzit dan iemand neer te schieten.

Het jeugdige kapitalisme, vurig en gulzig, verandert wat het aanraakt. Het bos bestaat zodat de bijl het kan omhakken en de woestijn zodat de trein er doorheen kan rijden, de rivier is de moeite waard als er goud in zit en de berg als hij kolen of ijzer bevat. Niemand loopt. Iedereen rent, haastig, gejaagd, achter de vluchtige schaduw van de rijkdom en de macht aan. De ruimte bestaat om door de tijd te worden vernietigd en de tijd om door de vooruitgang op zijn altaren te worden geofferd.

 

 

1856 Granada

Walker

 

De man uit Tennessee schiet ter plekke dood en begraaft zonder grafschrift. Hij heeft ogen van as. Hij lacht niet en drinkt niet. Hij eet omdat het moet. Hij is niet meer met een vrouw gezien sinds zijn doofstomme verloofde is overleden en God is de enige vriend die hij vertrouwt. Hij laat zich de Voorbeschikte noemen. Hij gaat in het zwart gekleed. Hij verafschuwt het te worden aangeraakt. William Walker, heer uit het Zuiden, roept zichzelf uit tot president van Nicaragua. Rode tapijten bedekken de Plaza Mayor van Granada. De trompetten glanzen in de zon. Het muziekkorps speelt Noordamerikaanse militaire marsen terwijl Walker knielt en met een hand op de bijbel de eed aflegt. Eenentwintig saluutschoten begroeten hem. Hij houdt een toespraak in het Engels en vervolgens heft hij een glas water en drinkt op de president van de Verenigde Staten, zijn landgenoot en gewaardeerde collega. De Noordamerikaanse ambassadeur, John Wheeler, vergelijkt Walker met Christoffel Columbus.

Walker is het vorige jaar aan het hoofd van de Falanx van de Onsterfelijken in Nicaragua aangekomen. Ik zal de dood bevelen van iedereen die zich tegen de oppermachtige opmars van mijn strijdkrachten verzet. Als een mes in het vlees trokken de op de kaden van San Francisco en New Orleans gerekruteerde vrijbuiters het land binnen.

De nieuwe president van Nicaragua herstelt de sinds meer dan dertig jaar in Midden-Amerika afgeschafte slavernij en voert de negerhandel, het systeem van horigheid en dwangarbeid weer in. Hij roept het Engels uit tot officiële taal van Nicaragua en biedt de Noordamerikaanse blanken die willen komen land en arbeidskrachten aan.

 

 

1856 Granada

Stond

 

Vijf of geen. Nicaragua was niets. William Walker wilde heel Midden-Amerika veroveren.

De vijf stukken van het vaderland van Morazán, verenigd tegen de piraat, hakken zijn troepen in de pan. De volksoorlog doodt vele Noordamerikanen en de cholera, die verkreukelt en grauw maakt en oplaait, nog meer.

De messias van de slavernij, verpletterend verslagen, steekt het meer van Nicaragua over. Hij wordt achtervolgd door troepen eenden en zwermen vliegen, die besmettelijke ziekten overbrengen. Alvorens naar de Verenigde Staten terug te keren besluit Walker de stad Granada te straffen. Niets van haar zal in leven blijven. Niet haar mensen, niet haar huizen met de rode pannen, niet haar straten met de sinaasappelbomen in het zand.

De vlammen laaien hoog de lucht in.

Aan de voet van de vernielde kade staat een lans in de grond. Als een droevige vlag hangt aan de lans een stuk leer, waarop in rode letters te lezen staat: Hier stond Granada.

 

 

Walker: ‘Ter verdediging van de slavernij’

 

De vijanden van de Amerikaanse beschaving—want dat zijn de vijanden van de slavernij—schijnen slimmer te zijn dan de vrienden.

Het Zuiden moet iets doen voor de nagedachtenis van de dapperen die onder de Nicaraguaanse grond rusten. Ter verdediging van de slavernij verlieten die mannen hun haardsteden, trotseerden zij kalm en standvastig de gevaren van een tropisch klimaat en gaven tenslotte hun leven... Als er nog kracht in het Zuiden is—en wie twijfelt daaraan?—om de strijd tegen de voorvechters van de antislavernij voort te zetten, laat het dan de verlammende loomheid van zich afschudden en zich opnieuw op de strijd voorbereiden.

Het ware terrein om de slavernij uit te oefenen is het tropische Amerika. Daar staat de natuurlijke zetel van haar rijk en daar kan zij zich met een geringe inspanning ontwikkelen...

 

 

1858 Bronnen van de Gila

De gewijde grond van de Apachen

 

Hier, in de vallei waar de rivier ontspringt, tussen de hoge rotsen van Arizona, staat de boom die Gerónimo dertig jaar geleden beschutting bood. Hij was net uit de buik van zijn moeder gekomen en werd in een deken gewikkeld. De deken werd aan een tak gehangen. De wind wiegde het kind, terwijl een oude stem de boom vroeg:

Laat hem leven en groeien om je vele malen vrucht te zien dragen.’ Deze boom staat in het middelpunt van de wereld. In zijn schaduw staand zal Gerónimo nooit het noorden met het zuiden noch het kwaad met het goed verwarren.

Er omheen strekt zich het wijde land van de Apachen uit. In deze ruige streek leven zij sinds de eerste van hen, de zoon van de storm, zich kleedde in de veren van de adelaar die hij op de vijanden van het licht had veroverd. Hier heeft het nooit ontbroken aan dieren om te jagen of kruiden om de zieken te genezen of rotsholen om er na de dood te rusten.

Er zijn een paar vreemde mannen te paard gekomen, die lange touwen en vele stokken bij zich hebben. Hun huid ziet eruit of er geen bloed in zit en zij spreken een nooit gehoorde taal. Zij steken gekleurde tekens in de grond en stellen vragen aan een witte medaille die antwoord geeft door een naald te bewegen.

Gerónimo weet niet dat deze mannen zijn gekomen om het land van de Apachen op te meten om het te verkopen.

 

 

1858 Kaskiyeh

Gerónimo

 

De Apachen waren ongewapend naar de markt van Kaskiyeh gegaan, in het zuiden tussen Sonora en Casas Grandes, om er buffelen hertehuiden voor levensmiddelen te ruilen. De Mexicaanse soldaten overvielen hun kamp en namen hun paarden mee. Tussen de doden liggen de moeder en de vrouw van Gerónimo en zijn drie kinderen.

Gerónimo zegt niets terwijl zijn stamgenoten bijeenkomen en bedroefd stemmen: zij zijn ingesloten, ontwapend, en kunnen alleen maar weggaan.

Onbeweeglijk bij de rivier gezeten ziet hij de zijnen achter de voetstappen van het opperhoofd Rode Mouwen aan vertrekken. Hier blijven de doden. Tenslotte gaat ook Gerónimo, het hoofd naar achteren gewend, weg. Hij volgt zijn mensen op de juiste afstand om liet zachte geluid van de voeten van de Apachen op de terugtocht te horen.

Gedurende de lange reis naar het noorden zegt hij geen woord. Wanneer hij in zijn grondgebied is aangekomen, verbrandt hij zijn huis van huiden en het huis van zijn moeder en alle dingen van zijn vrouw en van zijn moeder en verbrandt hij het speelgoed van zijn kinderen. Dan werpt hij, met de rug naar het vuur, zijn hoofd achterover en zingt een oorlogslied.

 

 

1858 San Borja

Laat de dood sterven

 

Zijn gepijnigde lichaam wilde zich met de Amerikaanse aarde vermengen. Aimé Bonpland wist dat hij in haar zou eindigen om zich in haar voort te zetten vanaf die langvervlogen dag dat hij samen met Humboldt op de Caribische kust aan land ging.

Bonpland sterft aan zijn dood, in een hut van leem en stro, rustig, wetend dat de sterren niet sterven en ook de mieren en de mensen geboren blijven worden en dat er nieuwe klaverblaadjes zullen zijn en nieuwe sinaasappels of zonnen aan de takken en dat de veulentjes, net op hun muggepoten overeind gekomen, hun hals zullen strekken om de tepel te zoeken. De oude man neemt afscheid van de wereld zoals een kind afscheid neemt van de dag wanneer het gaat slapen. Daarna doorsteekt een dronkaard het lijk met zijn dolk, maar de sinistere daad van menselijke stompzinnigheid is een onbetekenend detail.

 

1860 Chan Santa Cruz

Het ceremoniële centrum van de opstandelingen van Yucatán

 

‘Mijn vader heeft mij niet bij de rijken gezet, hij heeft mij niet bij de generaals gezet noch bij degenen die geld hebben en ook niet bij degenen die zeggen dat zij het hebben, ’ had de Moeder van de Kruisen, zij die uit de mahonieboom bij de bron is voortgekomen, in Yucatán verkondigd, en toen de soldaten de mahonieboom met bijlslagen omhakten en het door de Indianen aangeklede kruisje verbrandden, had zij al kinderen gekregen. Van kruis naar kruis is het woord blijven leven:

‘Bij de armen heeft mijn vader mij gezet, want ik ben arm.

Rond het kruis, rond de kruisen is Chan Santa Cruz gegroeid, het grote heiligdom van de opstandige Maya’s in het oerwoud van Yucatán.

De soldaten van de expeditie van kolonel Acereto dringen zonder tegenstand binnen. Zij vinden geen enkele Indiaan en staan met open mond: de Maya’s hebben een ontzaglijke kerk met massieve muren en een hoge koepel gebouwd, het Huis van God, het Huis van de God-Tijger, en in de toren hangen uit Bacalar weggehaalde klokken.

In de gewijde stad zonder mensen boezemt alles angst in. Er zit weinig water in de veldflessen, maar kolonel Acereto verbiedt uit de putten te drinken. Zes jaar geleden hebben andere soldaten gedronken en gebraakt en zijn doodgegaan, terwijl de Indianen vanuit het struikgewas vroegen of het water fris was.

De soldaten wachten en wanhopen en de dagen gaan voorbij. Intussen komen de Indianen uit honderd dorpen en duizend maïsvelden. Zij hebben een geweer of een kapmes en een zakje maïsmeel bij zich. Zij verzamelen zich in het dichte kreupelhout en wanneer kolonel Acereto besluit terug te trekken worden zijn troepen in één keer weggeblazen.

Het orkest, dat in zijn geheel gevangen is genomen, zal de kinderen muziek onderwijzen en polka’s spelen in de kerk, waar het door Maya-goden omringde kruis woont en spreekt. Daar, in de kerk, ontvangt het volk de communie met maïskoek en honing en eens per jaar kiest het de uitleggers van het kruis en de aanvoerders van de oorlog, die een gouden oorring dragen maar net als ieder ander maïs verbouwen.

 

 

1860 Havanna

Een dichter in crisis

 

Voor de prijs van dertien doden per kilometer rails is op Cuba de spoorweg aangelegd die de suiker van de velden van Güines naar de haven van Havanna brengt, doden uit Afrika, Ierland, de Canarische Eilanden en Macao, slaven of ongelukkige dagloners die door de mensenhandelaren van ver zijn gehaald, en de bloei van de suikerhandel eist er steeds meer.

Tien jaar geleden kwam de eerste lading Maya-slaven uit Yucatán.

Honderdveertig Indiaanse krijgsgevangenen werden voor vijfentwintig peso per stuk verkocht, kinderen gratis. Later gunde de Mexicaanse president Santa Anna het handelsmonopolie aan kolonel Manuel María Jiménez en de prijs steeg tot honderdzestig peso per man, honderdtwintig per vrouw en tachtig per kind. De Maya-oorlog duurde voort en daarmee de Cubaanse leningen in geld en geweren: de regering van Yucatán int een belasting per verkochte slaaf en betaalt zo met Indianen de oorlog tegen de Indianen.

De Spaanse dichter José Zorrilla heeft in de havenstad Campeche een partij Indianen gekocht voor de verkoop op Cuba. Alles was gereed voor de verscheping toen de gele koorts in Havanna zijn kapitalistische compagnon Cipriano de las Cagigas doodde, en nu troost de schrijver van Don Juan Tenorio zich met het schrijven van verzen op een koffieplantage.

 

 

1861 Havanna

Suikerwerkers

 

Weldra zal de stad Havanna zijn letterkundige wedstrijd houden. De intellectuelen van het Atheneum stellen een groot centraal thema voor: zij willen dat de literaire prijsvraag wordt gewijd aan het aan Spanje vragen om zestigduizend nieuwe slaven. Aldus zouden de dichters ruggesteun geven aan het project van de negerimport dat reeds de steun geniet van de krant ‘Diario de la Marina’ en de wettelijke zegen heeft van de officier van de rechtbank.

Er is een tekort aan werkkrachten in de suiker. De negers, die via de stranden van Mariel, Cojímar en Batabanó worden binnengesmokkeld, zijn schaars en duur. Drie eigenaren van suikerfabrieken hebben het project opgezet, omdat Cuba uitgeput en verslagen terneer ligt, en zij smeken de Spaanse autoriteiten naar zijn deerniswekkende weeklachten te luisteren en het van negers te voorzien, zachtmoedige en trouwe negers aan wie Cuba zijn economische welvaart te danken heeft. Het zal eenvoudig zijn, zo verzekeren zij, hen uit Afrika weg te halen: Zij zullen vrolijk naar de Spaanse schepen hollen wanneer zij die zien aankomen.

 

 

Suikerwoorden

 

In Havanna is het venstertraliewerk van ijzeren spiralen gemaakt, de pilaren hebben gipsen schelpen, de kamerschermen houten kant werk en de glas-in-loodramen pauwestaarten. De taal van de advocaten en de paters is versierd met arabesken. De dichters zijn op zoek naar nooit gebruikte rijmen en de prozaschrijvers naar gezwollen adjectieven. De redenaars zijn op zoek naar de punt, de springerige, vluchtende punt: de punt verschijnt achter een bijwoord of een haakje en de redenaar werpt woorden en nog meer woorden naar hem, de redevoering rekt zich omdat zij de punt wil bereiken, maar deze vlucht steeds verder en zo gaat de achtervolging tot in het oneindige door.

De boeken van de boekhouding daarentegen spreken de harde taal van de werkelijkheid. In de suikerfabrieken op heel Cuba wordt de geboorte of de aankoop van iedere slaaf geboekt als de ontvangst van een roerend goed en wordt een afschrijvingstempo van drie procent per jaar berekend. De ziekte van een man staat gelijk met de beschadiging aan een klep en het einde van een leven is hetzelfde .ils het verlies van een stuk vee: De gedode runderen zijn stieren. Een jonge zeug is doodgegaan van kapokboomvruchten. De neger Domingo Mondongo is dood.

 

 

1861 Bull Run

De grijzen tegen de blauwen

 

In de buurt van de stad Washington vindt de eerste veldslag van de burgeroorlog plaats. Een talrijk publiek was in rijtuigen of te paard toegestroomd om het schouwspel bij te wonen. Maar zodra liet bloed begint te vloeien vlucht de menigte onder panisch gegil en de paarden op hol jagend hals over kop weg, en al spoedig zijn tic straten van de hoofdstad vol verminkten en stervenden.

Twee tegengestelde landen hadden tot nu toe de kaart, de vlag en de naam van de Verenigde Staten gedeeld. Een krant in het Zuiden deelde in de rubriek Berichten uit het buitenland mee dat Abraham Lincoln de verkiezingen had gewonnen. Een maand later vormden de zuidelijke staten een afzonderlijk land en brak de oorlog uit.

Lincoln, de nieuwe president, belichaamt de idealen van het Noorden. In zijn verkiezingscampagne heeft hij aangekondigd dat je niet kunt doorgaan met voor de helft vrij en voor de helft slaaf te zijn en heeft hij boerenhoeven in plaats van grootgrondbezit en hogere tarieven tegen de concurrentie van de Europese industrie beloofd. Noord en zuid: twee ruimten, twee tijden. In het Noorden, fabrieken die reeds meer produceren dan de velden, onvermoeibare uitvinders die de elektrische telegraaf, de naaimachine en de oogstmachine creëren, nieuwe steden die overal uit de grond verrijzen, een miljoen inwoners in New York en kaden die te klein zijn voor de schepen vol Europeanen die wanhopig een nieuw vaderland zoeken. In het Zuiden, de stamboom en het heimwee, de tabaksvelden, de uitgestrekte katoenplantages: vier miljoen negerslaven die de grondstof produceren voor de Engelse spinnerijen in Lancashire en Manchester, heren die duelleren om de bezoedelde eer van de zuster of de goede naam van de familie, en dames die in een calèche door de bloeiende velden rijden en in de avondschemering op de waranda’s van de landhuizen in zwijm vallen.

 

 

1862 Fredericksburg

Het potlood van de oorlog

 

 

Tegen een muur geleund, de benen over elkaar op de grond, kijkt een jonge soldaat zonder te zien. De baard van enkele maanden ligt op de open hals van zijn tuniek. Een soldatenhand streelt de kop van een hond, die op zijn knieën ligt te slapen.

John Geyser, een rekruut uit Pennsylvania, tekent zichzelf en zijn kameraden terwijl de oorlog doodt. Voor een ogenblik houdt het potlood hen tegen op hun weg naar het tussen de kanonschoten door gegraven graf: de soldaten laden het geweer of maken het schoon of eten hun rantsoen bruinbrood met spek of kijken droevig: droevig kijken zij zonder te zien of misschien verder ziend dan waarheen zij kijken.

 

 

1863 Mexico Stad

‘Het Amerikaanse Algerije’

 

is volgens de Parijse pers de nieuwe naam van Mexico. Het leger van Napoleon III valt aan en verovert de hoofdstad en de belangrijkste steden.

In Rome danst de paus van vreugde. De door de indringers verjaagde regering van Benito Juárez had zich schuldig gemaakt aan heiligschennis tegen God en zijn eigendommen in Mexico. Juárez had de kerk uitgekleed door haar te beroven van haar gewijde tienden, van haar grootgrondbezit dat net zo uitgestrekt was als de hemel, en van de liefhebbende bescherming door de staat.

De conservatieven sluiten zich bij de veroveraars aan. Twintigduizend Mexicaanse soldaten helpen de dertigduizend soldaten uit Frankrijk, die kort tevoren de Krim, Algerije en Senegal hebben overvallen. Napoleon III maakt zich meester van Mexico onder het aanroepen van de Latijnse geest, de Latijnse cultuur en het Latijnse ras en eist en passant de betaling van een ontzaglijke, onwezenlijke lening.

Maximiliaan van Oostenrijk, een van de vele werkloze prinsen in Europa, belast zich, vergezeld van zijn kolossale vrouw, met de nieuwe kolonie.

 

 

1863 Londen

Marx

 

Napoleon III zal in de aangelegenheid van Mexico zijn nek breken als ze hem daarvóór niet ophangen, kondigt een wijze en zeer arme profeet aan die op de pof in Londen leeft.

Terwijl hij het concept van een werk dat de wereld zal veranderen verbetert en bijvijlt, ontgaat Karl Marx geen detail van wat er in de wereld gebeurt. In brieven en artikelen noemt hij de derde Napoleon een keizerlijke Lazarillo de Tormes en de invasie in Mexico een schandelijke onderneming. Ook klaagt hij Engeland en Spanje aan, die het Mexicaanse grondgebied als oorlogsbuit met Frankrijk zouden willen delen, en alle naties die naties stelen en gewend zijn duizenden en nog eens duizenden mensen naar de slachtbank te sturen zodat de woekeraars en de handelaren hun werkgebied kunnen uitbreiden.

Marx gelooft niet meer dat de imperialistische expansie van de meer ontwikkelde landen een overwinning van de vooruitgang op de achterlijkheid is. Vijftien jaar eerder, echter, was hij het niet oneens geweest met Engels toen deze de invasie in Mexico door de Verenigde Staten had toegejuicht in de mening dat de Mexicaanse boeren zo proletariërs zouden worden en de bisschoppen en de feodale heren van hun voetstuk zouden vallen.

 

 

1865 La Paz

Belzu

 

Een vloedgolf van opgestane Indianen heeft de macht weer in handen van Belzu gebracht. Manuel Isidoro Belzu, vadertje Belzu, wreker van de armen, beul van de advocaten, keert op de golven van menigten naar La Paz terug.

Terwijl hij, enkele jaren geleden, regeerde was de hoofdstad van Bolivia waar hij was, bovenop zijn paard, en de bazen van het land, die meer dan veertig militaire staatsgrepen tegen hem ontketenden, slaagden er niet in hem uit het zadel te krijgen. De buitenlandse kooplieden haatten hem, omdat Belzu hun de toegang ontzegde en de handwerkslieden van Cochabamba tegen de invasie van in Engeland gefabriceerde poncho’s beschermde. De pruladvocaten van Chuquisaca, door wier aderen inkt of water stroomt, waren doodsbenauwd voor hem, en ook de heren van de mijnen, die hem nooit één decreet hadden kunnen dicteren, spanden tegen hem samen.

Belzu, mager en mooi, is teruggekeerd. Te paard gaat hij het paleis binnen, in rustige tred, alsof hij vaart.

 

 

Uit een toespraak van Belzu tot het Boliviaanse volk

 

Het uur heeft geslagen om de aristocratie zijn titels te vragen en het privé bezit zijn grondslagen... Het privé-bezit is de belangrijkste bron van het grootste deel van de misdaden en misdrijven in Bolivia, het is de oorzaak van de voortdurende strijd tussen de Bolivianen, het is het alles overheersende begin van dat eeuwig door de algemene moraal veroordeelde egoïsme Geen eigendom meer, geen eigenaren meer, geen erfenissen meer! Weg met de aristocraten! Laat de grond voor allen zijn! Laat het afgelopen zijn met de uitbuiting van de mens door de mens!

 

 

1865 La Paz

Melgarejo

 

Maríano Melgarejo, de felste vijand van Belzu, is een Hercules, in staat om een paard op zijn schouders te dragen. Hij werd geboren in Tarata, hoog land met hoog gras, van een vader die liefheeft en weggaat. Op een Paaszondag werd hij geboren:

‘God heeft mij uitgekozen om te worden geboren, terwijl hij herrees. ’ Voordat hij had geleerd te lopen kon hij al op paarden galopperen die hun hoofd uit het groen staken en eerder dan de tepel van zijn moeder kende hij het maïsbier dat je laat tollen en vliegen, het beste maïsbier van Bolivia, melk uit Tarata, maïs dat is gekauwd en uitgespuugd door de oude vrouwen met het meest schaamteloze speeksel. Hij kon niet eens zijn handtekening zetten toen hij al door niets of niemand nog kon worden tegengehouden in de charges op leven of dood en lijf aan lijf, de jas aan flarden, en mensen omhoog gooide of de hersens insloeg met zijn vuist, zijn lans of zijn sabel.

Velen heeft hij aan hun eind geholpen. Hij doodde bij klaarlichte dag of in maanloze nacht, eeuwige opstandeling, twistzoeker, en werd twee keer ter dood veroordeeld. Tussen feesten en braspartijen door heeft hij verbanning en macht gekend. Eergisteravond sliep hij op de troon en gisteravond in de plooien van de heuvels. Gisteren nok hij aan het hoofd van zijn leger op een enorm kanon gezeten I a Paz binnen, zijn rode poncho wapperend als een vlag, en vandaag leekt hij somber en alleen het plein over.

 

 

1865 La Paz

De kortste staatsgreep in de geschiedenis

 

Het is Belzu’s uur. Melgarejo, de overwonnene, komt zich overgeven. Melgarejo steekt het plein over, steekt het geschreeuw over: ‘Leve Belzu!’

Belzu wacht in de enorme salon op de eerste verdieping. Melgarejo bel reedt het paleis. Zonder op te kijken, de zwarte baard op zijn stiereborst, gaat hij de trappen op. Op het plein schreeuwt de menigte:

‘Leve Belzu! Vadertje Belzu!’

Melgarejo loopt op Belzu af. De president staat op en spreidt zijn armen:

‘Ik vergeef je.’

Door de open ramen dreunen de stemmen:

Vadertje Belzu.

Melgarejo laat zich omarmen en vuurt. Het schot weerklinkt, het lichaam weerklinkt tegen de vloer.

De overwinnaar stapt het balkon op. Hij toont het lijk, hij biedt het aan:

‘Belzu is dood! Wie leeft er?’

 

 

1865 Appomattox

Generaal Lee overhandigt zijn zwaard met robijnen

 

De noordelijke soldaten, in volle, alles neerslaande opmars, wachten op het bevel voor de laatste aanval. Dan verheft zich een stofwolk, die vanaf de vijandelijke linies naderbij komt. Van het hongerige, in de pan gehakte leger van de grijzen maakt zich een ruiter los met een witte doek aan een stok.

In de laatste veldslagen droegen de zuidelijke soldaten hun naam op hun rug geschreven, zodat zij tussen de doden herkend zouden worden. Het verwoeste zuiden had de oorlog verloren, maar zette hem uit een koppig eergevoel voort.

Nu geeft de verslagen generaal Lee met gehandschoende hand zijn met robijnen bezette zwaard af. De winnende generaal, Ulysses Grant, zonder sabel of onderscheidingen, open tuniek, rookt of kauwt op een sigaar.

De oorlog is afgelopen, de slavernij is afgelopen. Met de slavernij zijn de muren geslecht die de volledige ontwikkeling van de industrie en de expansie van de nationale markt in de Verenigde Staten tegenhielden. Zeshonderdduizend jonge mannen zijn gesneuveld. Onder hen de helft van de negers die het blauwe uniform in de bataljons van het noorden droegen.

 

 

1865 Washington

Lincoln

 

Abe komt uit Kentucky. Daar hief zijn vader de bijl en liet de hamer neerkomen en de blokhut had wanden en een dak en bedden van droge bladeren. Iedere dag hakte de bijl brandhout voor het vuur en op een dag haalde de bijl het hout uit het bos dat nodig was om de moeder van Abe onder de sneeuw te begraven. Abe was nog heel jong toen de hamer op die houten pinnen sloeg. De moeder zou nooit meer witbrood bakken op zaterdag en ook zouden die altijd verbaasde ogen nooit meer knipperen, zodat de bijl hout bracht om een vlot te bouwen en de vader zijn kinderen over de rivier meenam naar Indianen.

Hij komt uit Indiana. Daar tekende Abe met een stuk houtskool zijn eerste letters en was hij de beste houthakker van het district. Hij komt uit Illinois. In Illinois had hij een vrouw lief die Ann heette en trouwde hij met een andere die Mary heette. Mary sprak Frans en had de mode van de hoepelrok ingevoerd. Zij besloot dat Abe president van de Verenigde Staten zou worden. Terwijl zij jongens baarde schreef hij redevoeringen en een enkel gedicht aan de herinnering, droef eiland, magisch eiland dat baadt in vloeibaar licht.

Hij komt uit het Capitool, in Washington. Staande aan het venster zag hij de slavenmarkt, een soort stal waarin de negers als paarden waren opgesloten.

Hij komt uit het Witte Huis. Hij kwam in het Witte Huis met de belofte van landhervorming en protectie voor de industrie en met de uitspraak dat wie een ander van zijn vrijheid berooft het genot ervan niet waardig is. Hij betrad het Witte Huis met de eed dat hij zodanig zou regeren dat hij nog altijd een vriend binnen in zichzelf zou hebben wanneer hij geen vrienden meer had. Hij regeerde in oorlog en in oorlog vervulde hij al zijn beloften, ’s Ochtends zag men hem op pantoffels voor de deur van het Witte Huis op de krant staan wachten.

Hij komt zonder haast. Abraham Lincoln had nooit haast. Hij loopt als een eend, zijn enorme voeten plat neerzettend, en als een toren steekt hij boven de menigte uit die hem toejuicht. Hij gaat het theater binnen en bestijgt langzaam de trap naar de presidentiële loge.

In de loge tekent zijn benige gezicht op de tanige nek zich in de schaduw tegen de bloemen en de vlaggen af, en in de schaduw glanzen de zachtste ogen en de droefgeestigste glimlach van Amerika.

Hij komt uit de overwinning en uit de droom. Vandaag is het Goede Vrijdag en het is vijf dagen geleden dat generaal Lee zich heeft overgegeven. Vannacht heeft Lincoln gedroomd van een zee van mysterie en een vreemd schip dat naar een mistige kust voer. Lincoln komt uit zijn hele leven, en loopt zonder haast naar deze afspraak in de loge van een schouwburg in de stad Washington. Reeds komt de kogel op hem af die zijn hoofd zal splijten.

 

 

1865 Washington

Eerbetoon

 

Hoeveel negers zijn er opgehangen omdat zij een broek hadden gestolen of een blanke vrouw in de ogen hadden gekeken? Hoe heetten de slaven die meer dan een eeuw geleden New York in brand staken? Hoeveel slaven hebben het voorbeeld gevolgd van Elijah Lovejoy, wiens drukpers tot twee maal toe in de rivier werd gegooid en in Illinois werd vermoord zonder dat iemand daarvoor werd vervolgd of gestraft? De geschiedenis van de afschaffing van de slavernij in de Verenigde Staten heeft ontelbare hoofdrolspelers gehad, zwarten en blanken, zoals deze:

* John Russwurm en Samuel Cornish, die de eerste negerkrant maakten, en Theodore Weid die het eerste centrum voor hoger onderwijs oprichtte dat vrouwen en negers toeliet.

* Daniël Payne die erin slaagde zijn school voor negers in Charleston gedurende zes jaar open te houden, en Prudence Crandall, een kwaker-onderwijzeres, die haar blanke leerlingen kwijtraakte omdat zij een negermeisje op haar school ontving, en die werd beledigd, gestenigd en gevangengezet. En er was as op de plaats waar haar school had gestaan.

* Gabriel Prosser die voor zijn broeders in Virginia de vrijheid zocht en voor zichzelf de galg vond, en David Walker voor wiens hoofd de autoriteiten van Georgia tienduizend dollar betaalden en die langs de wegen trok en verkondigde dat het doden van een man die het leven uit je wegtrekt hetzelfde is als water drinken wanneer je dorst hebt, en die dat zei tot hij van de weg verdween of uit de weg werd geruimd.

* Nat Turner die tijdens een zonsverduistering het teken geschreven zag dat de laatste jaren de eerste zullen zijn en gek werd met een moordende razernij, en John Brown, met de baard van een jager en vlammende ogen, die in Virginia een overval pleegde op een wapenhandel en vanuit een depot voor locomotieven slag leverde tegen de mariniers en later niet wilde dat zijn advocaat hem gek verklaarde, en waardig naar de galg liep.

* William Lloyd Garrison, een fanatieke vijand van de mensendieven, die met een strop om de nek door de straten van Boston werd gevoerd, en Henry Garnet die in de kerk predikte dat de slaaf die in zijn lot berust tegen God zondigt, en Henry Ward Beecher, een geestelijke uit Brooklyn, die zei dat in bepaalde gevallen een geweer nuttiger kan zijn dan de bijbel, om welke reden de naar de slaven in het zuiden gezonden wapens bijbels van Beecher werden genoemd.

* Harriet Beecher Stowe, in wier hut van oom Tom vele blanken voor de zaak werden gewonnen, en Frances Harper, dichter, die de noódzakelijke woorden vond om de macht en het geld te vervloeken, en Salomon Northup, een slaaf uit Louisiana, die de getuigenis van het leven op de katoenplantages vanaf het moment dat de hoorn klinkt voor de dageraad aanbreekt heeft kunnen verspreiden.

* Frederick Douglass, een uit Maryland gevluchte slaaf, die in New York de tekst van de Dag van de Onafhankelijkheid veranderde in een akte van beschuldiging en uitriep dat de vrijheid en de gelijkheid als een holle parodie klonken.

  • Harriet Tubman, een analfabete boerin, die de vlucht van meer dan driehonderd slaven over het pad van de poolster naar Canada organiseerde.

 

 

1865 Buenos Aires

De Triple Schande

 

Terwijl in Noord-Amerika de geschiedenis een oorlog wint, breekt in Zuid-Amerika een andere oorlog uit die de geschiedenis zal verliezen. Buenos Aires, Rio de Janeiro en Montevideo, de drie havens die een halve eeuw geleden José Artigas vernietigden, maken zich gereed Paraguay te verwoesten.

Onder de opeenvolgende dictaturen van Gaspar Rodríguez de Francia, Carlos Antonio López en zijn zoon Francisco Solano, leiders met een volstrekt absolute macht, is Paraguay veranderd in een gevaarlijk voorbeeld. De buren lopen een ernstig besmettingsgevaar: in Paraguay zijn de grondbezitters niet de baas, speculeren de kooplieden niet en verstikken de woekeraars niet. Van buitenaf geblokkeerd is het land naar binnen gegroeid en blijft het groeien, zonder de wereldmarkt of het buitenlandse kapitaal te gehoorzamen. Terwijl de andere landen, opgehangen aan hun schulden, spartelen, is Paraguay aan niemand een cent schuldig en staat het op eigen benen.

De Britse ambassadeur in Buenos Aires, Edward Thornton, is de hogepriester van de woeste ceremonie van exorcisme. Argentinië, Brazilië en Uruguay zullen de duivel bezweren door de hovaardigen bajonetten in de borst te steken.

 

 

1865 Buenos Aires

Zij hebben de Alliantie met spinrag geweven

 

Als een groteske kroon van een boom sierde het op een piek gezette hoofd met de haardos en de haarband van Chacho Peñaloza het midden van een plein. Chacho en zijn paard waren één spier geweest: zonder paard werd hij gevangen en verraderlijk onthalsd. Om het gespuis te kalmeren werd het hoofd van de gauchostrijder van de vlakten van La Rioja tentoongesteld. Domingo Faustino Sarmiento feliciteerde de beulen.

De oorlog tegen Paraguay laat een andere oorlog, die al een halve eeuw aan de gang is, voortduren: de oorlog van Buenos Aires, de bloedzuigende haven, tegen de provincies. Venancio Flores, Uru-guayaan, heeft met Mitre en Sarmiento samengewerkt bij de uitroeiing van de opstandige gaucho’s. Als beloning kreeg hij het presidentschap van Uruguay. Braziliaanse schepen en Argentijnse wapens hebben Flores aan de macht gebracht. De invasie van Uruguay kwam op gang vanaf het bombardement van de hulpeloze stad Pay-sandü. Een maand lang bood Paysandü weerstand, tot de aanvoerder van de verdediging op de brandende puinhopen werd gefusilleerd.

Zo is de alliande van twee de Triple Alliantie geworden. Met de Engelse zegen en met Engelse credieten storten de regeringen van Argentinië, Brazilië en Uruguay zich op de verlossing van Paraguay. Zij sluiten een verdrag. Zij voeren de oorlog, zegt het verdrag, in naam van de vrede. Paraguay zal de kosten van zijn eigen verdelging moeten betalen en de overwinnaars zullen het land een passende regering geven. In naam van de eerbied voor de territoriale onschendbaarheid van Paraguay garandeert het verdrag aan Brazilië een derde deel van zijn oppervlakte en wijst het Argentinië heel Misiones en de uitgestrekte Chaco toe. De oorlog wordt ook in naam van de vrijheid gevoerd. Brazilië, dat twee miljoen slaven heeft, belooft de vrijheid aan Paraguay dat er niet één heeft.

 

 

1865 San José

Urquiza

 

Hij kust de hand van een vrouw en, zo wordt gezegd, hij maakt haar zwanger. Hij verzamelt kinderen en grond. Van het eerste heeft hij er honderdvijftig, zonder de twijfelgevallen mee te tellen, en van het tweede wie weet hoeveel mijl. Hij is gek op spiegels, Braziliaanse onderscheidingen, Frans porselein en het gerinkel van zilverstukken.

Justo José de Urquiza, de oude leider van het Argentijnse kustgebied en de man die jaren geleden Juan Manuel de Rosas versloeg, heeft zijn twijfels over de oorlog met Paraguay. Hij lost deze op door dertigduizend paarden van zijn estancia’s voor een uitstekende prijs aan het Braziliaanse leger te verkopen en de levering van gezouten vlees aan de geallieerde legers te contracteren. Verlost van zijn twijfels beveelt hij iedereen te fusilleren die weigert Paraguyanen te doden.

 

 

 

1866 Curupaytí

Mitre

 

Overal op het water drijven stukken hout die eens schepen waren. De Paraguyaanse vloot is dood, maar die van de geallieerden kan het land niet verder stroomopwaarts binnendringen. Zij wordt tegengehouden door de kanonnen van Curupaytí en Humaitá en, tussen beide forten, door een reeks van oever tot oever gehangen grote mandflessen die misschien mijnen zijn.

Onder bevel van Bartolomé Mitre, president van Argentinië en opperbevelhebber van de Triple Alliantie, stormen de soldaten met de bajonet op het geweer op de muren van Curupaytí los. De hoorn laat golven van aanvallende soldaten op elkaar volgen. Weinigen bereiken de gracht en geen enkele de palissade. De Paraguyanen houden schietoefeningen tegen een vijand die zich hardnekkig op klaarlichte dag in het open veld blijft blootstellen. Op het gebulder van de kanonnen en het gedreun van de trommels volgt het geratel van de geweren. Het Paraguyaanse fort spuwt vuurtongen en wanneer de rook optrekt liggen er duizenden doden, als gejaagde konijnen, neergeworpen in de modder. Op veilige afstand beschouwt Bartolomé Mitre, in zwarte geklede jas, uniformhoed op en de verrekijker in de hand, de resultaten van zijn militair genie. Liegend met een bewonderenswaardige oprechtheid had hij de invasietroepen beloofd dat zij in drie maanden in Asunción zouden zijn.

 

 

1866 Curupaytí

Het penseel van de oorlog

 

Candido López, soldaat van Mitre, zal deze verschrikking van Curupaytí en de voorafgaande veldslagen, waarin hij heeft meegevochten, schilderen en ook het dagelijkse leven van de oorlog in de legerkampen. Hij zal met zijn linkerhand schilderen, omdat een granaat bij Curupaytí zijn rechter heeft meegenomen.

Hij zal schilderen zonder iemand te imiteren en niemand zal hem imiteren. Door de week zal hij schoenen verkopen in een winkel in Buenos Aires en ’s zondags zal hij schilderijen maken die zeggen: zo was de oorlog. De domme linkerhand zal wijs worden, uit liefde voor de herinnering, maar geen enkele kunstenaar zal de geringste aandacht aan hem schenken, geen enkele criticus zal hem serieus nemen en niemand zal belangstelling tonen om de herinneringen van een soldaat met één hand te kopen.

Ik ben een kroniekschrijver met het penseel.

De eenzame Cándido López zal menigten schilderen. In zijn doeken zal men geen voorgronden van glinsterende sabels en vurige paarden vinden, of stervende helden die hun laatste redevoering houden met een hand op de bloedende borst, of allegorieën van de Roem met blote borsten. Door zijn kinderogen zullen er ontelbare tinnen soldaatjes en draaimolenpaardjes langstrekken, die in ordelijke formatie het gruwelijke spel van de oorlog spelen.

 

 

1867 De velden van Catamarca

Felipe Varela

 

In vijf Argentijnse provincies komen de oproerige ruiters in opstand. De aan de lans vastgemaakte wolschaar daagt het kanon van de geregelde regimenten uit en zoekt het lijf aan lijf gevecht, en in de stofwolk van de schermutselingen klinkt de kreet ‘Leve Paraguay!’

Van de Andes tot de laagvlakte brengt Felipe Varela de bevolking van het platteland in opstand tegen de havenstad Buenos Aires, de inbezitnemer van Argentinië en ontkenner van Amerika. De leider van Catamarca stelt openlijk het bankroet van de natie aan de kaak, die miljoenenleningen is aangegaan om een zusternatie te vernietigen. Zijn opstandige troepen dragen een devies op het voorhoofd, de Amerikaanse eenheid, en een oude woede in het hart: Uit de provincie komen is een bedelaar zonder vaderland zijn. Varela, een magere gaucho, louter jukbeen en baard, geboren en getogen op de rug van een paard, is de schorre stem van de naar de dood gedreven armen. Vastgebonden met spanriemen komen de vrijwilligers uit de provincies naar de Paraguyaanse oeverlanden en worden zij in kralen opgesloten, en krijgen zij een kogel wanneer zij zich verzetten of deserteren.

 

 

1867 De vlakten van La Rioja

De foltering

 

Kolonel Pablo Irrazábal neemt de opstandelingen uit de vlakten van La Rioja een verklaring af. Hij neemt hun een verklaring af, dat wil zeggen, hij sluit hen in het blok of laat hen op gevilde voeten lopen of hij snijdt hen met een bot mes langzaam de keel door. De havenstad Buenos Aires gebruikt verschillende overredingsmiddelen tegen de opstandige provincies. Een van de meest doeltreffende is het zogenaamde Columbiaanse blok. De gevangene wordt dubbel gevouwen en gekromd met natte leren riemen tussen twee geweren vastgebonden, zodat bij het drogen van de riemen de rug-gegraat kraakt en in stukken breekt.

 

 

1867 La Paz

Over de diplomatie, de wetenschap

van de internationale betrekkingen

 

Op Holofernes gezeten, zijn paard voor oorlogen en feesten, komt president Melgarejo bij de kathedraal van La Paz aan. Onder een troonhemel en in een fluwelen zetel woont hij de hoogmis bij. Hij draagt het uniform van generaal van het Chileense leger en op zijn borst glanst het lint van het grootkruis van de Keizerlijke Orde van Brazilië.

Na zoveel omzwerven en ombrengen heeft Melgarejo geleerd nog niet zijn eigen hemd te vertrouwen. Men zegt dat hij het soms van zich afrukt en met kogels doorzeeft:

‘De baas is de baas en de vinger aan de trekker. ’