Hij is een man van een zorgvuldig en elegant proza. Hij looft de indringer in de taal van de indringer, die hij tot de zijne heeft gemaakt. Met een hand begroet hij de verovering, omdat deze het werk is van de Goddelijke Voorzienigheid: de conquistadores, soldaten van God, hebben het evangelie in de Nieuwe Wereld gebracht en de tragedie is de prijs van de verlossing geweest. Met de andere hand neemt hij afscheid van het koninkrijk van de Inca’s, verwoest voor het werd gekend, en hij roept het op met het heimwee naar het paradijs. De ene hand is van zijn vader, kapitein Pizarro, en de andere van zijn moeder, nicht van Atahualpa, die door deze kapitein werd vernederd en in de armen van een soldaat geworpen.

Net als Amerika is de Inca Garcílaso de la Vega geboren uit een verkrachting. Net als Amerika leeft hij innerlijk verscheurd.

Hoewel hij al een halve eeuw in Europa is, hoort hij nog altijd, alsof zij gisteren weerklonken, de stemmen uit zijn jeugd in Cuzco, alles wat je ontvangt in de luierdoeken en met de melk: in die verwoeste stad kwam hij ter wereld, acht jaar na de komst van de Spanjaarden, en in die stad dronken hij van de lippen van zijn moeder de verhalen in, die begonnen op de dag dat de zon de uit zijn liefdesband met de maan geboren prins en prinses op het Titicaca-meer liet neerdalen.

 

 

1609 Santiago de Chile

Tafelmanieren

 

Vanmorgen werd het hem gezegd, toen zijn dampende, geurige chocola werd binnengebracht. Met een sprong was de gouverneur uit de Hollandse lakens: de koning van Spanje heeft besloten de slavernij van de in oorlog gevangengenomen Indianen te legaliseren.

Het bericht heeft er bijna een jaar over gedaan om de oceaan en de bergketen over te steken. Al lange tijd worden in Chili ten overstaan van een notaris Araucaniërs verkocht, en wie probeert te ontsnappen worden de hielpezen doorgesneden. Maar de goedkeuring van de koning zal sommige protesteerders de mond snoeren.

‘Moge God deze spijze zegenen...’

De gouverneur biedt de temmers van deze woeste streken een diner aan. De genodigden drinken wijn van het land uit ossehoorns en eten in maïsblad gewikkelde maïsbroodjes, de heerlijke humita, een Indiaans gerecht. Zoals Alfons de Wijze had aanbevolen, pakken zij de hapjes vlees met Spaanse peper met drie vingers, en zoals Erasmus van Rotterdam wilde kluiven zij de botten niet af en gooien zij de fruitschillen niet onder tafel. En nadat zij de hete quelén-quelén kruidenthee hebben gedronken, maken zij hun tanden schoon met een tandenstoker zonder die daarna tussen de lippen of in het oor te laten zitten.

 

 

1611 Yarutini

De verdelger van de afgoderij

 

Met houweelslagen wordt Capác Huanca in stukken gehakt.

De priester Francisco de Avila roept tegen zijn Indianen dat zij voort moeten maken. Er moeten nog heel wat afgodsbeelden worden ontdekt en vermorzeld in deze streken van Peru, waar hij niemand kent die zich niet aan de zonde van de afgoderij schuldig maakt. De goddelijke toom rust nooit. Avila, gesel van de tovenaars, leeft zonder te zitten.

Maar zijn slaven, die weten, doet iedere slag pijn. Deze grote rots is een door de god Pariacaca uitverkoren en gespaarde man. Capác Huanca was de enige die met hem zijn maïsdrank en zijn cocabladeren deelde, toen Pariacaca zich in lompen had vermomd en naar Yarutini was gekomen en hier had gevraagd hem wat te eten en te kauwen te geven. Deze grote rots is een onbaatzuchtige man. Pariacaca bevroor hem en veranderde hem in steen, zodat hij niet zou worden weggeblazen door de orkaan van de straf, die alle anderen in één vlaag met zich mee nam.

Avila laat de stukken in de afgrond gooien. Op zijn plaats slaat hij een kruis in de grond.

Daarna vraagt hij aan de Indianen de geschiedenis van Capác Huanca en schrijft hem op.

 

 

1612 San Pedro de Omapacha

De geslagene slaat

 

Het symbool van het gezag, een vlecht van leer, uiteinde van touw, fluit door de lucht en bijt. Hij rukt de huid in repen af en splijt het vlees. Naakt vastgebonden aan de martelsteen ondergaat Cristóbal de León Mullohuamani, hoofd van de gemeenschap Omapacha, de straf. Het gekerm volgt het ritme van de zweep.

Van de cel naar het blok, van het blok naar de zweep leeft het dorpshoofd in hevige pijn. Hij heeft het gewaagd bij de onderkoning in Lima te protesteren en hij heeft niet het verplichte aantal Indianen afgedragen: door zijn schuld waren er niet genoeg arbeidskrachten om de wijn uit de vlakte naar Cuzco te brengen en om kleding te spinnen en te weven zoals de magistraat had bevolen.

De beul, een negerslaaf, laat de zweep met genoegen neerkomen. Deze rug is niet beter of slechter dan iedere andere.

 

 

1613 Londen

Shakespeare

 

De Company of Virginia heeft een enorme strop gehaald op de kust van Noord-Amerika, geen goud, geen zilver, maar door heel Engeland circuleren zijn propagandablaadjes, waarin wordt verteld dat de Engelsen daar met de Indianen parels uit de hemel voor parels uit de grond ruilen.

Nog niet zo lang geleden verkende John Donne in een gedicht het lichaam van zijn geliefde als iemand die Amerika ontdekt. En Virginia, het goud van Virginia, is het belangrijkste onderwerp van gesprek op de feesten voor het huwelijk van prinses Elisabeth. Ter ere van de dochter van de koning wordt een maskerade van George Chapman opgevoerd, die zich beweegt rond een grote rots van goud, symbool van Virginia of van de illusies van zijn aandeelhouders: het goud, sleutel tot alle vormen van macht, het door de alchemisten naarstig gezochte geheim van het leven, zoon van de zon zoals het zilver dochter van de maan is en het koper uit Venus is geboren. Goud is er in de hete streken van de wereld, waar de zon gul zijn stralen zaait.

Bij de feestelijkheden rond het huwelijk van de prinses wordt ook een werk van William Shakespeare, The Tempest, opgevoerd, dat is geïnspireerd op de schipbreuk van een schip van de Company of Virginia bij de Bermuda-eilanden. De grote schepper van zielen en wonderen situeert zijn drama nu op een eiland in de Middellandse Zee, dat eerder in de Caraïbische Zee thuishoort. Daar ontmoet graaf Prospero de Indiaan Calibán, zoon van de heks Sycorax, die de aanbedene is van de god van de Indianen in Patagonië. Caliban is een wilde, een van die Indianen die Shakespeare op een tentoonstelling in London heeft gezien: iets uit het duister, meer beest dan mens, hij leert alleen maar vloeken en heeft geen onderscheidingsvermogen en geen verantwoordelijkheidsgevoel. Slechts als slaaf of vastgebonden als een aap zou hij een plaats in de mensenmaatschappij kunnen vinden, dat wil zeggen, de Europese maatschappij, en hij heeft er geen enkele behoefte aan daarin te worden opgenomen.

 

 

1614 Lima

Notulen van het gemeentebestuur van Lima: de theatercensuur wordt geboren

In dit gemeentebestuur is behandeld en besproken dat het is gebleken dat, aangezien de komedies die in deze stad zijn opgevoerd niet zijn onderzocht, er vele dingen zijn gezegd ten nadele van derden en tegen het gezag en het aan deze gemeente verschuldigende fatsoen. En opdat bedoelde onwelvoeglijkheden een einde nemen is het van belang daarin voor het vervolg te voorzien. En over dit onderwerp gesproken en overlegd hebbende, is besloten en wordt gelast dat aan de huidige en toekomstige schrijvers van komedies ter kennis wordt gebracht dat zij geen enkele komedie opvoeren of doen opvoeren zonder dat deze eerst is gezien en onderzocht en goedgekeurd door de persoon die daartoe door dit gemeentebestuur zal worden aangewezen, op straffe van tweehonderd peso van negen realen elk...

 

 

1614 Lima

De dansen van de Indianen van Peru worden verboden

 

Condorvleugels, papegaaiekoppen, pantervellen: de Peruaanse Indianen dansen hun oude Raymi op sacramentsdag. In de Quechua-taal doen zij hun aanroepingen van de zon wanneer het zaaien begint of brengen hulde aan de zon wanneer er een geboorte is of de oogsttijd nadert.

Opdat met de hulp van Onze Heer de gelegenheden om in afgoderij te vervallen worden weggenomen en de duivel niet zijn verlokkingen kan blijven bedrijven, beslist de aartsbisschop van Lima dat niet mag worden toegestaan dat hetzij in het plaatselijke dialect hetzij in de algemene taal liederen worden gezongen, dansen worden uitgevoerd of muziekfeesten worden gehouden.

De aartsbisschop stelt verschrikkelijke straffen in het vooruitzicht en beveelt alle inheems muziekinstrumenten te verbranden, inclusief de zoete quena, de fluit die de liefde overbrengt:

 

Aan de oever zul je slapen,

om middernacht zal ik komen...

 

 

1615 Lima

Guamán Poma

 

Met zijn zeventig jaar buigt hij zich over de tafel, doopt zijn pen in de hoornen inktpot en schrijft en tekent uitdagend.

Hij is een man van een ongeduldig en onverzorgd proza. Hij vervloekt de indringer in de taal van de indringer, die niet de zijne is en die hij verbastert. De taal van Castilië struikelt om de haverklap over Que-chua-woorden en Aymara-woorden, maar uiteindelijk is Castilië wat het is dank zij de Indianen en zonder de Indianen is Uwe Majesteit niets. Vandaag beëindigt Guaman Poma de Ayala zijn brief aan de koning van Spanje. Aanvankelijk was hij aan Philips II gericht, die stierf terwijl Guamán hem schreef. Nu wil hij hem eigenhandig aan Philips III aanbieden. De pelgrim is van dorp naar dorp gegaan, trekkende de schrijver door de bergen met veel sneeuw, hij at als dat kon en droeg steeds zijn groeiend manuscript van woorden en tekeningen op de rug mee. Van de wereld keert de schrijver terug... Hij trok door de wereld en huilde de hele weg en eindelijk is hij in Lima aangekomen. Van hier wil hij naar Spanje reizen. Hoe hij dat zal doen weet hij niet. Wat doet het ertoe? Niemand kent Guamán, niemand luistert naar hem, en de monarch is heel ver en heel hoog, maar Guzmán, pen in de hand, gaat als gelijke met hem om, hij tutoyeert hem en legt hem uit wat hij moet doen.

Weggetrokken uit zijn provincie, onbeschut, onbekend, aarzelt Guamán niet zich uit te roepen tot erfgenaam van de koninklijke dynastieën van de Yarovilca’s en de Inca’s en benoemt hij zichzelf tot Raadgever des Konings, Eersts Indiaanse Kroniekschrijver, Prins van het Koninkrijk en Eerste Bevelhebber. Hij heeft deze lange brief vanuit zijn trots geschreven: zijn geslacht stamt af van de vroegere heren van Huánuco en in de naam die hij heeft aangenomen heeft hij de valk en de poema vervat van het wapen van zijn voorouders, die al vóór de tijd van de Inca’s en de Spanjaarden in het noorden van Peru hebben geheerst.

Deze brief schrijven staat gelijk aan huilen. Woorden, beelden, tranen van woede. De Indianen zijn eigenaren geboren in dit koninkrijk en de Spanjaarden geboren in Spanje zijn hier in dit koninkrijk vreemdelingen. De apostel Jakobus, in militair uniform, zet zijn voet op een gevallen Indiaan. Aan de feestdis zijn de borden gevuld met minuscule vrouwen. De muilezeldrijver vervoert een mand vol halfbloedkinderen van de pastoor. Ook is het een straf van God dat veel Indianen in de kwik-en zilvermijnen sterven. In heel Peru waar er honderd waren zijn er geen tien meer in leven. ‘Eet je dit goud?’ vraagt de Inca, en de conquistador antwoordt: ‘Dit goud eten wij.’

Vandaag beëindigt Guaman zijn brief. Voor deze brief heeft hij geleefd. Een halve eeuw is hij bezig geweest hem te schrijven en te tekenen. Het zijn bijna twaalfhonderd pagina’s. Vandaag beëindigt Guamán zijn brief en sterft.

Noch Philips II noch enige andere koning zal hem ooit kennen. Gedurende drie eeuwen zal hij over de wereld zwerven.

 

 

1616 Madrid

Cervantes

 

‘Welk nieuws breng je over onze vader?’

‘In bed, heer, in tranen en gebeden. Gezwollen is hij, en de kleur van as. Zijn ziel heeft hij al rust gegeven bij de notaris en de pastoor. De klaagvrouwen wachten.’

‘Had ik het balsemsap van Fierabrás maar... Twee slokken en hij was direct genezen!’

‘Nu hij bijna zeventig is, en stervend? Met zes tanden in zijn mond en nog maar één hand die hem van nut is? Met al zijn littekens van veldslagen, beledigingen en kerkers? Die fiere Bras zou toch niet meer helpen. ’

‘Wat zeg ik, twee slokken? Twee druppels!’

‘Hij zou te laat komen.’

‘Is hij dan dood?’

‘Hij gaat dood.’

‘ontbloot het hoofd, Sancho. En jij, Rocinante, neig de nek. Ach, prins der wapenen! Koning der letteren!’

‘Wat moet er zonder hem van ons worden, heer?’

‘Niets zullen wij doen dat niet tot zijn eer strekt.’

‘Waar zullen wij, zo alleen, terecht komen?’

‘Wij zullen gaan waarheen hij wilde en niet kon gaan.’

‘Waarheen, heer?’

‘Om recht te zetten wat krom is op de kusten van Cartagena, het dal van La Paz en de wouden van Soconusco.’

‘Om daar onze botten te laten kastijden.’

‘Weet, Sancho, strijdmakker van paden en wegen, dat de dolende ridders, dorstig naar roem en rechtvaardigheid, in Indië de glorie wacht...’

‘Of we nog niet genoeg stokslagen hebben gehad...’

‘...en als beloning ontvangen de edellieden onmetelijke, nimmer nagevorste koninkrijken.’

‘Zijn er geen andere wat dichterbij?’

‘En jij, Rocinante, luister goed: in Indië lopen de paarden op zilver en bijten zij in goud. Zij worden voor goden gehouden!’

‘Na duizend afranselingen duizendeen.’

‘Zwijg, Sancho.’

‘Heeft onze vader ons niet gezegd dat Amerika een toevluchtsoord voor booswichten en een wijkplaats voor hoeren is?’

‘Zwijg, zeg ik je!’

‘Wie naar Indië scheepgaat, zei hij, laat zijn geweten op de kade achter. ’ ‘Daar zullen wij dus heen gaan, om van elke blaam te zuiveren wie ons als vrije mensen in de gevangenis ter wereld bracht!’

‘En als wij hem hier betreuren?’

‘Zulk een verraad noem jij eerbetoon? Oh, deugniet! Wij gaan weer op weg! Als hij ons heeft gemaakt om zelf op de wereld te blijven, dan zullen wij hem over de wereld voeren. Reik mij de helm! Het schild aan de arm, Sancho! De lans!’

 

 

1616 Potosí

Beelden van een processie

 

Magische berg van Potosí: in deze hooggelegen onherbergzame woestenij, die alleen koude en eenzaamheid te bieden had, heeft hij de dichtstbevolkte stad ter wereld laten ontstaan.

Hoge zilveren kruisen voeren de processie aan, die tussen twee rijen van lansen en banieren langzaam voortgaat. Op de straten van zilver hoefijzers van zilver: de weelderig met fluweel en beparelde teugels getooide paarden trappelen. Ter bevestiging van hen die bevelen en tot troost van hen die dienen defileert het zilver, blinkend, met stevige pas, in het besef dat er geen plaats op de wereld of in de hemel is die het niet kan kopen.

De stad heeft zich feestelijk uitgedost. De balkons zijn getooid met kleden en blazoenen. Vanuit een zee van krakende zijde, een schuimlaag van kantwerk en watervallen van parels bekijken en bewonderen de dames de optocht, die met veel kabaal van trompetten, schalmeien en doffe keteltrommen voorbijtrekt. Enkele heren hebben een zwarte lap voor het oog en bulten en puisten op het voorhoofd, die niet het gevolg zijn van de oorlog maar van de sifilis. Maar de kushandjes en de uitdagende complimentjes vliegen over en weer, van de balkons naar de straat en van de straat naar de balkons.

Daar komen, gemaskerd, het Bezit en de Hebzucht. Terwijl het paard wilde capriolen maakt zingt de Hebzucht vanachter een masker van slangen:

 

De wortel van alle kwaad

word ik genoemd, en al mijn doen

is aan geen wens te voldoen.

 

En het Bezit, zwarte broek, goudgeborduurde zwarte buis, zwart masker onder de gevederde zwarte muts, antwoordt:

 

Als ik de liefde heb overwonnen

en de liefde overwint de dood

ben ik het sterkst op deze kloot.

 

De bisschop leidt een traag, langgerekt leger van priesters en gepunt-kapte boetelingen, gewapend met lange kaarsen en zilveren kandelaars, tot het trompetgeschal van de herauten het geklingel van de belletjes overstemt om de komst aan te kondigen van de Maagd van Guadelupe, Licht van hen die hopen, Spiegel van de rechtvaardigheid, Toevlucht voor de zondaars, Troost voor de bedroefden, Groene Palm, Bloeiende Staf, Schitterende Steen. Zij komt in een koets van goud en schildpadleer, gedragen door vijftig Indianen. Bedolven onder een overdaad van juwelen kijkt zij met grote ogen van verbazing naar het gekrioel van de cherubijnen met zilveren vleugels en het uitbundige vertoon van haar aanbidders. Op een wit strijdros gezeten stormt de Ridder van het Vlammende Zwaard naar voren, gevolgd door een bataljon pages en lakeien in wit livrei. De Ridder werpt zijn hoed ver weg en zingt tot de Maagd:

 

Op het gelaat van mijn dame

is zulk een schoonheid gedrukt

dat zij aarde en hemel verrukt.

 

Lakeien en pages in paars livrei rennen achter de Ridder van de Goddelijke Liefde, die komt aandraven, Romeinse ruiter, de paarszij-den slippen wapperend in de wind. Voor de Maagd valt hij op zijn knieën en buigt zijn met een lauwerkrans gekroonde hoofd, maar wanneer hij zijn borst laat zwellen om zijn copla’s te zingen, barst er een knetterend musketvuur los met veel zwaveldamp. De wagen van de Duivels is de straat binnengereden en niemand schenkt nog enige aandacht aan de Ridder van de Goddelijke Liefde.

Prins Tartarus, aanbidder van Mohammed, opent zijn vleermuisvleugels en prinses Proserpina, haardos en staart van slangen, stoot uit de hoogte godslasteringen en satanisch geschater uit, die door het gevolg van duivels met gejuich worden begroet. Uit een hoek klinkt plotseling de naam van Jezus Christus en de wagen van de Hel ontploft met een ontzaglijke explosie. Prins Tartarus en prinses Proserpina springen door de rook en de vlammen en rollen als gevangenen tot aan de voeten van de Moeder Gods.

De straat is bedekt met engeltjes, aureolen en vleugels van flonkerend zilver, en de lucht is vervuld van de tonen van violen en guitaren, citers en schalmeien. De muzikanten, als jonge vrouwen verkleed, vieren de komst van de Barmhartigheid, de Rechtvaardigheid, de Vrede en de Waarheid, vier bevallige dochters van Potosí, kaarsrecht gezeten op zetels van zilver en fluweel. De paarden die de wagen trekken hebben het hoofd en de borst van de Indiaan.

En dan komt, al voortrollend, de Slang. Op duizend Indiaanse voeten glijdt het enorme reptiel door de straat, de vlammende bek wijdopen, vuur en angst verspreidend onder de menigte, en aan de voeten van de Maagd daagt hij haar uit en gaat de strijd aan. Wanneer de soldaten met bijl en zwaard zijn kop afhakken, komt uit het binnenste van de slang, zijn trots gebroken, de Inca. Zijn prachtige gewaden over de grond slepend valt hij voor het Goddelijke Licht op de knieën. De Maagd draagt een mantel van goud, robijnen en parels zo groot als kikkererwten, en boven haar verwonderde ogen schittert meer dan ooit het gouden kruis van de keizerlijke kroon.

Dan volgt de menigte. Handwerkslieden van vele ambachten en schelmen en bedelaars die in staat zijn een traan te ontlokken aan een glazen oog: de mestiezen, zonen van de verkrachting, geen slaaf en geen heer, gaan te voet. De wet verbiedt dat zij paard of wapen hebben, zoals hij de mulatten het gebruik van de parasol verbiedt, opdat niemand het stigma verhulle dat het bloed tot in de zesde generatie bevlekt. Met de mestiezen en de mulatten komen ook de quarteronen en de Indiaanse negerhalfbloeden en alle andere vermengingen, de duizend kleuren van de kinderen van dejager en zijn prooi. Daarachter wordt de processie gesloten door een grote groep Indianen beladen met vruchten en bloemen en schalen met dampende spijzen. Voor de Maagd smeken de Indianen om vergiffenis en troost. Verderop vegen een paar negers het door alle anderen achtergelaten afval bijeen.

 

 

1616 Santiago Papasquiaro

Is de God van de meesters ook de God van de slaven?

 

Een oude Indiaanse profeet sprak over het vrije leven. Naar oud gebruik gekleed trok hij door deze woestijnen en bergen, in wolken van stof en bij het droeve geluid van een holle stengel bezong hij de heldendaden van de voorouders en de verloren vrijheid. De oude man predikte de oorlog tegen hen die de Indianen hun gronden en hun goden hebben ontnomen en hen laten creperen in de mijngangen van Zacatecas. Wie in de noodzakelijke oorlog sneuvelt zal herrijzen, verkondigde hij, en de oude mannen die strijdend vallen zullen jong en kwiek herboren worden.

De Tepehuanes stalen musketten en sneden en verborgen vele bogen en pijlen, want met pijl en boog zijn zij even vaardig als de Morgenster, de goddelijke boogschutter. Zij stalen en slachtten paarden om hun snelheid te eten en muildieren om hun kracht te eten.

De opstand brak uit in Santiago Papasquiaro, ten noorden van Durango. De Tepehuanes, de meest christelijke Indianen van het gebied, de eerste bekeerlingen, vertrapten de hosties, en toen pater Bernardo Cisneros om genade smeekte antwoordden zij: ‘Dominus Vobiscum. ’ In het zuiden, in Mezquital, hakten zij met hun kapmessen in op het gezicht van de Maagd en dronken zij wijn uit de miskelken. In het dorp Zape achtervolgden in soutanes en jezuïetenmutsen geklede Indianen de vluchtende Spanjaarden door de bossen. In Santa Catarina lieten zij hun knuppels op pater Hernando del Tovar neerkomen, terwijl zij tegen hem zeiden: ‘Nu eens zien of God je redt.’ Pater Juan del Valle bleef languit op de grond liggen, naakt, een hand in de lucht maakte het kruisteken, de andere bedekte zijn nooit gebruikte geslacht.

Maar de opstand heeft slechts kort geduurd. In de vlakte van Cacaria hebben de koloniale troepen de Indianen neergemaaid. Een rode regen valt op de doden. De regen komt neer door dichte stofwolken en doorzeeft de doden met kogels van rode leem.

In Zacatecas luiden de klokken om op te roepen tot het feestbanket. De mijneigenaren halen opgelucht adem. In de mijngangen zal het niet aan werkkrachten ontbreken. Niets zal de bloei van het koninkrijk onderbreken. Zij kunnen rustig blijven pissen in de kamerpotten van bewerkt zilver en niemand zal verhinderen dat hun vrouwen naar de mis gaan met honderd bedienden en twintig meisjes.

 

 

1617 Londen

Dampen van Virginia in de nevel van Londen

 

Dramatis personae:

De koning (James I van Engeland, VI van Schotland). Hij heeft geschreven: De tabak verandert het inwendige van de mens in een keuken en bevuilt of infecteert het met een soort kleverig, vettig roet. Ook heeft hij geschreven dat wie rookt de barbaarse en beestachtige manieren imiteert van de wilde, slaafse Indianen zonder God.

John Rolfe. Engelse kolonist in Virginia. Een van de meest verdienstelijke leden van dat door de vinger Gods aangewezen en verkozen volk, zoals Rolfe zelf de zijnen ontschrijft. Met van het eiland Trinidad naar Virginia gebracht zaad heeft hij op zijn plantages goede kruisingen van de tabaksplant gekweekt. Drie jaar geleden heeft hij in het ruim van de Elisabeth vier vaten vol tabaksbladeren naar Londen verscheept, die het begin vormden van de nog jonge maar reeds winstgevende tabakshandel met Engeland. Men kan rustig zeggen dat John Rolfe de tabak op de troon van Virginia heeft gezet, als koninginneplant met absolute macht. Vorig jaar is hij met gouverneur Dale naar Londen gekomen, op zoek naar nieuwe kolonisten en nieuwe investeringen voor de Company of Virginia en stelde zijn aandeelhouders fabuleuze winsten in het vooruitzicht, omdat de tabak voor Virginia zal zijn wat het zilver voor Peru is. Hij is ook gekomen om zijn echtgenote, de Indiaanse prinses Pocahontas, gedoopt Rebecca, aan de koning voor te stellen.

Sir Thomas Dale. Tot vorig jaar gouverneur van Virginia. Hij gaf toestemming tot het huwelijk van John Rolfe met prinses Pocahontas, het eerste Engels-Indiaanse huwelijk in de geschiedenis van Virginia, er van uitgaande dat het een daad was van hoog politiek belang, die zou bijdragen tot een vreedzame leverantie van granen en arbeidskrachten door de inheemse bevolking. In zijn verzoekschrift vermeldde John Rolfe dit aspect van de zaak echter niet. Ook sprak hij met geen woord over de liefde, hoewel hij zich wel inspande om ieder teugelloos verlangen naar zijn mooie achttienjarige verloofde uitdrukkelijk te ontkennen. Rolfe zei dat hij wilde trouwen met die heidin met een ruwe beschaving en barbaarse manieren en van een verdoemd geslacht voor het welzijn van deze plantage, voor de eer van ons land, voor de glorie van God, voor mijn eigen zaligheid en om een ongelovig schepsel te bekeren tot de ware kennis van God en Jezus Christus.

Pocahontas. Ook Matoaka geheten toen zij nog bij de Indianen leefde. Uitverkoren dochter van het grote opperhoofd Powhatan. Toen zij met John Rolfe trouwde, gaf zij de afgoderij op, heette zij voortaan Rebecca en bedekte zij haar naaktheid met Engelse kleren. Met een bolhoed op het hoofd en hoog kantwerk om de hals arriveerde zij in Londen en werd zij aan het hof ontvangen. Zij sprak als een Engelse en geloofde als een Engelse. Devoot deelde zij het calvinistische geloof met haar echtgenoot, en de tabak uit Virginia vond in haar de zeer bekwame, exotische bevorderaar die hij nodig had om in Londen vaste voet te krijgen. Zij stierf aan een Engelse ziekte. Varend op de Theems, reeds op de terugweg naar Virginia en terwijl het schip op een gunstige wind lag te wachten, blies Pocahontas in de armen van John Rolfe de laatste adem uit, in Gravesend in de maand maart van het jaar 1617. Zij was nog geen eenentwintig.

Opechancanough. Oom van Pocahontas, oudste broer van het grote opperhoofd Powhatan. Het was Opechancanough die drie jaar geleden de bruid wegschonk in de protestantse kerk van Jamestown, een kale, ruwhouten kerk. Hij zei geen woord gedurende de hele ceremonie, niet ervoor, niet erna, maar Pocahontas vertelde John Rolfe de geschiedenis van haar oom. In vroeger jaren had Opechancanough in Spanje en Mexico gewoond, hij was christen geworden en heette Luis de Velasco, maar zodra hij naar zijn land was teruggekeerd had hij het kruisbeeld én de cape en de ringkraag in het vuur gegooid, de priesters die hem vergezelden de keel afgesneden en zijn naam Opechancanough teruggenomen, die in de taal van de Algonquino-Indianen hij die een zuivere ziel heeft betekent.

Iemand die acteur was in het Globetheater in de jaren van Shakespeare heeft de gegevens van deze geschiedenis verzameld en vraagt zich nu bij een kruik bier af wat hij er mee zal doen. Zal hij een liefdestragedie schrijven of een moraliserend drama over de tabak en zijn kwaadaardige krachten? Of misschien een maskerade die de verovering van Amerika tot onderwerp heeft? Het werk zou een gegarandeerd succes zijn, want heel Londen praat over prinses Pocahontas en haar kortstondig verblijf in de stad. Die vrouw... Zij alleen was een harem. Heel Londen droomt haar naakt onder de bomen met geurige bloemen in het haar. Welke wrekende engel heeft haar met zijn onzichtbare zwaard doorboord? Heeft zij geboet voor de zonden van haar heidense volk? Of was deze dood een vermaning van God aan haar echtgenoot? De tabak, het onwettige kind van Proserpina en Bacchus... Begunstigt Satan niet het mysterieuze pact tussen dat kruid en het vuur? Blaast Satan niet de rook die de deugdzamen misselijk maakt? En de verborgen wellust van John Rolfe... En het verleden van Opechancanough, vroeger Luis de Velasco geheten, verrader of wreker... Opechancanough die de kerk binnenkomt met de prinses aan zijn arm... Lang, rechtop, zwijgend...

‘Nee, nee,’ maakt de indiscrete jager van geschiedenissen een eind aan zijn gedachtengang, terwijl hij zijn bier betaalt en naar buiten gaat. ‘Deze geschiedenis is te mooi om op te schrijven. Zoals dokter Silva, dichter van Indië, pleegt te zeggen: “Als ik het opschrijf, wat heb ik dan nog aan mijn vrienden te vertellen?’”

 

 

1618 Lima

Schrale wereld

 

De meester van Fabiana Criolla is gestorven. In zijn testament heeft hij haar prijs voor de vrijheid van tweehonderd tot honderdvijftig peso verlaagd.

Fabiana heeft de hele nacht niet geslapen, omdat zij zich afvroeg hoeveel haar palissanderhouten kist met kaneelpoeder waard zal zijn. Zij kan niet tellen, zodat zij niet de vrijheden kan berekenen die zij in de loop van de halve eeuw die zij op de wereld is, met haar werk heeft gekocht, noch de prijs van de kinderen die bij haar zijn verwekt en die haar zijn ontrukt.

Bij het eerste ochtendgloren komt het vogeltje met zijn snavel op het raam tikken. Iedere dag waarschuwt dezelfde vogel dat het tijd is om op te staan en aan het werk te gaan.

Fabiana gaapt, komt overeind op haar slaapmat en kijkt naar haar afgesloofde voeten.

 

 

1618 Luanda

De inscheping

 

Zij zijn gevangen in de netten van de jagers en lopen naar de kust, bij de nek aan elkaar vastgebonden, terwijl in de dorpen de trommels van het verdriet klinken.

Op de Afrikaanse kust is een slaaf veertig snoeren glazen kralen waard, of een fluitje aan een ketting of een stel pistolen of een handvol kogels. De musketten en de kapmessen, de brandewijn, de zijden stoffen uit China en de fijne katoenen stoffen uit India worden betaald met mensenvlees.

Een pater loopt langs de rijen gevangenen op het grote plein van de haven van Luanda. Iedere slaaf ontvangt een klein beetje zout op zijn tong, een paar druppels wijwater op zijn hoofd en een christelijke naam. De tolken vertalen de preek: ‘Nu zijn jullie kinderen van God...’ De priester beveelt hen niet aan het land te denken dat zij nu verlaten en geen vlees van hond, rat of paard te eten. Hij herinnert hen aan de brief van Paulus aan de Efeziërs (Slaven, dient uw meesters!) en aan Noachs vervloeking van de zonen van Cham, die tot in alle eeuwigheid zwart zullen blijven.

Zij zien voor het eerst de zee en dat enorme brullende beest beangstigt hen. Zij geloven dat de blanken hen naar een verre slachtplaats brengen om hen daar op te eten en olie en vet van hen te maken. De zwepen van nijlpaardenvel drijven hen naar de grote kano’s die door de branding gaan. Aan boord van de schepen worden zij bedreigd door de kanonnen op voor- en achterplecht, met aangestoken lonten. De voetboeien en de kettingen verhinderen dat zij zich in zee werpen. Velen zullen tijdens de overtocht sterven. De overlevenden zullen worden verkocht op de Amerikaanse markten en opnieuw met het gloeiende ijzer worden gemerkt.

Hun goden zullen zij nooit vergeten. Oxalá, tegelijk man en vrouw, zal zich vermommen als Sint Hiëronimus en Sinte Barbara. Obatalá zal Jezus Christus zijn en Ochún, de geest van de zinnelijkheid en het koele water, zal veranderen in de Maagd van María-Lichtmis, van de Ontvangenis, van de Naastenliefde of van de Geneugten, en zal in Trinidad Sinte Anna zijn. Achter Sint Joris, Sint Antonius of Sint Michiel verschijnen de wapens van Ogum, de god van de oorlog, en in Sint Lazarus zal Babalú zingen. De donderslagen en vuurflitsen van de ontzagwekkende Shangó zullen de gestalte aannemen van Johannes de Doper en Sinte Barbara. In Cuba zal Elegguá twee gezichten houden, het leven en de dood, en ten zuiden van Brazilië zal Exú twee hoofden hebben, God en de Duivel, om zijn gelovigen troost en wraak te bieden.

 

 

1618 Lima

De portier met een donkere huid

 

De vrienden zwaaien hun haveloze cape naar achteren en vegen de vloer met hun hoeden. Na het verrichten van de wederzijdse begroeting loven zij elkaar:

‘Wat een prachtige stomp!’

‘En die wond van jou? Vreselijk ziet hij eruit!’

Samen steken zij het open terrein over, achtervolgd door de vliegen.

Zij converseren, terwijl zij met de rug naar de wind staan te pissen.

‘Tijd niet gezien.’

‘Rondgezworven. Alleen maar ellende. ’

‘Ach, ach.’

Hagedis haalt een stuk hard brood uit zijn tas, blaast er op, wrijft er met zijn mouw over en biedt het Aalmoes aan. Op een steen gezeten kijken zij naar de distelbloemen.

Aalmoes neemt een hap met zijn drie tanden en vertelt:

‘Bij het Gerechtshof kreeg je goeie aalmoezen... Het beste plekje van

Lima. Maar de portier heeft me weggestuurd. Weggeschopt heeft hij me, '

‘Die Juan Ochoa?’

‘Satan moeten ze hem noemen. God in de hemel weet dat ik hem niets heb misdaan.’

‘Juan Ochoa is er niet meer.’

‘Echt waar?’

‘Als een hond hebben ze hem weggejaagd. Hij is geen portier bij het Gerechtshof meer. Niets. Weg.’

Aalmoes, gewroken, lacht. Hij rekt de tenen van zijn blote voeten. ‘Zeker om zijn onbeschaamdheid.’

‘Nee, hoor.’

‘Omdat hij te stom is dan?’

‘Nee, nee. Omdat hij de zoon is van een mulattin en de kleinzoon van een negerin. Daarom.’

 

 

1620 Madrid

De dansen van de Duivel komen uit Amerika

 

Dankzij het lijk van Sint Isidorus, dat de laatste nachten aan zijn zijde heeft geslapen, voelt koning Philips III zich wat beter. Deze middag heeft hij gegeten en gedronken zonder te kokhalzen. Zijn lievelingsgerechten hebben zijn ogen verhelderd en hij heeft het glas wijn in één teug leeggedronken.

Nu doopt hij zijn vingers in het bakje met water, dat een geknielde page hem aanbiedt. De panetier geeft het servet aan de major domus in weekdienst. De major domus geeft het door aan de maarschalk. De hofmaarschalk knielt voor de hertog van Uceda. De hertog neemt het servet aan. Het hoofd buigend reikt hij het de koning aan. Terwijl de koning zijn handen droogt, klopt de voorsnijder de kruimels van zijn kleding en zendt de priester een dankgebed op tot de Heer. Philips gaapt, maakt zijn hoge kanten kraag los en vraagt wat er voor nieuws is.

De hertog vertelt dat de gasthuisregenten naar het paleis zijn gekomen. Zij beklagen zich erover dat het publiek niet meer naar het theater gaat sinds de koning het dansen heeft verboden, en de gasthuizen bestaan van de schouwburgen. ‘Mijnheer,’ hebben de regenten tegen de hertog gezegd, ‘sinds er niet meer wordt gedanst worden er geen kaartjes verkocht. De zieken .sterven. Wij hebben geen geld meer om het verband of de dokters te betalen. ’ De acteurs dragen gedichten van Lope de Vega voor die de Zuidamerikaanse Indiaan loven:

 

Taquitán mitanacuni

Spanjaard hier. Spanjaard daar

…In Spanje is geen liefde,

geloof het nu maar:

daar heerst het belang

en hier het liefdespaar.

 

Maar het publiek verlangt uit Amerika gewaagde liedjes en dansen die de eerzaamste burger in vuur en vlam zetten. Het heeft geen enkele zin dat de acteurs de stenen laten huilen en de doden laten lachen, noch dat de toestellen achter het toneel bliksemflitsen uit de kartonnen wolken laten schieten. ‘Als de theaters leeg blijven,’ klaagt het bestuur, ‘zullen de gasthuizen moeten sluiten.’

‘Ik heb geantwoord,’ zegt de hertog, ‘dat Uwe Hoogheid zal beslissen.’

Philips strijkt door zijn baard, kijkt onderzoekend naar zijn nagels. ‘Als Uwe Majesteit niet van mening is veranderd... Wat verboden is, is verboden, en met recht verboden.’

De sarabande en de chaconne doen het geslacht duidelijk uitkomen in het halfdonker. Pater Maríana heeft deze dansen verketterd als bedenksels van negers en Amerikaanse Indianen, duivels in woord en beweging. Tot in de processies zijn de copla’s te horen die deze zonde loven, en wanneer hun opwindende klanken uit de tamboerijnen en castagnetten opklinken zijn de nonnen uit de kloosters geen baas meer over hun benen en maakt de kieteling van de Duivel hun dijen en buiken los.

De blik van de koning volgt de bewegingen van een dikke vlieg, die traag tussen de etensresten over tafel loopt.

‘En jij, wat vind jij?’ vraagt de koning aan de vlieg.

‘Die dansen van het gepeupel zijn muziek voor de heksensabbat, zoals Uwe Majesteit heel juist heeft gezegd, en de heksen horen thuis op de brandstapel op het grote plein.’

De spijzen zijn van de tafel verdwenen, maar hun heerlijke geuren zijn blijven hangen.

Zacht prevelend beveelt de koning de vlieg:

‘Beslis jij maar.’

‘Zelfs uw grootste vijand zou Uwe Hoogheid niet van onverdraagzaamheid kunnen beschuldigen,’ ging de hertog verder. ‘Lankmoedig is Uwe Majesteit geweest. In de tijd van uw vader, God hebbe zijn ziel...’

‘Ben jij het niet die de bevelen geeft?’ mompelt Philips.

‘...kreeg degeen die de sarabande danste wel een andere beloning! Tweehonderd zweepslagen en naar de galeien!’

‘Jij, zeg ik,’ fluistert de koning en sluit zijn ogen.

‘Jij,’ en tussen zijn lippen verschijnt een speekselblaasje, want speeksel heeft hij genoeg in zijn mond.

De hertog wil een protest laten horen, maar zwijgt onmiddellijk en trekt zich op zijn tenen terug.

Philips’ oogleden worden zwaar en hij zinkt weg in een diepe slaap. Hij droomt van een naakte dikke vrouw die spellen kaarten verorbert.

 

 

1622 Sevilla

De ratten

 

Pater Antonio Vázquez de Espinosa, zojuist teruggekeerd uit Amerika, is de eregast.

Terwijl de bedienden de stukken kalkoen met saus serveren, vliegt het schuim van de golven door de lucht, de witte, hoge zee opgezweept door de storm, en wanneer de gevulde kip op tafel komt barsten de tropische regenbuien los. Pater Antonio vertelt dat het aan de kusten van de Caraïbische Zee zo verschrikkelijk regent dat vrouwen zwanger raken en hun kinderen geboren worden tijdens het wachten tot het zal ophouden met regenen: wanneer het opklaart zijn zij al volwassen.

De overige genodigden, die hun aandacht aan het verhaal en aan de maaltijd schenken, eten en zwijgen. De priester heeft de mond vol woorden en vergeet de gerechten. Vanaf de vloer luisteren de op kussens gezeten vrouwen en kinderen alsof zij in de mis zijn.

De overtocht van de Hondurese haven Trujillo naar Sanlúcar de Barrameda is een beproeving geweest. Door stormen voortgejaagd hadden de schepen het zwaar te verduren. De woeste zee heeft verschillende vaartuigen verzwolgen en de haaien vele zeelieden. Maar liet ergste, en hier daalt de stem van pater Antonio, het ergste waren de ratten.

Als straf voor de vele zonden die in Amerika worden begaan en omdat niemand, zoals het hoort, na biecht en communie aan boord gaat, heeft God de schepen vergeven van de ratten. Hij stopte ze in de bergruimten, tussen de levensmiddelen, onder het halfdek, in de eetsalon, in de hutten en zelfs in de stoel van de stuurman. Er waren zoveel ratten en ze waren zo groot dat zij schrik en ontzag wekten. Vierhonderd pond brood roofden de ratten uit de kajuit waar de priester sliep, en de beschuiten die onder de trap lagen. Zij vraten de hammen en de zijden spek op die in het kombuis hingen. Toen de dorstigen water gingen halen, dreven de verdronken ratten in de tonnen. Toen de hongerigen naar het kippenhok gingen vonden zij daar nog slechts veren en botjes en een enkele dode kip met aangevreten poten. Zelfs de papegaaien in hun kooien waren niet veilig. Gewapend met knuppels en messen bewaakte de bemanning dag en nacht wat er aan water en voedsel over was, en de ratten vielen hen aan en beten hen in hun handen en verslonden elkaar.

Tussen de olijven en het fruit zijn de ratten gekomen. Het dessert blijft onaangeroerd. Niemand drinkt een druppel wijn.

‘Willen jullie de nieuwe gebeden horen die ik toen heb bedacht? Omdat de oude smeekbeden de toorn des Heren niet konden verzoenen. .. ’

Niemand antwoordt.

De mannen hoesten en brengen hun servet naar de mond. Van de vrouwen, die rondlopen om het personeel instructies te geven, is er niet een gebleven. De vrouwen die op de grond zaten te luisteren zitten met open mond en halfgesloten ogen te kijken. De kinderen zien pater Antonio met een lange snuit, enorme tanden en snorharen, en verdraaien hun nek om onder tafel naar zijn staart te zoeken.

 

 

1624 Lima

Mensen te koop

 

‘Loop!’

‘Ren!’

‘Zing!’

‘Welke gebreken heeft hij?’

‘Mond open!’

‘Is het een drinker of een ruziemaker?’

‘Hoeveel biedt u, mijnheer?’

‘En ziektes?’

‘Hij is wel het dubbele waard!’

‘Rennen!’

‘Hou mij niet voor de gek, want ik breng hem zo terug!’ ‘Springen, hond!’

‘Zo’n lor geef je niet eens cadeau!’

‘Armen omhoog!’

‘Laat hem hard zingen!’

‘Die negerin daar, met of zonder baby?’

‘Laatje tanden zien!’

Bij hun oor nemen ze hen mee. De naam van de koper wordt op hun wang of in hun voorhoofd gebrand en zij zullen werktuigen zijn op de plantages, bij de visserij of in de mijnen, en wapentuig op de slagvelden. Zij zullen vroedvrouw en min zijn en leven geven, en zij zullen beul en doodgraver zijn en leven nemen. Zij zullen clown zijn en bed vlees.

De slavenkraal ligt midden in Lima, maar het gemeentebestuur heeft pas tot verplaatsing besloten. De aangeboden negers zullen worden ondergebracht in een grote barak aan de andere kant van de rivier de Rímac, naast het slachthuis van San Lázaro. Daar zijn zij ver genoeg van de stad, zodat de wind hun bedorven en besmettelijke stank kan afvoeren.

 

 

1624 Lima

De neger geselt de neger

 

Drie Afrikaanse slaven zijn met gebonden handen en een touw om hun nek door de straten van Lima gegaan. De beulen, ook negers, liepen achter hen. Na elke paar passen een zweepslag, tot het er honderd waren, en wanneer zij vielen telden de zweepslagen niet mee.

De burgemeester had de opdracht verstrekt. De slaven hadden kaarten meegenomen naar de begraafplaats van de kathedraal en die in een speelzaal veranderd, met de grafstenen als tafel. En de burgemeester wist heel wel dat het ook een goed voorbeeld was voor alle negers in het algemeen, die zo brutaal en talrijk zijn en zoveel van tumult houden.

Nu liggen de gestraften op het erf van het huis van hun meester. Hun rug is rauw geslagen. Zij schreeuwen het uit wanneer hun wonden met urine en brandewijn worden uitgewassen.

De eigenaar verwenst de burgemeester, schudt zijn vuist en zweert wraak.

Zo behandelt men andermans eigendom niet.

 

 

1624 Lima

‘De duivelsmaskerade’

 

Maanlicht om een uur, aangekondigd door de klok van de kerk, en don Juan de Mogrovejo de la Cerda verlaat de kroeg en begint aan zijn wandeling door de naar oranjebloesem geurende straten van Lima. Wanneer hij bij de kruising met de Calle del Trato is gekomen, hoort hij vreemde stemmen of echo’s. Hij staat stil en spitst zijn oren.

Een zekere Asmodeo zegt dat hij al een paar keer van verblijfplaats is veranderd sinds zijn schip uit Sevilla is vertrokken. Toen hij in Portobelo aankwam heeft hij in de lichamen van verschillende kooplieden gewoond, die bedrog handel noemen, diefstal winst en een loper ellestok. En in Panama is hij verhuisd en kwam in een huichelaar van de cavalerie met een valse naam te wonen die de lijst van hertogen, de almanak van markiezen en de opsomming van graven uit zijn hoofd kende. ‘Vertel mij, Asmodeo,’ onderhield die persoon de geboden van de moderne cavalerie?’

‘Allemaal, Amonio. Hij loog en betaalde zijn schulden niet en stoorde zich ook niet aan het zesde gebod, hij stond altijd laat op, praatte tijdens de mis en had het altijd koud, waarvan wordt gezegd dat het van goede smaak getuigt. En dan moet je nagaan dat het moeilijk is om het in Panama koud te hebben met die hitte waar onze hel jaloers op kan zijn. In Panama zweten de stenen en zeggen de mensen: ‘Eet je soep op anders wordt hij heet.’

De indiscrete don Juan de Mogrovejo de la Cerda kan Asmodeo en Amonio, die van een afstand met elkaar praten, niet zien, maar het zegt hem al genoeg te weten dat dergelijke namen niet op de lijst van heiligen voorkomen en de onmiskenbare zwavelgeur te ruiken die er in de lucht hangt, als het zo veelzeggende onderwerp van gesprek al niet voldoende was. Don Juan drukt zijn rug tegen het hoge kruis op de hoek van de Calle del Trato, waarvan de over de straat vallende schaduw verhindert dat Amonio en Asmodeo bij elkaar komen, slaat een kruisteken en begint meteen een heel leger heiligen aan te roepen voor hulp en bescherming. Maar bidden kan hij niet want hij wil luisteren. Hier wil hij geen woord van missen.

Asmodeo vertelt dat hij het lichaam van die heer heeft verlaten om zijn intrek te nemen in een afvallige geestelijke en dat hij daarna, op reis naar Peru, een onderkomen vond in het binnenste van een begijn die was gespecialiseerd in het verkopen van jonge meisjes.

‘Zo ben ik in Lima gekomen, in welks labyrinten raadgevingen mij goed van pas zullen komen. Licht mij in over deze uitgestrekte gewesten... Zijn de in de handel vergaarde fortuinen welverdiend? ’

‘Als zij het waren, zou de hel minder bevolkt zijn.’

‘Langs welke weg moet ik de kooplui verzoeken? ’

‘Door te zorgen dat zij het zijn en hen zo te laten.’

‘Zijn de hooggeplaatsten hier geliefd of worden zij gerespecteerd?’

‘Zij zijn gevreesd. ’

‘Wat moet de man doen die een beloning wil?’

‘Hem niet verdienen.’

Don Juan roept de Maagd van Atocha aan, zoekt zijn rozenkrans die hij vergeten is, en omklemt het gevest van zijn zwaard, terwijl er nog geen einde schijnt te komen aan de vragen over Lima, die Amonio terstond beantwoordt.

Wat betreft de ijdeltuiten wil ik je vragen of zij zich goed kleden.’

‘Dat zou wel moeten, als je ziet wat zij het hele jaar snijden.’

‘Wordt er veel kwaadgesproken?’

‘Zoveel dat het ieder uur kritiek is. ’

‘Vertel mij nu, waarom heet een Francisco hier Pancho, een Luis Lucho en een Isabela Chabela?’

‘Ten eerste om niet de waarheid te zeggen en ten tweede om niet de naam van een heilige te noemen.’

Dan krijgt don Juan een ongelegen komende hoestbui. Hij hoort schreeuwen: ‘Weg! Er vandoor!’ en na een lange stilte maakt hij zich los van het kruis dat hem beschermde. Met bevende knieën slaat hij de Calle de los Mercaderes in, langs de ingang van de Provinciale Rechtbank. Van de kletsmeiers is zelfs geen luchtje meer te bekennen.

 

 

1624 Sevilla

Het laatste hoofdstuk van ‘Het leven van een schelm’

 

De rivier weerspiegelt de man die hem vragen stelt.

‘Waar stuur ik de bedrieger naar toe? Moet ik hem de dood in sturen?’

De kromgetrokken laarzen dansen vanaf de kademuur boven de Guadalquivir. Deze man heeft de gewoonte met zijn benen te schommelen wanneer hij nadenkt.

‘Ik beslis. Ik was het die hem ter wereld heeft laten komen als de zoon van een barbier en een heks en de kleinzoon van een beul. Ik heb hem tot prins van het schelmenleven gekroond in het koninkrijk van de luizen, de bedelaars en de gehangenen.

De brilleglazen glinsteren in het groene water, in de diepte starend, vragen stellend, doorvragend:

‘Wat moet ik doen? Ik heb hem geleerd kippen te stelen en aalmoezen af te smeken voor de wonden van Jezus. Van mij heeft hij zijn meesterschap met de dobbelstenen en de kaarten en de degen geleerd. Met mijn vaardigheden was hij een minnaar van nonnen en rondtrekkend komiek.’

Francisco de Quevedo trekt zijn neus op om zijn bril recht te zetten.

‘Ik beslis. Er zit niets anders op! In de hele geschiedenis van de letteren is er nog geen roman geweest zonder laatste hoofdstuk.’

Hij richt zich op om naar de galjoenen te kijken die, hun zeilen strijkend, langzaam naar de kade komen.

‘Niemand heeft er zo onder geleden als ik. Heb ik zijn hongertijden niet tot de mijne gemaakt, wanneer zijn buik rammelde en zelfs de ontdekkingsreizigers zijn ogen niet in zijn hoofd konden vinden? Als don Pablos moet sterven, moet ik hem doodmaken. Hij is as, zoals ik, overgebleven van de vlam.’

Uit de verte kijkt een haveloos gekleed jongetje naar de man die, over het water gebogen, op zijn hoofd krabt. ‘Een oude vent, ’ denkt het jongetje. En hij denkt: - ‘Die ouwe vent is gek. Hij wil vissen zonder hengel.’

En Quevedo denkt:

‘Hem doodmaken? Zegt het spreekwoord dan niet dat spiegels breken ongeluk brengt? Hem doodmaken. En als die misdaad als een rechtvaardige straf voor zijn verkeerde leven wordt opgevat? Wat een vreugde voor rechters en magistraten. Als ik alleen maar aan hun vrolijkheid denk krijg ik al buikpijn.’

Dan vliegt er plotseling een zwerm meeuwen op. Een schip uit Amerika laat zijn ankers vallen. Quevedo springt overeind en loopt weg. Het jongetje loopt achter hem aan en doet zijn manier van lopen met x-benen na.

Het gezicht van de schrijver straalt. Op de kade heeft hij de bestemming gevonden die zijn personage verdient. Hij zal don Pablos, de schelm, naar Indië sturen. Waar anders dan in Amerika zou hij zijn dagen kunnen eindigen? Zijn roman heeft een uitweg gevonden en opgetogen duikt Quevedo onder in de stad Sevilla, waar de mannen van inscheping en de vrouwen van terugkeer dromen.

 

 

1624 Mexico Stad

De rivier van de woede

 

De menigte, die het grote plein en de aangrenzende stad geheel vult, slingert verwensingen en stenen naar het paleis van de onderkoning. De straatstenen en de kreten, verrader, dief, hond, Judas, slaan tegen de deuren en de hoofdpoort, die alle hermetisch gesloten zijn. De beledigingen aan het adres van de onderkoning vermengen zich met hoerageroep voor de bisschop, die hem heeft geëxcommuniceerd omdat hij met het brood van deze stad heeft gespeculeerd. Sinds enige tijd heeft de onderkoning alle maïs en al het graan opgekocht en in zijn persoonlijke voorraadschuren opgeslagen en nu speelt hij naar willekeur met de prijzen. De menigte is razend. Aan de galg met hem! Stokslagen! Sla hem dood! Sommigen vragen om het hoofd van de officier die de kerk heeft ontwijd door de bisschop er uit weg te slepen, anderen willen Mejía lynchen, stroman voor de zaken van de onderkoning, en allemaal willen zij de hamsteraar in olie braden.

Er verschijnen lansen, pieken en hellebaarden en er klinken schoten uit pistolen en musketten. Onzichtbare handen hijsen de vlag van de koning op het dak van het paleis en de schetterende trompetten roepen om hulp, maar er komt niemand om de ingesloten onderkoning te verdedigen. De voorname heren van het koninkrijk hebben zich in hun paleizen opgesloten en de rechters en de officieren zijn door de gaatjes weggeglipt. Geen enkele soldaat gehoorzaamt bevelen.

De muren van de gevangenis op de hoek houden geen stand tegen de aanval. De gevangenen sluiten zich aan bij het woedende getij. De paleispoort gaat neer, het vuur verslindt de deuren en de menigte dringt de salons binnen, een orkaan die gordijnen afrukt, kisten omver gooit en alles verslindt wat hij tegenkomt.

Als pater vermomd is de onderkoning door een geheime tunnel naar het Sint Franciscusklooster gevlucht.

 

1625 Mexico Stad

Wat vindt u van deze stad?

 

Pater Thomas Gage, pas aangekomen, vermeit zich met een wandeling over de promenade. Met hongerige ogen bekijkt hij de dames die voorbijglijden, voorbijdrijven onder de overkapping van hoge bomen. Bij geen van hen rijkt de halsdoek of de mantilla verder dan tot het middel, om de wiegende heupen en de zwierige gang beter te doen uitkomen. En achter iedere mevrouw loopt een gevolg van prachtige negerinnen en mulattinen, borsten die uit de laaggesneden blouse springen, vuur en spel: zij dragen rozen op de schoenen met heel hoge hakken en in de zijden linten die zij om hun voorhoofd hebben gewonden zijn liefdeswoorden geborduurd.

Op de rug van een Indiaan komt de priester bij het regeringspaleis. De onderkoning ontvangt hem met ananasgelei en warme chocola en vraagt hem wat hij van deze stad vindt.

Midden in de reeks loftuitingen over Mexico, de vrouwen, de rijtuigen en de lanen wordt hij door de heer des huizes onderbroken.

‘Weet u dat ik op een haar na aan de dood ben ontsnapt? De haar van een kaal hoofd...’

Uit de mond van de onderkoning stroomt, als een waterval, de geschiedenis van het oproer van vorig jaar.

Na veel rook en bloed en twee slokje voor slokje leeggedronken koppen chocola begrijpt pater Gage dat de onderkoning een jaar in het Sint Franciscusklooster verborgen heeft gezeten en dat hij nog steeds zijn neus niet buiten het paleis kan steken zonder een paar stenen te riskeren. Maar de opstandige aartsbisschop draagt de straf der verbanning in het armoedige en verafgelegen Zamora, een aantal priesters is naar de galeien gestuurd en om de schaamteloosheid van het gepeupel neer te slaan was het voldoende om drie of vier opruiers op te hangen.

‘Als het aan mij lag hing ik ze allemaal op,’ zegt de onderkoning. Hij staat op uit zijn stoel en roept uit:

‘Allemaal! Deze hele vervloekte stad!’ en hij gaat weer zitten.

‘Dit is een land dat altijd klaar staat voor de revolutie,’ verzucht hij. ‘Ik heb de wegen van Mexico van bandieten gezuiverd!’

En zich naar hem overbuigend voegt hij er vertrouwelijk aan toe: ‘Weet u, de zonen van de Spanjaarden, de zonen die hier zijn geboren...

Wie stonden er vooraan bij het tumult! Zij! De creolen! Zij voelen zich als in hun eigen vaderland, zij willen commanderen...’

Pater Gage kijkt met de ogen van een mysticus naar de zware kristallen lichtkroon boven zijn hoofd en zegt:

‘Er wordt zwaar gezondigd tegen God. Een tweede Sodom... Ik heb het vanmiddag met eigen ogen kunnen zien. Wereldse geneugten... ’ De onderkoning knikt instemmend.

‘Zij verdorren snel als het gras,’ oordeelt de priester, ‘zij verwelken als het groene kruid.’

Hij neemt een laatste slok chocola.

‘Psalm zevenendertig,’ besluit hij, terwijl hij het kopje voorzichtig op het schoteltje zet.

 

 

1625 Samayac

De dansen van de Indianen in Guatemala worden verboden

 

De paters verkondigen dat er geen herinnering en geen spoor is overgebleven van de riten en oude gebruiken van het gebied van Verapaz, maar de omroepers schreeuwen hun stemmen schor bij het op de pleinen afroepen van de opeenvolgende verordeningen.

Juan Maldonado, rechter van het Koninklijk Gerechtshof, vaardigt in het dorp Samayac nieuwe voorschriften uit tegen de dansen die schadelijk zijn voor het geweten van de Indianen en de naleving van de christelijke wet die zij belijden, omdat dergelijke dansen oude offerplechtigheden en riten in herinnering roepen en kwetsend zijn voor Onze Heer. De Indianen verkwisten hun geld aan veren, kledij en maskers en besteden veel tijd aan repeteren en drinken, waardoor zij geen aandacht besteden aan de verzorging van hun bezittingen, het betalen van hun belastingen en het onderhouden van hun gezinnen.

Honderd zweepslagen krijgt degeen die de tun danst. Door de tun sluiten de Indianen een pact met de duivel. De tun of Rabinal Achí, is een vruchtbaarheidsdans die met maskers en woorden wordt gedramatiseerd, en de tun is ook de holle stam, waarvan het ritme wordt begeleid door lange trompetten met langgerekte toon terwijl zich het drama afspeelt van de Man van de Quiché’s, gevangene van de Rabinales: de overwinnaars zingen en dansen ter ere van de grootsheid van de overwonnene, die waardig afscheid neemt van zijn land en naar de paal gaat waaraan hij zal worden geofferd.

 

 

1626 Potosí

Een straffende God

 

Het meer viel aan, brak de dijk en viel de stad binnen. De overstroming heeft velen vermorzeld.

De muildieren trokken de verbrijzelde mensen uit de modder. In massagraven belandden door elkaar Spanjaarden, creolen, mestiezen en Indianen. Ook de huizen van Potosí leken verpletterde lijken.

De woede van het Caricari-lagune kwam niet tot bedaren tot de priesters de Christus van het Ware Kruis in processie rondvoerden. Toen het hem zag komen, ging het water liggen.

Van alle kansels in Peru is deze dagen dezelfde preek te horen: ‘Zondaars! Hoe lang nog stellen jullie de goedheid van de Heer op de proef? God heeft een veel geplaagd geduld. Hoe lang nog, zondaars? Zijn de waarschuwingen en de straffen nog niet genoeg geweest?’

In deze verre en rijke koninkrijken is het opensplijten van het meer van Potosí niets nieuws.

Vijfenveertig jaar geleden kwam plotseling een reusachtige steen neer op een dorp van Indiaanse tovenaars, Achocalla, op een tiental kilometers van de stad La Paz gelegen. Van het bedolven dorp bleef alleen het dorpshoofd in leven, dat stom was geworden en de geschiedenis door middel van tekens vertelde. Een andere geweldige steen begroef korte tijd daarna een dorp van Indiaanse ketters in Yanaoca, in de buurt van Cuzco. Het jaar daarop opende zich de aarde en verzwolg in Arequipa huizen en mensen, en omdat de stad niets had geleerd toonde de aarde kort daarop weer zijn muil en liet alleen het klooster van Sint Franciscus overeind staan. In 1586 overstroomde de zee de stad San Marcos de Arica en al zijn havens en stranden.

Toen de nieuwe eeuw werd geboren kwam de vulkaan Ubinas tot uitbarsting. Zo groot was zijn toorn dat zijn as over land de bergketen overstak en over zee de kust van Nicaragua bereikte.

In 1617 verschenen er aan deze hemel twee sterren van vermaning. Zij wilden niet gaan. Zij gingen ten slotte weg dankzij de opofferingen en de geloften van de religieuzen van heel Peru, die vijf novenen achtereen hebben gebeden.

 

 

1628 Chiapas

De bisschop en de chocola

 

Hij doet er geen zwarte peper in, zoals de lijders aan kou op de lever. Hij doet er geen maïs bij, omdat je daar dik van wordt. Hij strooit er rijkelijk kaneel over, die de blaas leegt, het gezichtsvermogen verbetert en het hart versterkt. Ook is hij niet zuinig met de Spaanse pepers, goed fijngemaakt. Hij doet er oranjebloesemwater bij, witte suiker en orleaan voor de kleur, en nooit vergeet hij een handvol anijs, twee handjes vanille en het poeder van Alexandria-rozen. Pater Thomas Gage is gek op goed klaargemaakte, schuimige chocola. De zoetigheden en de marsepein hebben geen smaak als zij niet in chocola zijn gedoopt. Halverwege de ochtend heeft hij een kop chocola nodig om weer verder te kunnen, nog een na het middageten om van tafel te kunnen opstaan en een derde om de avond te rekken en de slaap weg te houden.

Maar sinds hij in Chiapas is aangekomen drinkt hij geen chocola meer. Zijn maag protesteert, maar pater Thomas geeft er de voorkeur aan met misselijkheid en krachteloosheid minder aangenaam te leven om zo het ongeluk te vermijden, dat bisschop Bemardo de Salazar heeft gedood.

Tot niet zo lang geleden gingen de dames van deze stad naar de mis in het gezelschap van een gevolg van pages en dienstmeisjes, die naast de fluwelen bidstoel ook een vuurpot, een ketel en een beker meedroegen om chocola klaar te maken. Omdat zij een zwakke maag hadden, konden de dames de gebeden van een gelezen mis niet uitzitten zonder deze warme drank, om van de hoogmis maar te zwijgen. Zo ging dat door tot bisschop Bernardo de Salazar besloot deze gewoonte te verbieden wegens de wanorde en het rumoer die hiervan in de kerk het gevolg waren.

De dames namen wraak. Op een morgen lag de bisschop dood in zijn werkvertrek. Aan zijn voeten vond men de scherven van de kop chocola die iemand hem had gebracht.

 

 

1628 Madrid

Adellijke titels aangeboden

 

Tegenover de kust van Matanzas op Cuba is de Spaanse vloot in handen gevallen van de piraat Piet Hein. Al het uit Mexico en Peru gekomen zilver gaat nu naar Nederland. In Amsterdam wordt Piet Hein tot de rang van grootadmiraal verheven en wordt hem een ontvangst als nationale held bereid. De Nederlandse kinderen zullen voortaan zingen:

 

Piet Hein, Piet Hein

Piet Hein zijn naam is klein.

Zijn daden benne groot.

 

In Madrid grijpt men vertwijfeld naar het hoofd. Van de schatkist is alleen nog de bodem over.

De koning besluit, naast andere noodmaatregelen, nieuwe adellijke titels te koop aan te bieden. De titel zal worden toegekend wegens uitzonderlijke feiten. En welk feit is uitzonderlijker dan het geld te hebben om een titel te kopen? Tegen betaling van vierduizend dukaten ontwaakt een willekeurige burgerman als adellijk heer van een zeer oud geslacht, en wie de vorige avond nog de zoon van een jood of de kleinzoon van een muzelman was, is de volgende ochtend van het zuiverste bloed.

Maar de tweedehandse titels zijn goedkoper. Er zijn in Castilië heel wat edelen die in hun blote kont zouden lopen als hun cape hen niet bedekte, edellieden van de denkbeeldige dis die iedere dag onzichtbare kruimeltjes van hun wambuis en uit hun snor vegen: zij verschaffen de hoogste bieder het recht op het gebruik van het woordje don, wat het enige is dat hen nog rest.

Met de edelen die in een zilveren rijtuig rondrijden hebben de aan lager wal geraakten niets anders gemeen dan het eergevoel en het heimwee naar de glorie, de afschuw van het werk—bedelen is minder onwaardig—en de afkeer van het wassen, een gewoonte van Moren die vreemd is aan het katholieke geloof en door de Inquisitie onfatsoenlijk wordt geacht.

 

 

Copla’s over de man die naar Indië ging,

 in Spanje gezongen

 

Naar Ronda ga je om peren,

Naar Malaga om zijn wijn.

Maar waarheen gaan de heren?

Naar Indië om rijk te zijn.

 

Mijn man is naar Indië gevaren,

op zoek naar het gewin.

Kwam terug met mooie verhalen

maar tellen had weinig zin.

 

Mijn man is naar Indië gevaren

en bracht mij een mes met een merk,

waarvan de woorden waren

‘Als je wilt eten, werk.’

 

Naar Indië gaan de heren,

naar Indië om het gewin.

Maar laten zij eerst eens leren

te werken voor hun gezin

 

 

1629 Las Cangrejeras

Bascuñán

 

Zijn hoofd kraakt cn bonst. Op zijn rug in de 'modderpoel, tussen over elkaar heen gevallen doden, opent Francisco Núñez de Pineda y Bascuñán zijn ogen. De wereld is een warboel van bloed en slijk, waar de regen op neerslaat en die wentelt en draait en spettert en wentelt.

De Indianen werpen zich op hem. Zij trekken zijn kuras van hem af cn zijn helm die is gedeukt door de slag die hem heeft geveld, en rukken hem de kleren van het lijf. Francisco kan nog net een kruisteken slaan voordat hij aan een boom wordt vastgebonden.

De storm slaat in zijn gezicht. De wereld draait niet meer in het rond. Een stem in zijn hoofd zegt door het geschreeuw van de Araucaniërs heen: ‘Je bent in de moerassige streek Chillán in je land Chili. Deze regen heeft het kruit nat gemaakt. Deze wind heeft de lonten uitgeblazen. Je hebt verloren. Je hoort de Indianen je dood bespreken.’ Francisco prevelt een laatste gebed.

Plotseling gaat er een vlaag van kleurige veren door de regen. De Araucaniërs maken ruim baan voor de aanstormende schimmel met dampende neusgaten en het schuim op de mond. De ruiter, onherkenbaar door een helm, geeft een ruk aan de teugels. Het paard steigert vlak voor Maulicán, de overwinnaar in het gevecht. Allen verstommen.

‘Het is de beul,’ denkt Francisco. ‘Nu is het afgelopen.’

De indrukwekkende ruiter buigt zich voorover en zegt iets tegen Maulicán. Francisco hoort alleen de stemmen van de regen en de wind. Maar wanneer de ruiter rechtsomkeert maakt en wegrijdt, maakt Maulicân zijn gevangene los, doet zijn mantel af en bedekt hem ermee.

Later galopperen de paarden naar het zuiden.

 

 

1629 Aan de oevers van de Bío-Bío

Putapichun

 

Na enige tijd zien zij van een berghelling een groep mensen aankomen. Maulican geeft zijn paard de sporen en gaat vooruit om het dorpshoofd Putapichun te begroeten.

De andere groep heeft ook een gevangene, die met een strop om zijn nek struikelend tussen de paarden meeloopt.

Op een effen stuk terrein steekt Putapichun zijn driepuntige lans in de grond. Hij laat zijn gevangene losmaken en gooit een tak voor zijn voeten.

‘Noem de namen van de dapperste aanvoerders van je leger.’

‘Die weet ik niet,’ stamelt de soldaat.

‘Noem er een,’ beveelt Putapichun.

‘Ik weet het niet meer.’

‘Noem er een.’

En hij noemt de vader van Francisco.

‘Nog een.’

En hij noemt er nog een. Bij iedere naam moet hij een stuk van de tak afbreken. Francisco zit er met opeengeklemde kaken bij. De soldaat noemt twaalf aanvoerders. Hij heeft twaalf stokjes in de hand.

‘Graaf nu een gat.’

De gevangene laat de stokjes er een voor een in vallen, terwijl hij de namen herhaalt.

‘Bedek ze. Gooi er aarde overheen.’

Dan zegt Putapichun plechtig:

‘Nu zijn de twaalf dappere aanvoerders begraven.’

En de beul laat de bespijkerde knots op het hoofd van de gevangene neerkomen.

Zijn hart wordt uit zijn lijf gerukt. Aan Maulican wordt de eerste slok bloed aangeboden. De tabaksrook blijft in de lucht hangen, terwijl het hart van hand tot hand gaat.

Dan zegt Putapichun, snel in de oorlog maar traag in het spreken, tegen Maulican:

‘Wij zijn gekomen om de aanvoerder die je bij je hebt van je te kopen. Wij weten dat hij de zoon is van Alvaro, de grote bevelhebber die onze streken heeft doen sidderen.’

Hij biedt hem een van zijn dochters, honderd Castiliaanse schapen, vijf lama’s, drie paarden met bewerkte zadels en verschillende snoeren kostbare stenen:

‘Daarmee kun je tien Spanjaarden betalen en houd je nog over.’ Francisco slikt. Maulican kijkt naar de grond. Na een poosje zegt hij: ‘Eerst moet ik hem naar mijn vader en de andere hoofden van mijn streek Repocura brengen. Ik wil hun dit bewijs van mijn moed laten zien.’

‘Wij zullen wachten,’ aanvaardt Putapichun zijn besluit.

‘Mijn leven wordt van dood naar dood geboren,’ denkt Francisco. Zijn oren gonzen.

 

 

1629 Aan de oevers van de Imperial

Maulicán

 

‘Heb je je gewassen in de rivier? Kom bij het vuur zitten. Je bibbert. Ga zitten en drink wat. Vooruit, aanvoerder. Ben je stom geworden? Je spreekt onze taal toch alsof je een van ons was... Eet, drink. Er staat ons een lange reis te wachten. Houd je niet van ons maïsbier? Houd je niet van vlees zonder zout? Onze trommels laten je benen niet dansen. Je hebt geluk, jeugdige aanvoerder. Jullie brandmerken de gezichten van de krijgsgevangenen met het ijzer dat niet kan worden uitgewist. Je hebt pech, jeugdige aanvoerder. Nu is je vrijheid van mij. Ik heb medelijden met je. Drink, drink, werp de angst van je af. Zij die je met wraaklust willen hebben zullen je niet krijgen. Ik zal je verbergen. Ik zal je nooit verkopen. Je lot ligt in de handen van de Meester van de wereld en van de mensen. Hij is rechtvaardig. Eet dus. Meer? Voor de zon opkomt zullen wij op weg gaan naar Repocura. Ik wil mijn vader zien en hem eer bewijzen. Mijn vader is heel oud. Spoedig zal zijn geest achter de besneeuwde toppen zwarte aardappelen eten. Hoor je de voetstappen van de nacht die voortloopt? Onze lichamen zijn rein en sterk om de tocht te beginnen. De paarden wachten op ons. Mijn hart slaat krachtig, jeugdige aanvoerder. Hoor je de trommels van mijn hart? Hoor je de muziek van mijn vreugde?’

 

 

1629 Repocura

Ten afscheid

 

Maan na maan is de tijd voorbijgegaan. In deze maanden van gevangenschap heeft Francisco veel gehoord en veel geleerd. Hij heeft de andere versie leren kennen, die hij eens zal schrijven, van deze lange oorlog, deze rechtvaardige oorlog die de Indianen hebben ontketend tegen hen die hen bedrogen en onrecht aandeden en tot slaaf namen en nog erger dingen bedreven.

Geknield voor een kruis van mirtetakken zegt Francisco in het bos gebeden van dankbaarheid. Deze avond zal hij op weg gaan naar Fort Nacimiento: Daar zal hij worden geruild tegen drie gevangen Araucaanse dorpshoofden. Op zijn reis zal hij door honderd lansen worden beschermd.

Nu loopt hij naar de groep hutten. Onder het afdak van gevlochten takken wordt hij opgewacht door een cirkel van versleten poncho’s en lemen gezichten. Het gegiste sap van aardbeien of appels gaat van mond tot mond.

De eerbiedwaardige Tereupillán ontvangt de bundel kaneeltakken, die het woord geeft, en hem in de hoogte stekend wijdt hij een lange lofrede aan elk van de aanwezige dorpshoofden. Daarna prijst hij Maulicân, dappere krijgsheld, die in het gevecht een zo kostbare gevangene heeft gemaakt en hem levend wist te behouden.

‘Het is niet eigen aan nobele harten,’ zegt Tereupillán, ‘in koelen bloede het leven te nemen. Toen wij de wapens opnamen tegen de gewelddadige Spanjaarden die ons vervolgden en kwelden, kende ik alleen in de gevechten geen erbarmen voor hen. Maar daarna, wanneer ik hen in gevangenschap zag, vervulden zij mij met pijn en verdriet en was mijn ziel bedroefd, omdat wij werkelijk geen haat gevoelden voor hun persoon. Hun hebzucht, ja. Hun wreedheid, ja. Hun hoogmoed, ja.’

En zich tot Francisco wendend zegt hij:

‘En jij, aanvoerder, vriend en kameraad, die van ons weggaat en ons verwond, bedroefd en ontroostbaar achterlaat, vergeet ons niet. ’

Tereupillán laat de bundel kaneeltakken in het midden van de cirkel vallen en de Araucaniërs wekken de aarde door er met de voeten op te trappelen.

 

 

1630 Motocintle

Zij verraden hun doden niet

 

Bijna twee jaar had pater Francisco Bravo in dit dorp Motocintle gepredikt.

Op een dag kondigde hij de Indianen aan dat hij naar Spanje was teruggeroepen. Hij wilde hij naar Guatemala terugkeren, zei hij, en voor altijd hier blijven, maar daar in Spanje zouden zijn superieuren hem hun toestemming onthouden.

‘Alleen goud zou hen kunnen overtuigen,’ gaf pater Francisco te kennen.

‘Goud hebben wij niet,’ zeiden de Indianen.

ja, dat hebben jullie wel, ’ sprak de priester hen tegen. ‘Ik weet dat er in Motocintle een goudschat verborgen ligt.’

‘Dat goud is niet van ons,’ legden zij uit. ‘Dat goud is van onze voorouders. Wij zorgen er alleen maar voor. Als er iets ontbreekt, wat moeten wij dan tegen hen zeggen wanneer zij op de wereld terugkomen?’

‘Ik weet alleen wat mijn superieuren in Spanje zullen zeggen. Zij zullen tegen mij zeggen: “Als de Indianen van dat dorp, waar jij wilt blijven, zoveel van je houden, hoe komt het dan dat je zo arm bent?”’

De Indianen kwamen in vergadering bijeen om de zaak te bespreken.

Op een zondag, na de mis, deden zij pater Francisco een blinddoek voor en draaiden hem in het rond tot hij duizelig werd. Allen gingen achter hem aan, van de oudste mannen tot de zuigelingen. Toen zij achter in een grot waren aangekomen, deden zij hem de blinddoek af. De priester knipperde met zijn ogen, die werden verblind door de schittering van het goud, meer goud dan dat van alle schatten van de duizend-en-een-nacht, en zijn bevende handen wisten niet waar zij moesten beginnen. Van zijn soutane maakt hij een grote zak en vulde die zoveel hij kon. Daarna zwoer hij bij God en het heilige evangelie dat hij het geheim nooit zou verraden en kreeg hij een muildier en maïskoeken voor de reis.

Enige tijd later ontving het koninklijk gerechtshof van Guatemala een brief van pater Francisco Bravo uit de haven Veracruz. Met pijn in het hart vervulde de priester zijn plicht, een daad verrichtend van dienst aan de koning daar het hier ging om een belangrijke en voortreffelijke zaak. Hij gaf aanwijzingen over de mogelijke richting waarin het goud gezocht moest worden. ‘Ik geloof dat ik niet ver buiten het dorp ben gegaan. Aan de linkerzijde liep een beek...’ Als bewijs stuurde hij een paar goudklompjes en beloofde de rest te zullen besteden aan de verering van een heilige in Malaga.

Nu rijden de rechter en de soldaten te paard Motocintle binnen. Gekleed in een rode toga en getooid met een witte staf die voor zijn borst hangt, wekt rechter Juan Maldonado de Indianen op het goud te geven.

Hij belooft en garandeert hen een goede behandeling.

Hij bedreigt hem met strengheid en straf.

Hij werpt enkelen in de gevangenis.

Anderen sluit hij in het blok en martelt hij.

Anderen laat hij de trap van het schavot bestijgen.

Geen woord.

 

 

1630 Lima

María, de matrone van de troep

 

‘Elke dag heb ik meer problemen en minder echtgenoot!’ zucht María del Castillo. Om haar heen geven de toneelknecht, de souffleur en de eerste actrice haar troost en koelte met een waaier.

In het halfduister van de schemering hebben de wachters van de Inquisitie Juan uit de armen van María losgerukt en hem in de gevangenis geworpen omdat venijnige tongen beweren dat hij, terwijl hij naar het evangelie luisterde, heeft gezegd:

‘Ach wat! Er is niets anders dan leven en sterven!’

Een paar uur eerder had de neger Lazaro op het grote plein en in de vier straten die uitkomen op de koopmanshoek de nieuwe voorschriften van de onderkoning over de schouwburgen afgeroepen.

De onderkoning, graaf Chinchón, gelast dat in het theater een stenen muur de mannen van de vrouwen scheidt, met gevangenisstraf en een boete voor wie het terrein van het andere geslacht betreedt. Ook heeft hij bepaald dat de voorstelling vroeger afgelopen moet zijn, wanneer de klok luidt voor het gebed, opdat er een einde komt aan de zware zonden tegen God, Onze Heer, in de donkere stegen. En of dat nog niet genoeg is heeft de onderkoning besloten de toegangsprijzen te verlagen.

‘Mij krijgt hij niet!’ roept María. ‘Hoe hij mij ook bestrijdt, mij krijgt hij nooit!’

María del Castillo, de leidende figuur van de komische acteurs in Lima, heeft nog niets verloren van de gratie en de schoonheid die haar beroemd hebben gemaakt, en op zestigjarige leeftijd lacht zij nog om de gesluierden, die met hun omslagdoek één oog bedekken: omdat zij twee mooie ogen heeft, kijkt, verleidt en verschrikt zij met onbedekt gelaat. Zij was nog een kind toen zij dit beroep van de magie koos en al een halve eeuw lang betovert zij de mensen vanaf de toneelplanken van Lima. Al zou zij het willen, legt zij uit, dan nog zou zij het theater niet voor het klooster kunnen ruilen, omdat God haar niet tot bruid zou willen hebben na de drie huwelijken waarvan zij zo heeft genoten.

Ook al hebben de inquisiteurs nu haar man van haar afgenomen en ook al hebben de verordeningen van de regering de bedoeling het publiek af te schrikken, María zweert dat zij niet in het bed van de onderkoning zal gaan liggen.

‘Nooit, nooit!’

Tegen wind en stroming in zal zij, ook in haar eentje, in haar theater achter het klooster van Sint Agustinus melodramatische avonturenstukken blijven opvoeren. Binnenkort begint de heropvoering van De non en vaandrig, van het opmerkelijke Spaanse talent Juan Pérez de Montalbán, en daarna zal zij een paar pittige stukken op de planken zetten, zodat iedereen danst en zingt en trilt van opwinding in deze stad waar nooit iets gebeurt, die zo saai is dat wanneer je een keer gaapt er twee mensen dood zijn.

 

 

1630 Oud Guatemala

Een muzikale middag in het klooster van de Ontvangenis

 

In de tuin van het klooster speelt Juana op de luit en zingt. Groen licht, groene stammen, groen briesje: de lucht was dood tot zij hem met haar woorden en haar muziek heeft aangeraakt.

Juana is de dochter van rechter Maldonado, die in Guatemala de Indianen verdeelt over boerderijen, mijnen en werkplaatsen. Duizend dukaten bedroeg de bruidsschat voor haar huwelijk met Jezus, en in het klooster wordt zij bediend door zes negerslavinnen. Terwijl Juana liedjes met teksten van haarzelf of van anderen zingt, staan de slavinnen op een afstand te luisteren en te wachten.

De bisschop, die tegenover de non zit, kan de spieren van zijn gezicht niet in bedwang houden. Hij kijkt naar het boven de hals van de luit gebogen hoofd van Juana, haar blote nek, haar aluinen mond die opengaat, en vermaant zichzelf rustig te blijven. Het is bekend dat hij nooit van expressie verandert, of hij nu een kus geeft of zijn deelneming betuigt, maar nu is dat onaandoenlijke gezicht in beweging: hij trekt met zijn mond en zijn opstandige oogleden knipperen. Zijn vaste pols lijkt niet te horen bij deze hand die bevend een glaasje vasthoudt.

De melodieën, lofzangen op God of droefgeestige wereldse liederen, stijgen op naar het lover. Daarachter verheft zich de groene watervulkaan en de bisschop zou zich willen concentreren op de velden met maïs en koren en de beekjes die op de helling schitteren.

Die vulkaan houdt het water gevangen. Wie dicht genoeg bij hem komt hoort het geborrel van een kookpot. De laatste keer dat hij heeft gespuwd, minder dan een eeuw geleden, heeft hij de stad, die Pedro de Alvarado aan zijn voet had gesticht, overspoeld. Iedere zomer trilt de aarde hier, aankondiging van woedend geweld, en leeft de stad in onzekerheid tussen twee vulkanen die haar de adem doen inhouden. Deze bedreigt haar met de zondvloed, de andere met de hel.

Achter de bisschop, tegenover de watervulkaan, verrijst de vuurvulkaan. Bij de vlammen die uit zijn mond omhoog schieten, kun je midden in de nacht op vijf kilometer afstand een brief lezen. Van tijd tot tijd klinkt er kanongebulder en bombardeert de vulkaan de wereld met stenen: hij schiet rotsblokken af die zo groot zijn dat twintig muildieren ze niet van hun plaats krijgen en hij vult de hemel met as en de lucht zo met zwavel dat je vergaat van de stank.

De stem van het meisje zweeft.

De bisschop kijkt naar de grond en wil mieren tellen, maar zijn ogen gaan naar de voeten van Juana, die haar schoenen verbergen en laten raden, en zijn blik glijdt over dat hele welgevormde lichaam dat onder het witte habijt klopt, terwijl zijn herinnering plotseling ontwaakt en hem terugvoert naar zijn jeugd. De bisschop herinnert zich de onbedwingbare aanvechting midden onder de mis in de hostie te bijten en de gevoelens van paniek dat de hostie zou gaan bloeden en vervolgens vaart hij door een zee van ongesproken woorden en niet geschreven brieven en niet vertelde dromen.

De stilte klinkt van zoveel zwijgen. De bisschop bemerkt opeens dat Juana al een poosje is opgehouden met spelen en zingen. De luit rust op haar knieën en lachend kijkt zij naar de bisschop met die ogen die zelfs zij niet verdient. Een groen briesje ruist om haar heen.

De bisschop krijgt een hoestbui. De anisette valt op de grond en zijn handen worden rood van het applaudiseren.

‘Ik zal je priores maken!’ roept hij, met een hoge stem. ‘Ik zal je abdis maken!’

 

 

Copla’s over de man die in stilte liefheeft

 

Zeggen wil ik en zeg niet

en zeggend zeg ik niets.

Ik bemin en wil niet beminnen

en zonder te willen bemin ik.

 

Pijn voel ik en weet niet waar,

gekomen ik weet niet vanwaar.

Genezen zal ik en weet niet hoe gauw,

maar wel door welke vrouw.

 

Iedere keer dat je kijkt

en dat ik naar je kijk,

zeg ik met mijn ogen

wat uit mijn woorden niet blijkt.

Nu ik je niet vind

blijven mijn ogen blind.

 

 

1633 Pinola

Gloria in excelsis Deo

 

De zandvlo is kleiner dan een luis en feller dan een tijger. Hij valt aan via de voeten en velt wie zich krabt. De Indianen laat hij met rust, maar voor de buitenlanders kent hij geen pardon.

Twee maanden heeft pater Thomas Gage oorlog gevoerd, in bed, en terwijl hij zijn overwinning op de zandvlo viert maakt hij de balans op van de tijd die hij in Guatemala heeft doorgebracht. Afgezien van de zandvlo kan hij zich niet beklagen. In de dorpen wordt hij met trompetgeschal ontvangen onder een baldakijn van groene takken en bloemen. Hij heeft alle bedienden die hij maar wil en een palfrenier leidt zijn paard bij de teugel.

Stipt op tijd ontvangt hij zijn loon in zilver, graan, maïs, cacao en kippen. De missen die hij hier in Pinola en in Mixco opdient worden apart betaald, evenals de doopsels, huwelijken en begrafenissen en de gebeden die hij in opdracht zegt om kreeften, epidemieën en aardbevingen te bezweren. Als je de offergaven aan de onder zijn beheer staande heiligen, en dat zijn er heel wat, en kerstavond en de paasweek daarbij optelt, ontvangt pater Gage meer dan tweeduizend escudo per jaar, vrij van lasten, buiten de wijn en de gratis soutane.

Het loon van de pastoor komt uit de schatting die de Indianen aan don Juan de Guzman, eigenaar van deze mensen en landerijen, betalen. Omdat alleen de gehuwden schatting betalen, en de Indianen vlug zijn in weten en benadelen, verplichten de ambtenaren kinderen van twaalf en dertien jaar om in het huwelijk te treden en de pastoor trouwt hen terwijl hun lichamen nog onvolgroeid zijn.

 

 

1634 Madrid

Wie verborg zich onder de wieg van je vrouw?

 

De Hoge Raad van het Heilig Officie, die waakt over de zuiverheid van het bloed, besluit dat voortaan een uitgebreid onderzoek zal worden verricht voordat haar dienaren een huwelijk aangaan.

Allen die voor de Inquisitie werken, de portier en de aanklager, de folteraar en de beul, de dokter en de koksmaat, moeten de stamboom van twee eeuwen overleggen van de vrouw die zij hebben gekozen, om te vermijden dat zij in het huwelijk treden met besmette personen. Besmette personen, dat wil zeggen met liters of druppels Indiaans bloed of negerbloed, of met betovergrootouders van het joodse geloof of de islamitische cultuur of vroomheid van enigerlei ketterij.

 

 

1636 Quito

De derde helft

 

Gedurende twintig lange jaren is hij de grote baas van het stadsrijk Quito geweest, voorzitter van zijn bestuur en de koning van de liefde, de kaarten en de mis. Alle anderen lopen of rennen in de pas van zijn paard.

In Madrid heeft de Raad van Indië hem schuldig verklaard aan zesenvijftig wandaden, maar het slechte nieuws is nog niet aan deze kant van de oceaan aangekomen. Hij zal een boete moeten betalen voor de winkel die hij twintig jaar geleden in het Koninklijk Gerechtshof heeft geopend voor de verkoop van de chinese zijde en taf die hij had binnengesmokkeld, en voor ontelbare schandalen met gehuwde vrouwen, weduwen en maagden, en ook voor de speelzaal die hij in het handwerkvertrek van zijn huis had ingericht, naast de huiskapel waar bij dagelijks de heilige communie ontving. Het kaarten heeft don Antonio de Morga tweehonderdduizend peso winst opgeleverd aan entreegeld dat hij hief, de opbrengst van zijn vaardige uitschuddersvingers niet meegerekend. (Voor schulden van tien peso heeft don Antonio vele Indianen ertoe veroordeeld voor de rest van hun leven vastgeklonken te zijn aan de weefgetouwen in de werkplaatsen.) Maar het besluit van de Raad van Indië heeft Quito nog niet bereikt.

Dat is niet wat don Antonio zorgen baart.

Hij staat naakt voor de spiegel met bewerkte gouden lijst en ziet een ander. Hij zoekt zijn stierenlichaam en vindt het niet. Onder zijn slappe buik hangt tussen zijn dunne benen, verstomd, de sleutel die vroeger alle vrouwensloten had weten te openen.

Hij zoekt zijn ziel en de spiegel heeft hem niet. Wie heeft de godvruchtige helft gestolen van de man die preken gaf aan monniken en vromer was dan de bisschop? En de mystieke schittering in zijn ogen? Boven de witte baard ziet hij slechts rimpels en uitdoving.

Don Antonio de Morga doet een paar stappen naar voren tot hij vlak voor de spiegel staat en vraagt naar zijn derde helft. Er moet een gebied zijn waar de gedroomde en vergeten dromen een toevlucht hebben gezocht. Dat moet er zijn: een plek waar de ogen, versleten van zoveel kijken, de kleuren van de wereld hebben bewaard, en de bijna dove oren de melodieën. Hij zoekt een niet vergane smaak, een niet vervlogen geur, een warmte die in de hand is gebleven.

Hij herkent niets wat ongedeerd is gebleven en verdient te blijven. De spiegel weerkaatst slechts een oude, lege man die deze nacht zal sterven.

 

 

1637 De monding van de Sucre

Dieguillo

 

Een paar dagen geleden heeft pater Thomas Gage geleerd aan de krokodillen te ontkomen. Als je zigzaggend wegrent raken de krokodillen van de wijs. Zij kunnen zich alleen in rechte lijn snel verplaatsen. Maar niemand heeft hem geleerd aan de zeerovers te ontkomen. En is er wel iemand die weet hoe je in een traag fregat zonder kanonnen moet vluchten voor twee goede Nederlandse schepen?

Nog maar net in de Caraïbische Zee strijkt het fregat de zeilen en geeft zich over.

Nog leger dan de zeilen ligt het hart van pater Gage uitgeteld op het dek. Met hem reist al het geld dat hij in Zuid-Amerika bijeen heeft gegaard gedurende de twaalf jaar dat hij goddelozen heeft gered en doden aan de hel heeft ontrukt.

De sloepen varen heen en weer. De piraten nemen het spek, het meel, de honing, de kippen, het vet en de wijnzakken mee. Ook bijna het hele fortuin dat de priester in goud en parels bij zich had. Niet helemaal, want in zijn bed hebben zij niet gezocht en hij had een flink deel van zijn bezit in de matras genaaid.

De kapitein van de zeerovers, een krachtige mulat, ontvangt hem in zijn hut. Hij geeft hem geen hand, maar biedt hem een stoel en een kruik met gepeperde rum. Het koude zweet breekt hem uit in zijn nek en loopt hem over de rug. Hij neemt een slok. Kapitein Diego Grillo kent hij bij geruchte. Hij weet dat hij heeft gevaren onder de gevreesde kapitein Houten Poot en dat hij nu voor eigen rekening rooft met een kaperbrief van de Nederlanders. Men vertelt dat Dieguillo doodt om het niet te verleren.

De priester smeekt, stamelt dat hem niets anders is gelaten dan de soutane die hij aan heeft. Terwijl hij zijn beker bij vult, vertelt de piraat, doof, zonder een spier te vertrekken, over de slechte behandeling die hij heeft ondergaan toen hij nog slaaf was van dc gouverneur van Campeche.

‘Mijn moeder is nog steeds slavin, in Havanna. Kent u mijn moeder niet? Zij is zo lief, het arme mens, dat het een schande is.’

‘Ik ben geen Spanjaard,’jammert de priester. ‘Ik ben Engelsman,’ zegt en herhaalt hij vergeefs. ‘Mijn land is geen vijand van uw land. Zijn Engeland en Nederland geen goede vrienden?’

‘Vandaag win ik, morgen verlies ik,’ zegt de zeerover. Hij houdt een grote slok rum in zijn mond en laat die beetje bij beetje door zijn keelgat gaan. ‘Kijk,’ beveelt hij en rukt zijn wambuis uit. Hij laat zijn rug zien, de dikke littekens van de zweep.

Van het dek dringen geluiden tot hen door. De priester is er dankbaar voor, want zij overstemmen het bonzen van zijn op hol geslagen hart. ‘Ik ben Engelsman...’

Een ader klopt wanhopig in de hals van pater Gage. Het speeksel wil niet door zijn keel.

‘Neem mij mee naar Nederland. Ik smeek het u, mijnheer, neem mij mee naar Nederland. Alstublieft! Een edelmoedig man kan mij niet op deze wijze aan mijn lot overlaten, naakt en zonder...’

Met een ruk trekt de kapitein zijn arm uit de duizend handen van de priester.

Hij stampt met een stok op de grond en twee mannen komen binnen. 'Weg met hem!’

Met zijn rug naar hem toe, terwijl hij zich in de spiegel bekijkt, neemt hij afscheid van hem.

‘Als je Havanna aandoet,’ zegt hij, ‘moetje mijn moeder een bezoek brengen. Doe haar mijn groeten. Zeg haar..., zeg haar dat het mij goed gaat.’

Terwijl hij naar zijn fregat terugkeert, heeft pater Gage buikkrampen. De golven gaan hoog en de priester verwenst de man die hem twaalf jaar geleden, daar in Jerez de la Frontera, zei dat Amerika met goud en zilver was geplaveid en dat je voorzichtig moest lopen om niet over de diamanten te struikelen.

 

1637 De baai van Massachusetts

‘God is een Engelsman’

 

zei de vrome John Aylmer, zieleherder, twintig jaar geleden. En John Winthrop, stichter van de kolonie aan de baai van Massachusetts, beweert dat de Engelsen zich de gronden van de Indianen met evenveel recht kunnen toeëigenen als Abraham dat deed bij de Sodomieten: Wat aan allen gemeen is behoort niemand toe. Dit volk van wilden heerste zonder akte of eigendom over uitgestrekte gronden. Winthrop is de leider van de puriteinen die vier jaar geleden in de Arbella zijn aangekomen. Hij kwam met zijn zeven kinderen. De eerwaarde John Cotton nam op de kade van Southampton afscheid van de pelgrims, hen verzekerend dat God als een adelaar boven hen zou vliegen en hen van het oude Engeland, land van verdorvenheden, zou leiden naar het beloofde land.

De puriteinen zijn gekomen om het nieuwe Jerusalem boven op de heuvel te bouwen. Tien jaar voor de Arbella kwam de Mayflower in Plymouth aan, toen andere Engelsen, dorstig naar goud, al in het zuiden de kust van Virginia hadden bereikt. De puriteinse families vluchten voor de koning en zijn bisschoppen. Zij laten de belastingen en de oorlogen, de honger en de epidemieën achter zich. Ook vluchten zij voor de dreigende verandering van de oude orde. Zoals Winthrop, een in een adellijke wieg geboren en in Cambridge afgestudeerde advocaat, zegt: ‘De almachtige God heeft in zijn meest heilige en wijze voorzienigheid beschikt dat in de menselijke verhoudingen van alle tijden sommigen rijk moeten zijn en anderen arm, sommigen hoog en verheven in macht en waardigheid en anderen middelmatig en onderworpen.’

De eerste keer zagen de Indianen een wandelend eiland. De mast was een boom en de zeilen witte wolken. Toen het eiland stil was blijven staan, gingen de Indianen er in hun kano’s naar toe om aardbeien te plukken. In plaats van aardbeien vonden zij de pokken.

De pokken vernietigden de Indiaanse gemeenschappen en maakte het terrein vrij voor de boodschappers van God, verkozenen van God, volk van Israël in de woestijn van Kanaän. Als vliegen zijn de mensen, die hier al meer dan drieduizend jaar wonen, gestorven. De pokken, zegt Winthrop, zijn door God gezonden om de Engelse kolonisten te verplichten de door de ziekte ontruimde gronden in bezit te nemen.

 

 

1637 Mystic Fort

Uit het getuigenis van John Underhill,

puritein uit Connecticut,

over de slachting van Pequot-Indianen

 

Zij wisten niets van onze aankomst. Toen wij dicht bij de vesting waren, hebben wij onze ziel aan God opgedragen en Zijn bijstand bij een zo zware onderneming afgesmeekt.

Wij konden niet anders dan ons verbazen over de Goddelijke Voorzienigheid, toen onze soldaten, onervaren in het gebruik van de wapenen, zo een dichte regen van schoten afvuurden dat het leek of de vinger Gods de lont met de vuursteen had aangestoken. Bij het aanbreken van de dag zaaide de volle laag ontzetting onder de Indianen, die nog in diepe slaap lagen, en hoorden wij de meest smartelijke kreten. Indien God onze harten niet had voorbereid op Zijn dienst, zouden wij tot deernis bewogen zijn. Maar aangezien God ons van mededogen had ontdaan, maakten wij ons gereed ons werk zonder medelijden uit te voeren, denkend aan het bloed dat de Indianen hadden doen vloeien toen zij op barbaarse wijze ongeveer dertig van onze landgenoten mishandelden en vermoordden. Met het zwaard in de rechterhand en de karabijn of het musketgeweer in de linkerhand vielen wij aan...

Velen zijn in het fort verbrand... Anderen werden met geweld genoodzaakt de vesting te verlaten en werden door onze soldaten met de punt van hun waard opgewacht. Mannen, vrouwen en kinderen sneuvelden. Zij die aan ons ontsnapten vielen in handen van de met ons verbonden Indianen, die in de achterhoede wachtten. Volgens de Pequot-Indianen telde deze sterkte rond vierhonderd zielen en niet meer dan vijf van hen slaagden er in aan onze handen te ontsnappen. Het aanschouwen van het bloed was voor de jonge soldaten, die nog nooit in de oorlog waren geweest, aangrijpend en akelig, toen zij zoveel zieltogende mensen op de grond zagen liggen en op sommige plaatsen zo hoog opgehoopt dat men er niet door kon.

Men zou kunnen vragen: En waarom zoveel furie? (Zoals iemand heeft gezegd.) Zouden christenen niet meer clementie en medelijden moeten hebben? En ten antwoord roep ik de oorlog van David in herinnering. Wanneer een volk tot zo een diepte van bloed en zonde tegen God en de mens is gedaald, ontziet David de personen niet, maar rijt hen uiteen en vermorzelt hen met zijn zwaard en brengt hen tot de verschrikkelijkste dood. Soms zegt de Schrift dat vrouwen en kinderen met de vaders moeten omkomen. Soms zijn er ook andere gevallen, maar daarover zullen wij het nu niet hebben. Wij ontvangen voldoende licht van Gods woord voor ons handelen.

 

 

1639 Lima

Martín de Porres

 

De doodsklokken van de kerk van Santo Domingo luiden. Bij het licht van de kaarsen heeft Martín de Porres, badend in het koude zweet, na een lange strijd met de Duivel, gevoerd met de steun van de Heilige Maagd en Sinte Catharina, maagd en martelares, de geest gegeven. Hij stierf in zijn bed, met een steen tot kussen en een doodshoofd aan zijn zijde, terwijl de onderkoning van Lima op zijn knieën zijn hand kuste en om zijn tussenkomst smeekte om een plaatsje voor hem vrij te maken, daar in de hemel.

Martín de Porres was geboren uit een negerslavin en haar meester, een heer van zuivere Spaanse afstamming die haar niet zwanger maakte door over haar als een ding te beschikken, maar vanuit de toepassing van het christelijke beginsel dat in bed allen voor God gelijk zijn. Toen hij vijftien jaar was, werd Martín aan het klooster van de dominicaner monniken geschonken. Hier deed hij zijn werk en zijn wonderen. Hij werd nooit tot priester gewijd, omdat hij mulat was, maar de bezem met liefde omhelzend heeft hij iedere dag de zalen, de kloostergangen, de ziekenzaal en de kerk geveegd. Met het scheermes gewapend schoor hij de tweehonderd broeders van het klooster. Hij verzorgde de zieken en bracht het naar rozemarijn geurende schone beddegoed rond.

Toen hij hoorde dat het klooster aan geldgebrek leed, ging hij naar de abt:

‘Ave María.’

‘Gratia plena.’

‘Verkoopt uwe genade deze onwaardige mulat,’ bood hij zich aan.

Hij liet bedelaars van de straat, vol zweren, in zijn bed slapen en knielde de hele nacht naast hen neer in gebed. Een bovennatuurlijk licht maakte hem wit als sneeuw, witte vlammen stegen op van zijn gelaat wanneer hij om middernacht door de kloostergang liep, vliegend als een goddelijke meteoor, op weg naar de eenzaamheid van zijn cel. Hij ging door de deuren die met een hangslot waren afgesloten, soms bad hij, geknield, in de lucht, ver van de vloer, en de engelen vergezelden hem naar het koor met lichten in hun handen. Zonder Lima te verlaten troostte hij gevangenen in Algerije en redde hij zielen op de Philippijnen, in China en Japan. Zonder uit zijn cel te komen luidde hij de klok voor het angelus. Hij genas de stervenden met doeken gedrenkt in het bloed van een zwarte haan en met poeder van fijngewreven padden en door middel van bezweringen die hij van zijn moeder had geleerd. Met een vinger streek hij over een kies en nam de pijn weg en open wonden veranderde hij in littekens. Hij maakte bruine suiker wit en doofde branden met zijn blik. De bisschop moest hem zoveel wonderen zonder toestemming verbieden.

Na de metten kleedde hij zich uit en geselde zijn rug met een zweep van ossepees met dikke knopen aan het uiteinde, en terwijl hij zich tot bloedens toe sloeg schreeuwde hij:

' Verachtelijke, onwaardige hond! Hoe lang moet je zondig leven nog duren? ’ Met smekende, droevige ogen, altijd om vergeving vragend, ging de eerste heilige met een donkere huid van de zeer blanke lijst van heiligen van de katholieke kerk door deze wereld.

 

 

1639 San Miguel de Tucumán

Uit een aanklacht tegen de bisschop van Tucumán,

toegezonden aan de Rechtbank van de Inquisitie in Lima

 

Met de oprechtheid en de waarheid waarmee tot een zo heilige Rechtbank moet worden gesproken dien ik een aanklacht in tegen de persoon van de eerwaarde bisschop van Tucuman, don Melchor Maldonado de Soavedra, van wie ik zeer ernstige dingen heb gehoord, die in ons heilige katholieke

geloof verdacht, en in dit bisdom algemeen bekend zijn. Dat er in Salta, terwijl hij doende was het Heilig Vormsel toe te dienen, een meisje kwam van goed voorkomen, tegen wie hij zei: ‘U bent beter om te nemen dan om te zegenen’, en in Córdoba kwam er het vorige jaar 1638 in aanwezigheid van vele mensen een ander meisje en zijn toga optillend zei hij: ‘Kssst! Ik moet haar niet van onderen zegenen maar van boven. ’ En met de eerste leefde hij in het openbaar in concubinaat...

 

 

1639 Potosí

Het testament van de koopman

 

Tussen de gordijnen verschijnt de neus van de notaris. Het slaapvertrek ruikt naar kaarsvet en naar dood. Bij het licht van de enige kaars is vaag de doodskop onder de huid van de stervende te zien.

‘Waar wacht je op, gier?’

De koopman doet zijn ogen niet open, maar zijn stem klinkt onversaagd.

‘Mijn schaduw en ik hebben overlegd en besloten,’ zegt hij. En zucht. En beveelt de notaris:

‘Je zult niets toevoegen of weglaten. Hoor je me? Ik zal je betalen met tweehonderd peso in gevogelte, zodat je met hun veren en die welke je gebruikt om te schrijven naar de hel kunt vliegen. Hoor je wat ik zeg? Ach! Iedere dag die ik leef is een dag die ik huur. Het kost mij elke dag meer. Schrijf op! Vooruit! Niet treuzelen. Ik bepaal dat er met het vierde deel van het geld dat ik nalaat op het pleintje bij de brug een paar grote pisbakken worden neergezet, opdat de adel en het plebs van Potosí daar iedere dag eer bewijzen aan mijn nagedachtenis. Een tweede kwart van mijn staven en munten moet worden begraven op het erf van mijn huis, en bij de deuren daarvan zullen vier van de kwaardaardigste honden met kettingen worden vastgelegd en goed worden gevoed om deze begraven schat te bewaken.’

Zijn tong raakt niet in de war en zonder adem te halen gaat hij verder: ‘En met een ander kwart van mijn rijkdom moeten de meest uitgezochte gerechten worden klaargemaakt en op mijn zilveren schalen worden gelegd en in een diepe kuil worden gezet met alle voorraden uit mijn provisiekasten, want ik wil dat de wormen zich te goed doen zoals zij dat met mij zullen doen. En ik bepaal...’

Hij beweegt zijn wijsvinger, die de schaduw van een worgpaal op de witte muur werpt, heen en weer.

‘En ik bepaal... dat geen enkele persoon naar mijn eigen begrafenis komt, maar dat mijn lichaam wordt vergezeld door alle ezels die er in Potosï te vinden zijn, uitgedost in de rijkste kleren en de mooiste juwelen, die moeten worden aangeschaft met wat er van mijn geld resteert.’

 

 

1639 Urcos

De Indianen zeggen:

 

Heeft de aarde een eigenaar? Hoe kan dat? Hoe kan zij worden verkocht? Hoe kan zij worden gekocht? Zij is toch niet van ons? Wij zijn van haar. Wij zijn haar kinderen. Altijd zo, altijd. Levende aarde. Zoals zij de wormen voortbrengt, zo brengt zij ons voort. Zij heeft beenderen en bloed. Zij heeft melk en geeft ons te drinken. Haar heeft zij, gras, stro, bomen. Zij kan aardappels baren. Zij laat huizen geboren worden. Mensén laat zij geboren worden. Zij zorgt voor ons en wij zorgen voor haar. Zij drinkt maïsbier, wanneer wij haar uitnodigen. Wij zijn haar kinderen. Hoe kan zij worden verkocht. Hoe kan zij worden gekocht?

 

 

1640 Säo Salvador de Bahía

Vieira

 

Zijn mond flonkert terwijl hij tot de tanden gewapende woorden afvuurt. De gevaarlijkste redenaar van Brazilië is een in Bahfa opgegroeide Portugese priester, een echte Bahiaan.

De Nederlanders zijn dit gebied binnengevallen en de jezuïet Antonio Vieira vraagt de koloniale heren of wij niet net zo donker van huid zijn ten opzichte van de Nederlanders als de Indianen ten opzichte van ons. Vanaf de kansel vaart hij uit tegen de bezitters van de grond en de mensen:

‘Moet ik heer zijn omdat ik verder van de zon ben geboren en moeten anderen slaaf zijn omdat zij er dichter bij zijn geboren? Er kan geen groter veronachtzaming van de rede, geen groter dwaling van het verstand bestaan onder de mensen!’

In het kerkje van Ayuda, het oudste van Brazilië, beschuldigt Antonio Vieira ook God, schuldig aan het helpen van de Nederlandse indringers:

Hoewel wij zondaars zijn, mijn God, moet U, vandaag, de boetvaardige zijn!’

 

 

1641 Lima

Avila

 

Duizenden en duizenden Indianen heeft hij ondervraagd zonder er één te vinden die geen ketter was. Hij heeft afgodsbeelden en afgodentempels vernield, hij heeft mummies verbrand, hij heeft hoofden kaal geschoren en hij heeft ruggen met zweepslagen gevild. Waar hij kwam heeft de wind van het christelijk geloof Peru gezuiverd. Priester Francisco de Avila is vijfenzestig jaar wanneer hij zijn krachten voelt verminderen. Hij is half doof en zelfs zijn kleren doen hem pijn en hij besluit dat hij de wereld niet zal verlaten zonder te bereiken wat hij sinds zijn jongensjaren heeft gewild. Hij verzoekt te worden toegelaten tot de jezuïetenorde

‘Nee,’ antwoordt de rector van de jezuïeten, Antonio Vázquez.

‘Nee,’ want Francisco de Avila, ook al zegt hij een geleerd man te zijn, bedreven in meerdere talen, blijft een halfbloed.

 

 

1641 Mbororé

De missies

 

De mammelukken uit de streek van Sao Paulo komen, Indianenjagers, grondverslinders: met tromgeroffel, met wapperende vlag en in militaire marsorde, donder van oorlog, wind van oorlog, trekken zij door Paraguay. Zij hebben lange touwen met halsbanden bij zich voor de Indianen die zij vangen en als slaven voor de plantages in Brazilië verkopen.

De mammelukken of vlaggendragers verwoesten al jaren de missies van de jezuïeten. Van de dertien missies van Guayara rest niets anders

dan stenen en as. Uit de uittocht zijn nieuwe evangelische gemeenschappen ontstaan, stroomafwaarts van de Parana, maar de aanvallen duren onverminderd voort. In de missies vindt de slang de vogeltjes goed gevoed bijeen, duizenden Indianen die zijn opgeleid voor het werk en de onschuld, ongewapend, een gemakkelijke prooi. Onder de voogdij van de priesters leiden de Guaram’s een geregeld leven, zonder privébezit, zonder geld en zonder doodstraf, zonder luxe of schaarste, en gaan zij zingend op de muziek van hun fluiten naar hun werk. Hun rieten pijlen richten niets uit tegen de haakbussen van de mammelukken, die het staal van hun zwaarden beproeven door kinderen in tweeën te splijten en als trofee flarden van soutanes en lange rijen slaven meenemen.

Maar deze keer wacht de indringers een verrassing. De koning van Spanje, geschrokken van de zwakheid van deze grenzen, heeft gelast dat aan de Guaranf s vuurwapens worden uitgereikt. De mammelukken vluchten in grote wanorde.

Uit de huizen stijgen rookpluimen op en lofzangen voor God. De rook, die niet van brandstichting maar van schoorstenen is, viert de overwinning.

 

 

1641 Madrid

De eeuwigheid tegen de geschiedenis

 

Graaf-hertog Olivares bijt op zijn knokkels en vloekt binnensmonds. Na twintig jaar nutteloze arbeid aan het hof heeft hij heel wat te vertellen, maar zwaarder weegt Gods woord.

I )c Raad van Theologen heeft het kanalisatieplan voor de rivieren de l aag en de Manzanares, waarvan de droge gebieden van Castilië zoveel profijt zouden hebben, verworpen. De rivieren zullen blijven lopen zoals God ze heeft gemaakt en het project van de ingenieurs ('arducci en Martelli zal in de archieven worden opgeborgen.

In Frankrijk wordt de spoedige opening van het grote Languedoc-kanaal aangekondigd, dat de Middellandse Zee zal verbinden met de Garonne-valei. In Spanje, dat Amerika heeft ontdekt en veroverd, besluit tezelfdertijd de Raad van Theologen dat tegen de Goddelijke Voorzienigheid ingaat wie wil verbeteren wat deze, om ondoorgrondelijke redenen, onvolmaakt heeft willen laten zijn. Indien God had gewild dat de rivieren bevaarbaar waren had hij ze wel bevaarbaar gemaakt.

 

 

1644 Jamestown

Opechancanough

 

Voordat een Engelse soldaat hem in de rug neerschiet vraagt het opperhoofd Opechancanough zich af: ‘Waar is de onzichtbare bewaker van mijn reizen? Wie heeft mij mijn schaduw ontnomen?’

Honderd jaar oud is hij verslagen. In een draagstoel was hij naar het slagveld gekomen.

Meer dan tachtig jaar geleden had admiraal Pedro Menéndez de Avilés hem meegenomen naar Cadiz. Hij stelde hem voor aan het hof van Philips II: ‘Ziehier een schone Indiaanse prins uit Florida.’ Zij trokken hem broek, wambuis en ringkraag aan. In een dominicaner klooster in Sevilla werden hem de taal en de godsdienst van de Castilianen onderwezen. Daarna gaf de onderkoning van Mexico hem zijn naam en Opechancanough heette nu Luis de Velasco. Na verloop van tijd keerde hij als tolk en gids van de jezuïeten terug naar het land van zijn vaderen. Zijn mensen dachten dat hij terugkwam van de dood. Hij predikte het christendom en later trok hij zijn kleren uit, sneed de jezuïeten de hals af en noemde zich weer net als vroeger.

Sinds die tijd heeft hij veel gedood en veel gezien. Hij heeft gezien hoe de vlammen dorpen en akkers in rook deden opgaan en hoe zijn broeders werden verkocht aan de hoogste bieder in deze streek die de Engelsen Virginia doopten, ter herinnering aan een koningin die maagdelijk van geest was. Hij heeft gezien hoe mensen door de pokken werden verzwolgen en hoe de tabak als een overweldiger gronden verslond. Hij heeft gezien hoe zeventien van de achtentwintig gemeenschappen, die hier waren, van de kaart werden geveegd en hoe aan de overige de keus werd gelaten tussen de verstrooiing en de oorlog. Dertigduizend Indianen heetten de Engelse schepelingen welkom die op een koele ochtend van het jaar 1607 in de baai van Chesapeake aan land gingen. Daarvan zijn er nog drieduizend in leven.

 

 

1645 Quito

Maríana de Jesús

 

Een jaar van onheil voor de stad. Aan iedere deur hangt een zwart lint. De onzichtbare legers van de mazelen en de difterie zijn de stad binnengedrongen en houden huis onder de bevolking. De nacht is onmiddellijk op het ochtendgloren gevolgd en de vulkaan de Pichincha, de sneeuwkoning, is opengebarsten: een geweldige spuwing van lava en vuur is op de velden neergekomen en een orkaan van as is door de stad gegaan.

‘Zondaars, zondaars!’

Net als bij de vulkaan slaan er vlammen uit de mond van pater Alonso de Rojas. Vanaf de schitterende preekstoel van de kerk van de jezuïeten, een kerk vol goud, slaat pater Alonso zich met de vuist op de borst dat het dreunt, terwijl hij jammert, roept, schreeuwt:

‘Heer, ontvang het offer van de nederigste uwer dienaren! Laat mijn bloed en mijn vlees boeten voor de zonden van Quito!’

Dan staat er dicht bij de preekstoel een meisje op en zegt kalm:

‘Ik.’

Tegenover de menigte in de stampvolle kerk kondigt Maríana aan dat zij de verkozene is. Zij zal de toorn van God doen bedaren. Zij zal worden gestraft voor alle straffen die haar stad verdient.

Maríana heeft nooit gespeeld dat zij gelukkig was en ook nooit gedroomd dat zij het was en heeft nooit meer dan vier uur geslapen. De enige keer dat een man haar hand licht aanraakte werd zij ziek en had een week lang koorts. Al heel jong besloot zij de bruid van God te zijn en zij schenkt hem haar liefde niet in het klooster, maar in de straten en de velden: niet door te borduren en zoetigheden en vruchtengelei te maken in de rust van de kloostergang, maar door te bidden met haar knieën op de doornen en de stenen en door brood te geven aan de armen, medicijn aan de zieken en licht aan hen die in de duisternis dwalen en de goddelijke wet niet kennen.

Soms voelt Maríana zich geroepen door het geruis van de regen of het geknetter van het vuur, maar de donder van God klinkt altijd harder: die God van de toorn, met een baard van slangen en bliksemende ogen, die haar in de droom naakt verschijnt om haar op de (troef te stellen.

Maríana keert terug naar haar huis, gaat op haar bed liggen en maakt

zich gereed in de plaats van allen te sterven. Zij betaalt de vergeving. Zij biedt God haar vlees om te eten en haar bloed en haar tranen om te drinken, tot hij genoeg heeft en vergeet.

Zo zullen de epidemieën ophouden, zal de vulkaan tot rust komen en zal de aarde niet meer beven.

 

 

1645 Potosí

De geschiedenis van Estefanía, zondige vrouw uit Potosí

(in verkorte vorm overgenomen uit de kroniek van Bartolomé

Arzáns de Orsúa y Vela)

 

Estefanía werd in deze keizerlijke stad geboren en groeide op tot een zo hoge graad van schoonheid dat de natuur die niet meer kon verbeteren.

Op veertienjarige leeftijd verliet het verrukkelijk mooie meisje haar huis, daartoe aangezet door andere verdorven vrouwen, en toen haar moeder had begrepen met welke verfoeilijke vastberadenheid deze dochter zich van haar verwijderde, eindigde zij korte tijd daarna vervuld van smart haar dagen. Dit bracht de dochter, die, nadat zij ook reeds het onschatbare juweel van haar maagdelijkheid had verloren, een publieke, zich werelds kledende, schandelijke zondares werd, er niet toe haar leven te beteren.

Toen haar broer haar schande en slechte reputatie bemerkte, liet hij haar naar zijn huis komen en zei haar: ‘Al bevalt het je niet, je zult naar mij moeten luisteren. Zolang je in doodzonde leeft ben je een vijand van God en slavin van de duivel, en bovendien besmeur je je waardigheid en onteer je je hele geslacht. Kijk, zuster, naar wat je doet, verhef je uit het slijk, vrees God en doe boete.’ Waarop Estifania antwoordde: ‘Bemoei je niet met mij, huichelaar!’ En terwijl haar broer haar berispte, greep zij in een oogwenk de vlijmscherpe dolk die aan de muur hing en viel hem met duivelse kracht aan terwijl zij zei: ‘Alleen dit antwoord verdienen je woorden.’ Badend in zijn bloed liet zij hem dood liggen en daarna verhulde zij die wandaad met geveinsde gevoelens, rouwkleren dragend en luide haar smart verkondigend. Ook haar oude vader, treurend om de dood van de goede zoon en bedroefd om de verdorvenheid van zijn dochter, probeerde haar te overreden met goede raadgevingen, waarnaar het onbarmhartige meisje met tegenzin luisterde. Zij wilde haarfout niet inzien, maar verafschuwde de eerbiedwaardige oude man en om middernacht stak zij het dak van zijn huis in brand. De ontstelde man sprong uit bed en riep uit alle macht ‘Brand, brand!’, maar de balken, die het dak ondersteunden, kwamen reeds naar beneden en daar ter plekke werd hij door het verschrikkelijke vuur verteerd.

Nu Estefanía vrij was, gaf zij zich met nog meer teugelloosheid aan nog grotere ondeugden en zonden over.

In die dagen kwam in de stad Potosí een man aan uit het koninkrijk Spanje, een van die rijke kooplieden die in de galjoenen naar Peru kwamen, en de schoonheid en gratie van de bekende zondares kwamen hem ter ore. Hij liet haar bij zich komen en toen zij zich in hun wellust vermaakten, verscheen er een vroegere minnaar van de dame die, voorzien van al zijn wapens en twee goede pistolen, vastbesloten was de belediging te wreken.

De vroegere minnaar vond de vrouw alleen, maar met bedrieglijke woorden wist zij zijn toornig gemoed te weerstaan en toen zijn zo onstuimige woede was bekoeld, trok zij met grote snelheid een mes uit haar mouw en de ongelukkige stortte dood ter aarde.

Estefanía vertelde de rijke koopman wat er was gebeurd. Een paar maanden later, gekweld door jaloezie, dreigde hij haar bij de justitie aan te klagen vanwege de door haar bedreven moord. Op een dag gingen zij samen in het Tarapayameer zwemmen. Zij wierp haar rijke kleren van zich af, zodat de sneeuw van haar lichaam, bespikkeld met een prachtig karmijn, zichtbaar werd en naakt ging zij het water in. De onbezorgde koopman volgde haar en toen zij samen midden in het meer waren, hield zij het hoofd van de ongelukkige man met alle kracht van haar armen onder water.

Laat men niet denken dat haar weerzinwekkende daden hier eindigden. Met één slag van een kromzwaard maakte zij een einde aan het leven van een heer van een roemrijk geslacht, en twee andere mannen bracht zij om met vergif dat zij hun in een lichte maaltijd toediende. Door haar intriges doorstaken twee anderen elkaar de borst met de degen, waarbij Estefanía vol vreugde was dat om harentwille bloed werd vergoten.

En zo ging het door tot het jaar 1645, toen de zondares een preek van pater Francisco Patiño aanhoorde, een dienaar Gods wiens bewonderenswaardige deugden Potosí in die tijdgenoot, en God haar te hulp snelde met een lichtstraal van zijn goddelijke genade. En de smart van Estefanía was zo groot dat zij stromen tranen begon te vergieten, met diepe zuchten en hevige snikken, zodat het leek of haar hart in tweeën brak, en toen de preek was afgelopen wierp zij zich aan de voeten van de priester en vroeg hem te mogen biechten.

De priester wekte haar op boete te doen en gaf haar de absolutie. Het is immers bekend met hoeveel overgave de vrouwen zich overleveren aan de dong, door gebreken die zij erven van degeen die Adam heeft verleid. Estefanía verhief zich van de voeten van haar biechtvader gelijk een tweede Magdalena en toen zij op weg was naar haar huis geviel het haar, oh gelukzalige zondares!, dat de Heilige María haar verscheen en haar zei: ‘Dochter, je zonden zijn reeds vergeven. Ik heb het voor je aan mijn Zoon gevraagd, omdat je in je jeugd mijn rozenkrans bad.’

 

 

1647 Santiago de Chile

Het spel van de Indianen in Chili wordt verboden

 

De kapitein-generaal, don Martín de Mujica, vaardigt per trommel en vaan het verbod uit van het chueca-spel, dat de Araucaniërs volgens aloude traditie beoefenen door met een stok met gebogen punt tegen een bal te slaan op een met groene takken afgezet veld.

Met honderd zweepslagen zullen de Indianen worden bestraft, die het verbod overtreden, en alle overigen met een boete, want het schandelijke chueca is wijd verbreid onder de creoolse soldaten.

In de bekendmaking van de kapitein-generaal staat dat het verbod is uitgevaardigd om zonden te voorkomen die zozeer ingaan tegen de eer van God, Onze Heer, en omdat de Indianen, wanneer zij achter de bal aan rennen, zich oefenen voor de oorlog: uit het spel ontstaan ongeregeldheden en dan vliegen de pijlen tussen hen heen en weer. Het is een onzedelijkheid, zo staat er, dat aan het chueca-spel bijna naakte mannen en vrouwen meedoen, slechts gekleed in veren en dierenvellen, waarop zij hun kans om te winnen baseren. Aan het begin roepen zij de goden aan opdat de bal hun vaardigheid en snelheid goedgezind zal zijn en aan het eind drinken allen met de armen rond elkaars schouders zeeën van maïsbier.

 

 

1648 Olinda

Voortreffelijkheden van het kanonnevlees

 

Hij was nog een kind toen zij hem wegrukten uit zijn Afrikaanse dorp, hem in Luanda inscheepten en in Recife verkochten. Hij was al een man toen hij uit de rietvelden wegvluchtte en een toevlucht vond in een van de zwarte bolwerken van Palmares.

Zodra de Nederlanders in Brazilië waren gekomen, beloofden de Portugezen de vrijheid aan de slaven die tegen de indringers zouden vechten. De gevluchte slaven van Palmares waren van mening dat dit niet hun oorlog was: het was om het even of het nu Nederlanders of Portugezen waren die in de rietvelden en de suikerfabrieken de zweep hanteerden. Maar hij, Henrique Díaz, kwam zich aanbieden. Nu commandeert hij een regiment negers dat in het noordoosten van Brazilië voor de Portugese kroon vecht. De Portugezen hebben hem ridder-edelman gemaakt.

Vanuit Olinda stuurt kapitein Henrique Díaz een intimidatiebrief naar het Nederlandse leger, dat in Recife zijn kamp heeft opgeslagen. Hij waarschuwt dat zijn troepen, het regiment van de Henriques, uit vier naties is samengesteld: Mina’s, Arda’s, Angola’s en creolen: deze zijn zo kwaadaardig dat zij niemand vrezen en niemand verplicht zijn. De Mina’s zo dapper dat waar zij niet met hun arm kunnen komen zij met hun naam komen, de Arda’s zo vurig dat zij alles met één slag willen splijten, en de Angola’s zo sterk dat geen enkel werk hen moe maakt. Bedenkt u nu of mannen, die alles hebben gebroken, niet heel Nederland zullen breken.

 

 

1649 Sainte Marie des Hurons

De taal van de dromen

 

‘Ze weten niet beter,’

denkt pater Ragueneau, terwijl hij kijkt naar de Huron-Indianen , die een man, die de afgelopen nacht een mysterieuze droom heeft gehad, met geschenken en rituelen omringen. De gemeenschap stopt hapjes in zijn mond en danst voor hem, de meisjes strelen hem, wrijven as op zijn huid. Daarna gaan allen in een kring zitten om de droom te raden. Zij proberen de droom te vangen met pijlschoten van beelden of woorden en hij zegt steeds ‘Nee, nee’, tot iemand ‘Rivier’ zegt, en dan slagen zij er met zijn allen in hem te vangen: de rivier, een woeste stroming, een vrouw alleen in een kano, zij heeft de peddel verloren, de rivier voert haar mee, de vrouw schreeuwt niet, zij lacht, zij lijkt gelukkig... ‘Ben ik het?’ vraagt een van de vrouwen. ‘Ben ik het?’ vraagt een ander. De gemeenschap roept de vrouw met de ogen die tot de meest verborgen wensen doordringen om de symbolen van de droom te verklaren. Terwijl zij een kruidenthee drinkt, roept de zieneres haar beschermgeest aan en begint zij de boodschap te ontcijferen.

De Hurons geloven, zoals alle Irokese volken, dat de droom aan de meest alledaagse dingen een andere gedaante geeft en deze in symbolen verandert door ze met de vingers van de wens aan te raken. Zij geloven dat de droom de taal is van de niet verwezenlijkte wensen, en de geheime wensen van de ziel die de wakende geest niet kent, noemen zij ondinnonk. De ondinnonk verschijnen op de reizen die de ziel maakt terwijl het lichaam slaapt.

‘Ze weten niet beter,’ denkt pater Ragueneau.

Wie niet respecteert wat de droom zegt maakt zich voor de Hurons schuldig aan een grote misdaad. De droom beveelt. Als de dromer zijn orders niet opvolgt, wordt de ziel boos en maakt het lichaam ziek of dood. Alle volken van de stam der Irokezen weten dat ziekte kan komen van de oorlog of van een ongeluk, of van de heks die beretanden of beensplinters in het lichaam stopt, maar ook van de ziel, wanneer deze iets wil dat hem niet wordt gegeven.

Pater Ragueneau discussieert met andere Franse jezuïeten die in de streek prediken. Hij verdedigt de Canadese Indianen: ‘Het is zo wakkelijk heiligschennis te noemen wat louter domheid is...’

Sommige priesters zien de hoorntjes van Satan in dit bijgeloof opdoemen en nemen er aanstoot aan dat de Indianen de meeste keren tegen het zesde gebod dromen en zich de volgende dag aan therapeutische orgiën overgeven. Gewoonlijk lopen de Indianen bijna naakt rond, in duivelse vrijmoedigheid kijken zij naar elkaar en raken zij elkaar aan, zij trouwen en scheiden wanneer zij willen, en het is voldoende dat de droom het beveelt om het feest van de andacwandat in gang te zetten, dat altijd aanleiding is tot bezeten zonden. Pater Ragueneau ontkent niet dat de duivel een vruchtbare akker kan vinden in deze maatschappij zonder rechters, zonder commissarissen, zonder gevangenis, zonder eigenaren, waar vrouwen en mannen de macht delen en samen valse goden aanbidden, maar dat wordt goedgemaakt door de onschuldige aard van deze primitieve zielen, die nog onbekend zijn met de wet van God.

En wanneer andere jezuïeten huiveren van angst omdat een Irokees op een nacht kan dromen dat hij een pastoor doodmaakt, herinnert Ragueneau eraan dat het al verschillende keren is gebeurd en dat het dan al voldoende is toe te staan dat de dromer de buik openrijt van een soutane, terwijl hij zijn droom danst in een onschuldige pantomime.

‘Het zijn dwaze zeden,’ meent pater Ragueneau, ‘maar het zijn geen misdadige zeden.’

 

 

1649 Mohawk-vallei

Een Irokees verhaal

 

Het sneeuwt op de wereld en in het midden van het grote huis spreekt de oude verteller met zijn gezicht naar het vuur. Op dierevellen gezeten luisteren allen naar hem, terwijl zij kleren naaien en wapens herstellen.

‘In de hemel was de meest schitterende boom gegroeid,’ vertelt de oude man. ‘Hij had vier lange, witte wortels, die zich in de vier windrichtingen uitstrekten. Uit deze boom zijn alle dingen geboren... ’ De oude man vertelt dat de wind op een dag de boom met wortel en al uit de grond trok. Door het gat dat in de hemel ontstond viel de vrouw van het grote opperhoofd met een handvol zaad in haar hand. Een schildpad bracht haar aarde op zijn schild, zodat zij de zaadjes kon planten en zo groeiden de eerste planten die ons te eten gaven. Daarna kreeg die vrouw een dochter, die opgroeide en de vrouw werd van de westenwind. De westenwind blies haar zekere woorden in het oor...

De goede verteller vertelt zijn verhaal en laat het gebeuren. De westenwind waait nu over het grote huis, kruipt in de schoorsteen en een rookwolk versluiert de gezichten.

Broeder Wolf, die de Irokezen heeft geleerd bij elkaar te komen en te luisteren, huilt vanuit de bergen. Het is tijd om te gaan slapen. Op een ochtend zal de oude verteller niet ontwaken. Maar een van hen die naar zijn verhalen hebben geluisterd zal deze aan anderen vertellen. En daarna zal ook hij sterven, maar de verhalen zullen in leven blijven zolang er grote huizen zijn en mensen verenigd rond het vuur.

 

 

Lied van het lied van de Irokezen

 

Wanneer ik zing,

kan ik haar helpen.

Ja, dat kan ik, ja!

Sterk is het lied!

Wanneer ik zing,

kan ik haar oprichten.

Ja, dat kan ik, ja!

Sterk is het lied!

Wanneer ik zing,

zet ik haar armen recht.

Ja, dat kan ik, ja!

Sterk is het lied!

Wanneer ik zing,

zet ik haar lichaam recht.

Ja, dat kan ik, ja!

Sterk is het lied.

 

 

1650 Mexico Stad

De overwinnaars en de overwonnenen

 

Het familiewapen verheft zich pompeus boven het ijzeren kantwerk van de als een altaar bewerkte poort. In een mahoniehouten rijtuig komt de heer des huizes aan met zijn gevolg van livreien en paarden. Binnen zwijgt het clavechord en is het geluid te horen van ruisende stoffen en zijden weefsels, van stemmen van huwbare dochters en van gedempte voetstappen op de zachte tapijten. Later tinkelen de zilveren lepeltjes in de porseleinen kopjes.

Deze stad Mexico, een stad van paleizen, is een van de grootste van de wereld. Hoewel hij ver van zee ligt, komen de Spaanse vloot, het Chinese vaartuig en de grote zilveren kar uit het noorden uiteindelijk allemaal hier terecht. Het machtige consulaat van kooplieden wedijvert met dat van Sevilla. Van hier stroomt de koopwaar naar Peru, Manilla en het Verre Oosten.

De Indianen, die deze stad voor de overwinnaars op de ruïnes van hun Tenochtitlán hebben gebouwd, voeren in hun kano’s eetwaren aan. Overdag mogen zij hier werken, maar wanneer de avond valt worden zij, onder bedreiging van de zweep, naar hun wijken buiten de stadsmuren teruggedreven.

Sommige Indianen trekken kousen en schoenen aan en spreken Spaans, in de hoop dat zij mogen blijven en zo aan de schatting en de dwangarbeid kunnen ontsnappen.

 

 

Uit het Náhuatl-lied over het kortstondige leven

 

Ons leven gaat in snelheid heen.

In een dag gaan wij weg, in een nacht dalen wij af

naar het gebied van het mysterie.

Hier zijn wij alleen gekomen om elkaar te leren kennen.

Wij zijn slechts kortstondig op de aarde.

Laat het leven in vrede en vreugde voorbijgaan.

Komt en laten wij genieten!

Maar laten zij die in boosheid leven wegblijven:

de wereld is wijd.

Ach, kon ik altijd leven,

ach, hoefde ik nooit te sterven!

 

Terwijl wij leven, het hart verscheurd,

worden wij hier beloerd en belaagd.

Maar ondanks onze tegenspoed,

ondanks de wonden van het hart,

moet niet tevergeefs worden geleefd!

Ach, kon ik altijd leven,

ach, hoefde ik nooit te sterven!

 

 

1654 Oaxaca

Geneeskunde en hekserij

 

De Zapoteca-Indianen die, voordat zij op de aarde vielen, vogels met kleurige veren en mooie zang waren, hadden Gonzalo de Balsalobre ren paar geheimen verteld. Na een tijd bij hen te hebben gewoond en na veel onderzoek naar de mysteries van hun godsdienst en hun geneeskunde, schrijft don Gonzalo in Oaxaca een uitvoerig rapport, dat hij naar Mexico Stad zal sturen. Het rapport klaagt de Indianen aan bij de Heilige Inquisitie en vraagt de kwakzalverij te bestraffen die de paters en het gewone gerecht niet hebben kunnen onderdrukken. Enige tijd geleden heeft pater Alarcón gedurende negen jaar het leven gedeeld van de gemeenschap van de Cohuixco-Indianen. Hij leerde de gewijde kruiden kennen die de zieken genezen en daarna gaf hij de Indianen aan wegens duivelse praktijken.

In de eerste periode van de verovering wekte de inheemse geneeskunde evenwel grote nieuwsgierigheid in Europa en werd de planten uit Amerika wonderbaarlijke kracht toegedicht. Pater Bernardino de Sahagún verzamelde en publiceerde de kennis en wijsheid van acht Azteken-doktoren, en koning Philips II zond zijn lijfarts, Francisco Hernandez, naar Mexico om de inheemse geneeskunde grondig te bestuderen.

Voor de Indianen spreken de kruiden, zij hebben een geslacht en zij genezen. Het zijn de plantjes, geholpen door het menselijke woord, die de ziekte uit het lichaam trekken, mysteries onthullen, lotsbestemmingen in hun goede baan leiden en de liefde of de vergetelheid opwekken. Deze stemmen van de aarde klinken als stemmen uit de hel in de oren van het Spanje van de zeventiende eeuw, in beslag genomen door inquisitie en exorcisme, dat om zich te genezen meer vertrouwen stelde in de magie van gebeden, bezweringen en talismannen dan in drankjes, purgeermiddelen en aderlatingen.

 

 

1655 San Miquel de Nepantla

Juana toen zij vier was

 

Juana loopt honderduit te praten met haar ziel, die haar vriendin binnen in haar is, terwijl zij langs de kant van de greppel wandelt. Zij is heel blij, want zij heeft de hik en Juana groeit wanneer zij de hik heeft. Zij blijft stilstaan en kijkt naar haar schaduw, die meegroeit, en zij meet hem met een stokje na elke hupje van haar buik. Ook de vulkanen groeien door de hik, vroeger, toen zij nog leefden, voordat zij door hun eigen vuur werden verbrand. Twee van de vulkanen roken nog, maar zij krijgen niet meer de hik. Zij groeien niet meer. Juana heeft de hik en groeit. Zij groeit.

Maar van huilen wordt je kleiner. Daarom zijn de oude vrouwtjes en de klaagvrouwen bij de begrafenissen zo groot als kakkerlakken. Dat staat niet in de boeken van grootvader, die Juana leest, maar dat weet zij. Dat zijn dingen die zij weet van al het praten met haar ziel. Juana praat ook met de wolken. Om met de wolken te praten moet je op de heuvels klimmen of in de hoogste takken van de bomen. ‘Ik ben een wolk. Wij wolken hebben een gezicht en handen. Geen voeten.’

 

 

1656 Santiago de la Vega

Gage

 

In een tussen twee palmbomen opgehangen hangmat sterft in Jamaica de anglicaanse predikant Thomas Gage.

Hij had ervan gedroomd de eerste Engelse onderkoning van Mexico te zijn, al sinds de langvervlogen dagen dat hij als katholieke pater door Amerika zwierf, predikend en spionerend en genietend van chocola en guayave-gelei. In Londen veranderde hij van kerk en overtuigde hij lord Cromwell van de mogelijkheid en de noodzaak oen goede veroveringsvloot uit te rusten tegen de Spaanse koloniën.

Het vorig jaar zijn de troepen van admiraal Willíam Penn dit eiland Jamaica binnengevallen. Engeland ontrukte Spanje het eerste stukje van haar Amerikaanse rijk, en de erfgenamen van Columbus, markiezen van Jamaica, verloren het grootste deel van hun inkomen. Toen hield predikant Thomas Gage vanaf de preekstoel van de hoofdkapel van Santiago de la Vega een vaderlandslievende protestantse preek, terwijl de Spaanse gouverneur, vastgehouden door zijn slaven, binnenkwam om zijn zwaard te overhandigen.

 

 

1658 San Miguel de Nepantla

Juana toen zij zeven was

 

In de spiegel ziet zij haar moeder binnenkomen en zij laat het zwaard los, dat met de dreun van een kanon op de grond valt, en Juana maakt zo’n luchtsprong van schrik dat haar hele hoofd in de breedgerande hoed verdwijnt.

‘Ik ben niet aan het spelen,’ zegt zij, boos omdat haar moeder lacht. Zij bevrijdt zich van de hoed en de snor van houtskool komt te voorschijn. De beentjes van Juana schuiven heen en weer in de enorme laarzen, zij struikelt en valt en vernederd, woedend, stampt zij op de grond, terwijl haar moeder blijft lachen.

‘Ik speel niet!’ protesteert Juana met tranen in haar ogen. ‘Ik ben een man! Ik ga naar de universiteit, omdat ik een man ben!’

Haar moeder streelt haar over haar hoofd.

‘Mijn dwaas dochtertje, mijn mooie Juana. Ik zou je slaag moeten geven voor zulke onfatsoenlijke gedachten. ’

Zij gaat naast haar zitten en zegt teder: ‘Het zou beter 'voor je zijn geweest als je dom was geboren, mijn arme wijsneus,’ en zij liefkoost haar, terwijl Juana de enorme cape van haar grootvader met tranen doordrenkt.

 

 

1658 San Miguel de Nepantla

Een droom van Juana

 

Zij loopt over de dromenmarkt. De verkoopsters hebben de dromen op grote doeken op de grond uitgestald.

Op de markt verschijnt de grootvader van Juana, die erg bedroefd is omdat hij al heel lang niet meer heeft gedroomd. Juana neemt hem bij de hand en helpt hem bij het kiezen van de dromen, dromen van marsepein of van katoen, vleugels om tijdens het slapen te vliegen, en de twee gaan zo beladen met dromen naar huis dat de nachten te kort zullen zijn.

 

 

1663 Oud Guatemala

De boekdrukkunst komt

 

Bisschop Payo Enríquez de Ribera is een van de vurigste voorstanders van dwangarbeid van de Indianen. Wie zal de velden bewerken zonder de toewijzing van Indianen? zo redeneert de bisschop. En als er niemand is om de velden te bewerken, wie zal dan de geesten bewerken? De bisschop is bezig een document over dit onderwerp op te stellen, wanneer hij uit Puebla de eerste drukkerij ontvangt die Guatemala bereikt. De geleerde geestelijke leider van dit diocees heeft de pers en de kisten met drukletters, met typograaf en al, laten komen opdat zijn theologische verhandeling Explicatio Apologetica hier zal worden gedrukt.

Het eerste in Guatemala uitgegeven boek is niet in Maya-talen geschreven en ook niet in het Spaans, maar in het Latijn.

 

 

1663 Aan de oevers van de Paraíba

De vrijheid

 

Het geblaf van de meute en de trompetten van de slavenjagers zijn al lang verstomd.

De vluchteling rent door het dichte riet, dat hoger reikt dan hijzelf, naar de rivier. Hij hoort de medeplichtige stemmen van krekels, cicaden en kikkers. ‘Ik ben geen ding. Mijn geschiedenis is niet de geschiedenis van de dingen.’ Hij kust de aarde, hij bijt er in. ‘Ik heb mijn voet uit de klem getrokken. Ik ben geen ding.’ Hij drukt zijn naakte lichaam tegen de aarde, die vochtig is van de avonddauw, en luistert naar het geluid van de plantjes die door de aarde omhoog komen, verlangend geboren te worden. Zijn hele lichaam is overdekt met schrammen en halen, maar hij voelt ze niet. Hij keert zich om naar de hemel, als om die te omhelzen. De maan klimt omhoog en glanst en slaat hem, krachtige slagen van licht, striemen van licht van de volle maan en de sappige sterren, en hij staat op en zoekt de juiste richting.

Nu naar het oerwoud. Nu naar de grote groene waaiers.

‘Ga jij ook naar Palmares?’ zegt de vluchteling tegen de mier die over zijn hand loopt, en vraagt hem:

‘Wijs mij de weg.’

 

 

Lied van Palmares

 

Rust uit, neger.

Hier komt de blanke niet.

Als hij komt,

neemt de duivel hem mee.

 

Rust uit, neger.

Hier komt de blanke niet.

Als hij komt,

wordt hij eruit geknuppeld.

 

 

1663 Serra de Barriga

Palmares

 

Op sommige nachten zijn, bij het licht van bliksemflitsen, vanaf de kust van Alagoas de helwitte toppen van dit gebergte te zien. In de uitlopers van deze bergen hebben de Portugezen de Caeté-Indianen uitgeroeid, die de Paus voor eeuwig in de ban had gedaan omdat zij de eerste Braziliaanse bisschop hadden opgegeten. En hier is het waar de gevluchte negerslaven al vele jaren een wijkplaats vinden in de verscholen dorpen van Palmares.

Ieder dorp is een vesting. Buiten de hoge houten palissades en de getande voetklemmen strekken zich de akkers uit. De landarbeiders werken met de wapens binnen handbereik en wanneer zij ’s avonds naar de sterkte terugkeren houden zij een telling om te zien of er iemand ontbreekt.

Hier groeien twee oogsten maïs per jaar, en ook van witte bonen, maniok, suiker, aardappelen, tabak, groenten, vruchten, en er worden varkens en kippen gehouden. De negers van Palmares eten veel beter en veel meer dan de bewoners van de kuststreek, waar het verslindende suikerriet, dat voor Europa wordt verbouwd, zich alle tijd en alle ruimte van iedereen toeëigent.

Evenals in Angola beheerst de palm het leven in deze zwarte gemeenschappen: met palmvezels weven zij hun kleren en maken zij manden en waaiers, de bladeren dienen tot dak en tot bed, van de vruchten wordt het vruchtvlees gegeten, er wordt wijn van gemaakt en olie uit geperst die hun licht geeft, en de pitten veranderen in wit vet of in een pijpekop om uit te roken. Evenals in Angola beoefenen de hoofden het nobele beroep van het smeden en de smidse neemt de ereplaats in op het plein, waar het dorp zijn vergaderingen houdt. Maar Angola is meervoudig, en heel Afrika nog meer. De bewoners van Palmares zijn afkomstig uit duizend streken en spreken honderd talen. Hun enige gemeenschappelijke taal is die welke zij uit de mond van hun meestsers hebben gehoord, als begeleiding van de orders van de zwepen op de slavenschepen en in de rietvelden. Doorspekt met Afrikaanse en Guaraní-woorden bindt en verbindt het Portugees nu wie het vroeger vernederde.

 

Folga nêgo.

Branco não vem cá.

 

Sinds de Nederlanders uit Pernambuco werden verdreven, hebben de Portugezen meer dan twintig militaire expedities tegen dit land van vrije mensen op touw gezet. Een rapporteur schrijft uit Brazilië naar Lissabon: Ons leger, dat de trots van Nederland wist te temmen, heeft in verschillende, opeenvolgende invallen in Palmares geen enkel resultaat bereikt...

De Nederlanders hadden het er al niet beter afgebracht. Ook hun expedities waren roemloze ondernemingen geweest. Nederlanders en Portugezen hebben lege dorpen in brand gestoken en hebben, doorweekt door de hevige regens, als dwazen in cirkels in de palmbossen rondgelopen. Beiden hebben oorlogen gevoerd tegen de schaduw, een schaduw die bijt en vlucht, en iedere keer hebben zij victorie geroepen. Geen van beiden is er in geslaagd Palmares te verpletteren of het wegvluchten van slaven te voorkomen, waardoor koning Suiker en zijn hele hofhouding zijn arbeidskrachten kwijt raakt, hoewel de Nederlanders opstandige negers aan het kruis nagelden, en de Portugezen hen geselden en verminkten om hun vrees aan te jagen en een voorbeeld te stellen.

Een van de Portugese expedities tegen Palmares is zojuist met lege handen in Recife teruggekeerd. Hij werd geleid door een negerkapi-tein, Gonzalo Rebelo, die tweehonderd negersoldaten onder zijn bevel had. De weinige negergevangenen die zij hebben kunnen maken hebben zij onthoofd.

 

 

1665 Madrid

Karel II

De nieuwe koning schommelt heen en weer en huilt. Van achteren wordt hij overeind gehouden door een tuigje dat om zijn oksels en zijn middel is gebonden. Op vierjarige leeftijd kan hij nog niet lopen en niet praten en is hij losgerukt van de borsten van zijn veertien voedsters om hem op de Spaanse troon te zetten.

Hij huilt omdat de kroon, die over zijn ogen is gezakt, hem pijn doet, en omdat hij weer met de kabouters wil spelen en de lauwwarme melk van de feeën drinken.

Het ziekelijke kind blijft als door een wonder in leven of omdat hij nooit is gewassen, zelfs niet toen hij werd geboren en ondanks het feit dat zijn hoofd en zijn nek vol etterige korsten zitten. (Niemand aan het hof gaat in bad sinds Domingo Centurión negen jaar geleden aan een verkoudheid stierf.)

‘Aroro,’ brabbelt de koning en legt zijn voet tegen zijn oor.

 

 

1666 Nieuw Amsterdam

New York

 

Met een paar kanonschoten halen de Engelsen de vlag neer die boven het fort wappert en pakken zij het eiland Manhattan van de Nederlanders af, die het voor zestig gulden van de Delaware-Indianen hadden gekocht.

Terugdenkend aan de komst van de Nederlanders, meer dan een halve eeuw geleden, zeggen de Delaware-Indianen: ‘De grote man wilde slechts een klein stukje grond, een heel klein stukje, om er de groenten voor zijn soep te zaaien, niet meer ruimte dan een stierehuid kon bedekken. Toen hadden wij zijn bedrieglijke geest moeten opmerken.’

Nieuw Amsterdam, de belangrijkste slavenmarkt van Noord-Amerika, zal vanaf nu New York heten, en Wall Street is de naam van de straat met de muur die is gebouwd om te voorkomen dat de negers vluchten.

 

 

1666 Londen

De blanke bedienden

 

Drie schepen vol blanke bedienden glijden over de Theems op weg naar zee. Wanneer zij op het verre eiland Barbados hun luiken openen, gaan de levenden naar de suiker-, katoen- en tabaksplantages en de doden naar de bodem van de baai.

Geesten heten de handelaren in blanke bedienden, zeer bedreven in de kunst om mensen te laten verdwijnen: zij sturen de hoeren en de zwervers, die zij in de sloppenwijken van Londen hebben ontvoerd, naar de Antillen, samen met de in Ierland en Schotland gevangen jonge katholieken en de gevangenen die in de gevangenis van Bristol op de galg wachtten omdat zij een konijn hadden doodgemaakt op particulier terrein. Achter slot en grendel opgeslagen in de scheepsruimen ontwaken de op de kade gepakte dronkaards, en met hen mee naar Amerika reizen enkele met snoepjes gelokte kinderen en vele door de beloften van een gemakkelijk fortuin verleide avonturiers. Op de plantages van Barbados of Jamaica of Virginia zullen zij worden uitgemergeld tot zij hun prijs en hun passage hebben betaald.

De blanke bedienden dromen ervan de eigenaar van landerijen en negers te worden. Wanneer zij, na de jaren van zware boetedoening en hard werken zonder loon, hun vrijheid herkrijgen, is het eerste wat zij doen een neger kopen om hen tijdens de siësta koelte toe te wuiven.

Er zijn veertigduizend Afrikaanse slaven op Barbados. De geboorten worden in de boekhouding van de plantages geregistreerd. Bij de geboorte is een negertje een half pond waard.

 

 

1666 Het eiland Tortuga

Retabel van de piraten

 

Jean David Nau, bijgenaamd de Olonés, heeft Remedios en Maracaibo geplunderd. Zijn kromzwaard heeft heel wat Spanjaarden in mootjes gehakt. De fregatten keren op halve snelheid terug door het gewicht van de rijke buit.

De Olonés gaat aan land. Tussen zijn laarzen kwispelt en blaft zijn enige vriend en vertrouweling, zijn kameraad in voor- en tegenspoed, en achter hem aan komt een hele meute mannen, die zich zojuist hebben losgemaakt uit de spinnewebben van het scheepswant en verlangen naar kroegen en vrouwen en vaste grond onder de voeten. Op het gloeiende strand, waar de schildpadeieren vanzelf gekookt worden, doorstaan de piraten, staande en in stilte, een lange mis. Opgelapte lichamen, jassen die stijf staan van het vuil, vieze profetenbaarden, door de jaren verweerde en gekerfde gezichten. Als iemand het waagt tijdens de mis te hoesten of te lachen, schieten ze hem pardoes neer en slaan een kruis. Iedere piraat is een wandelend arsenaal. In scheden van krokodillehuid draagt hij aan zijn riem vier messen en een bajonet en twee losse pistolen, de entersabel hangt opzij en het musketgeweer voor de borst.

Na de mis wordt de buit verdeeld. De verminkten eerst. Wie zijn rechterarm kwijt is ontvangt zeshonderd peso of zes negerslaven. De linkerarm is vijfhonderd peso of vijf slaven waard, wat ook de prijs is van een been. Wie op de kust van Cuba of Venezuela een oog of een vinger heeft achtergelaten heeft recht op honderd peso of een slaaf. De dag verstrijkt in lange teugen rum met peper en bereikt zijn hoogtepunt met de gestoofde schildpad. Onder het zand en bedekt door gloeiende houtskool is in het schild het mengsel van schildpad-vlees, eierdooiers en kruiden, de grootste lekkernij van deze eilanden, langzaam gaar gestoofd. De piraten liggen languit in het zand, roken een pijp en laten zich wegzakken in rookwolken en droefgeestige gedachten.

Wanneer de avond valt bedekken zij het lichaam van een mulattin met parels, fluisteren haar wonderen en verschrikkingen in het oor, verhalen van gehangenen, enteringen en schatten, en zweren haar dat er geen volgende reis zal zijn. Zij drinken en beminnen zonder hun laarzen uit te trekken: de laarzen die morgen de keien in de haven zullen poetsen op zoek naar een schip voor de volgende slag.

 

 

1667 Mexico Stad

Juana toen zij zestien was

 

Op de schepen geeft de bel het wisselen van de wacht aan. In de mijngangen en in de rietvelden zet hij de Indianen en de negerslaven aan het werk. In de kerken slaat hij de uren en kondigt missen, sterfgevallen en feesten aan.

Maar in de klokketoren op het paleis van de onderkoning van Mexico hangt een klok die stom is. Men zegt dat de inquisiteurs hem lang geleden uit de klokketoren van een oud Spaans dorp hebben weggehaald, de klepel er uit hebben genomen en hem naar Indië hebben verbannen. Vanaf de dag dat meester-klokkegieter Rodrigo hem in 1530 had gemaakt was deze klok altijd helder en gehoorzaam geweest.

Hij had, zegt men, wel driehonderd stemmen, al naar gelang het gelui dat de klokkenluider hem oplegde, en het hele dorp was trots op hem. Tot op een nacht zijn langdurig en luid gebeier iedereen uit bed deed springen. Hij sloeg het noodsignaal, losgeslagen door de vrees of de vreugde of wie weet wat en voor het eerst was er niemand die hem begreep. Een menigte mensen verzamelde zich op het voorplein van de kerk, terwijl de krankzinnig geworden klok zonder ophouden bleef luiden. De burgemeester en de pastoor beklommen de toren en stelden verstijfd van schrik vast dat er niemand was. Geen menselijke hand bracht hem in beweging. De autoriteiten wendden zich tot de Inquisitie. Het Heilig Officie verklaarde het gebeier van de klok van nul en gener waarde; voor eeuwig en altijd werd hem het zwijgen opgelegd en hij werd in de verbanning naar Mexico gejaagd.