De schepping

 

De vrouw en de man droomden dat God hen droomde.

God droomde hen terwijl hij in wolken tabaksrook gehuld zong en de sambaballen ritmisch schudde, en hij voelde zich tegelijk gelukkig en huiverig door de twijfel en het mysterie.

De Makiritare-Indianen weten dat God vrucht draagt en te eten geeft als hij van voedsel droomt. Als God van leven droomt wordt hij geboren en schenkt hij geboorte.

De vrouw en de man droomden dat in de droom van God een groot glanzend ei verscheen. In dat ei zongen en dansten zij en maakten zij veel spektakel omdat zij gek van verlangen waren om geboren te worden. Zij droomden dat in de droom van God de vreugde sterker was dan de twijfel en het mysterie. En dromend schiep God hen en zingend zei hij:

‘Ik breek dit ei en de vrouw wordt geboren en de man wordt geboren. En samen zullen zij leven en sterven. Maar zij zullen weer geboren worden. Zij zullen geboren worden en weer sterven en opnieuw geboren worden. En altijd zullen zij weer geboren worden omdat de dood een leugen is.’

 

15

 

De tijd

 

De tijd van de Maya’s werd geboren en kreeg een naam toen de hemel niet bestond en de aarde nog niet was ontwaakt.

De dagen vertrokken uit het oosten en gingen op weg.

De eerste dag bracht uit zijn binnenste de hemel en de aarde te voorschijn.

De tweede dag maakte de trap waarlangs de regen afdaalt.

Werken van de derde dag waren de getijden van de zee en de kringloop van de aarde en de menigte der dingen.

Het was de wil van de vierde dag dat de aarde en de hemel zich naar elkaar neigden en elkaar konden ontmoeten.

De vijfde dag besloot dat allen zouden werken.

Uit de zesde dag ontsproot het eerste licht.

Op de plaatsen waar niets was bracht de zevende dag aarde. De achtste sloeg zijn handen en zijn voeten in de aarde.

De negende dag schiep de onderwereld. De tiende dag bestemde de onderwereld voor de mensen met gif in hun ziel.

Binnen in de zon boetseerde de elfde dag de steen en de boom.

Het was de twaalfde dag die de wind maakte. Hij blies de wind en noemde hem geest omdat er in haar geen dood was.

De dertiende dag maakte de aarde vochtig en kneedde van klei een lichaam als het onze.

Zo spreekt de herinnering in Yucatán.

 

16

 

De zon en de maan

 

De eerste zon, de zon van water, werd meegenomen door de overstroming. Allen die op de wereld leefden veranderden in vissen.

De tweede zon werd door de tijgers verslonden.

De derde zon werd vernietigd door een regen van vuur die alle mensen in brand zette.

De vierde zon, de zon van wind, werd weggevaagd door de storm. De mensen werden apen en verspreidden zich in de bossen. Nadenkend kwamen de goden bijeen in Teotihuacan.

‘Wie neemt het op zich de dageraad te halen?’

De Heer van de Slakken, befaamd om zijn kracht en zijn schoonheid, deed een stap naar voren.

‘Ik zal de zon zijn,’ zei hij.

‘Wie nog meer?’

Stilte.

Allemaal keken zij naar de Kleine Syfilitische God, de lelijkste en onaanzienlijkste van de goden en besloten:

‘Jij.’

De Heer van de Slakken en de Kleine Syfilitische God trokken zich terug in de bergen die nu de piramiden van de zon en de maan zijn. Daar vastten en mediteerden zij.

Toen verzamelden de goden brandhout, bouwden een enorme brandstapel en riepen hen.

De Kleine Syfilitische God nam een aanloop en stortte zich in de vlammen. Onmiddellijk daarna steeg hij witgloeiend ten hemel.

De Heer van de Slakken keek met gefronst voorhoofd naar de brandstapel. Hij ging er op af, liep terug, bleef staan. Hij liep er een paar keer omheen. Omdat hij maar niet kon besluiten moesten zij hem erin duwen. Heel traag rees hij omhoog. Woedend gaven de goden hem slaag. Met een konijn sloegen zij hem in het gelaat, telkens weer, tot zijn glans was verbleekt. Zo veranderde de arrogante Heer van de Slakken in de maan. De vlekken op de maan zijn de littekens van die kastijding.

Maar de schitterende zon bewoog zich niet. De grauwe sperwer vloog naar de Kleine Syfilitische God.

‘Waarom loop je niet?’

En de verachte, de etterende, de gebochelde, de manke zei:

‘Omdat ik bloed wil en het koninkrijk.’

Deze vijfde zon, de zon van de beweging, gaf licht aan de Tolteken en geeft licht aan de Azteken. Hij heeft klauwen en voedt zich met mensenharten.

 

17

 

De wolken

 

Wolk liet een regendruppel vallen op het lichaam van een vrouw. Negen maanden later kreeg zij een tweeling.

Toen zij groter waren wilden zij weten wie hun vader was.

‘Kijk morgenochtend naar het oosten,’ zei zij. ‘Daar zullen jullie hem zien, als een toren oprijzend in de hemel.’

Over de aarde en door de hemel trok de tweeling op zoek naar hun vader.

Wolk geloofde hen niet en verlangde:

‘Bewijs mij dat jullie mijn kinderen zijn.’

Een van de twee broers zond een bliksem naar de aarde. De ander een donderslag. Omdat Wolk nog altijd twijfelde, liepen zij dwars door een kolkende rivier en kwamen ongedeerd te voorschijn.

Toen gaf Wolk hun een plaats aan zijn zijde, tussen hun vele broers en neven.

 

18

 

De wind

 

Toen God de eerste der Wawenock-Indianen had gemaakt, bleven er wat resten klei op de bodem van de wereld achter. Met die restanten maakte Gluskabe zichzelf.

‘En waar ben jij vandaan gekomen?’ vroeg God verbaasd uit den hoge. ‘Ik ben wonderbaarlijk, ’ zei Gluskabe, ‘niemand heeft mij gemaakt. ’ God kwam naast hem staan en gebaarde naar het heelal.

‘Dat is mijn werk,’ daagde hij hem uit. ‘Als jij zo wonderbaarlijk bent, laat mij dan eens zien wat jij hebt uitgevonden.’

‘Ik kan de wind maken, als ik wil.’

En Gluskabe blies uit alle macht.

De wind werd geboren en stierf onmiddellijk.

‘Ik kan de wind maken,’ erkende Gluskabe beschaamd, ‘maar ik kan niet maken dat hij blijft.’

En toen blies God zo krachtig dat Gluskabe omviel en al zijn haren kwijtraakte.

 

19a

 

De regen

 

In het gebied van de grote meren in het noorden ontdekte een meisje opeens dat zij leefde. De verbazing over de wereld opende haar ogen en zij ging op avontuur.

De sporen volgend van de jagers en de houthakkers van het Meno-mini-volk kwam zij bij een grote blokhut. Daar woonden tien broers, de vogels van de donder, die haar onderdak en eten boden.

Op een kwade ochtend, toen het meisje water uit de bron schepte, werd zij gegrepen door een harige slang, die haar meevoerde naar de diepten van een rotsige berg. De slangen stonden op het punt haar te verslinden, toen het meisje begon te zingen.

Van heel ver hoorden de vogels van de donder haar roep. Zij vielen de rotsige berg met hun bliksem aan, bevrijdden de gevangene en doodden de slangen.

De vogels van de donder zetten het meisje in de vork van twee boomtakken.

‘Hier zul je leven,’ zeiden zij tegen haar. ‘Iedere keer wanneer je zingt zullen wij komen.’

Wanneer het groene kikkertje vanuit de boom roept, snellen de donderslagen te hulp en regent het op de wereld.

 

19b

 

De regenboog

 

De dwergen van het woud hadden Yobuënahuaboshka in een hinderlaag verrast en hem het hoofd afgehakt.

Buitelend keerde het hoofd terug naar het gebied van de Cashinahua. Hoewel het had geleerd te springen en zich bevallig in evenwicht te houden, wilde niemand een hoofd zonder lijf.

‘Moeders, broers en zusters, vrienden,’ klaagde het, ‘waarom wijzen jullie mij af? Waarom schamen jullie je voor mij?’

Om van het geklaag af te zijn en het hoofd kwijt te raken stelde zijn moeder hem voor om zich in iets te veranderen, maar het hoofd weigerde zich te veranderen in iets dat al bestond. Het hoofd dacht, droomde, verzon. De maan bestond niet. De regenboog bestond niet. Hij vroeg zeven kluwens garen, van alle kleuren.

Hij mikte goed en gooide de kluwens een voor een naar de hemel. Ver achter de wolken bleven de kluwens hangen. Zij ontrolden zich en zachtjes daalden de draden naar de aarde.

Voordat hij naar boven ging waarschuwde het hoofd:

‘Wie mij niet herkent wordt gestraft. Als jullie mij daar in de hoogte zien moeten jullie zeggen: “Daar staat de hoge mooie Yobuënahuaboshka!”’

Toen vlocht hij de zeven omlaag hangende draden ineen en klom langs het koord naar de hemel.

Die nacht verscheen er voor het eerst een witte sikkel tussen de sterren. Een meisje keek omhoog en vroeg verbaasd: ‘Wat is dat?’ Onmiddellijk stortte een ara zich op haar, maakte een plotselinge wending en stak haar met zijn puntige staart tussen haar benen. Het meisje bloedde. Sindsdien bloeden de vrouwen wanneer de maan het wil.

De volgende ochtend schitterde het zevenkleurige koord aan de hemel. Een man wees er met zijn vinger naar.

‘Kijk, kijk! Wat gek!’

Dat zei hij, en viel.

En dat was de eerste keer dat iemand doodging.

 

20

 

De dag

 

De raaf, die nu vanaf het hoogste punt van de totem van het Haida-volk heerst, was de kleinzoon van het grote goddelijke stamhoofd dat de wereld heeft gemaakt.

Toen de raaf huilend om de maan vroeg, die aan de wand van de blokhut hing, gaf zijn grootvader die aan hem. De raaf gooide hem de lucht in, door het schoorsteengat en begon opnieuw te huilen. Nu vroeg hij om de sterren. Toen hij ze had gekregen strooide hij ze rond de maan.

Toen huilde, stampvoette en gilde hij tot zijn grootvader hem het bewerkte houten kistje gaf, waarin hij het daglicht bewaarde. Het grote goddelijke opperhoofd verbood hem die kist buiten het huis te brengen. Hij had besloten dat de wereld in duisternis zou leven.

De raaf speelde met het kistje en deed net alsof hij geheel in zijn spel was verdiept, terwijl hij vanuit zijn ooghoeken naar de wachters keek die hem moesten bewaken.

Gebruikmakend van een moment van onoplettendheid ging hij er vandoor met het kistje in zijn snavel. De punt van zijn snavel spleet toen hij door de schoorsteen vloog en zijn veren verbrandden en zijn voor altijd zwart gebleven.

De raaf kwam bij de eilanden voor de kust van Canada. Hij hoorde mensenstemmen en vroeg om eten. Het werd hem geweigerd. Hij dreigde dat hij het houten kistje zou openbreken.

‘Als de dag, die ik hierin bewaar, ontsnapt, gaat de hemel nooit meer uit,’ waarschuwde hij. ‘Niemand zal nog kunnen slapen of een geheim bewaren, en iedereen zal weten wie mens is, wie vogel en wie bosdier. ’ Zij lachten. De raaf brak het kistje open en het licht barstte los in het heelal.

 

21

 

De nacht

 

De zon hield nooit op te schijnen en de Cashinahua-Indianen kenden het zoet van de rust niet.

Verlangend naar rust, uitgeput van zoveel licht, vroegen zij aan de muis de nacht te leen.

Het werd donker, maar de nacht van de muis was net genoeg om te eten en een poosje bij het vuur te roken. Nauwelijks hadden de Indianen hun hangmatten opgezocht of de dag brak aan.

Toen probeerden zij het met de nacht van de tapir. Met de nacht van de tapir konden zij slapen als een roos en genoten zij van de zo vurig verlangde lange slaap. Maar toen zij wakker werden, was er zoveel tijd verlopen dat het struikgewas van de heuvels hun akkers had overwoekerd en hun huizen uiteen had doen vallen.

Na veel zoeken hielden zij het op de nacht van het gordeldier. Aan hem vroegen zij die te leen en gaven hem nooit meer terug. Beroofd van zijn nacht slaapt het gordeldier overdag.

 

22

 

De sterren

 

Spelend op de fluit wordt de liefde verklaard of de terugkeer van de jagers aangekondigd. Op de klanken van de fluit roepen de Waiwai-Indianen hun genodigden bijeen. Voor de Tukano huilt de fluit en voor de Kalina spreekt hij, want het is de trompet die schreeuwt.

Aan de oevers van de Negrorivier garandeert de fluit de macht van de mannen. De heilige fluiten zijn verborgen en de vrouw die zich daar vertoont verdient de dood.

In lang vervlogen tijden, toen de vrouwen de heilige fluiten bezaten, droegen de mannen het brandhout en het water aan en bereidden zij het maniokbrood.

De mannen vertellen dat de zon boos werd toen hij zag dat de vrouwen in de wereld heersten. De zon daalde neer in het woud en bevruchtte een maagd door de sappen van bladeren tussen haar benen te laten glijden. Zo werd Jurupari geboren.

Jurupari stal de heilige fluiten en gaf ze aan de mannen. Hij leerde hun ze te verbergen en te verdedigen en rituele feesten te houden zonder vrouwen. Hij vertelde hun bovendien de geheimen die zij aan het oor van hun mannelijke nakomelingen moesten toevertrouwen. Toen de moeder van Jurupari de geheime bergplaats van de heilige fluiten ontdekte, veroordeelde hij haar tot de dood. En van de stukjes van haar lichaam maakte hij de sterren aan de hemel.

 

23

 

De melkweg

 

De worm, niet groter dan een pink, at vogelhartjes. Zijn vader was de beste jager van het Mosetene-volk.

De worm groeide. Spoedig was hij zo groot als een arm. Hij verlangde telkens meer harten. De jager bracht de hele dag in het woud door om dieren te doden voor zijn zoon.

Toen de slang niet meer in de hut paste, waren er geen vogels meer in het bos. De vader, nooit missende schutter, bood hem panterharten. De slang verslond en groeide. Er waren geen panters meer in het woud.

‘Ik wil mensenharten,’ zei de slang.

De jager liet geen mens in leven in zijn dorp en in de omringende streken, tot hij op een dag in een verafgelegen dorp op de tak van een boom werd verrast en gedood.

Door de honger en het heimwee gedreven ging de slang hem zoeken. Hij kronkelde zijn lichaam om het schuldige dorp, zodat niemand daaruit zou kunnen ontsnappen. De mannen schoten al hun pijlen af op de gigantische ring, die hen belegerde. Intussen groeide de slang maar door.

Niemand ontkwam. De slang nam het lichaam van zijn vader en groeide omhoog.

Daar kun je hem zien, golvend, vol lichtende pijlen, voortgaand door de nacht.

 

24a

 

De morgenster

 

De maan, kromgebogen moeder, vroeg haar zoon:

‘Ik weet niet waar je vader zit. Breng hem bericht van mij.’

De zoon vertrok op zoek naar hem, het meest intense van alle vuur.

Hij vond hem niet in het zuiden, waar hij zijn wijn drinkt en met zijn vrouwen danst op de klanken van de trommen. Hij zocht hem aan de horizonnen en in het land van de doden. In geen van zijn vier huizen trof hij de zon van de Tarasco-volken.

Nog steeds achtervolgt de zoon zijn vader door de hemel. Hij vindt hem niet. Als morgenster komt hij te vroeg, als avondster komt hij te laat.

 

24b

 

De taal

 

De Eerste Vader van de Guarani’s, verlicht door de weerschijn van zijn eigen hart, verhief zich in de duisternis en schiep de vlammen en de ijle nevel. Hij schiep de liefde en had niemand om haar aan te geven. Hij schiep de taal, maar er was niemand die er naar luisterde. Toen droeg hij de godheden op de wereld te maken en te zorgen voor het vuur, de nevel, de regen en de wind. En hij gaf hun de muziek en de woorden van de heilige zang om het leven te geven aan de vrouwen en aan de mannen.

Zo werd de liefde gemeenschap, de taal kwam tot leven en de Eerste Vader trad uit de eenzaamheid. Hij begeleidt de mannen en de vrouwen die zingen:

 

Nu betreden wij deze aarde

Nu betreden wij deze glinsterende aarde

 

25a

 

Het vuur

 

De nachten waren van ijs en de goden hadden het vuur meegenomen. De kou drong door tot in de botten van de mensen en sneed hun woorden af. Zij smeekten, bibberend en met kapotte stem, maar de goden hielden zich doof.

Eén keer gaven zij hun het vuur terug. De mensen dansten van vreugde en hieven dankliederen aan. Maar al spoedig zonden de goden regen en hagel en doofden zij de vuren.

De goden spraken en eisten: om het vuur te krijgen moesten de mensen zich de borst openrijten met de dolk van obsidiaan en hun hart geven.

De Quiché-Indianen boden het bloed van hun krijgsgevangenen aan en zijn de kou ontkomen.

De Cakchiqueles wilden die prijs niet betalen. De Cakchiqueles, neven van de Quiché’s en ook erfgenamen van de Maya’s, slopen op vederlichte voeten door de rook, roofden het vuur en verborgen het in de grotten van hun bergen.

 

25b

 

Het oerwoud

 

Midden in een droom zag de Vader van de Uitoto-Indianen een schitterende nevel. In de sluiers trilden mossen en zwammen en klonk het gefluit van winden, vogels en slangen.

De Vader kon de nevel vangen en hield hem vast met het scherp van zijn adem. Hij haalde hem uit zijn droom en vermengde hem met aarde.

Hij spoog enkele keren op de nevelige aarde. In de werveling van schuim verrees het oerwoud, ontvouwden de bomen hun enorme kronen en ontsproten de bloemen en de vruchten. Op de doorweekte grond kregen de krekel, de aap, de tapir, het everzwijn, het gordeldier, het hert, de panter en de grote miereneter lichaam en stem. De koningsadelaar, de ara, de gier, de kolibri, de witte reiger, de eend, de vleermuis verhieven zich op hun vleugels...

In grote vaart kwam de wesp aangevlogen en hij nam de padden en de mensen hun staart af. Toen was hij moe.

 

26a

 

De ceder

 

De Eerste Vader liet de aarde ontstaan uit de punt van zijn staf en bedekte hem met dons.

In het dons verrees de ceder, de heilige boom waaruit het woord vloeit. Toen zei de Eerste Vader tegen de Mby’a-Guaraní's dat zij de stam van deze boom moesten uitgraven om te horen wat hij bevat. Hij zei dat wie de ceder, schatkamer van de woorden, kon beluisteren de toekomstige plek van zijn haardvuur zou kennen. Wie hem niet kon beluisteren zou weer slechts verachte aarde worden.

 

26b

 

De guajakboom

 

Een meisje van het volk van de Nivakle-Indianen was op zoek naar water, toen zij tegenover een krachtige boom kwam te staan, Nasuk, de guajak, en voelde dat zij geroepen werd. Zij omarmde zijn stevige stam, drukte zich met heel haar lichaam tegen hem aan en sloeg haar nagels in zijn schors. De boom bloedde. Toen zij afscheid van hem nam, zei zij:

‘Nasuk, wat zou ik graag willen dat je een man was!’

En de guajakboom werd een man en ging haar zoeken. Toen hij haar had gevonden, liet hij haar zijn gekrabde rug zien en legde zich naast haar neer.

 

27a

 

De kleuren

 

Wit waren de veren van de vogels en wit de huid van de dieren. Blauw zijn, nu, zij die zich baadden in een meer, waarin geen enkele rivier uitmondde en waaruit geen enkele rivier ontsprong. Rood zij die zich onderdompelden in het meer van bloed, vergoten door een kind van de Kadiueu-stam. De kleur van de aarde hebben zij die zich in de modder wentelden en van as die warmte zochten in de gedoofde vuren. Groen zijn zij die hun lichaam in het gebladerte wreven en wit zij die stil bleven zitten.

 

27b

 

De liefde

 

In het Amazonewoud keken de eerste vrouw en de eerste man elkaar nieuwsgierig aan. Het was vreemd wat zij tussen hun benen hadden.

‘Is het afgesneden?’ vroeg de man.

‘Nee,’ zei zij. ‘Zo ben ik altijd geweest.’

Hij bekeek haar van dichtbij. Hij krabde zich op zijn hoofd. Daar was een open wond. Hij zei:

‘Je moet geen yucca eten en geen bananen en geen enkele vrucht die bij het rijp worden opensplijt. Ik zal je genezen. Ga in de hangmat liggen en rust uit.’

Zij gehoorzaamde. Geduldig slikte zij de kruidenmengsels en liet zij zich smeersels en balsems aanbrengen. Zij moest op haar lippen bijten om niet te lachen toen hij haar zei:

‘Maak je niet bezorgd. ’

Het spel beviel haar, hoewel zij er genoeg van begon te krijgen zo weinig te kunnen eten en in een hangmat te liggen. De herinnering aan de vruchten deed haar watertanden.

Op een middag kwam de man door het bos aangerend. Hij maakte luchtsprongen van vreugde en riep:

‘Ik heb het! Ik heb het!’

Hij had net gezien hoe de aap in de kroon van een boom de apin genas. ‘Het gaat zo,’ zei de man, bij de vrouw komend.

Toen de lange omhelzing ten einde was, werd de lucht doordrongen van een bedwelmende geur van bloemen en vruchten. Uit de aaneenliggende lichamen stegen nimmer geziene wasemingen en schitteringen op en de schoonheid daarvan was zo groot dat de zonnen en de goden stierven van schaamte.

 

28

 

De rivieren en de zee

 

Er was geen water in het oerwoud van de Chocoes. God wist dat de mier water had en vroeg haar er om. Zij wilde niet naar hem luisteren. God kneep haar middel samen, dat voor altijd heel dun is gebleven en de mier liet het water los dat zij in haar maag bewaarde. ‘Nu zeg je mij waar je het vandaan hebt.’

De mier bracht God naar een boom die er uitzag als alle andere. Vier dagen en vier nachten waren de kikkers en de mensen aan het werk, hakten met de bijl, maar de boom wilde niet vallen. Een liaan verhinderde dat hij de aarde raakte.

God beval de toekan:

‘Snijd hem door.’

De toekan kon het niet en daarom werd hij ertoe veroordeeld de vruchten in hun geheel op te eten.

De ara sneed de liaan met zijn harde scherpe snavel door.

Toen de waterboom neerstortte, ontstond uit zijn stam de zee en ontsprongen aan zijn takken de rivieren.

Al het water was zoet. Het was de Duivel die er overal handenvol zout in heeft gegooid.

 

29

 

De getijden

 

Vroeger bliezen de winden zonder ophouden over het eiland Vancouver. Er was geen mooi weer en ook geen eb.

De mensen besloten de winden te doden.

Zij stuurden spionnen uit. De wintermerel slaagde niet, de sardine evenmin. Ondanks zijn slechte ogen en zijn povere armen was het de meeuw die de orkanen omzeilde, die de wacht hielden voor het huis van de winden.

Daarna stuurden de mensen een leger van vissen, dat door de meeuw werd geleid. De vissen verzamelden zich voor de deur. Toen de winden naar buiten kwamen, stapten zij op de vissen, gleden uit en vielen de een na de ander op de rog, die hen aan zijn staart reeg en verslond.

De westenwind werd levend gepakt. Als gevangene van de mensen beloofde hij dat hij niet voortdurend zou waaien, dat er zachte lucht en lichte briesjes zouden zijn en dat de wateren de kust een paar keer per dag zouden verlaten, zodat er bij eb weekdieren gevangen konden worden. Zij schonken hem het leven. De westenwind heeft woord gehouden.

 

30a

 

De sneeuw

 

‘Ik wil dat je vliegt,’ zei de heer van het huis en het huis verhief zich in de lucht. Het vloog door de lucht, in het voorbijgaan een fluitend geluid makend, tot zijn heer beval:

‘Ik wil dat je hier stilhoudt!’

En het huis stopte en hing daar midden in de nacht en de vallende sneeuw.

Er was geen witte amber om de lampen te ontsteken, zodat de heer van het huis een handvol verse sneeuw pakte en de sneeuw gaf hem licht.

Het huis landde in een Iglulikdorp. Iemand kwam hem begroeten en toen die de op sneeuw brandende lampen zag, riep hij uit:

’De sneeuw brandt!’

En de lampen gingen uit.

 

30b

 

De zondvloed

 

Aan de voet van het Andesgebergte kwamen de dorpshoofden bijeen. Zij rookten en discussieerden.

De boom des overvloeds verhief zijn volheid tot voorbij het dak van de wereld. Van beneden zag je de hoge takken, gebogen onder het gewicht van de trossen, lommerrijk van ananassen, cocosnoten, papaja’s en boeah-nonavruchten, maïs, yucca, witte bonen...

De muizen en de vogels smaakten het genot van deze spijzen. De mensen niet. De vos, die naar boven ging en naar beneden kwam en zich tegoed deed, nodigde hen niet uit. De mensen die hadden geprobeerd naar boven te klimmen waren op de grond te pletter gevallen.

‘Wat moeten wij doen?’

Een van de dorpshoofden riep in zijn slaap een bijl op. Hij ontwaakte met een pad in zijn hand. Hij sloeg met de pad op de immense stam van de boom des overvloeds, maar het diertje spoog zijn lever uit. ‘Deze droom heeft gelogen.’

Een ander dorpshoofd droomde ook. Hij vroeg een bijl aan de Vader van iedereen. De Vader waarschuwde dat de boom zich zou wreken, maar zond hem een rode papegaai.

Hij greep de papegaai stevig vast en hakte de boom des overvloeds om. Een regen van voedsel daalde op de aarde neer en de aarde raakte verdoofd door het kabaal. Toen stak uit de diepte van de rivieren de meest ontzaglijke van alle stormen op. De wateren verhieven zich en overdekten de wereld.

Slechts één mens overleefde het. Hij zwom en zwom, dagen en nachten, tot hij zich kon vastgrijpen aan de top van een palmboom die boven het water uitstak.

 

31

 

De schildpad

 

Toen de wateren van de Zondvloed daalden, was de vallei van Oaxaca een modderpoel.

Een handvol modder kwam tot leven en wandelde weg. Heel langzaam ging de schildpad. Hij liep met gestrekte nek en wijdopen ogen, de wereld ontdekkend die de zon herboren deed worden.

Op een plaats waar het stonk zag hij de gier van lijken vreten. ‘Breng mij naar de hemel, ’ vroeg hij hem, ‘ik wil God leren kennen. ’

De gier liet zich bidden en smeken. De doden smaakten goed. De kop van de schildpad kwam naar buiten om te vragen en ging weer naar binnen onder zijn schild omdat hij de stank niet verdroeg.

‘Jij hebt toch vleugels, neem mij mee,’ bedelde hij.

Het gezeur beu sloeg de gier zijn enorme zwarte vleugels uit en steeg op met de schildpad op zijn rug.

Zij vlogen door de wolken en de schildpad klaagde met ingetrokken kop:

‘Wat ruik je vies!’

De gier deed alsof hij het niet had gehoord.

‘Wat een smerige stank!’ zei de schildpad weer.

En zo maar door, tot de grote vogel zijn laatste restje geduld had verloren en hem ter aarde wierp.

God daalde neer uit de hemel en maakte dc stukjes weer aan elkaar. Op het schild kun je de hechtsels nog zien.

 

32

 

De papegaai

 

Na de Zondvloed was het oerwoud groen maar leeg. De overlevende schoot zijn pijlen tussen de bomen door, maar de pijlen doorstaken niets dan schaduwen en gebladerte.

Op een dag keerde de overlevende, na veel lopen en zoeken, tegen het vallen van de avond naar zijn schuilplaats terug en vond daar geroosterd vlees en maniokkoeken. Hetzelfde gebeurde de volgende dag en de volgende. Hij, die wanhopig was geweest van honger en eenzaamheid, vroeg zich af aan wie hij deze voorspoed te danken had. De volgende ochtend verschool hij zich en wachtte af.

Twee papegaaien daalden neer uit de hemel. Zodra zij op de grond stonden veranderden zij in vrouwen. Zij maakten vuur en begonnen te koken. De enige man koos de vrouw met het langste haar en de grootste, kleurigste veren. De andere vrouw, versmaad, vloog weg. De Mayna-lndianen, afstammelingen van dat echtpaar, vervloeken hun voorvader wanneer hun vrouwen lui en mopperend rondlopen. Zij zeggen dat het zijn schuld is, omdat hij de nietsnut heeft gekozen. De andere vrouw was de moeder en de vader van alle papegaaien die in het oerwoud leven.

 

33

 

De kolibri

 

Bij het krieken van de dag begroet hij de zon. Wanneer de avond valt werkt hij nog steeds. Zoemend vliegt hij van tak naar tak, van bloem naar bloem, snel en noodzakelijk als het licht. Soms weifelt hij en hangt daar, afwachtend, bewegingloos in de lucht, soms vliegt hij achteruit, wat niemand kan. Soms is hij een beetje dronken van alle honing die hij uit de bloemkronen heeft gepuurd. Bij het vliegen schiet hij bliksemflitsen van kleuren af.

Hij brengt de boodschappen van de goden over, wordt een bliksemstraal om hun wraak uit te voeren en blaast de voorspellingen in het oor van de waarzeggers. Wanneer een Guarani-kind sterft, redt hij de ziel, die in een bloemkelk rust, en brengt die in zijn lange naald-snavel naar het Land zonder Kwaad. Hij kent de weg sinds het begin der tijden. Voordat de wereld geboren werd bestond hij al: hij verfriste de mond van de Eerste Vader met dauwdroppels-en stilde zijn honger met nectar uit de bloemen.

Hij leidde de lange zwerftocht van de Tolteken naar de heilige stad Tula, nog voor hij de Azteken de warmte van de zon bracht.

Als aanvoerder van de Chontales zweeft hij boven het vijandelijk kampement, meet hun kracht, stort zich met de snavel vooruit omlaag en doodt de hoofdman in zijn slaap. Als de zon van de Kekchies vliegt hij naar de maan, verrast haar in haar slaapvertrek en bedrijft met haar de liefde.

Zijn lichaam heeft de grootte van een amandel. Hij wordt geboren uit een ei dat niet groter is dan een witte boon, in een nest dat in een walnoot past. Hij slaapt in de beschutting van een blaadje.

 

34a

 

De nachtuil

 

‘Ik ben een kind van de rampspoed,’ zei Neambiú, dochter van het dorpshoofd, toen haar vader haar de liefde voor een man uit een vijandelijk dorp verbood.

Dat zei zij en vluchtte.

Na enige tijd vonden zij haar op de hellingen van de Iguazú. Zij troffen een standbeeld aan. Neambiú keek zonder te zien, haar mond was stom en haar hart in slaap.

Het dorpshoofd liet de man komen die de mysteriën verklaart en de ziekten geneest. Het hele dorp kwam naar die plek om bij de verrijzenis aanwezig te zijn.

De toverpriester raadpleegde de matédrank en de maniokwijn. Hij liep naar Neambiú en loog in haar oor:

‘De man van wie je houdt is zojuist gestorven.’

De kreet van Neambiú veranderde alle Indianen in treurwilgen. Zij werd een vogel en vloog weg.

De kreten van de nachtuil, die in het nachtelijk uur de bossen doen huiveren, zijn meer dan drie kilometer ver te horen. Het is moeilijk de nachtuil te zien, op hem te jagen is onmogelijk. Niemand komt de spookvogel nabij.

 

34b

 

De pottenbakkersvogel

 

Toen hij de leeftijd van de drie beproevingen had bereikt, rende en zwom die jongen beter dan wie ook en lag hij negen dagen zonder te eten tussen vachten. Hij bewoog niet, geen klacht kwam over zijn lippen. Gedurende de beproevingen hoorde hij een vrouwenstem, die van heel ver voor hem zong en hem hielp ze te doorstaan.

Het hoofd van de gemeenschap besloot dat hij met zijn dochter moest trouwen, maar hij vloog omhoog en verdween in de bossen van de rivier de Paraguay op zoek naar wie voor hem had gezongen.

Daar vliegt de pottenbakkersvogel nog rond. Hij slaat met zijn vleugels en uit zijn vreugde wanneer hij denkt dat de gezochte stem aan komt vliegen. Wachtend op wie niet zal komen heeft hij een huis van leem gebouwd, met een open deur naar het noorden, op een plaats waar de bliksem niet kan komen.

Door iedereen wordt hij gerespecteerd. Wie de pottenbakkersvogel doodt of zijn huis vernielt roept de storm over zich af.

 

35a

 

De raaf

 

De meren stonden droog en de beddingen van de rivieren waren leeg. De Takelma-Indianen, die van de dorst vergingen, stuurden de raaf en de kraai uit om water te zoeken.

De raaf had er al snel genoeg van. Hij piste in een aarden kom en zei dat dit het water was dat hij uit een verre streek had meegebracht.

De kraai, daarentegen, vloog verder. Hij kwam een hele tijd later terug, beladen met fris water, en redde het Takelma-volk van de droogte.

Voor straf werd de raaf ertoe veroordeeld ’s zomers dorst te lijden. Omdat hij zijn keel niet kan bevochtigen klinkt zijn stem heel schor zolang het warm is.

 

35b

 

De condor

 

Cauillaca zat onder de kroon van een boom een doek te weven en boven haar vloog Coniraya rond, die zich in een vogel had veranderd. Het meisje schonk geen enkele aandacht aan zijn gekweel en gefladder. Coniraya wist dat andere goden, ouder en belangrijker dan hij, brandden van verlangen naar Cauillaca. Toch zond hij haar zijn zaad, daar uit de hoogte, in de vorm van een rijpe vrucht. Toen zij de vlezige vrucht aan haar voeten zag liggen, raapte zij hem op en beet erin. Zij voelde een onbekende aangename gewaarwording en was in verwachting.

Daarna veranderde hij zich in een mens, een haveloze, deerniswekkende man, en achtervolgde haar door heel Peru. Cauillaca vluchtte in de richting van de zee met haar zoontje op haar rug en, wanhopig naar haar op zoek, trok Coniraya achter haar aan.

Een stinkdier vroeg hij naar haar. Toen het stinkdier zijn bebloede voeten en zijn beklagenswaardige toestand zag, antwoordde hij: ‘Dwaas. Zie je dan niet dat het geen enkele zin heeft verder te gaan?’ Toen vervloekte Coniraya hem:

‘In de nacht zul je rondzwerven. Waar je komt zul je een vieze geur achterlaten. Wanneer je sterft zal niemand je van de grond tillen.’ De condor, daarentegen, gaf de achtervolger moed. ‘Ga door!’ riep hij hem toe. ‘Ga door en je haalt haar in!’ En Coniraya zegende hem:

‘Je zult vliegen waar je wilt. Er zal geen plek op aarde of in de lucht zijn waar jij niet zult kunnen doordringen. Niemand zal komen waar jij je nest bouwt. Nooit zal het je aan voedsel ontbreken. Wie je doodt zal sterven.’

Na een lange tocht door de bergen kwam Coniraya bij de kust. Te laat. Het meisje en haar kind waren al een eiland, uit rots gehouwen, ver in zee.

 

36

 

De panter

 

De panter was op jacht, met pijl en boog, toen hij een schaduw zag. Hij wilde hem vangen maar kon het niet. Hij hief het hoofd op. De eigenaar van de schaduw was de jongen Botoque van de Kayapó-stam, die half dood van de honger op een rots zat.

Botoque had geen kracht meer om zich te bewegen en kon nog slechts een paar woorden stamelen. De panter Het zijn boog zakken en nodigde hem uit in zijn huis geroosterd vlees te komen eten. Hoewel de jongen niet wist wat het woord ‘geroosterd’ betekende, nam hij de uitnodiging aan en liet zich op de rug van de jager vallen.

‘Je brengt de zoon van een ander mee,’ verweet zijn vrouw hem. ‘Nu is hij mijn zoon,’ zei de panter.

Botoque zag voor het eerst vuur. Hij leerde de stenen oven kennen en de smaak van geroosterd vlees van de tapir en het hert. Hij leerde dat het vuur verlicht en warmte geeft. De panter schonk hem een boog en pijlen en onderwees hem hoe zich te verdedigen.

Op een dag vluchtte Botoque. Hij had de vrouw van de panter gedood.

Lange tijd rende hij voort, wanhopig, en hield niet stil voor hij zijn dorp had bereikt. Daar vertelde hij zijn verhaal en liet hij zijn geheimen zien: het nieuwe wapen en het geroosterde vlees. De Kayapó’s besloten zich van het vuur meester te maken en hij bracht hen naar het verre huis.

Sindsdien haat de panter de mensen. Van het vuur rest hem slechts de weerschijn in zijn ogen. Om te jagen beschikt hij alleen nog over zijn scherpe tanden en zijn klauwen en het vlees- van zijn slachtoffer eet hij rauw.

 

37

 

De beer

 

De dagdieren en de nachtdieren kwamen bijeen om te beslissen wat zij aan de zon moesten doen, die in die tijd kwam en ging wanneer het hem beliefde. De dieren besloten de zaak in handen te leggen van het lot. De groep die het raadselspel zou winnen, zou bepalen hoe lang het zonlicht voortaan over de wereld zou schijnen.

Zover waren zij gekomen, toen de zon nieuwsgierig naderbij kwam. Hij kwam zo dichtbij, dat de nachtdieren halsoverkop moesten vluchten. De beer werd het slachtoffer van zijn haast. Hij deed zijn rechtervoet in zijn linkermoccassin en zijn linkervoet in zijn rechtermoccassin. Zo rende hij weg, zo snel hij kon.

Volgens de Comanche-Indianen loopt de beer sindsdien in telgang.

 

38

 

De krokodil

 

De zon van de Macusi maakte zich zorgen. Er waren steeds minder vissen in zijn vijvers.

Hij droeg de bewaking op aan de krokodil. De vijvers raakten leeg. De krokodil, bewaker en dief, verzon een mooi verhaal over onzichtbare aanvallers, maar de zon geloofde hem niet. Hij greep zijn machete en gaf hem een reeks kerven over zijn hele lichaam.

Om hem te kalmeren bood de krokodil hem zijn beeldschone dochter ten huwelijk.

‘Ik verwacht haar,’ zei de zon.

Omdat de krokodil helemaal geen dochter had, sneed hij een vrouw uit in de stam van een wilde kerseboom.

‘Daar is zij,’ kondigde hij aan, en ging te water terwijl hij met een half oog bleef kijken, zoals hij nu nog kijkt.

Het was de specht die hem het leven redde. Voor de zon verscheen, pikte de specht het houten meisje onder haar buik. Zo werd zij, die nog niet af was, geopend zodat de zon binnen kon gaan.

 

39a

 

Het gordeldier

 

Er werd een groot feest aangekondigd in het Titicaca-meer en het gordeldier, dat heel belangrijk was, wilde iedereen de ogen uitsteken. Al ver van tevoren begon hij de fijne inslag te weven van een zo elegante doek, dat iedereen versteld zou staan.

De vos zag hem aan het werk en bemoeide zich ermee:

‘Heb je een slecht humeur?’

‘Leid mij niet af. Ik heb het druk.’

‘Waar is dat voor?’

Het gordeldier legde het hem uit.

‘Oh!’ zei de vos, terwijl hij elk woord over zijn tong liet rollen, ‘voor het feest van vanavond?’

‘Wat, vanavond?’

Voor het gordeldier brak de wereld in stukken. Hij was nooit erg sterk geweest in het berekenen van de tijd.

‘En ik heb mijn doek nog maar half af.’

Terwijl de vos zich grijnzend verwijderde, maakte het gordeldier overhaast zijn poncho af. Omdat de tijd vloog kon hij er niet met dezelfde zorgvuldigheid aan doorwerken. Hij moest grovere draden gebruiken en, hoe hij ook zijn best deed, de inslag werd breder. Daarom is het pantser van het gordeldier bij de hals heel fijn en op de rug heel grof gelijnd.

 

39b

 

Het konijn

 

Het konijn wilde groeien.

God beloofde hem dat hij hem een groter formaat zou geven als hij hem een tijgervel, een apevel, een hagedissevel en een slangevel zou brengen.

Het konijn ging op bezoek bij de tijger.

‘God heeft mij een geheim verteld, ’ zei hij vertrouwelijk.

De tijger wilde het weten en het konijn kondigde hem aan dat er een orkaan op komst was.

‘Ik red mij wel, want ik ben klein. Ik verberg mij in een klein hoekje. Maar jij, wat ga jij doen? De orkaan zal je niet ontzien.’

Een traan rolde tussen de snorharen van de tijger.

‘Ik kan maar één ding bedenken om je te redden,’ opperde het konijn. ‘Wij moeten een boom met een heel sterke stam zoeken. Dan zal ik je bij je hals en je handen vastbinden en kan de orkaan je niet meenemen.’

Dankbaar liet de tijger zich vastbinden. Toen sloeg het konijn hem met één knuppelslag dood en kleedde hem uit.

En hij liep verder het bos in, door het gebied van de Zapoteca’s.

Hij bleef staan onder een boom, waarin een aap zat te eten. Het konijn pakte een mes en begon er met de stompe kant mee tegen zijn keel te slaan. Bij iedere slag een schaterlach. Nadat hij zich heel wat keren op de keel had geslagen en had gelachen, liet hij het mes op de grond vallen en huppelde weg.

Hij verschool zich in het struikgewas, op de loer. De aap kwam al gauw naar beneden. Hij keek naar dat ding dat je aan het lachen maakte en krabde eens op zijn kop. Hij greep het mes en bij de eerste slag viel hij gekeeld neer.

Er ontbraken nog twee vellen. Het konijn nodigde de hagedis uit een balspelletje met hem te spelen. De bal was van steen. Hij viel op de plaats waar zijn staart begint en de hagedis kwam niet meer overeind.

In de buurt van de slang hield het konijn zich slapend. Voordat de slang kon toeslaan, toen hij nog op hem afkwam, sloeg het konijn bliksemsnel zijn nagels in de ogen van de slang.

Met de vier vellen kwam hij in de hemel.

‘Maak mij nu groter,’ eiste hij.

En God dacht: ‘Zo klein als het is heeft het konijn gedaan wat het heeft gedaan. Wat zal het niet doen als ik het een groter formaat geef? Als het konijn groot is, ben ik misschien God niet meer.’

Het konijn wachtte. God kwam er vriendelijk op af, streelde het over de rug, greep het opeens bij de oren, slingerde het in het rond en gooide het op de aarde.

Sinds die dag heeft het konijn lange oren, korte voorpoten, die het strekte om zijn val op te vangen, en rode ogen, van de schrik.

 

41a

 

De slang

 

God zei:

‘Er komen drie prauwen over de rivier. In twee ervan reist de dood mee. Als je je niet vergist, bevrijd ik je van de kortstondigheid van het leven.

De slang liet de eerste prauw, geladen met manden verrot vlees, voorbij gaan. Van de tweede, vol mensen, trok hij zich ook niets aan. Toen de derde kwam, die leeg scheen, heette hij deze welkom. Daarom is de slang in het gebied van de Shipaiá onsterfelijk. Telkens wanneer hij oud wordt geeft God hem een nieuw vel.

 

41b

 

De kikker

 

Uit een grot op Haïti kwamen de eerste Taíno-Indianen te voorschijn. De zon gunde hun geen rust. Binnen de kortste keren had hij hen te pakken en veranderde hen. Degeen die ’s nachts op wacht stond veranderde hij in een steen. Van de vissers maakte hij bomen en de man die kruiden ging zoeken overviel hij onderweg, van hem maakte hij een vogel die ’s morgens zingt.

Een van de mannen vluchtte weg voor de zon en nam alle vrouwen mee.

Het lied van de kikkertjes in het Caraïbische gebied is niet van lachen gemaakt. Zij zijn de Taíno-kinderen van toen. Zij zeggen ‘toa, toa’, wat hun manier is om hun moeder te roepen.

 

42

 

De vleermuis

 

Toen de tijd nog erg jong was, was er in de hele wereld geen lelijker beest dan de vleermuis.

De vleermuis ging naar de hemel op zoek naar God. Hij zei niet tegen hem: ‘Ik heb er genoeg van om zo lelijk te zijn. Geef mij kleurige veren.’

Nee. Hij zei:

‘Geef mij alstublieft veren, want ik sterf van de kou.’

‘Iedere vogel zal je een veer geven,’ besloot God.

Zo kreeg de vleermuis de witte veer van de duif en de groene van de papegaai, de veelkleurige veer van de kolibri en de rosé van de flamingo, de rode uit de kuif van de kardinaalvogel en de blauwe uit de rug van de ijsvogel, de leemkleurige veer uit de vleugel van de adelaar en de veer van de brandende zon uit de borst van de toekan.

De vleermuis, een en al kleur en lieflijkheid, vloog heen en weer tussen de aarde en de wolken. Waar hij kwam werd de lucht vrolijk en zwegen de vogels stil van bewondering. De Zapoteca-volken zeggen dat de regenboog is ontstaan uit de echo van zijn vlucht.

De ijdelheid deed zijn borst zwellen. Hij keek minachtend en sprak beledigende taal.

De vogels kwamen bijeen. Tezamen vlogen zij naar God.

‘De vleermuis bespot ons,’ beklaagden zij zich. ‘En bovendien hebben wij het koud door de veren die wij missen. ’

De volgende dag, toen de vleermuis zijn vleugels in volle vlucht uitsloeg, was hij opeens kaal. Een regen van veren daalde op de aarde neer.

Hij zoekt ze nog steeds. Blind en lelijk, het licht schuwend, leeft hij verborgen in de grotten. Wanneer de nacht is gevallen komt hij naar buiten om de verloren veren te zoeken. En hij vliegt heel snel, zonder ooit te stoppen, omdat hij zich ervoor schaamt gezien te worden.

 

43a

 

De muggen

 

Velen stierven bij het volk van de Nookta. In iedere dode zat een gaatje, waardoor het bloed gestolen was.

De moordenaar, een jongetje dat al doodde nog voor hij kon lopen, ontving zijn vonnis met een schaterlach. De lansen doorstaken hem en lachend trok hij ze uit zijn lichaam, alsof het doornen waren.

‘Ik zal u leren hoe u mij dood moet maken,’ zei het jongetje.

Hij vertelde zijn beulen dat zij een groot vuur moesten maken en hem erin moesten gooien.

Zijn as verspreidde zich door de lucht, erop belust om pijn te doen, en zo begonnen de eerste muggen rond te vliegen.

 

43b

 

De honing

 

Honing ontweek zijn twee schoonzusters. Verschillende keren had hij hen al uit de hangmat gegooid.

Dag en nacht liepen zij achter hem aan. Wanneer zij hem zagen liep het water hun in de mond. Alleen in hun droom slaagden zij er in hem aan te raken, te likken, op te eten.

Zijn wanhoop werd groter. Op een morgen, toen de schoonzusters een bad namen, ontdekten zij Honing aan de overkant van de rivier.

Zij renden naar hem toe en bespatten hem. Nat geworden loste Honing op.

In de Golf van Paria is het niet makkelijk de verloren honing terug te vinden. Je moet in de bomen klimmen, met een bijl in je hand, de stam openhakken en flink wroeten. De schaarse honing eet je met graagte en angst, want soms doodt hij.

 

44a

 

De zaden

 

Pachacamac, die een zoon van de zon was, maakte op de zandvlakte van Lurín een man en een vrouw.

Er was niets te eten en de man stierf van de honger.

De vrouw stond gebukt in de grond te wroeten op zoek naar wortels, toen de zon bij haar binnenging en haar een kind maakte. Pachacamac, jaloers, greep de pasgeborene en scheurde hem in stukken. Maar hij had onmiddellijk berouw of was bang voor de woede van zijn vader de zon, en verstrooide de stukjes van zijn vermoorde broer over de aarde.

Uit de tanden van de dode groeide toen de maïs, en de yucca uit zijn ribben en zijn botten. Zijn bloed maakte de akkers vruchtbaar en uit zijn gezaaide vlees verrezen bomen die vruchten en schaduw gaven.

Zo vinden de vrouwen en de mannen voedsel, die geboren worden aan deze kusten waar het nooit regent.

 

44b

 

De maïs

 

Uit leem maakten de goden de eerste Maya-Quiché’s. Zij leefden niet lang. Zij waren zacht, krachteloos, en zakten in elkaar nog voor zij konden lopen.

Toen probeerden zij het met hout. De houten poppen praatten en liepen, maar zij waren droog, zij hadden geen bloed en geen hart, geen herinnering en geen koers. Zij wisten niet hoe zij met de goden moesten spreken of hadden hun niets te zeggen.

Toen maakten de goden de moeders en de vaders van maïs. Van gele maïs en witte maïs kneedden zij hun vlees.

De vrouwen en mannen van maïs zagen evenveel als de goden. Hun blik strekte zich over de hele wereld uit.

De goden zonden een nevel en legden voor altijd een waas over hun ogen, omdat zij niet wilden dat de mensen over de horizon konden zien.

 

45

 

De tabak

 

De Carirí-Indianen hadden de Grootvader gesmeekt hen het vlees te laten proeven van wilde varkens, die nog niet bestonden. De Grootvader, architect van het Heelal, ontvoerde de kleine kinderen van het Carirí-volk en veranderde hen in wilde varkens. Hij liet een grote boom groeien, waarlangs zij naar de hemel konden vluchten.

De Indianen achtervolgden de everzwijnen, boomopwaarts, van tak tot tak, en het gelukte hun er een paar te doden. De Grootvader beval de mieren de boom neer te halen. Toen hij omviel, braken de Indianen hun botten. Sinds die val hebben wij allemaal gebroken botten en daarom kunnen wij onze vingers en onze benen krommen en ons lichaam buigen.

Van de dode everzwijnen werd in het dorp een groot feestmaal aangericht.

De Indianen vroegen de Grootvader omlaag te komen uit de hemel, waar hij voor de aan de jacht ontkomen kinderen zorgde, maar hij gaf er de voorkeur aan daar te blijven.

De Grootvader stuurde de tabak om zijn plaats tussen de mensen in te nemen. Al rokend praten de Indianen met God.

 

46

 

De maté

 

De maan stierf van verlangen de aarde te betreden. Zij wilde de vruchten proeven en zich in een rivier baden.

Dankzij de wolken kon zij naar beneden komen. Van de zonsondergang tot de dageraad bedekten de wolken de hemel, zodat niemand zou merken dat de maan er niet was.

De nacht op aarde was verrukkelijk. De maan wandelde door het oerwoud van de Bovenparaná, leerde mysterieuze geuren en smaken kennen en zwom een hele tijd in de rivier. Een oude boer redde haar twee keer. Toen de panter zijn tanden in de hals van de maan wilde slaan, sneed hij hem met zijn mes de keel af. En toen de maan honger had, nam hij haar mee naar zijn huis. 'We bieden je van onze armoe,’ zei de vrouw van de boer, en gaf haar enkele maïskoeken.

De volgende nacht keek de maan vanuit de hemel bij het huisje van haar vrienden naar binnen. De oude boer had zijn hut gebouwd op een open plek in het woud, ver van de dorpen vandaan. Daar leefde hij, als in ballingschap, met zijn vrouw en zijn dochter.

De maan ontdekte dat er in dat huis niets meer te eten was. De laatste maïskoeken waren voor haar geweest. Toen verlichtte zij die plek met haar mooiste licht en vroeg de wolken om rond de hut een heel bijzondere motregen te laten vallen.

Toen het licht werd, waren er uit die aarde enkele onbekende bomen opgeschoten. Tussen het donkergroen van de bladeren glansden de witte bloemen.

De dochter van de boer is nooit gestorven. Zij is de meesteres van de maté en gaat over de wereld om hem aan de mensen aan te bieden. De maté wekt de slapenden, vermaant de lanterfanters en verbroedert de mensen die elkaar niet kennen.

 

47a

 

De yucca

 

Geen man had haar aangeraakt, maar in de buik van de dochter van het dorpshoofd groeide een kind.

Zij noemden hem Mani. Een paar dagen na zijn geboorte liep en praatte hij al. Vanuit de verste uithoeken van het oerwoud kwamen de mensen om de wonderbaarlijke Mani te leren kennen. Hij kreeg geen enkele ziekte, maar toen hij een jaar was zei hij: ‘Ik ga sterven,’ en hij stierf.

Er verliep een korte tijd en toen ontlook een nimmer geziene plant op het graf van Mani, dat zijn moeder iedere ochtend met water besprenkelde. De plant groeide, bloeide, gaf vruchten. De vogels die er van aten vlogen daarna al tuimelend door de lucht, maakten de gekste spiralen en zongen als nooit tevoren.

Op een dag opende zich de aarde op de plek waar Mani rustte.

Het dorpshoofd stak zijn hand in het gat en trok een grote, vlezige wortel te voorschijn. Hij raspte hem met een steen, maakte er een brij van, perste die uit en bakte op een zacht vuurtje voor hen allen brood.

Zij noemden de wortel mani occa, ‘huis van Mani’, en maniok is de naam van de yucca in het stroomgebied van de Amazone en op andere plaatsen.

 

47b

 

De aardappel

 

Een dorpshoofd van het eiland Chiloé, een met meeuwen bevolkte plek, wilde vrijen zoals de goden deden.

Wanneer de godenparen elkaar omarmden, sidderde de aarde en ontketenden zich de zeebevingen. Dat wisten de mensen, maar niemand had hen ooit gezien.

Vastbesloten hen te verrassen, zwom de man naar het verboden eiland. Hij zag alleen een reusachtige hagedis, de bek wijdopen en vol schuim, met een geweldig lange tong die vuur spuwde uit de punt.

De goden begroeven de indiscrete man onder de grond en veroordeelden hem ertoe door de overige mensen te worden opgegeten. Als straf voor zijn nieuwsgierigheid overdekten zij zijn lichaam met blinde ogen.

 

48

 

De keuken

 

Een vrouw van het Tillamook-volk vond midden in het bos een hut, waaruit rook opsteeg. Nieuwsgierig kwam zij dichterbij en ging naar binnen.

In het midden, tussen stenen, brandde het vuur.

Aan het plafond hingen veel zalmen. Een ervan viel op haar hoofd. De vrouw raapte hem op en hing hem weer op zijn plaats. Weer kwam de zalm naar beneden en klapte op haar hoofd en zij hing hem weer op en de zalm viel weer.

De vrouw gooide de wortels, die zij verzameld had om te eten, op het vuur. Het vuur verbrandde ze in een oogwenk. Woedend sloeg zij het haardvuur met de pook, slag op slag, met zoveel kracht dat het vuur uitging, toen de bewoner van het huis binnenkwam en haar arm tegenhield.

De geheimzinnige man blies de vlammen weer aan, zette zich naast de vrouw en legde haar uit:

‘Je hebt het niet begrepen.’

Door de vlammen te slaan en de gloeiende kooltjes te verspreiden had zij op het punt gestaan het vuur blind te maken, en dat was een straf die het niet had verdiend. Het vuur had de wortels opgegeten, omdat het dacht dat het die van de vrouw had gekregen. En daarvoor was het het vuur geweest, dat de zalm keer op keer op haar hoofd had laten vallen, maar niet om haar pijn te doen. Het was zijn manier geweest om haar te zeggen dat zij de zalm mocht bereiden. ‘Bereiden? Wat is dat?’

Toen leerde de man de vrouw met het vuur te praten, de vis op de kooltjes te roosteren en smakelijk te eten.

 

49

 

De muziek

 

Terwijl de geest Bopé-joku een melodietje floot, verrees de maïs uit de grond, onweerstaanbaar, glanzend, en gaf reusachtige kolven, berstend van gouden korrels.

Een vrouw plukte ze op de verkeerde manier. Toen zij een maïskolf ruw lostrok, deed zij hem pijn. De maïskolf wreekte zich door haar hand te verwonden. De vrouw beledigde Bopé-joku en vervloekte zijn gefluit.

Toen Bopé-joku zijn lippen sloot, verwelkte de maïs en droogde uit. Nooit meer werd het vrolijke gefluit gehoord, dat de maïsplanten deed opschieten en hun kracht en schoonheid gaf. Sindsdien verbouwen de Bororo-Indianen de maïs in moeizame arbeid en oogsten zij een karig maal.

De geesten spreken met gefluit. Wanneer de sterren aan de hemel verschijnen, begroeten de geesten hen met gefluit. Bij iedere ster hoort een geluid, dat zijn naam is.

 

50

 

De dood

 

De eerste van de Modoc-Indianen, Kumokums, bouwde een dorp aan de oever van de rivier. Hoewel de beren een mooie plek hadden om zich op te rollen en te slapen, klaagden de herten dat het erg koud was en dat er niet genoeg gras was.

Kumokums bouwde nog een dorp, ver daar vandaan, en besloot in elk dorp de helft van het jaar door te brengen. Daarom verdeelde hij het jaar in tweeën, zes manen zomer en zes manen winter, en de maan die overbleef werd bestemd voor het verhuizen.

Zo, afwisselend tussen de beide dorpen, was het leven zo plezierig als maar kon, en de geboorten namen op verbazingwekkende wijze toe. Maar de mensen die stierven weigerden te vertrekken en de bevolking werd zo talrijk dat er niet meer genoeg te eten was.

Toen besloot Kumokums de doden weg te sturen. Hij wist dat het hoofd van het land van de doden een groot man was en dat hij niemand slecht behandelde.

Korte tijd later stierf het dochtertje van Kumokums. Zij stierf en ging weg uit het land van de Modocs, zoals haar vader had bevolen. Wanhopig raadpleegde Kumokums het stekelvarken.

‘Je hebt het zelf besloten, ’ was het stekelvarken van mening, ‘en nu moet je het net als ieder ander ondervinden.’

Maar Kumokums reisde naar het verre land van de doden en eiste zijn dochter op.

‘Je dochter is nu mijn dochter,’ zei het grote skelet dat daar heerste. ‘Zij heeft vlees noch bloed. Wat heeft zij in jouw land te zoeken?’ ‘Ik wil haar hebben zoals zij is,’ zei Kumokums.

Het hoofd van de doden dacht lang na.

‘Neem haar dan maar mee,’ gaf hij toe. Maar hij waarschuwde:

‘Zij zal achter je lopen. Wanneer zij het land van de levenden nadert, zal het vlees op haar botten terugkeren. Maar je mag je niet omdraaien tot je er bent aangekomen. Goed begrepen? Deze kans geef ik je.’ Kumokums ging op weg. Zijn dochter liep achter hem.

Vier keer raakte hij haar hand aan, die iedere keer vleziger en warmer werd, en hij keek niet om. Maar toen de groene bossen reeds aan de horizon verschenen, kon hij zich niet langer inhouden en draaide hij zijn hoofd om. Een stapeltje beenderen stortte voor zijn ogen neer.

 

51

 

De herrijzenis

 

Het was de gewoonte dat de doden na vijf dagen naar Peru terugkeerden. Zij dronken een glaasje brandewijn en zeiden:

‘Nu ben ik eeuwig.’

Er waren teveel mensen op de wereld. Tot op de bodem van de ravijnen en aan de rand van de afgronden werd gezaaid, maar voor allen was er niet genoeg te eten.

Toen stierf er een man in Huraochirí.

Op de vijfde dag kwam de hele gemeenschap bijeen om hem te ontvangen. Zij wachtten op hem van de vroege morgen tot diep in de nacht. De dampende gerechten werden koud en de slaap overmande hun oogleden. De dode kwam niet.

De volgende dag dook hij op. Iedereen was woedend. Maar het meest verontwaardigd was zijn vrouw, die hem toeschreeuwde: ‘Luiwammes! Altijd nog dezelfde luiwammes! Alle doden komen precies op tijd, behalve jij!’

De herrezene stamelde een verontschuldiging, maar zijn vrouw gooide hem een maïskolf naar zijn hoofd, die hem languit op de grond deed tuimelen.

De ziel verliet het lichaam en vloog weg, een zoemende snelle vlieg, om nooit meer terug te keren.

Sindsdien is geen enkele dode meer teruggekomen om zich onder de levenden te mengen en hun hun eten te betwisten.

 

52

 

De magie

 

Een heel oude vrouw van het Tukuna-volk strafte de meisjes, die haar voedsel hadden geweigerd. In hun slaap nam zij de botten uit hun benen van hen af en at het merg op. De meisjes konden nooit meer lopen.

In een ver verleden, in haar jeugd, kort nadat zij geboren was, had de oude vrouw van een kikker het vermogen van de leniging en de wraak gekregen. De kikker had haar geleerd te genezen en te doden, naar stemmen te luisteren die je niet hoort en kleuren te onderscheiden die je niet ziet. Zij had geleerd zich te verdedigen nog voor zij kon spreken. Zij kon nog niet lopen en was al in staat te zijn waar zij niet was, omdat de stralen van de liefde en de haat bliksemsnel door de dichtste wouden en over de diepste rivieren gaan.

Toen de Tukuna’s haar het hoofd afsloegen, ving zij haar eigen bloed in haar handen op en blies het naar de zon.

‘De ziel gaat ook bij jou naar binnen!’ riep zij.

Sindsdien ontvangt degeen die iemand doodt, of hij wil of niet, de ziel van zijn slachtoffer in zijn lichaam.

 

52b

 

De lach

 

De vleermuis, die aan zijn voeten aan een tak hing, zag hoe een Kayapó-krijger zich over een bron boog.

Hij wilde zijn vriend zijn.

Hij liet zich op de krijger vallen en omarmde hem. Omdat hij de taal van de Kayapó’s niet sprak, praatte hij tegen hem met zijn handen. De strelingen van de vleermuis ontlokten de mens de eerste lach.

Hoe meer hij lachte, hoe zwakker hij zich voelde. Hij lachte zo hard, dat hij ten slotte geen kracht meer had en bewusteloos neerviel. Toen het dorp er van hoorde, was er woede. De krijgers staken in de grot van de vleermuizen een stapel dode bladeren in brand en sloten de ingang af.

Daarna vergaderden zij. De krijgers besloten dat de lach alleen door vrouwen en kinderen gebruikt mocht worden.

 

53a

 

De angst

 

Die nimmer geziene lichamen riepen hen, maar de Nivakle-mannen durfden er niet binnen te gaan. Zij hadden de vrouwen zien eten: zij aten het vlees van de vissen met hun bovenmond, maar vroeger kauwden zij het met hun ondermond. Zij hadden tanden tussen hun benen.

Toen maakten de mannen grote vuren, riepen de muziek en zongen en dansten voor de vrouwen.

De vrouwen gingen er met gekruiste benen omheen zitten.

De mannen dansten de hele nacht. Zij golfden, kronkelden en vlogen op als de rook en de vogels.

Toen het ochtend werd vielen zij bezwijmd neer. De vrouwen tilden hen voorzichtig op en gaven hun water te drinken.

Op de plaats waar zij hadden gezeten was de grond bezaaid met tanden.

 

53b

 

Het gezag

 

In lang vervlogen tijden zaten de vrouwen in de punt van de kano en de mannen achterin. Het waren de vrouwen die jaagden en visten. Zij vertrokken uit de dorpen en keerden er terug wanneer zij konden of wilden. De mannen bouwden de hutten, bereidden het eten, hielden de vuren aan tegen de kou, verzorgden de kinderen en looiden de vachten.

Zo was het leven bij de Ona- en de Yagan-Indianen in Vuurland, tot de mannen op een dag alle vrouwen doodden en de maskers voordeden, die de vrouwen hadden bedacht om hun vrees in te boezemen.

Alleen de pasgeboren meisjes ontsprongen de dans. Terwijl zij opgroeiden, vertelden de moordenaars hun steeds weer dat het hun bestemming was de mannen te dienen. Zij geloofden het. Hun kinderen en de kinderen van hun kinderen geloofden het eveneens.

 

54

 

De macht

 

In het gebied waar de rivier de Juruá ontspringt was de Vrek de baas van de maïs. Hij gaf alleen geroosterde korrels, zodat niemand ze kon zaaien.

Het was de hagedis, die het gelukte een verse maïskorrel van hem te stelen. De Vrek betrapte hem en rukte aan zijn kop en aan zijn tenen en zijn vingers, maar de hagedis had de korrel achter zijn achterste kies weten te verbergen. Toen spuugde hij de verse korrel in de aarde die van iedereen was. Aan al het getrek heeft de hagedis die enorme bek en die lange vingers overgehouden.

De Vrek was ook de baas van het vuur. De papegaai ging naar hem toe en begon hartverscheurend te huilen. De Vrek bekogelde hem met alles wat hij onder handbereik had, maar de papegaai ontweek alle projectielen, tot hij een brandend stukje houtskool zag aankomen.

Hij ving het kooltje op in zijn snavel, die zo groot was als de snavel van een toekan, en vloog weg, achtervolgd door een spoor van vonken. Aangewakkerd door de wind begon het kooltje zijn snavel weg te branden, maar hij had het bos al bereikt toen de Vrek op zijn trom sloeg en een stortbui deed losbarsten.

De papegaai slaagde er in het gloeiende kooltje in de holte van de boom te leggen. Daar liet hij het over aan de zorg van de overige vogels en ging naar buiten om afkoeling te zoeken in de neerstortende regen. Het water verzachtte de brandende pijn. Op zijn snavel, die kort en krom is gebleven, is de witte afdruk van de brandplek nog te zien.

De vogels beschermden het geroofde vuur met hun lichamen.

 

55

 

De oorlog

 

Bij het aanbreken van de dag kondigde de roep van de koehoorn vanuit de bergen aan dat het uur van de bogen en de blaasroeren was aangebroken.

Toen de avond viel was er van het dorp niets anders over dan rook.

Eén man was roerloos tussen de doden gaan liggen. Hij had zijn lichaam met bloed ingesmeerd en wachtte af. Hij was de enige overlevende van het dorp Palawiyang.

Toen de vijand zich had teruggetrokken, stond die man op. Hij keek naar zijn verwoeste wereld. Hij liep tussen de mensen door die samen met hem gehongerd en gegeten hadden. Hij zocht tevergeefs naar een mens of een ding die niet waren vernietigd. De verschrikkelijke stilte verdoofde hem. De geur van brand en bloed maakte hem misselijk.

Hij walgde ervan nog in leven te zijn en wierp zich weer tussen de zijnen.

Met het eerste daglicht kwamen ook de gieren. In die man leefde slechts een nevel en het verlangen te slapen en zich te laten verslinden.

Maar de dochter van de condor vloog tussen de rondcirkelende vogels door, sloeg krachtig met haar vleugels en dook omlaag.

Hij greep zich vast aan haar poten en de dochter van de condor voerde hem ver weg.

 

56a

 

Het feest

 

Een Eskimo, boog in de hand, was op rendierjacht, toen hij door een adelaar van achteren werd verrast.

‘Ik heb je twee broers gedood,’ zei de adelaar. ‘Als je in leven wilt blijven moet je een feest geven, daar in je dorp, zodat allen dansen en zingen.’

‘Een feest? Wat betekent dat, zingen? En dansen, wat is dat?’

‘Kom maar mee.’

De adelaar liet hem een feest zien. Er was veel en lekker eten en drinken. De trommel dreunde net zo hard als het hart van de oude moeder van de adelaar, dat vanuit haar huis, kloppend over de uitgestrekte ijsvlakten en bergen, haar kinderen leidde. De wolven, de vossen en de andere genodigden dansten en zongen tot het aanbreken van de dag.

De jager keerde terug naar zijn dorp.

Heel veel later vernam hij dat de oude moeder van de adelaar en alle oude mannen in de adelaarswereld sterk en mooi en snel waren. De mensen, die eindelijk hadden leren dansen en zingen, hadden hun van verre, door hun feesten, vreugde gezonden die het bloed verwarmde.

 

56b

 

Het geweten

 

Toen het water van de Orinoco zakte, brachten de prauwen de Cariben met hun strijdbijlen.

Niemand kon tegen de zonen van de jaguar op. Zij verwoestten de dorpen en maakten fluiten van de beenderen van hun slachtoffers. Zij waren voor niemand bang. Alleen een geestverschijning, die uit hun eigen harten was voortgekomen, joeg hun schrik aan. Verborgen achter een boomstam wachtte hij hen op. Hij maakte hun bruggen stuk en liet hen struikelen over de lianen die hij over hun pad had gevlochten. Hij reisde ’s nachts. Om hen op een dwaalspoor te brengen liep hij achteruit. Hij zat in de heuvel waarvan een rotsblok omlaag kwam, in de drassige grond die onder hun voeten wegzonk, in het blad van de giftige plant en in de aanraking van de spin. Hij blies hen omver, goot de koorts in hun oor en stal hun schaduw. Hij was niet de pijn, maar deed wel zeer, hij was niet de dood maar doodde wel. Hij heette Kanaima en was geboren onder de overwinnaars om de overwonnenen te wreken.

 

57

 

De heilige stad

 

Wiracocha, die de nevelen had verjaagd, beval de zon een dochter en een zoon naar de aarde te sturen om licht te brengen op het pad van de blinden.

De kinderen van de zon kwamen bij de oevers van het Titicaca-meer en gingen op weg door de ravijnen van de Andes. Zij hadden een staf bij zich. Op de plek, waar deze bij de eerste stoot in de aarde verzonk, zouden zij het koninkrijk stichten. Vanaf de troon zouden zij handelen als hun vader, die licht, helderheid en warmte geeft, regen en dauw uitgiet, gewassen doet groeien, de kudden vermeerdert en geen dag voorbij laat gaan zonder de aarde te bezoeken.

Overal probeerden zij de gouden staf in de grond te steken. De aarde stootte hem terug en zij zochten verder.

Zij beklommen bergtoppen en trokken over stromen en hoogvlakten. Alles wat hun voeten beroerden begon te veranderen. Droge gronden maakten zij vruchtbaar, moerassen legden zij droog, rivieren brachten zij terug naar hun bedding. Bij het ochtendgloren werden zij door ganzen vergezeld en bij de schemering door condors.

Ten slotte lieten de kinderen van de zon de staf in de grond verzinken, vlakbij de Wanakauri-berg. Toen de aarde hem verzwolg, verrees in de lucht een regenboog.

Toen zei de eerste van de Inca’s tegen zijn zuster en vrouw:

Wij zullen de mensen bijeenroepen.

Tussen het hooggebergte en de hoogvlakte was de vallei overdekt met struikgewas. Niemand had een huis. De mensen leefden in holen en in de beschutting van de rotsen en zij konden de katoen en de wol niet weven om zich tegen de kou te beschermen.

Allen volgden hen. Allen geloofden hen. Door de gloed van hun woorden en hun ogen wisten zij dat de kinderen van de zon niet logen, en zij gingen met hen mee naar de plaats waar, nog ongeboren, de grote stad Cuzco op hen wachtte.

 

58

 

De pelgrims

 

De Maya-Quiché’s kwamen uit het oosten.

Toen zij pas in het nieuwe land waren aangekomen, hun goden op de rug gebonden, waren zij bang dat het niet licht zou worden. Zij hadden hun vrolijkheid daar in Tulán achtergelaten en waren uitgeput na de lange en zware tocht. Aan de rand van het Izmachí-bos wachtten zij, stil, bijeen, zonder dat iemand ging zitten of liggen om uit te rusten. Maar de tijd ging voorbij en de donkerte hield aan.

Eindelijk verscheen de licht aankondigende morgenster aan de hemel. De Quiché’s omhelsden elkaar en dansten. En toen, zegt het heilige boek, verrees de zon als een man.

Sindsdien komen de Quiché’s aan het eind van iedere nacht naar buiten om de ster van de dageraad te verwelkomen en de geboorte van de zon te zien. Wanneer de zon op het punt staat te verschijnen, zeggen zij:

‘Daar komen wij vandaan.’

 

59

 

Het beloofde land

 

Doodmoe, naakt, gewond liepen zij dag en nacht gedurende meer dan twee eeuwen. Zij zochten de plek waar de aarde zich uitstrekt tussen riet en cypergras.

Verschillende keren verdwaalden zij, raakten elkaar kwijt en vonden elkaar weer terug. Zij werden weggeblazen door de wind en sleepten zich voort door zich aan elkaar vast te binden, elkaar vooruit te slaan, elkaar voort te duwen. Zij vielen neer van de honger en stonden op en vielen opnieuw neer en stonden opnieuw op. In het gebied van de vulkanen, waar geen gras groeit, aten zij reptielenvlees.

Zij droegen de vlag en de mantel mee van de god, die in hun slaap tot de priesters had gesproken en een koninkrijk van goud en quetzalveren had beloofd: ‘Van zee tot zee zullen jullie volken en steden onderwerpen, ’ had de god aangekondigd, ‘en niet door hekserij, maar door de geestkracht van het hart en de dapperheid van de armen.’

Toen zij onder de middagzon voor het glanzende meer stonden, huilden de Azteken voor de eerst keer. Daar lag het moerassige eilandje. Boven de nopalcactus, hoger dan de rietstengels en het espartogras, spreidde de adelaar zijn vleugels.

Toen hij hen zag komen, boog de adelaar het hoofd. Deze paria’s, op een hoopje bijeen aan de oever van het meer, smerig, bevend, waren de uitverkorenen, die in lang vervlogen tijden uit de monden van de goden waren geboren.

Huitzilpochtli heette hen welkom:

‘Dit is de plaats voor onze rust en van onze grootheid,’ weerklonk zijn stem. ‘Ik beveel dat de stad, die koningin en meesteres van alle andere steden zal zijn, Tenochtitlán zal heten. Mexico is hier!’

 

60a

 

De gevaren

 

Degeen die de zon en de maan had gemaakt waarschuwde de Taino’s dat zij op de doden moesten letten.

Overdag verborgen de doden zich en aten guayave’s, maar ’s nachts gingen zij aan de wandel en tartten de levenden. De dode mannen boden het gevecht en de dode vrouwen de liefde. In het gevecht vervaagden zij wanneer zij wilden en op het hoogtepunt van de liefde had de minnaar niets in zijn armen. Voor je het gevecht met een man aanging of je naast een vrouw neerlegde, moest je hen eerst met de hand over de buik strijken, want de doden hebben geen navel.

De heer van de hemel waarschuwde de Taino’s ook dat zij nog veel meer op hun hoede moesten zijn voor de geklede mensen. Het dorpshoofd Cáicihu vastte een week en was zijn stem waardig: ‘Kort zal het genot van het leven zijn, ’ verkondigde de onzichtbare, hij die een moeder heeft maar geen begin. ‘De geklede mannen zullen komen, zij zullen heersen en zij zullen doden.’

 

60b

 

Het web

 

Waterdrinker, priester van de Sioux, droomde dat nooit aanschouwde wezens een reusachtig web om zijn dorp weefden. Hij werd wakker in de wetenschap dat het zo zou zijn en zei tegen de zijnen: ‘Wanneer dat vreemde ras zijn web heeft voltooid, zullen zij ons opsluiten in grijze vierkante huizen, op onvruchtbare aarde, en in die huizen zullen wij sterven van de honger. ’

 

61

 

De profeet

 

Op zijn rug op de rieten mat liggend luisterde de priester-jaguar van Yucatán naar de boodschap van de goden. Schrijlings op zijn huis gezeten spraken zij door het dak tegen hem in de taal die niemand anders verstond.

Chilam Balam, door wie de goden spraken, herinnerde zich wat nog niet was gebeurd:

‘De vrouwen die zingen en de mannen die zingen en allen die zingen zullen over de wereld worden verstrooid... Niemand zal ontkomen, niemand zal ontsnappen... Er zal veel ellende zijn in de jaren van het rijk van de hebzucht. De mannen zullen slaven worden. Het gelaat van de zon zal bedroefd zijn... De wereld zal ontvolkt raken, hij zal klein worden en ontluisterd.