‘Mij rest geen andere troost, ’ hij raakt in vuur, ‘dan te bedenken dat jullie terugkeert om te genieten van een welverdiende rust en dat verzacht, althans ten dele, mijn droefheid.’

Niet ver van het strand wiegen de golven het schip dat hen naar Peru zal brengen. Vandaar zullen zij naar Panama reizen, dan door Panama naar de andere oceaan, en dan... Het zal een lange reis zijn, maar wie zijn benen strekt voelt reeds dat hij over de keien van de kade van Sevilla loopt. De bagage, kleding en goud, ligt al sinds de vorige avond aan dek. Drieduizend gouden pesos zal schrijver Juan Pinel uit Chili meenemen. Met zijn bundel papier, een ganzepen en een inktpot heeft hij Valdivia als een schaduw gevolgd, elk van zijn stappen boekstavend en kracht van wet verlenend aan elk van zijn handelingen. Verschillende keren is hij aan de dood ontsnapt. Dit bescheiden fortuin is meer dan voldoende om het lot te verzachten van zijn ongehuwde dochters die in Spanje op de terugkeer van schrijver Pinel wachten. De soldaten staan hardop te dromen, wanneer iemand plotseling opspringt en vraagt:

‘En Valdivia? Waar is Valdivia?’

Allen haasten zich naar de zeeoever. Zij springen, zij schreeuwen, zij heffen hun vuist.

Valdivia wordt steeds kleiner. Daar gaat hij, wegroeiend in het enige bootje, naar het met het goud van hen allen beladen schip.

Op het strand van Valparaíso overstemmen de verwensingen en de dreigementen het geraas van de golven.

De zeilen bollen en verwijderen zich in de richting van Peru. Valdivia vertrekt om zijn titel van gouverneur van Chili te halen. Met het goud dat hij bij zich heeft en met de kracht van zijn armen hoopt hij de heren in Lima te overtuigen.

Bovenop een rots trekt schrijver Juan Pinel zich de haren uit het hoofd en lacht zonder ophouden. Zijn dochters zullen in Spanje als maagd sterven. Sommigen huilen, roodaangelopen van woede. Onvast speelt hoornblazer Alonso de Torres een oude melodie en breekt dan zijn hoorn, het enige dat hij nog heeft, in stukken.

 

 

Lied van de heimwee,

uit de Spaanse liederenbundel

 

Heimwee heb ik naar jou,

land van mijn geboorte.

 

Als ik hier toch sterf,

begraaf mij op een berg,

opdat niet de aarde mijn lichaam

naar het duistere graf verbant.

Op een berg van grote hoogte

om te zien of ik vandaar

het land van mijn geboorte ontwaar.

 

 

1548 Xaquixaguana

De slag van Xaquixaguana is afgelopen

 

Gonzalo Pizarro, de beste lansier van Zuid-Amerika, de man die in staat is met de haakbus of de kruisboog een mug in de vlucht in tweeën te schieten, overhandigt zijn zwaard aan Pedro de La Gasca. Langzaam trekt Gonzalo zijn wapenrusting van Milanees staal uit. La Gasca was gekomen met de opdracht hem te kortwieken en nu droomt de aanvoerder van de opstandelingen er niet meer van zich tot koning van Peru te kronen. Nu droomt hij er alleen nog van dat La Gasca hem het leven zal schenken.

Bij de tent van de overwinnaars is Pedro de Valdivia aangekomen. De infanterie heeft onder zijn bevel gestreden.

‘De eer van de koning lag in uw handen, gouverneur, ’ zegt La Gasca. Dit is de eerste keer dat de vertegenwoordiger van de koning hem gouverneur noemt. Gouverneur van Chili. Valdivia bedankt hem met een hoofdknik. Er zijn andere dingen die hij wil vragen, maar als hij zijn mond opent brengen soldaten de eerste officier van Gonzalo Pizarro binnen. Generaal Carvajal verschijnt met de helm met hoge pluim op het hoofd. De mannen die hem hebben gevangengenomen durven hem niet aan te raken.

Van alle officieren van Pizarro is Carvajal de enige die niet naar de tegenpartij is overgelopen. Toen La Gasca het koninklijk pardon aanbood aan de opstandelingen die hun spijt betuigden, gaven vele

soldaten en kapiteins hun paard plotseling de sporen en draafden in galop dwars door het moeras naar het andere kamp. Carvajal bleef en vocht door tot zijn paard werd omvergeworpen.

‘Carvajal,’ zegt Diego Centeno, commandant van de zegevierende troepen, je bent eervol gevallen, Carvajal.’

De oude man kijkt niet eens naar hem.

‘Ken je mij niet meer?’ houdt Centeno aan en strekt zijn hand om het zwaard in ontvangst te nemen.

Carvajal, die Centeno meer dan eens heeft verslagen en op de vlucht heeft gedreven en hem door half Peru heeft achtervolgd, kijkt hem recht in de ogen en zegt:

‘Ik kende alleen je rug.’

En hij geeft zijn zwaard aan Pedro de Valdivia.

 

 

1548 Xaquixaguana

De beul

 

In touwen en kettingen gewikkeld wordt Carvajal in een enorme mand door muildieren voortgetrokken. In wolken stof en temidden van kreten van haat zingt de krijgsheld. Zijn schorre stem, onaangedaan door de trappen en slagen van hen die gisteren juichten en hem vandaag in zijn gezicht spugen, dringt door het tumult van de beledigingen heen:

 

Wat een zegen!

Kindje wiegen,

oudje wiegen!

Wat een zegen!

 

zingt hij uit de mand die hem hortend en stotend meevoert. Wanneer de muildieren bij het schavot zijn aangekomen, smijten de soldaten Carvajal daar in de hoogte aan de voeten van de beul. De menigte brult, terwijl de beul langzaam het kromzwaard uit de schede trekt. ‘Broeder Juan,’ vraagt Carvajal, ‘omdat we allebei in het vak zitten, behandel mij als onder collega’s.’

Juan Enriquez heet de jongeman met het zachtmoedige gezicht. In Sevilla had hij een andere naam, toen hij nog over de kaden zwierf en ervan droomde beul van de koning in Amerika te zijn. Men zegt dat hij van zijn beroep houdt omdat het vrees inboezemt en iedere voorname heer en iedere grote krijgsman opzij gaat wanneer hij over straat loopt. Ook vertelt men dat hij een welgesteld wreker is. Hij wordt betaald om te doden en zijn wapen roest niet noch dooft zijn glimlach.

 

Ach, oudje!

Ach, oudje!

 

neuriet Carvajal zachtjes en treurig, omdat hij net op dit moment opeens moet denken aan zijn paard, Boscanillo, dat ook oud en beklagenswaardig is, en aan hoe goed zij elkaar begrepen.

Juan Enriquez pakt met zijn linkerhand zijn baard beet en snijdt hem met zijn rechter in één houw de keel door.

Onder de gouden zon barst een ovatie los.

De beul houdt het hoofd van Carvajal omhoog, dat een moment geleden vierentachtig jaar was en nimmer iemand had vergeven.

 

 

1548 Xaquixaguana

Over het kannibalisme in Amerika

 

Sinds Francisco Pizarro, in rouwdracht, de begrafenis van zijn slachtoffer, keizer Atahualpa, bijwoonde zijn verschillende mannen elkaar opgevolgd in de macht en het bevel over het uitgestrekte koninkrijk dat eens van de Inca’s was.

Diego de Almagro, gouverneur van het ene deel, revolteerde tegen Francisco Pizarro, gouverneur van het andere deel. Beiden hadden bij de heilige hostie gezworen dat zij eer, land en Indianen zouden verdelen zonder dat iemand meer nam dan de ander, maar Pizarro trok de macht aan zich, overwon, en Almagro werd onthoofd.

De zoon van Almagro wreekte zijn vader en riep zich op het lijk van Pizarro tot gouverneur uit. Toen werd de zoon van Almagro naar het schavot gebracht door Cristóbal Vaca de Castro, die de geschiedenis in zal gaan als de enige die aan de galg, de bijl of het zwaard ontkwam.

Daarna kwam Gonzalo Pizarro, broer van Francisco, in opstand tegen Blasco Nünez Vela, eerste onderkoning van Peru. Nühez Vela viel zwaargewond van zijn paard. Zijn hoofd werd afgehakt en op een staak gezet.

Gonzalo Pizarro stond op het punt zich tot koning te kronen. Vandaag, maandag 9 april, bestijgt hij de helling die naar het schavot voert. Hij zit op de rug van een muildier. Zijn handen zijn op zijn rug gebonden en hij draagt een zwarte kap die zijn gezicht bedekt en hem verhindert het hoofd zonder lijf van Francisco de Carvajal te zien.

 

 

1548 Guanajuato

Het begin van de mijnen van Guanajuato

 

‘God zij met u, vriend.’

‘En met u, reiziger.’

Twee muilezeldrijvers, die uit de stad Mexico komen, ontmoeten elkaar en besluiten samen de nacht door te brengen. Het is donker geworden en in het duister liggen zij die overdag slapen op de loer.

'Is dat niet de berg van de Koperen Pan?’

‘Van de boosdoeners zou hij genoemd moeten worden.’

Baas Pedro en Martín Rodrigo zijn op weg naar Zacatecas om fortuin te zoeken in de mijnen en voeren mee wat zij hebben, een stelletje muildieren, om die tegen een goede prijs te verkopen. Bij het aanbreken van de dag zullen zij verder trekken.

Zij leggen een paar takken op een bedje van droge bladeren en leggen er stenen omheen. De vuurslag slaat op de vuursteen, de vonk wordt vlam en met het gezicht naar het vuur vertellen zij elkaar hun geschiedenis, hun tegenslagen, en zo zitten zij daar, versleten kleren en oude herinneringen, wanneer een van hen schreeuwt:

’Ze schitteren!’

‘Wat?’

‘De stenen!’

Martín Rodrigo maakt een sprong in de lucht, een armzalige ster van vijf punten in het maanlicht, en Baas Pedro breekt zijn nagels op de hete stenen en brandt zijn lippen wanneer hij ze kust.

 

 

1549 La Serena

De terugkeer

 

Pedro de Valdivia is zojuist op de rede van Quintero van boord gegaan en hij heeft nog maar even gelopen wanneer hij een zure lijkengeur ruikt.

In Peru was Valdivia sterk genoeg om valstrikken te vermijden en twijfels en vijanden te overwinnen. De kracht van zijn arm in dienst van de koning en de glans van het goud dat hij zijn mannen op het strand van Valparaíso heeft ontroofd zijn zeer welsprekend gebleken bij de heersers in Lima. Na twee jaar keert hij terug, met zijn aanstelling tot gouverneur van Chili goed dichtgebonden, getekend en bekrachtigd. Ook brengt hij de verplichting mee dat goud tot de laatste gram terug te geven. En nog een verplichting, die aan zijn hart vreet: om zijn kersverse waardigheid voor het eerst te mogen uitoefenen zal hij een einde moeten maken aan zijn verhouding met Inés Suarez en zijn wettige echtgenote uit Spanje moeten laten overkomen.

Chili ontvangt hem niet met een glimlach. In deze stad La Serena, die hij de naam gaf van de streek waarin hij werd geboren, liggen de Spanjaarden zonder handen, zonder hoofden, tussen de ruïnes. Hun fascinerende geschiedenissen interesseren de gieren niet.

 

 

1549 Santiago de Chile

De laatste keer

 

Het ochtendgloren opent een golvende kerf in de zwarte nevel en scheidt de aarde van de hemel.

Inés, die niet heeft geslapen, maakt zich los uit de armen van Valdivia en leunt op een elleboog. Zij is kletsnat van hem en voelt hoe ieder hoekje van haar lichaam intens leeft. In het wazige licht kijkt zij naar haar hand. Haar eigen vingers, die branden, maken haar bang. Zij zoekt de dolk, heft hem omhoog.

Valdivia ligt zacht snurkend te slapen. De dolk aarzelt in de lucht, boven zijn naakte lichaam.

Eeuwen gaan voorbij.

Ten slotte steekt Inés de dolk voorzichtig in het kussen, naast zijn hoofd, en sluipt op haar tenen over de aarden vloer weg, het bed geheel zonder vrouw achterlatend.

 

 

1552 Vallodolid

Degeen die altijd heeft gediend geeft nu de bevelen

 

De vrouw kust de baar zilver met haar lippen, haar voorhoofd, haar borsten, terwijl de pastoor de in Potosí gedateerde brief van haar man, Juan Prieto, voorleest. De brief en de baar hebben er bijna een jaar over gedaan om de oceaan over te steken en Vallodolid te bereiken. Juan Prieto vertelt dat, terwijl de anderen hun tijd verdoen in dronkenschap en bij de stierengevechten, hij zich niet in de kroegen of op het plein laat zien, dat in Potosí de mannen om het minste of geringste naar het zwaard grijpen en dat er een stofwind waait die de kleren bederft en de hoofden gek maakt. Dat hij aan niets anders denkt dan aan de terugkeer naar Spanje en dat hij nu deze grote staaf zilver stuurt om daarmee de tuin aan te leggen waar het welkomst-banket moet plaatsvinden.

De tuin moet een dubbele ijzeren poort krijgen en een stenen boog die breed genoeg is om de rijtuigen van de genodigden voor het feest door te laten. Het zal een omsloten tuin zijn met hoge muren zonder één opening, vol bomen en bloemen en konijnen en duiven. In het midden zal een grote tafel met spijzen staan voor de heren van Vallodolid die hij, jaren geleden, als knecht heeft gediend. Op het gras moet een tapijt worden gelegd, naast de zetel aan het hoofd van de tafel, en op het tapijt zullen zijn vrouw en zijn dochter Sabina zitten.

Hij dringt er bij zijn vrouw op aan Sabina niet uit het oog te verliezen en er op toe te zien dat zelfs de zon haar niet aanraakt, want om haar een goede bruidsschat en een mooi huwelijksfeest te bezorgen heeft hij al deze jaren in Indië doorgebracht.

 

 

1553 Aan de oevers van de San Pedro

Miguel

 

Heel wat van zijn vel is aan de zweep blijven kleven. Hij werd ervan beschuldigd dat hij met tegenzin zijn werk deed of dat hij een stuk gereedschap was kwijtgeraakt en dan zei de rentmeester: ‘Hij betaalt met zijn lichaam.’ Toen ze hem voor weer een portie zweepslagen wilden vastbinden, greep Miguel een zwaard en verdween in de bossen.

Andere slaven van de mijnen van Buría vluchtten achter hem aan. Een aantal Indianen sloot zich bij de vluchtelingen aan. Zo onstond het legertje dat vorig jaar de mijnen aanviel en de pas gestichte stad Barquisimeto overviel.

Toen trokken de opstandelingen de bergen in en hebben zij hier, ver van de bewoonde wereld, aan de oevers van de rivier dit vrije koninkrijk gevestigd. De Jirajara-Indianen hebben zich van het hoofd tot de voeten zwart geschilderd en samen met de Afrikanen hebben zij de neger Miguel tot monarch uitgeroepen.

Koningin Guiomar wandelt statig tussen de palmen. Haar wijde brocaten kleed ritselt. Twee pages dragen de uiteinden van haar zijden mantel.

Vanaf zijn houten troon laat Miguel loopgraven en palissades aanleggen, benoemt hij officieren en ministers en roept hij de geleerdste van zijn mannen tot bisschop uit. Aan zijn voeten speelt de erfopvolger met een paar steentjes.

‘Mijn koninkrijk is rond en heeft klare wateren,’ zegt Miguel, terwijl een hoveling zijn kanten kraag schikt en een andere de mouwen van zijn satijnen wambuis recht trekt.

In Tocuyo worden reeds de troepen uitgerust die, onder bevel van Diego de Losada, Miguel zullen doden en het koninkrijk zullen vernietigen. De Spanjaarden zullen met haakbussen en honden en kruisbogen zijn uitgerust. De negers en de Indianen die het overleven zullen hun oren of hun testikels of de pezen van hun voeten verliezen, tot voorbeeld van heel Venezuela.

 

 

1553 Concepción

Een droom van Pedro de Valdivia

 

Het licht van de toortsen trilt in de nevel. Het geluid van sporen die vonken slaan uit de stenen op een stadsplein, dat niet in Chili of enige andere plaats ligt. Op de galerij een rij edelen, lange zwarte capes, de degen opzij, hoeden met veren. Wanneer Pedro de Valdivia voorbijgaat, maakt iedere man een buiging en neemt zijn hoed af. Met het afnemen van zijn hoed neemt hij ook zijn hoofd af.

 

 

1533 Tucapel

Lautaro

 

De strijdpijl is door alle streken van Chili gegaan.

Aan het hoofd van de Araucaniërs wappert de rode vlag van Caupolicán, de cycloop die in staat is bomen met wortel en al uit de grond te rukken.

De Spaanse ruiters vallen aan. Het leger van Caupolicán gaat als een waaier open, laat hen binnen, sluit zich onmiddellijk en slokt hen op vanuit de flanken.

Valdivia stuurt een tweede eskadron, dat te pletter loopt op een muur van duizenden mannen. Dan valt hij aan, gevolgd door zijn beste soldaten. In volle vaart stormt hij naar voren, de lans in de vuist, en de Araucaniërs wijken voor dit hevige offensief.

Intussen kijkt Lautaro, aan het hoofd van de Indianen die het Spaanse leger bijstaan, vanaf een heuvel toe.

‘Wat is dat voor lafheid? Welke schande voor ons land?’

Tot dit ogenblik is Lautaro de schildknaap van Valdivia geweest. In een flits van woede verkiest de schildknaap het verraad, verkiest hij de trouw: hij blaast op de hoorn die hij over zijn borst draagt en in gestrekte galop stort hij zich in het strijdgewoel. Met knuppelslagen baant hij zich een weg, kurassen splijtend en paarden ten val brengend, tot hij bij Valdivia komt, hem recht in het gezicht kijkt en van zijn paard stoot.

De nieuwe aanvoerder van de Araucaniërs is nog geen twintig jaar oud.

 

1553 Tucapel

Valdivia

 

Het is feest rondom de kaneelboom.

De overwonnenen, in lendedoeken, kijken toe bij de dansen van de overwinnaars, die kuras en helm dragen. Lautaro heeft de kleren van Valdivia aangetrokken, het groene buis met borduurwerk in goud- en zilverdraad, het glanzende kuras en de helm met het gouden vizier, met sierlijke veren en bekroond met smaragden.

Valdivia, naakt, neemt afscheid van de wereld.

Niemand heeft zich vergist. Dit is het gebied dat Valdivia driejaar geleden heeft uitgekozen om er te sterven, toen hij, gevolgd door zeven Spanjaarden te paard en duizend Indianen te voet, uit Cuzco vertrok. Niemand heeft zich vergist, behalve doña Marina, zijn vergeten echtgenote uit Extremadura, die na twintig jaar heeft besloten de oceaan over te steken en nu onderweg is, met een equipage de rang van gouverneursvrouw waardig, de zilveren stoel, het bed van blauw fluweel, de tapijten en heel haar gevolg van familieleden en bedienden.

De Araucaniërs maken Valdivia’s mond open en vullen die met aarde. Zij laten hem aarde eten, de ene handvol na de andere, zij laten zijn lichaam zwellen van Chileense aarde, terwijl zij tegen hem zeggen: ‘Wil je goud? Eet goud. Vreet je vol aan goud.’

 

 

1553 Potosí

De burgemeester en het mooie meisje

 

Als Potosí een gasthuis had en zij ging door de deur naar binnen, zouden alle zieken beter worden.

Maar deze minder dan zes jaar geleden ontstane stad of verzameling huizen heeft geen gasthuis.

Het mijnwerkerskamp, dat reeds twintigduizend zielen telt, is waanzinnig gegroeid. Dagelijks schieten er nieuwe daken uit de grond voor de vele avonturiers die van alle kanten toestromen, elkaar met de vuist en de degen opzij werkend, op zoek naar een gemakkelijk gemaakt fortuin. Geen man waagt zich zonder zwaard en leren kolder in de smalle ongeplaveide straatjes en de vrouwen zijn gedoemd achter gesloten deuren te leven. De minst lelijken lopen het meeste gevaar en onder hen heeft het mooie meisje, dat bovendien nog ongehuwd is, geen andere keuze dan zich achter slot en grendel van de wereld af te sluiten. Alleen bij het aanbreken van de dag komt zij, onder streng geleide, naar buiten om naar de mis te gaan, want wie haar alleen maar ziet krijgt zin haar helemaal op te drinken, in één teug of met kleine slokjes, en wie zijn handen mist gebaart met zijn stompjes.

De burgemeester van het stadje, don Diego de Esquivel, heeft een oogje op haar. Men zegt dat hij daarom rondloopt met een grijns van oor tot oor, terwijl iedereen weet dat hij niet meer heeft gelachen sinds de keer dat hij dat in een ver verleden, in zijn kinderjaren, heeft geprobeerd en zijn spieren er pijn van zijn blijven doen.

 

 

Bij de muziek van het orgeltje

zingt een blinde voor de vrouw die alleen slaapt

 

Mevrouw,

waarom slaapt u alleen,

wanneer u kunt slapen

met een jonge vent

die een broek heeft

met glanzende knopen

en een jas

met zilveren knoopsgaten?

Boven

is er een groene olijfboom.

Beneden

is er een groene sinaasappelboom.

En in het midden

is er een zwarte vogel

die op zijn suikerklontje

zuigt.

 

 

1553 Potosí

De burgemeester en de vrijer

 

‘Zij slaapt niet alleen,’ zegt iemand. ‘Zij slaapt met hem.’

En zij wijzen hem wie het is. De uitverkorene van het meisje is een knappe soldaat met honing in zijn stem en in zijn ogen. Don Diego verbijt zijn ergernis en besluit zijn kans af te wachten.

De gelegenheid doet zich voor op een avond in een van de speelhuizen van Potosí, hem geboden door een pater die de offergaven heeft verspeeld. Een goochelaar met de kaarten raapt de vruchten van zijn vaardigheid bijeen, wanneer de pastoor een arm laat zakken, van onder zijn soutane een dolk trekt en de hand van de ander aan de tafel nagelt. De vrijer, die daar uit pure nieuwsgierigheid toevallig is, mengt zich in de strijd.

Allen worden gevangen genomen.

De burgemeester moet rechtspreken. Don Diego kijkt de vrijer aan en biedt hem:

‘Boete of de zweep.’

‘Een boete kan ik niet betalen. Ik ben arm, maar een edelman van het zuiverste bloed en van goede afkomst.’

‘Twaalf zweepslagen voor deze prins,’ beslist de burgemeester. ‘Voor een Spaanse edelman!’ protesteert de soldaat.

‘Vertel me dat in het andere oor, want dit gelooft het niet,’ zegt don Diego en gaat er eens voor zitten om van de zweepslagen te genieten. Wanneer hij is losgemaakt, dreigt de gestrafte minnaar:

‘Op uw oren, mijnheer de burgemeester, zal ik mij wreken. Ik leen ze u voor een jaar. U kunt ze een jaar gebruiken, maar ze zijn van mij.’

 

 

1554 Cuzco

De burgemeester en de oren

 

Sinds het dreigement van de vrijer raakt don Diego iedere ochtend bij het ontwaken zijn oren aan en meet hij ze in de spiegel. Hij heeft ontdekt dat zijn oren groter worden wanneer zij tevreden zijn en dat de kou en de melancholie ze kleiner maken, dat blikken en lasterpraat ze vuurrood maken en dat zij wanhopig fladderen, als vogeltjes in een kooi, wanneer zij het scherpe geluid vernemen van een stalen lemmet dat geslepen wordt.

Om ze in veiligheid te brengen neemt don Diego ze mee naar Cuzco. Bewakers en slaven vergezellen hem op de lange reis.

Op een morgen keert don Diego terug van de mis, gevolgd door het negertje dat zijn fluwelen bidstoel draagt, eerder defilerend dan wandelend. Plotseling vestigt een paar ogen zich strak op zijn oren en een blauwe cape schiet als een windvlaag door de menigte en verdwijnt wapperend in de verte.

Zijn oren voelen of zij gekwetst zijn.

 

 

1554 Lima

De burgemeester en de afrekening

 

Nog even en de klokken van de kathedraal zullen het middernachtelijk uur slaan. Dan is er precies een jaar verlopen sinds dat stomme voorval dat don Diego dwong naar Cuzco te verhuizen en van Cuzco naar Lima.

Don Diego gaat voor de zoveelste keer na of de grendels op de deuren zitten en of de mannen, die tot op het platte dak de wacht betrokken hebben, niet zijn ingeslapen. Hijzelf heeft het hele huis van onder tot boven gecontroleerd en zelfs het brandhout in de keuken niet over het hoofd gezien.

Weldra zal hij een feest geven, met stierengevecht en maskerade, steekspel en vuurwerk, gevogelte aan het spit en fusten wijn met open spon. Don Diego zal heel Lima de ogen uitsteken. Op het feest zal hij voor het eerst zijn damasten cape laten zien en zijn nieuwe siertuig van zwart fluweel afgezet met gouden noppen, dat zo voortreffelijk past bij het karmijnrode zadeldek.

Hij gaat zitten om de klokslagen af te wachten. Hij telt ze. Hij slaakt een diepe zucht.

Een slaaf heft de kandelaar en verlicht zijn weg over tapijten naar de slaapkamer. Een andere slaaf ontdoet hem van zijn wambuis en zijn broek, de broek die wel een handschoen lijkt, en de opengewerkte witte kousen. De slaven sluiten de deur en trekken zich terug om tot het aanbreken van de dag hun post in te nemen.

Don Diego blaast de kaarsen uit, laat zijn hoofd in het zijden kussen zinken en slaapt voor het eerst in een jaar ongestoord in.

Veel later begint het harnas dat een hoek van het slaapvertrek siert te bewegen. Met het zwaard in de hand gaat het harnas in het donker langzaam op het bed af.

 

 

1554 Mexico Stad

Sepúlveda

 

Het bestuur van de stad Mexico, het puikje van de koloniale notabelen, besluit Juan Ginés de Sepúlveda tweehonderd goudpesos te sturen uit erkentelijkheid voor de verrichte taak en als aanmoediging voor de toekomst.

Sepúlveda, de humanist, is niet alleen kerkleraar en aartspriester, kroniekschrijver en kapelaan van Karel V. Hij munt ook uit in zaken, zoals blijkt uit zijn groeiend fortuin, en aan het hof is hij een vurig pleitbezorger voor de eigenaren van landerijen en Indianen in Amerika.

Tegenover het pleidooi van Bartolomé de Las Casas stelt Sepúlveda dat de Indianen van nature slaven zijn, zoals God het wil, en dat in de Heilige Schrift talrijke voorbeelden te vinden zijn van de bestraffing van de trouwelozen. Wanneer Las Casas wil dat de Spanjaarden de talen van de Indianen leren zoals de Indianen de taal van Castilië, antwoordt Sepúlveda dat het verschil tussen Spanjaarden en Indianen hetzelfde is als tussen mannen en vrouwen en bijna hetzelfde als tussen mensen en apen. Wat Las Casas misbruik en misdaad noemt is voor Sepúlveda het wettige systeem van het eigendomsrecht en hij adviseert de kunst van de jacht toe te passen op wie, geboren zijnde tot gehoorzaamheid, de slavernij afwijzen.

De koning, die de aanvallen van Las Casas publiceert, verbiedt daarentegen de verhandeling van Sepúlveda over de rechtvaardigheid van de koloniale oorlog. Sepúlveda aanvaardt de censuur met een glimlach en zonder protest. Uiteindelijk is de werkelijkheid sterker dan het slechte geweten, en hij weet heel wel wat in feite allen weten die macht uitoefenen: het is de zucht naar goud en niet de drang om zielen te winnen die wereldrijken tot stand brengt.

 

 

1556 Asunción del Paraguay

De vrouwen

 

Op hun rug droegen zij het brandhout en de gewonden. Als kleine kinderen werden de mannen door de vrouwen verzorgd: zij gaven hun vers water en troost en spinnewebben voor hun kwetsuren. Woorden van aanmoediging en waarschuwing kwamen er uit hun mond, maar ook vloeken die over de lafaards werden uitgestort en de slappelingen voortdreven. Zij bedienden de kruisbogen en de kanonnen, terwijl de mannen zich naar een beschaduwd plekje sleepten om er te sterven. Toen de overlevenden van de honger en de pijlen bij de brigantijnen aankwamen, waren het de vrouwen die de zeilen hesen en een koers stroomopwaarts zochten, dagenlang roeiend zonder een klacht te uiten. Zo ging het in Buenos Aires en op de Paraná-rivier.

Na twintig jaar heeft gouverneur Irala in Asunción del Paraguay Indianen en landerijen verdeeld.

Bartolomé Garcia, die tot degenen behoorde die in de brigantijnen uit het zuiden waren gekomen, verbijt zijn protest. Irala heeft hem niet meer dan zestien Indianen gegeven, aan hem die nog altijd met een pijlpunt in zijn arm rondloopt en lijfelijk heeft gevochten met de poema’s die over de palissade van Buenos Aires sprongen.

‘En ik? Als jij je beklaagt, wat moet ik dan wel zeggen?’ krijst doña Isabel de Guevara.

Zij was er ook vanaf het begin bij. Zij kwam uit Spanje om aan de zijde van Mendoza Buenos Aires te stichten en met Irala trok zij op tot in Asunción. Omdat zij een vrouw is heeft de gouverneur haar niet één Indiaan gegeven.

 

 

1556 Asunción del Paraguay

‘De tuin der lusten’

 

De dobbelstenen rollen. Een Indiaanse houdt de kaars vast. Wie haar wint neemt haar naakt mee, want zonder kleren is zij ingezet door wie haar verliest.

In Paraguay zijn de Indiaanse vrouwen de trofeeën bij het dobbelen en het kaarten, de buit van de expedities naar het oerwoud, de aanleiding voor duel en moord. Al zijn er heel veel, de lelijkste is evenveel waard als een varken of een paard. De veroveraars van Indië en Indiaansen gaan naar de mis met hele kudden vrouwen achter zich aan. In dit land, dat geen goud of zilver heeft, hebben sommigen er wel tachtig of honderd, die overdag suikerriet vermalen en ’s avonds katoen spinnen en zich laten beminnen, om hun heren honing, kleren en kinderen te geven. Zij helpen de gedroomde rijkdom te vergeten, die de werkelijkheid hun niet heeft gegund, en de verre verloofden, die in Spanje wachten en oud worden.

‘Pas op. Zij komen met haat in bed,’ waarschuwt Domingo Martínez, vader van ontelbare mestiezen en toekomstig pater. Hij zegt dat de Indiaanse vrouwen haatdragend en koppig zijn, altijd verlangend terug te keren naar de bossen waar zij gevangen zijn, en dat je hun nog geen ons katoen kunt toevertrouwen omdat zij het verstoppen of verbranden of weggeven, dat hun enige lust is de christenen te verderven en alles kapot te maken. Sommigen van hen hebben zich gedood door zich op te hangen of aarde te eten en er zijn er die hun pasgeboren kind de borst weigeren. Een Indiaanse vrouw, Juliana, heeft op een avond al de conquistador Nuño de Cabrera gedood en de anderen met luide kreten aangespoord haar voorbeeld te volgen.

 

 

Copla’s over de vrouwen

uit de Spaanse liederenbundel

 

Zoals de Moren

zeven vrouwen hebben,

zo willen de Spanjaarden

die er ook op nahouden.

Oh, wat een genot

dat Spanje nu ook

tot Morenland behoort!

Houden van een is geen,

houden van twee is bedrog,

maar houden van drie

en er vier misleiden

dat is hemel genot!

 

 

1556 La Imperial

Mariño de Lobera

 

Het paard, een vurige goudvos, bepaalt de richting en het ritme. Als hij wil galopperen, galoppeert hij. Hij zoekt het vrije veld en dartelt rond in het hoge gras, loopt naar de beek, keert weer terug, en gaat keurig stapvoets door de ongeplaveide straten van de nog jonge stad. Met losse teugel en zonder zadel rijdt Pedro Marino de Lobera rond en viert feest. Alle wijn die er in La Imperial aanwezig was stroomt door zijn aderen. Af en toe lacht hij even of maakt hij een opmerking. Het paard kijkt om en is het er mee eens.

Vandaag is het vier jaar geleden dat don Pedro het gevolg van de onderkoning in Lima verliet en de lange reis naar Chili ondernam. ‘Ik ben vier jaar,’ zegt don Pedro tegen zijn paard. ‘Vier jaartjes. Jij bent ouder en dommer.’

In die tijd heeft hij veel gezien en veel gevochten. Hij zegt dat in deze Chileense gebieden de vrolijkheid en het goud opschieten als de planten in andere streken. En wanneer er oorlog is, en die is er altijd, brengt de Maagd een dikke nevel om de Indianen het zicht te benemen en voegt de apostel Santiago zijn lans en zijn schimmel toe aan de krijgsmacht van de conquistadores. Niet ver van hier en nog maar kort geleden, toen de Araucaniërs met de rug tegen de zee stonden, heeft een geweldige golf hen overspoeld en verzwolgen.

Don Pedro denkt terug en vertelt en het paard knikt.

Een bliksemflits kronkelt plotseling door de lucht en de donder verdooft de aarde.

‘Het regent,’ stelt don Pedro vast. ‘Het regent melk!’

Het paard heft zijn mond en drinkt.

 

 

1558 Cañete

De oorlog gaat door

 

Capaulicán eindigt met honderd pijlen in zijn borst. De grote aanvoerder met het ene oog sneuvelt geveld door verraad. De maan placht stil te staan om zijn heldendaden te aanschouwen en er was niemand onder de mannen die niet van hem hield of hem niet vreesde, maar een verrader was sterker dan hij.

Vorig jaar is ook Lautaro door het verraad verrast.

‘En jij, wat doe jij hier?’ vroeg de aanvoerder van de Spanjaarden. ‘Ik kom je het hoofd van Lautaro brengen, ’ antwoordde de verrader. Lautaro trok niet aan het hoofd van de zijnen, in overwinnaarsmars, de stad Santiago binnen. Een lans, de langste van het Spaanse leger, droeg zijn hoofd van de berg Chilipirco naar Santiago.

Het verraad is een even vernietigend wapen als de tyfus, de pokken en de honger en teistert de Araucaniërs terwijl de oorlog hun oogsten en akkers vernietigt.

Maar de boeren en de jagers van deze Chileense streken hebben andere wapens. Nu berijden zij de paarden die hun vroeger vrees inboezemden: te paard vallen zij aan, een werveling van ruiters, en zij beschermen zich met kurassen van ruw leer. Zij kunnen de haakbussen afschieten die zij op het slagveld buitmaken en zij binden zwaarden aan de punt van hun lansen. In de ochtendnevel komen zij achter bewegende bosjes naderbij zonder dat zij worden gezien. Later geven zij voor zich terug te trekken, opdat de vijandelijke paarden in het moeras wegzinken of hun benen breken in verborgen valkuilen. De rookkolommen vertellen hun waar de Spaanse troepen zich bevinden: ze slaan toe en verdwijnen. Plotseling zijn zij weer terug en storten zich op hen wanneer de zon het hoogst staat en de soldaten staan te braden in hun wapenrusting. De lasso’s, die Lautaro heeft uitgevonden, laten de ruiters van hun paard tuimelen.

Daar komt nog bij dat de Araucaniërs vliegen. Voordat zij ten strijde trekken wrijven zij over hun lichaam met de veren van de snelste vogels.

 

 

Araucaans lied van de spookruiter

 

‘Wie is de man

die rijdt in de wind,

als een tijger,

met zijn lichaam als een schim?

Wanneer de eiken hem zien,

wanneer de mensen hem zien,

zeggen zij zachtjes

tegen elkaar:

‘Kijk, vriend, daar gaat

de geest van Caupolicán.’

 

 

1558 Michmaloyan

De tzitzime

 

Juan Teton, een Indiaanse prediker uit het dorp Michmaloyan in de vallei van Mexico, is gevangen en wordt gestraft, evenals de mensen die naar hem hebben geluisterd en zich zijn woorden hebben aangetrokken. Juan verkondigde het einde van een tijdkring en zei dat de kluistering van de jaren nabij was. Dan zal er, zei hij, volledige duisternis zijn, het groen zal verdorren en er zal honger heersen. Allen die zidi niet het hoofd wassen om de doop uit te wissen zullen in wilde dieren veranderen. De tzitzime, afgrijselijke zwarte vogels, zullen uit de hemel neerdalen en allen opvreten die het merkteken van de pastoors niet hebben weggenomen.

De tzitzime waren ook aangekondigd door Martín Océlotl, die werd gegrepen en gegeseld, van zijn bezittingen beroofd en uit Texcoco verbannen. Ook hij zei dat er geen licht zal zijn op het feest van het nieuwe vuur en er een einde aan de wereld zal komen door de schuld van hen die de leringen van hun vaders en hun grootvaders hebben vergeten en niet meer weten aan wie zij geboorte en groei te danken hebben. In de duisternis zullen de tzitzime op ons neerstrijken, zei hij, en vrouwen en mannen verslinden. Volgens Martín Océlotl zijn de paters-missionarissen vermomde tzitzime, vijanden van alle vrolijkheid, die niet weten dat wij zijn geboren om te sterven en dat wij na de dood genoegen noch vreugde zullen kennen.

En iets dergelijks oordelen over de paters ook de vroegere heren, die in Tlaxcala nog in leven zijn: 'Arme mensen,’ zeggen zij. ‘Arme mensen. Zij moeten wel ziek of gek zijn. Midden op de dag, midden in de nacht en een kwartier na het ochtendkrieken, wanneer iedereen zich verheugt, lamenteren en huilen zij. Een groot verdriet moeten zij hebben. Het zijn mannen zonder verstand. Zij zoeken genoegen noch vrolijkheid, maar droefheid en eenzaamheid.’

 

 

1558 Yuste

Wie ben ik? Wie zal ik zijn geweest?

 

Ademen is een wapenfeit en zijn hoofd brandt. Zijn voeten, opgezwollen door de jicht, lopen niet meer. Liggend op het terras jaagt de man die monarch van de halve wereld is geweest, de narren weg en kijkt naar het vallen van de avond in deze vallei van Extremadura. De zon verdwijnt achter violetblauwe bergen en zijn laatste stralen geven een rood schijnsel aan de schaduwen boven het klooster van de orde van Sint Hiëronymus.

Als overwinnaar is hij vele steden binnengetrokken. Hij is toegejuicht en gehaat. Velen hebben hun leven voor hem gegeven, aan een veelvoud van hen is in zijn naam het leven ontrukt. Na veertig jaar reizen en oorlogvoeren zoekt de hoogste gevangene van zijn eigen rijk rust en vergetelheid. Vandaag heeft hij de dodenmis voor zichzelf laten opdragen. Wie ben ik, wie zal ik zijn geweest? In de spiegel heeft hij de dood zien binnenkomen. De leugenaar of de belogene?

Tussen de veldslagen door heeft hij, bij het licht van een kampvuur, meer dan vierhonderd leningen getekend met Duitse, Genuese en Vlaamse bankiers, en nooit hebben de galjoenen voldoende goud en zilver uit Amerika meegebracht. Hij die zoveel van muziek hield heeft meer kanongebulder en paardegehinnik dan melodieën op de luit gehoord, en na al die oorlogen erft zijn zoon Philips II een imperium dat bankroet is.

Door de mist was Karel uit het noorden naar Spanje gekomen toen hij zeventien was, gevolgd door zijn trouwe stoet van Vlaamse kooplieden en Duitse bankiers, in een eindeloze karavaan van karren en paarden. In die tijd kon hij nog niet eens een groet uitbrengen in de taal van Castilië. Maar morgen zal hij die kiezen om afscheid te nemen: ‘Ay, Jesús!’ zullen zijn laatste woorden zijn.

 

 

1559 Mexico Stad

De treurenden

 

De adelaar van de Spaanse koningen spreidt zijn vleugels tegen de heldere hemel van de hoogvlakte. Op een zwart kleed, omgeven door vlaggen, schittert de kroon. De grafheuvel is een eerbewijs aan Karel V en ook aan de dood, die een zo onoverwinnelijke monarch overwon.

De kroon, een exacte kopie van het exemplaar dat de keizer van Europa droeg, is gisteren door de straten van Mexico gedragen. Op een kussen van damast is hij in processie meegevoerd. De menigte liep er biddend en zingend achteraan, terwijl van alle kerken de doodsklok werd geluid. Te paard trokken de notabelen voorbij, zwart satijn, zwart brocaat, capes van zwart fluweel met borduursel van goud- en zilverdraad, en onder een draaghemel liepen de aartbisschop en de bisschoppen met hun luisterrijke mijters in wolken wierook. Al enkele nachten slapen de kleermakers niet. De gehele kolonie gaat in rouw gekleed.

In de buitenwijken zijn de Azteken ook in de rouw. Maandenlang, al bijna een jaar, zijn zij in de rouw. De pest doodt hen in groten getale. Een koorts, die voor de komst van de Spanjaarden onbekend was, laat het bloed uit neus en ogen vloeien en doodt.

 

 

Raadgevingen van de wijze mannen der Azteken

 

Nu je met eigen ogen kijkt,

weet wel.

Hier is het zo: er is geen vreugde,

er is geen geluk.

Hier op aarde is de plaats van vele tranen,

de plek van grote vermoeidheid

en waar droefheid en verslagenheid

maar al te bekend zijn.

Een grauwe wind blaast

en strijkt op ons neer.

De aarde is een plaats van smartelijke vreugde,

van vreugde die bedroeft.

 

Maar ook al was dit zo,

al was het waar dat er slechts lijden is,

al was het zo gesteld op aarde,

is het dan nodig altijd bang te zijn?

is het dan nodig altijd te beven?

is het dan nodig altijd te huilen?

 

Opdat wij niet jammerend door het leven gaan,

opdat de droefheid ons nooit verzadige,

heeft Onze Heer ons

de lach, de droom, het voedsel,

onze kracht gegeven,

en ten slotte

de daad van de liefde

die mensen zaait.

 

 

1560 Huexotzingo

De beloning

 

De Indiaanse hoofden van Huexotzingo dragen nu de namen van hun nieuwe heren. Zij heten Felipe de Mendoza, Hernando de Meneses, Miguel de Alvarado, Diego de Chaves of Mateo de la Corona. Maar zij schrijven in hun eigen taal, het Nahuatl, en in die taal richten zij zich in een lange brief tot de koning van Spanje: Ongelukkig zijn wij, arme vazallen van u in Huexotzingo...

Zij leggen Philips II uit dat zij niet op een andere manier bij hem kunnen komen, omdat zij niets hebben om de reis mee te betalen, en per brief vertellen zij hun geschiedenis en formuleren zij hun eis. Hoe kunnen wij spreken? Wie zal er voor ons spreken? Ongelukkig zijn wij. Nooit hebben zij oorlog gevoerd tegen de Spanjaarden. Honderd kilometer hebben zij gelopen naar Hernan Cortés en zij hebben hem omhelsd, zij hebben hem gevoed, zij hebben hem gediend, en zij hebben zijn zieke soldaten gedragen. Zij hebben hem mannen en wapens en hout gegeven om de brigantijnen te bouwen die Tenoch-titlan hebben overvallen. Toen de hoofdstad van de Azteken was gevallen, hebben de mannen van Huexotzingo vervolgens aan de zijde van Cortés gestreden bij de verovering van Michoacan, Jalisco, Colhuacan, Panuco, Oaxaca, Tehuantepec en Guatemala. Velen zijn gestorven. En daarna, toen ons werd gezegd dat wij de stenen moesten breken en de houten beelden moesten verbranden, die wij aanbaden, hebben wij dat gedaan en hebben wij onze tempels verwoest... Alles wat ons is bevolen hebben wij gehoorzaam gedaan.

Toen de Spanjaarden kwamen was Huexotzingo een onafhankelijk koninkrijk. Zij hadden de Azteken nooit schatting betaald. Onze vaders, grootvaders en voorouders kenden geen schatting en zij betaalden die aan niemand.

Nu echter eisen de Spanjaarden een zo hoge schatting in geld en maïs dat wij tegenover Uwe Majesteit verklaren dat het niet lang zal duren of onze stad Huexotzingo verdwijnt en sterft.

 

 

1560 Michoacan

Vasco de Quiroga

 

Primitief christendom, primitief communisme: de bisschop van Michoacan stelt de leefregels op voor zijn evangelische gemeenschappen. Bij het stichten ervan heeft hij zich laten inspireren door Utopia van Thomas More, door de bijbelse profeten en door de aloude tradities van de Indianen in Amerika.

De door Vasco de Quiroga in het leven geroepen dorpen, waar niemand de baas is van iemand of iets en waar honger en geld onbekend zijn, vermenigvuldigen zich niet over heel Mexico, zoals hij zou willen. De Raad van Indië zal de projecten van de dwaze bisschop nooit serieus nemen en zelfs geen blik werpen in de boeken die deze hardnekkig in zijn aandacht aanbeveelt. Maar de utopie is wel teruggekeerd naar Amerika, waar haar oorspronkelijke werkelijkheid lag. Het droombeeld van Thomas More heeft vorm gekregen in de kleine solidaire wereld van Michoacan, en de Indianen van hier zullen in de jaren die komen de herinnering bewaren aan Vasco de Quiroga, de bevlogene, die zijn blik richtte op de vervoering om verder te zien dan de tijd van de schande.

 

 

1561 Villa de los Bergantines

Amerika’s eerste onafhankelijkheidsverklaring

 

Gisteren is hij gekroond. De apen keken nieuwsgierig toe vanuit de bomen. Uit de mond van Fernando de Guzman droop guanabanasap en er stonden zonnen in zijn ogen. Een voor een knielden de soldaten voor de troon van hout en stro, kusten de hand van de gekozene en zwoeren hem gehoorzaamheid. Daarna werd de akte getekend, met een naam of een kruisje, door allen die niet vrouw, bediende, Indiaan of neger waren. De schrijver legde getuigenis af en zo was de onafhankelijkheid uitgeroepen.

De zoekers naar Eldorado hebben nu, diep in het oerwoud, hun eigen monarch. Niets bindt hen nog aan Spanje, tenzij de wrok. Zij hebben hun onderdanigheid geweigerd aan de koning aan de andere kant van de zee.

‘Ik ken hem niet!’ schreeuwde Lope de Aguirre, vel over been en een en al woede, gisteren, terwijl hij zijn verroeste zwaard omhoog stak. ‘Ik ken hem niet en wil hem niet kennen of als koning hebben of gehoorzamen!’

Het hof installeert zich in de grootste hut. Bij het licht van een kandelaar eet vorst Fernando onophoudelijk met honing bedekte yucakoekjes. Hij wordt bediend door zijn pages, de opperschenker, de bokaalvuller, de spijzenbediende. Tussen de koekjes door geeft hij opdrachten aan zijn secretarissen, dicteert hij decreten aan zijn schrijvers en verleent hij audiënties en gunsten. De schatmeester van het koninkrijk, de kapelaan, de hofmaarschalk en de hofmeester dragen rafelige wambuizen en hebben opgezwollen handen en gebarste lippen. De hoofdofficier is Lope de Aguirre, mank, eenogig, bijna een dwerg, verbrande huid, die ’s nachts samenzweert en overdag de bouw van de brigantijnen leidt.

De slagen van de bijlen en de hamers weerklinken. De stromingen van de Amazone hebben de schepen in stukken geslagen, maar op het zand verrijzen reeds twee nieuwe kielen. Het oerwoud biedt goed hout. Met het leer van de paarden hebben zij blaasbalgen gemaakt en van hun hoefijzers de nagels, de bouten en de scharnieren. Belaagd door muggen en muskieten, omgeven door de dampen van vocht en koorts, wachten de mannen op de voltooiing van de brigantijnen. Zij eten gras en het vlees van gieren, zonder zout. Er zijn geen honden of paarden meer en de vishaken halen slechts modder en verrotte algen op, maar niemand in het kamp twijfelt eraan dat het uur van de vergelding is aangebroken. Maanden geleden zijn zij uit Peru weggegaan, op zoek naar het meer waarin volgens de legende massief gouden afgodsbeelden zo groot als jongens liggen, en naar Peru willen zij nu terugkeren, op voet van oorlog. Zij zullen geen dag meer verloren laten gaan met het zoeken naar het beloofde land, want zij beseffen dat zij dat al kennen, en zij hebben er genoeg van hun ongeluk te vervloeken. Zij zullen de Amazone afvaren, zij zullen de oceaan opgaan, zij zullen het eiland Margarita bezetten, zij zullen Venezuela en Panama binnenvallen...

Zij die slapen dromen van het zilver van Potosí. Aguirre, die zijn overgebleven oog nooit sluit, ziet het wakend.

 

 

1561 Nueva Valencia del Rey

Aguirre

 

In het midden van het toneel komt Lope de Aguirre op, met een bijl in zijn hand en omgeven door dozijnen spiegels. Het profiel van koning Philips II, zwart, immens groot, tekent zich af tegen het achterdoek.

LOPE DE AGUIRRE (tot het publiek): Onze koers volgend en dood en verderf trotserend deden wij er tien en een halve maand over om de monding te bereiken van de Amazone-rivier, een grote en ontzagwekkende en onzalige rivier. Daarna namen wij bezit van het eiland Margarita. Daar heb ik vijfentwintig verraders aan de galg of aan de worgpaal gebracht. En daarna hebben wij ons een weg gebaand op het vasteland. De soldaten van koning Philips sidderen van angst! Spoedig zullen wij Venezuela verlaten... Spoedig zullen wij zegevierend het koninkrijk Peru binnentrekken! (Hij draait zich om en ziet zijn eigen beklagenswaardige beeld in de spiegels.) Ik heb don Fernando de Guzman koning gemaakt aan de oevers van de Amazone! (Hij heft de bijl en slaat de spiegel in stukken). Ik heb hem koning gemaakt en ik heb hem dood gemaakt! En de kapitein van zijn wacht en de luitenant-generaal en vier kapiteins! (Terwijl hij spreekt verbrijzelt hij alle spiegels, de eén na de ander.) En zijn hofmaarschalk en zijn kapitein-geestelijke voor de mis!... En een vrouw van het verbond tegen mij en een commandeur uit Rhodos en een admiraal... en nog zes anderen van het verbond!... En ik benoemde nieuwe kapiteins en een sergeant-majoor! En zij wilden mij doden en ik heb hen opgehangen! (Hij slaat de laatste spiegels kapot.) Allemaal! Allemaal!... (Buiten adem gaat hij op de met glasscherven bezaaide grond zitten. De bijl rechtop in zijn vuisten. Wezenloze blik. Lange stilte.) In mijn jeugd stak ik de oceaan over naar de streken van Peru, omdat ik meer kon met de lans in mijn hand... Een kwart eeuw!... Mysteries, misère... Ik wroette begraafplaatsen om en haalde er voor anderen zilverwerk en gouden bekers uit... Ik richtte galgen op in het midden van ongeboren steden... Te paard achtervolgde ik hele menigten... De Indianen vluchtten ontzet dwars door de vlammen... Heren met indrukwekkende titels en geleende zijden kleren, zonen van naam, zonen van niemand, zieltogend in het oerwoud, in razernij hun tanden in de aarde zettend, hun bloed vergiftigd door de werpsperen... In het hooggebergte, krijgslieden met stalen wapenrusting tot op het bot doorsneden door sneeuwstormen die heviger zijn dan welk schot met de haakbus ook... Velen hebben hun einde gevonden in de maag van de gieren... Velen zijn geel geworden als het goud dat zij zochten... De huid geel, de ogen geel... En het goud... (Hij laat de bijl vallen. Met moeite opent hij zijn handen. Hij toont zijn handpalmen.) Vervlogen... Schaduw geworden of dauw... (Kijkt verdoofd. Blijft heel lang stil. Staat opeens op. Met zijn rug naar het publiek heft hij zijn pezige vuist naar de enorme schaduw van Philips II, die met puntbaard op het achterdoek is geprojecteerd.) Weinige koningen gaan naar de hel, omdat jullie met weinigen zijn! (Hij loopt naar het achterdoek, trekkend met zijn manke been.) Ondankbare! Ik heb mijn lichaam verloren door jou tegen de opstandelingen van Peru te verdedigen! Ik heb je een been en een oog gegeven en deze handen die nog weinig voor mij kunnen doen! Nu ben ik de opstandeling! Opstandeling tot de dood er op volgt door jouw ondankbaarheid! (Hij keert zich naar het publiek, trekt zijn zwaard.) Ik, vorst van de opstandelingen! Lope de Aguirre de Pelgrim, Toorn van God, Aanvoerder van de gekrenk-ten! Wij hebben jou niet nodig, koning van Spanje! (Naar verschillende punten op het toneel worden gekleurde lichtbundels ontstoken.) Geen minister van je zullen wij in leven laten! (Met het zwaard in de hand stort hij zich op een bundel roodachtig licht.) Aanklagers, rechters, gouverneurs, onderkoningen! Oorlog op leven en dood tegen de hofkliek! (De lichtbundel blijft op dezelfde plaats, ongevoelig voor het zwaard dat hem doorsnijdt.) Overweldigers! Dieven! (Het zwaard doorklieft de lucht.) Jullie hebben Indië vernietigd! (Hij hakt in op een gouden lichtbundel.) Advocaten, notarissen, pennelikkers! Hoe lang moeten wij jullie diefstallen in deze door ons veroverde gebieden nog verdragen? (De houwen gaan door een bundel wit licht.) Paters, bisschoppen, aartsbisschoppen! Niet één arme Indiaan willen jullie begraven! Uit boetedoening hebben jullie in de keuken een dozijn meiden! Handelaars! Handelaars in sacramenten! Oplichters! (En zo gaat het vergeefse maaien met het zwaard door tegen de onaandoenlijke lichtbundels, die zich op het toneel verveelvoudigen. Aguirre’s bewegingen worden zwakker en hij wordt steeds kleiner en eenzamer.)

 

 

1561 Nueve Valencia del Rey

Uit de brief van Lope de Aguirre aan koning Philips II

 

...In dit koninkrijk hebben wij reeds terdege begrepen hoe wreed je bent en welk een schender van trouw en woord, en zo hechten wij in dit land minder geloof aan je beloften dan aan de boeken van Maarten Luther, want je onderkoning Marqués de Canete heeft Martín de Robles opgehangen, een uitnemend man in je dienst, en de dappere Tomds Vdzquez, veroveraar van Peru, en de ongelukkige Alonso Diaz, die zich meer heeft ingespannen voor het ontdekken van dit koninkrijk dan de verspieders van Mozes in de woestijn...

Bedenk wel, Spaanse Koning, dat je wreed noch ondankbaar moet zijn jegens je dienaren, want terwijl je vader en jij onbezorgd in je koninkrijk in Spanje verkeerden, hebben je dienaren je ten koste van hun bloed en goed zoveel koninkrijken en heerlijkheden gegeven als je in deze streken bezit, en bedenk wel, koning en heer, dat je niet met de pretentie van rechtvaardig koning enige opbrengst kunt weghalen uit deze streken, waar je niets hebt gewaagd, zonder eerst te hebben beloond wie er hebben gewerkt en gezweet...

Ach, ach, welk een grote rampspoed dat je vader de Keizer met de krachten van Spanje het superbe Germania heeft veroverd en zoveel geld heeft verspild, dat uit dit door ons ontdekte Indië is gekomen, en dat je zelfs het medelijden met onze ouderdom en vermoeidheid niet hebt om onze honger voor één dag te stillen!...

 

 

1561 Barquisimeto

De orde hersteld

 

Verlaten door de zijnen, die het pardon of de genade van de koning hebben verkozen, doodt Lope de Aguirre zijn dochter Elvira met vele dolksteken, opdat zij niet tot matras van schurken zal dienen, en gaat voor zijn beulen staan. Hij laat hen beter richten, zo niet, slecht schot, en valt zonder zijn ziel aan God op te dragen.

Wanneer Philips II, op zijn troon ver van hier gezeten, de briefleest, is het hoofd van Aguirre op een piek gezet, als een waarschuwing aan alle pionnen van de ontwikkeling in Europa.

 

 

1562 Maní

Het vuur vergist zich

 

Pater Diego de Landa werpt de boeken van de Maya’s stuk voor stuk in de vlammen.

De inquisiteur vervloekt Satan en het vuur knettert en verslindt. Rondom de brandplaats gillen de ketters met het hoofd omlaag. Aan de voeten opgehangen, door zweepslagen gevild, worden de Indianen met kokende was overgoten, terwijl de vlammen oplaaien en de boeken kraken, als een jammerklacht.

Deze avond vergaan acht eeuwen Maya-literatuur tot as. In deze lange vellen papier van boomschors spraken de tekens en de beelden: zij vertelden over de werkzaamheden en de dagen, de dromen en de oorlogen van een vóór Christus geboren volk. Met penselen van varkenshaar hadden de kenners van de dingen deze verluchte, verlichtende boeken geschilderd, opdat de kleinkinderen van de kleinkinderen niet blind zouden zijn en zichzelf en hun geschiedenis zouden kunnen zien, opdat zij de beweging van de sterren zouden kennen, de frequentie van de zons- en maansverduisteringen, en de profetieën van de goden, en opdat zij de regens en de goede maïsoogsten zouden kunnen oproepen.

In het midden verbrandt de inquisiteur de boeken. Rondom het enorme vuur straft hij de lezers. Onderwijl drinken de schrijvers, priester-kunstenaars die reeds jaren of eeuwen dood zijn, chocola in de frisse schaduw van de eerste boom van de wereld. Zij zijn gerust, omdat zij zijn gestorven in de wetenschap dat de herinnering niet in brand wordt gestoken. Zal dan niet door alle tijden heen worden gezongen en gedanst wat zij hadden geschilderd?

Wanneer haar papieren huisjes worden verbrand vindt de herinnering een wijkplaats in de monden die de glorie van de mensen en de goden bezingen, zangen die van mens op mens overgaan, en in de lichamen die dansen op de tonen van de holle stammen, de schilden van de schildpad en de rieten fluiten.

 

 

1563 Fort Arauco

De geschiedenis die zal komen

 

De omsingeling worgt. In deze versterking, twee keer verbrand en opgebouwd, is bijna geen water meer. Spoedig zal men het weinige dat men pist moeten drinken. Er zijn zoveel pijlen neergekomen dat de Spanjaarden ze als brandhout gebruiken om op te koken.

De aanvoerder van Araucaniërs komt op zijn paard tot aan de voet van de muur:

‘Kapitein! Hoor je me?’

In de hoogte verschijnt Lorenzo Bernal.

De Indiaanse aanvoerder kondigt aan dat zij rondom het fort een kring van stro zullen leggen en die in brand zullen steken. Hij zegt dat in Concepción geen man het er levend van af heeft gebracht. ‘Nee!’ schreeuwt Bernal.

‘Geef u over, kapitein! U komt er niet uit!’

‘Nee! Nooit!’

Het paard verheft zich op zijn achterbenen.

‘Dan zult u sterven!’

‘Dan zullen wij sterven,’ zegt Bernal, en schreeuwt: ‘Maar op de lange duur zullen wij de oorlog winnen! Wij zullen met steeds meer zijn!’

De Indiaan antwoordt met een schampere lach.

‘Met welke vrouwen?’ vraagt hij.

‘Als er geen Spaanse zijn nemen we die van jullie,’ zegt de kapitein langzaam, genietend van zijn woorden, en voegt er aan toe:

’En wij zullen hun zonen geven die jullie meesters zullen zijn.’

 

 

1564 Plymouth

Hawkins

 

De vier schepen onder bevel van kapitein John Hawkins wachten het ochtendtij af. Zodra het hoog water is zullen zij koers zetten naar Afrika om er op de kust van Guinea mensen te jagen. Vandaar zullen zij naar de Antillen stevenen om de slaven te ruilen voor suiker, huiden en parels.

Een paar jaar geleden heeft Hawkins ditzelfde traject voor eigen rekening gevaren. Op een schip met de naam Jezus verkocht hij in Santo Domingo als smokkelwaar driehonderd negers. Koningin Elizabeth werd woedend toen zij het hoorde, maar haar boosheid was verdwenen zodra zij het batig saldo van de reis vernam. In een ommezien was zij zakelijk deelgenote van de koene zeerob uit het graafschap Devon, en de graven van Pembroke en Leicester en de burgemeester van Londen kochten de eerste aandelen van de nieuwe onderneming. Terwijl de matrozen de zeilen hijsen, spreekt kapitein Hawkins hen vanaf de brug toe. De Britse vloot zal zijn woorden in de komende eeuwen tot de hare maken:

‘Dien God iedere dag!,’ beveelt Hawkins met luide stem. ‘Heb elkander lief Wees zuinig nietje rantsoenen! Wees voorzichtig met vuur! Beweeg je in goed gezelschap!’

 

 

1564 Bogotá

Ongelukjes in het huwelijksleven

 

‘Zeg eens. Zie je wat aan mij?’

‘Ja, een beetje.’

‘Een beetje wat?’

‘Een beetje dik, mevrouw, neem mij niet kwalijk.’

‘Eens kijken of je het raadt. Ben ik dik van het eten of van het lachen?’ ‘Van het liefhebben, denk ik, en dat zeg ik niet om u te beledigen.’ ‘Helemaal niet. Daarom heb ik je juist laten komen...’

Mevrouw is zeer bezorgd. Haar lichaam, niet in staat op de afwezige echtgenoot te wachten, heeft weinig geduld getoond, en iemand heeft haar verteld dat de bedrogene onderweg is naar Cartagena. Als hij haar buik ziet... Waartoe zal die rechtlijnige man niet in staat zijn, die hoofdpijn geneest door het hoofd af te hakken?

‘Daarom heb ik je laten komen, Juana. Je moet mij helpen, jij die zo slim bent en wijn kunt drinken uit een leeg glas. Zeg mij, reist mijn man mee op de Cartageense vloot?’

In een zilveren waskom roert de negerin Juana García water, aarde, bloed en mierikswortel dooreen. Zij stopt er een groen boekje in en laat het ronddrijven. Dan steekt zij haar neus er in.

‘Nee,’ deelt zij mee, ‘hij komt niet. En als u uw man wilt zien moet u ook komen kijken.’

De dame buigt zich over de lampetkom. Bij het kaarslicht ziet zij hem. Hij zit naast een mooie vrouw in een ruimte met veel zijde, terwijl iemand een japon van gegarneerde stof knipt.

‘Oh, de huichelaar! Vertel mij, Juana, waar is dat?’

‘Het huis van een kleermaker op het eiland Santo Domingo.’

In het troebele water verschijnt het beeld van de kleermaker, terwijl hij bezig is een mouw te knippen.

‘Zal ik hem pakken?’ stelt de negerin voor.

‘Ja, pak hem maar.’

Haar hand komt uit de waskom met een druipende mouw van fijn laken in haar vingers.

De dame beeft, maar van woede.

‘Hij verdient nog veel meer dikke buiken, de schooier!’

In een hoek ligt een hondje met halfopen ogen zacht te snurken.

 

 

1565 Op weg naar Lima

De spion

 

Op de haciënda van don Antonio Solar zijn meloenen gegroeid zo groot als de zon. Het is de eerste keer dat deze uit Spanje gebrachte vruchten hier zijn gekweekt, en de opzichter zendt zijn meester voor diens genoegen en om zijn ijdelheid te strelen tien van de mooiste exemplaren. De buitengewone grootte van deze meloenen is alleen te vergelijken met de omvang van de ramenassen uit de Cuzapa-vallei, waarvan wordt gezegd dat je vijf paarden aan de spruiten kunt vastmaken.

Twee Indianen brengen de offergave van de opzichter in evenveel zakken naar Lima. Hij heeft hen een brief meegegeven om die met de meloenen aan don Antonio Solar te geven.

‘Als jullie een meloen opeten,’ heeft hij hen gewaarschuwd, ‘zal deze brief dat vertellen. ’

Halverwege, wanneer zij op zo’n tien kilometer van Ciudad de los Reyes zijn gekomen, gaan de Indianen bij een riviertje zitten om uit te rusten.

‘Wat voor smaak zouden die rare vruchten wel hebben?’

‘Ze zeggen dat ze heel lekker zijn.’

‘En als we er nu eens van proeven? Eén meloen. Eentje maar.’

'De brief zal het verklappen, ’ zegt een van de Indianen.

Zij kijken naar de brief, zij verafschuwen hem. Zij zoeken een gevangenis voor hem en verbergen hem achter een rots, waar hij niets kan zien. Met gretige happen verorberen zij een meloen, vruchtvlees van suikerwater, nooit gedroomde lekkernij, en om ieders last gelijk te maken eten zij er nog een op.

Dan halen zij de brief, stoppen hem tussen hun kleren, gooien de zak meloenen over hun schouder en vervolgen hun weg.

 

 

1565 Yauyos

Die steen ben ik

 

De gerechtsdienaar des konings wacht op de heks, bedreven in kwade praktijken, die voor hem moet verschijnen om verantwoording af te leggen. Aan zijn voeten ligt het stenen afgodsbeeld met het gezicht naar de grond gekeerd. De heks werd verrast, toen zij het beeld heimelijk wegstopte en spoedig zal zij voor haar ketterij moeten boeten. Maar alvorens haar te straffen wil de dienaar uit haar eigen mond horen hoe zij haar gesprekken met de duivel opbiecht. In afwachting van haar komst doodt hij de tijd met wat tegen het beeld te trappen en te peinzen over wat er van deze Indianen moet worden, waarvan het God berouwt dat hij ze ooit heeft gemaakt.

De soldaten sleuren de heks binnen en laten haar sidderend bij de deur staan.

Dan begroet het oude lelijke beeld in de Quechua-taal de oude lelijke heks:

‘Welkom prinses,’ zegt de hese stem vanaf de schoenzolen van de dienaar van de koning.

Deze is met stomheid geslagen en valt languit op de grond.

Terwijl zij hem met een hoed koelte toewuift, pakt de oude vrouw de in zwijm gevallen man bij zijn jas en roept: ‘Straf mij niet, mijnheer, maak hem niet stuk!’

Zij zou hem willen uitleggen dat in die steen de godheden wonen en dat zij zonder het beeld niet zou weten hoe zij heet, noch wie zij is, noch waar zij vandaan komt, en zij naakt en verloren over de wereld zou dwalen.

 

 

Gebed van de Inca’s, zoekend naar God

 

Hoor mij aan,

vanuit de bovenzee waar je verblijft;

vanuit de onderzee waar je bent.

Schepper van de wereld

boetseerder van de mens,

Heer van alle Heren,

jou zoek ik

met mijn ogen die wanhopig verlangen je te zien

of louter begeren je te kennen

want als ik je zie,

als ik je ken,

als ik je beschouw,

als ik je begrijp,

zul jij mij zien en zul jij mij kennen.

De zon, de maan,

de dag,

de nacht,

de zomer,

de winter,

gaan niet vergeefs,

in vaste regelmaat,

naar de aangewezen plaats

en komen te bestemder tijd aan.

Je koninklijke scepter

neem je overal met je mee.

Hoor mij aan,

luister naar mij.

Laat mij niet moe worden,

laat mij niet doodgaan.

 

 

1565 Mexico Stad

Ceremonie

 

Het goudkleurige kleed schittert. Vijfenveertig jaar na zijn dood leidt Moctezuma de processie. Stapvoets betreden de ruiters het grote plein van de stad Mexico.

De dansers dansen op het gedreun van de trommels en het geweeklaag van de schalmeien. Vele Indianen, in het wit gekleed, dragen een bos bloemen, andere houden enorme aardewerken schalen vast. De wolken wierook vermengen zich met de prikkelende geuren van de gerechten.

Voor het paleis van Cortés stapt Moctezuma van zijn paard.

De deur gaat open. Omgeven door zijn met lange, scherpe hellebaarden bewapende schildknapen verschijnt Cortés.

Moctezuma buigt het met goud, edelstenen en kleurige veren bekroonde hoofd. Geknield biedt hij hem bloemslingers aan. Cortés raakt zijn schouder aan. Moctezuma staat op. Met een traag gebaar neemt hij zijn masker af en onthult het krullende haar en de puntige snor van Alonso de Avila.

Alonso de Avila, heer van de galg en het mes, eigenaar van Indianen, landerijen en mijnen, betreedt het paleis van Martín Cortés, markies van de Oxacavallei. De zoon van de ene conquistador opent zijn huis voor de neef van de andere conquistador.

Vandaag begint officieel de samenzwering tegen de koning van Spanje. Niet alles is dansfeesten en partijen, kaarten en jagen in het leven van de kolonie.

 

 

1566 Madrid

De fanaticus van de menselijke waardigheid

 

Pater Bartolomé de Las Casas passeert de koning en de Raad van Indië. Met zijn tweeënnegentig jaar kan het hem weinig deren. Een halve eeuw lang levert hij strijd. Ligt in zijn daden niet de sleutel van zijn tragedie verborgen? Vele gevechten hebben zij hem laten winnen, hij is er zich al lange tijd van bewust, omdat het resultaat van de oorlog bij voorbaat vaststond. Zijn vingers gehoorzamen hem niet meer. Hij dicteert de brief. Zonder toestemming van wie dan ook richt hij zich rechtstreeks tot de Heilige Stoel. Hij verzoekt paus Pius V te bevelen dat de oorlogen tegen de Indianen worden beëindigd, en een einde te maken aan de plundering, waarvoor het kruis als dekmantel wordt gebruikt. Terwijl hij deze woorden dicteert, windt hij zich op, het bloed stijgt hem naar het hoofd en zijn stem, die zwak en schor wordt, breekt.

Plotseling valt hij op de grond.

 

 

1566 Madrid

Al verlies je, het is de moeite waard

 

De lippen bewegen, zeggen woorden zonder geluid.

‘Vergeef je mij, God?’

Pater Bartolomé vraagt clementie bij het Laatste Oordeel, omdat hij heeft geloofd dat de negerslaven en de Moorse slaven het lot van de Indianen zouden verzachten.

Hij ligt languit, zijn voorhoofd is vochtig, bleek, en zijn lippen bewegen onophoudelijk.

Een donderslag rolt langzaam nader uit de verte. Pater Bartolomé, gever van leven, man van de daad, sluit de ogen. Hoewel hij altijd hardhorend is geweest, hoort hij de regen op het dak van het klooster van Atocha. De regen maakt zijn gezicht nat. Hij glimlacht.

‘Dank je,’ zeggen zijn lippen in stilte, terwijl hij bij het licht van glimwormen en vuurvliegjes zijn gebeden leest, bespat door de regen die op het dak van palmbladeren neerslaat.

‘Dank je,’ zegt hij, terwijl hij onder een afdak zonder wanden de mis opdraagt en in de rivier naakte kinderen doopt.

De priesters slaan een kruis. De laatste korrels van de zandloper zijn gevallen. Iemand draait hem om opdat de tijd niet worde onderbroken.

 

 

1568 Los Toques

Guaicaipuro

 

Nooit meer zal de rivier zijn gezicht, zijn hoge vederdos, weerspiegelen.

Deze keer hebben de goden niet geluisterd naar zijn vrouw Urquia, die vroeg dat de kogels en de ziekten hem niet zouden raken en dat de slaap, broeder van de dood, nooit zou vergeten hem na iedere nacht aan de wereld terug te geven.

Met kogels hebben de indringers Guaicaipuro geveld.

Vanaf de dag dat de Indianen hem tot aanvoerder hadden gekozen was er geen respijt geweest in deze vallei noch in het bergland van Avila. In de pas gestichte stad Caracas sloegen de mensen een kruis wanneer zij, zachtjes, zijn naam zeiden.

Tegenover de dood en zijn dienaren is de laatste van de vrijen gevallen met de kreet doodt mij, doodt mij, bevrijdt u van de angst.

 

 

1568 Mexico Stad

De zonen van Cortés

 

Martín heet de oudste zoon van Hernán Cortés, natuurlijk kind geboren uit de Indiaanse vrouw Malinche. Bij zijn dood het zijn vader hem een mager jaargeld na.

Martín heet ook de wettige zoon van Hernán Cortés, geboren uit een Spaanse vrouw, dochter van een graaf en nicht van een hertog. Deze Martín heeft het wapen en het fortuin geërfd: hij is markies van de vallei van Oaxaca en eigenaar van duizenden Indianen en hectaren in dit land, dat zijn vader had vernederd en liefgehad en gekozen om er voor altijd te rusten.

In een zetel van karmijnrood fluweel en met gouden randen placht Martín, de markies, zich door de straten van Mexico te laten dragen. Achter hem kwam zijn wacht in rood livrei en met zwaarden gewapend. Wie hem tegenkwam ontblootte het hoofd, betuigde hem beleefd zijn complimenten en sloot zich bij het gevolg aan. De andere Martín, de bastaard, maakte deel uit van de stoet.

Martín, de markies, wilde met Spanje breken en zich tot koning van Mexico uitroepen. Toen het komplot mislukte, stamelde hij wat spijtbetuigingen en gaf namen door. Zij spaarden hem het leven. Martín, de bastaard, die zijn broer in de samenzwering en in alle andere zaken heeft gediend, kronkelt nu op de pijnbank. Aan zijn zijde noteert de schrijver: Hij werd ontkleed en onder de buikriem gelegd. Vermaand zijnde, zei hij dat hij niemand iets schuldig was.

De beul draait het wiel een slag rond. De koorden breken zijn vlees en rekken zijn botten.

De schrijver noteert: Hij wordt opnieuw vermaand. Hij zegt dat hij niet meer heeft te zeggen dan hij heeft gezegd.

Tweede draai aan het wiel. Derde, vierde, vijfde.

 

 

1569 Havanna

Sint Simon tegen de mieren

 

De mieren zijn een plaag voor de stad en vernielen de akkers. Menige vastslapende inwoner hebben zij al via de navel verslonden.

In buitengewone zitting bijeen besluiten de autoriteiten van Havanna de hulp van een beschermheilige in te roepen tegen de termieten en andere schadelijke mieren.

Ten overstaan van de eerwaarde Alonso Alvarez wordt de loting tussen de twaalf apostelen verricht. De begunstigde blijkt Sint Simon, die zij tot pleitbezorger nemen om te bemiddelen bij God Onze Heer opdat hij mensen, huizen en landerijen van deze stad en haar ommelanden van alle mieren verlosse.

Als vergoeding zal de stad jaarlijks ter ere en verering van de gezegende Sint Simon een feest aanrichten, met vesperzang, een bijzondere mis, een processie met verplichte deelname en een stierengevecht.

 

 

1571 Mexico Stad

Gij zult uw naaste aangeven

 

Van de balkons hangen wapenschilden, kleurige kleden, fluwelen doeken, vlaggen. De wapenrusting van de heer van Santiago schittert, wanneer hij zijn vaandel voor de onderkoning laat neigen. De schildknapen heffen hun grote bijlen rondom het op een podium opgerichte enorme kruis.

De inquisiteur-generaal is uit Madrid gekomen. Aangekondigd door keteltrommen en bazuinen nadert hij op de rug van een muildier met kostbaar siertuig te midden van een menigte zwarte kappen en brandende kaarsen.

Onder zijn hoogste gezag zullen de ketters worden gemarteld of verbrand. Eeuwen eerder heeft paus Innocentius IV bevolen de moordenaars van de zielen en de dieven van het geloof van Christus door foltering te pijnigen, en veel later heeft paus Paulus III verboden dat de foltering langer dan een uur zou duren. Sindsdien onderbreken de inquisiteurs hun werk ieder uur voor korte tijd. De zojuist in Mexico aangekomen inquisiteur-generaal zal er op toezien dat bij de executies nooit vers hout wordt gebruikt, opdat de stinkende rook de lucht in de stad niet zal bederven, en hij zal verordenen dat zij op dagen met heldere hemel plaatsvinden zodat iedereen er naar kan komen kijken. Met de Indianen zal hij zich niet bezighouden, omdat zij nieuw zijn in het geloof, zwakke mensen van weinig waarde.

De inquisiteur-generaal neemt plaats naast de onderkoning. Hij wordt begroet door een kanonsalvo.

De trommels roffelen en de omroeper kondigt het algemeen geloofs-edict af. Het edict gelast dat allen aangeven wat zij weten of hebben gezien of gehoord, zonder man, vrouw, vader of enige andere persoon, hoe na hun deze ook moge staan, te sparen. Allen zijn verplicht levenden of doden aan te geven die ketterse, verdachte, verkeerde, vermetele, stuitende, aanstootgevende of godslasterlijke woorden of meningen hebben geuit of geloofd.

 

 

1571 Madrid

Wie is de schuldige, de misdadiger of de getuige?

 

De spiegel of het gezicht? De koning bedenkt zich geen twee keer. Per decreet beveelt hij de inbeslagneming van alle manuscripten die pater Bartolomé de Las Casas heeft nagelaten, opdat zij niet in handen vallen van slechte Spanjaarden of van de vijanden van Spanje. Philips II maakt zich vooral zorgen over de mogelijke publikatie of de verspreiding op welke wijze dan ook van zijn zeer omvangrijke werk Historia de las Indias, dat Las Casas niet heeft kunnen voltooien en dat, als gevangene achter slot en grendel, in het klooster van San Gregorio voortleeft.

 

 

I572 Cuzco

Túpac Amaru I

 

Zijn voeten slepen over het plaveisel. Op de rug van een dwergezel gaat Túpac Amaru met de strop om zijn nek naar het schavot. Voor hem uit verkondigt de omroeper dat hij een tiran en verrader is.

Op het grote plein neemt het tumult toe.

‘Inca, waarom nemen ze je mee om je hoofd af te hakken?’

Het zachte gepraat van de Indiaanse menigte gaat over in geschreeuw. ‘Laten zij ons allemaal doden!’ vragen de kreten van de vrouwen.

Op het schavot heft Túpac Amaru een hand, legt hem tegen zijn oor en brengt hem dan weer kalm omlaag. De menigte zwijgt.

Er heerst volledige stilte wanneer de sabel van de beul de nek klieft van de kleinzoon van Huaina Capác.

Met Túpac Amaru eindigen vier eeuwen dynastie van de Inca’s en bijna veertig jaar verzet in de bergen van Wilcabamba. De oorlogsstormen zullen niet meer onder het schorre gekreun van de grote schelpen over de vallei van Cuzco razen.

 

 

1572 Cuzco

Wat de overwonnenen geloven

 

Hij zal terugkeren en over de aarde gaan. De hoogste bergen weten het. Omdat zij het hoogst zijn kunnen zij verder zien en kunnen zij het weten.

Hij is de zoon geweest van de zon en van een onnozele vrouw.

De wind heeft hij opgesloten en de zon, zijn vader, heeft hij vastgebonden zodat de tijd zal voortduren.

Hen met zweepslagen voortdrijvend heeft hij stenen naar grote hoogte gebracht. Met die stenen heeft hij tempels en vestingen gebouwd. Waar hij is gegaan zijn de vogels gegaan. De vogels kwamen hem begroeten en verkwikten zijn pas. Door het lange lopen is er bloed gevloeid uit zijn voeten. Toen het bloed uit zijn voeten zich met de aarde vermengde, hebben wij geleerd die te bebouwen. Wij hebben leren spreken toen hij ons zei: ‘Spreekt.’ Hij is sterker en jonger geweest dan wij.

Niet altijd hebben wij vrees in ons hart gehad. Niet altijd zijn wij stuurloos voortgegaan, als een kevertje in het zand. Onze geschiedenis is lang. Onze geschiedenis is begonnen op de dag dat wij uit de mond, uit de ogen, uit de oksels en uit de vagina van de aarde zijn getrokken.

De broer van Inkarrí, Españarrí, heeft hem zijn hoofd afgerukt. Hij is het geweest. Het hoofd van Inkarri is veranderd in geld. Goud en zilver zijn ontsproten aan de darmen vol drek in zijn buik.

De hoogste bergen weten het. Het hoofd van Inkarrí wil naar de voeten groeien. Eens zullen zijn delen weer bij elkaar komen. Die dag zal hij bij het vallen van de avond ontwaken. Die dag zal hij, door de vogels gevolgd, over de aarde gaan.

 

 

1574 Mexico Stad

Het eerste kettergericht in Mexico

 

Sinds de omroepers het edict over het aangeven hebben verspreid, heeft het aanklachten geregend tegen ketters, bigamisten, heksen en godslasteraars.

Het kettergericht zal worden gehouden op de eerste zondag van de vasten. Van zonsopkomst tot het vallen van de nacht wijst de Rechtbank van het Heilig Officie vonnis tegen de uit de cellen en martelkamers gesleepte, verwrongen geesten. De beulen, omgeven door lansen en ovaties uit het publiek, werken hard op de weelderige stellage. ‘Nog niet eerder is een zo grote mensenmenigte toegestroomd naar enig openbaar feest of welke grote plechtigheid ook die in dit land heeft plaatsgevonden,’ zegt de onderkoning van Nieuw Spanje, die gezeten op zijn zetel van fluweel en met een kussen onder de voeten het spektakel bij woont.

Een zilversmid, een messemaker, een vergulder, een klerk en een schoenmaker worden gestraft met wakker blijven, de strop, de mond-prop, het jood zijn afzweren en tussen de honderd en tweehonderd zweepslagen omdat zij hadden gezegd dat simpele ontucht geen doodzonde was. Soortgelijke straffen krijgen verschillende bigamisten, onder wie de augustijner pater Juan Sarmiento, die met opengegeselde rug voor vijf jaar naar de galeien gaat. Honderd zweepslagen ontvangt de neger Domingo, hier geboren, omdat hij tot gewoonte heeft God te loochenen, en Miguel Franco, mesties, omdat hij zijn vrouw de biecht afnam. De Sevillaanse apotheker Gaspar de los Reyes kreeg er ook honderd, omdat hij had gezegd dat je beter in concubinaat kon leven dan getrouwd zijn en dat het de armen en verdrukten geoorloofd was voor geld meineed te plegen.

Naar de galeien, harde gevangenis van de verdorvenen, gaan verschillende lutheranen en joden die hun ketterij met de moedermelk hebben ingekregen, een stel Engelsen van de vloot van de piraat John Hawkins en een Fransman die de paus en de koning vadsige varkens heeft genoemd.

Op de brandstapel eindigen een Engelsman uit de mijnen van Guanajuato en een Franse barbier uit Yucatán hun ketterse dagen.

 

 

1576 Guanajuato

Wat de paters zeggen

 

Twintig jaar geleden is zij in Mexico gekomen. Twee duiven hebben haar naar Guanajuato geleid. Zonder een krasje is zij aangekomen, hoewel zij de zee is overgestoken en door de woestijn is getrokken en degenen die haar brachten zijn verdwaald. De koning heeft ons haar gezonden, uit dankbaarheid voor de rijkdommen die zonder ophouden in stromen uit de ingewanden van deze bergen vloeien. Meer dan acht eeuwen lang heeft zij in Spanje geleefd, in het geheim, verborgen voor de Moren, in een grot in Granada. Toen de christenen haar ontdekten en bevrijdden, vonden zij geen enkele wonde op haar houten lichaam. Ongedeerd bereikte zij Guanajuato. Ongedeerd gaat zij voort wonderen te doen. Onze Lieve Vrouwe van Guanajuato vertroost armen en rijken in hun armoede en tegen de kou beschermt zij wie onder de blote hemel of in een beschut paleis slapen. In haar oneindige verdraagzaamheid maakt zij geen onderscheid tussen slaven en meesters. Een ieder die haar hulp inroept ontvangt de goddelijke gunst.

Door haar goedertierenheid worden nu vele Indianen uit Guanajuato gered, die met berouw en geloof tot haar komen. Zij heeft het zwaard van de heer tegengehouden, dat met rechtvaardige toorn kastijdt in deze dagen van afgoderij en zonden van de Indianen in Mexico. De vertwijfelden, die tot haar hun smeekbeden hebben gericht en haar de verschuldigde offergave hebben geschonken, zijn niet door de pest aangeraakt.

In de overige streken sterft de Indiaan, die niet aan de tyfus overlijdt, van honger of verdriet. De lijken liggen op de velden en de pleinen, en vol doden liggen de huizen waar niemand is overgebleven om daarvan kennis te geven, omdat allen dood zijn. Door heel Mexico laat de pest zo’n stank van verrotting en verbranding opstijgen dat wij Spanjaarden de neus moeten bedekken.

 

 

1576 Xochimilco

Apostel Jakobus tegen de pest

 

Tot de zuigelingen toe heeft ieder hier schatting betaald, in geld en in maïs. Als de pest voortduurt, wie zal er dan nog betalen? Werklieden van hier hebben de kathedraal van Mexico gebouwd. Als de pest geen einde neemt, wie zal dan de akkers inzaaien? Wie zal er in de werkplaatsen spinnen en weven? Wie zal er kerken bouwen en straten plaveien?

In het klooster bespreken de Franciscanen de situatie. Van de dertigduizend Indianen, die er in Xochimilco waren toen de Spanjaarden kwamen, zijn er nog vierduizend over, en dat is ruim geschat. Velen sneuvelden terwijl zij aan de zijde van Hernán Cortés streden, mensen en streken voor hem veroverden. Nog meer stierven terwijl zij voor hem en voor Pedro de Alvarado werkten, en nog veel meer vallen nu ten prooi aan de epidemie.

Pater Jerónimo de Menieta, overste van het klooster, krijgt de reddende gedachte.

De loting wordt voorbereid. Een geblinddoekte koorknaap mengt op een zilveren schaal de lootjes door elkaar. Op elk lootje staat de naam geschreven van een heilige van beproefde positie aan het hemelse hof. De koorknaap kiest er een uit, pater Mendieta ontvouwt het papiertje en leest:

‘Het is de apostel Jakobus!’

Vanaf het balkon deelt hij de uitslag in hun taal aan de Indianen van Xochimilco mee. Geknield en met de armen ten hemel geheven spreekt de apokalyptische monnik.

‘Jakobus zal de pest verslaan!’

Hij belooft hem een altaar.

 

 

1577 Xochimilco

Sint Sebastiaan tegen de pest

 

Tijdens de harde jaren van de verovering was er in de graftombe van Jakobus wapengekletter te horen aan de vooravond van iedere slag en vocht de apostel op zijn schimmel, lans in de hand, mee met de troepen van de overweldigers. Het is duidelijk dat de apostel Jakobus de gewoonte heeft Indianen te doden, maar niet om ze te redden. De pest, die de Spanjaarden nauwelijks beroert, houdt nog steeds huis onder de Indianen van Xochimilco en de overige streken van Mexico. Wanneer de avond valt hoort pater Mendieta in zijn cel een geschreeuw en geweeklaag dat sterker is dan de engelenkoren.

Iemand moet bemiddelen bij de Heer, nu de apostel Jakobus zich niets van hen aantrekt, of Xochimilco heeft binnenkort geen Indiaan meer over. De Franciscanen gaan in bespreking en er wordt een nieuwe loterij gehouden. Het toeval wijst de gezegende Sint Sebastiaan als heilige pleitbezorger aan.

 

 

1579 Quito

De zoon van Atahualpax

 

Aan Beto, een Indiaanse priester in de streek Archidona, is de duivel verschenen in de gedaante van een koe die hem zei dat God erg boos was op de christenen en hen niet zou verdedigen. Guami, een Indiaanse priester in Tambisa, heeft vijf dagen in een andere wereld geleefd. Daar heeft hij wonderen gezien en naar God geluisterd en nu heeft hij de macht over de regen en het vermogen van de herrijzenis. Beto en Guami verkondigen dat de Indianen, die zich niet bij de opstand aansluiten, padden en slangen zullen oogsten op hun voor altijd onvruchtbare velden.

De profeten worden aanvoerders van vele lansen. Ten zuidoosten van Quito komen de Quijo-Indianen in verzet. De Indianen overvallen verschillende dorpen en wachten vergeefs op de opstand in de bergen. De zoon van de Inca, Francisco Atahualpa, aanvoerder van de Spaanse troepen, neemt de gezworenen van het bergland gevangen en verhindert de opstand. De Quijo-Indianen staan alleen.

Na enkele gevechten volgt de nederlaag. De Spanjaarden dwingen alle Indianen uit het gebied van Quijos en de omgeving van Quito aanwezig te zijn bij de executie van de profeten Beto en Guami. In een kar worden zij door de straten van Quito gevoerd, met gloeiende tangen worden zij gefolterd, zij worden opgehangen en gevierendeeld en de stukken worden het volk getoond. Vanaf zijn ereplaats woont kapitein Francisco Atahualpa de ceremonie bij.

 

 

1580 Buenos Aires

De stichters

 

Bijna een halve eeuw geleden zette een Spaanse kapitein vanuit Sevilla koers naar deze roemloze kust. Het hele fortuin dat hij bij de plundering van Rome had vergaard, stak hij in de expeditie.

Hier stichtte hij een stad, een door boerderijen omgeven fort, en van hieruit ging hij stroomopwaarts op zoek naar het zilvergebergte en het mysterieuze meer waar de zon slaapt.

Tien jaar eerder had Sebastian Gaboto de schatten van koning Salomo gezocht door deze Rio de la Plata, onkundig van zijn naam, op te varen, die slechts modder op de ene en zand op de andere oever heeft en naar andere rivieren leidt die naar het oerwoud leiden.

De stad van don Pedro de Mendoza had maar een kort bestaan. Terwijl zijn soldaten, gek van de honger, elkaar opaten, las de kapitein Vergilius en Erasmus en sprak hij woorden voor de onsterfelijkheid. Na korte tijd, toen de hoop op een tweede Peru vervlogen was, wilde hij naar Spanje terugkeren. Hij kwam er niet levend aan. Daarna kwam Alonso Cabrera, die Buenos Aires in naam van de koning in brand stak. Hij kon wel naar Spanje terugkeren. Daar doodde hij zijn vrouw en eindigde zijn dagen in een gekkenhuis.

Nu arriveert Juan de Garay uit Asunción. Santa María de los Buenos Aires wordt opnieuw geboren. Garay wordt vergezeld door een aantal Paraguyanen, zonen van conquistadores, die van hun Guaraní-moeders de eerste melk hebben gekregen en de inheemse taal die zij spreken.

Het in deze grond gestoken zwaard van Garay tekent de schaduw van het kruis. De stichters beven van kou en van angst. De wind maakt kreunende muziek in de boomtoppen en verderop, in de eindeloze stille vlakte, loeren de Indianen en de spoken.

 

 

1580 Londen

Drake

 

‘Op naar het goud van de galjoenen! Op naar het zilver van Potosí!’

‘De draak komt! ’ gilden de vrouwen en de kerken luidden de noodklok. In drie jaar is Francis Drake om de wereld gevaren. Hij is twee keer de evenaar gepasseerd en hij heeft Spanje’s zeeën geplunderd en van Chili tot Mexico havens en schepen leeggeroofd.

Nu keert hij terug met een enkel schip en achttien man die op sterven na dood zijn, maar hij brengt schatten mee die het in de expeditie geïnvesteerde kapitaal met honderdtwintig vermenigvuldigen. Koningin Elisabeth, de belangrijkste aandeelhoudster en degene die het plan heeft bedacht, maakt van de piraat een ridder. De ceremonie vindt plaats op het water van de Theems. In het zwaard dat hem tot ridder slaat zijn deze woorden van de koningin gegraveerd: Wie je slaat slaat mij, Drake. Geknield biedt hij Hare Majesteit een in de Stille Zuidzee geroofde broche met smaragden aan.

Boven nevel en roet uitgerezen, staat Elisabeth aan de top van het imperium dat hier ontstaat. Zij is de dochter van Hendrik VIII en Anna Bolein, die in de Tower of London werd onthoofd omdat zij haar als meisje ter wereld had gebracht. De Maagdelijke Koningin verslindt haar minnaars, tracteert haar hofdames op vuistslagen en spuugt op het vest van naar hovelingen.

Francis Bacon zal de filosoof en Lord Chancelor van het nieuwe imperium worden, William Shakespeare zijn dichter en Francis Drake kapitein van zijn schepen. De piraat Drake, bespotter van stormen en meester van zeilen en winden, beweegt zich aan het hof zoals hij in de mast of het want klautert. Stevig, gedrongen, vuurrode baard, aan zee geboren en in de vreze des Heren grootgebracht. De zee is zijn huis en nooit begeeft hij zich in de strijd zonder een bijbel tegen zijn borst gedrukt, onder zijn jas.

 

 

1582 Mexico Stad

Welke huidskleur hebben de leprozen?

 

De voortbewegende kaars schendt de duisternis en ontrukt met zijn flakkerend licht gezichten aan het donker, gezichten van geesten, handen van geesten, die hij tegen de wand werpt.

De inspecteur raakt niets aan, zijn gehandschoende handen verborgen onder de cape, en kijkt met halfgesloten oogleden, alsof hij bang is dat zijn ogen zullen worden besmet. Hij is gekomen om na te gaan of de nieuwe verordening betreffende het Sint Lazarus gasthuis wel wordt nageleefd. De onderkoning gelast dat de mannelijke patiënten niet mogen worden vermengd. De blanken en mestiezen moeten op een zaal liggen, de negers en mulatten op een andere zaal, en de Indianen, alleen, op een derde zaal. De vrouwen, daarentegen, moeten allemaal bij elkaar op dezelfde zaal liggen, ongeacht huidskleur of stand.

 

 

1583 Copacabana

De Aymara-moeder van God

 

Hij steekt het Titicaca-meer over in een bootje gemaakt van lisdoddebladeren. Zij reist met hem mee, gekleed in feesttooi. In de stad La Paz is haar gewaad verguld.

Wanneer hij uitstapt bedekt hij haar met een doek om haar tegen de regen te beschermen en met haar, goed ingepakt, in zijn armen gaat hij het dorp Copacabana binnen. De regen slaat neer op de menigte, die zich heeft verzameld om hen te ontvangen.

Francisco Tito Yupanqui betreedt met haar het heiligdom en neemt de doek van haar af. Zij wordt op het altaar geplaatst. Vanaf haar hoge plaats omarmt de Maagd van Copacabana allen. Zij zal de besmettelijke ziekten afweren en het leed en het slechte februariweer. De Indiaanse beeldhouwer heeft haar in Potosí gesneden en haar van daar hierheen gebracht. Bijna twee jaar heeft hij gewerkt opdat zij met de vereiste schoonheid zou ontstaan. De Indianen mogen alleen beelden schilderen of snijden naar de Europese voorbeelden en Francisco Tito Yupanqui wilde het verbod niet overtreden. Hij had zich voorgenomen een Maagd te maken die gelijk zou zijn aan Onze Lieve Vrouwe María-Lichtmis, maar zijn handen hebben dit lichaam van de hoogvlakte gevormd, wijde longen die om lucht vragen, grote tors en korte benen, en dat brede gezicht van de Indiaanse vrouw met vlezige lippen en amandelvormige ogen die droevig naar de gekwetste aarde kijken.

 

 

1583 Santiago de Chile

Even was hij vrij

 

Met zijn handen drukt hij zich omhoog en valt plat neer. Hij steunt op een elleboog en valt om. Hij slaagt er in een knie op te trekken en die zakt weg in de modder.

Hij huilt, met zijn gezicht in de modder, in de regen.

Hernando Maravilla had niet gehuild tijdens de tweehonderd zweepslagen die hij in de straten van Lima op weg naar de haven ontving, en er kwam geen traan in zijn ogen toen hij hier in Santiago nog eens tweehonderd zweepslagen kreeg.

Nu geselt hem de regen, die het opgedroogde bloed en de vastgekoekte modder van hem afspoelt.

‘Ondankbare hond! Dus zo bijt je de hand die je te eten geeft!’ zei zijn meesteres, dona Antonia Nabia, weduwe in langdurige rouw, toen de gevluchte slaaf bij haar werd teruggebracht.

Hemando Maravilla was ontsnapt, omdat hij op een dag een vrouw zag zo mooi als een vlag en geen andere keus had dan haar als een schaduw te volgen. In Lima werd hij gepakt en door de Inquisitie ondervraagd. Hij werd veroordeeld tot vierhonderd zweepslagen, omdat hij had gezegd dat het de duivel was die de huwelijken maakte en dat de bisschop niets waard was en dat hij schijt aan de bisschop had.

Hij die in Afrika werd geboren als kleinzoon van een tovenaar en zoon van een jager, kronkelt nu in de modder en huilt, zijn rug een lap rauw vlees, terwijl de regen op Santiago de Chile neervalt.

 

 

1583 Tlatelolco

Sahagún

 

‘Roepjenu, roepjenu,’ zingt de houtduif.

Een vrouw legt bloemen neer bij een in stukken gevallen steen. ‘Heer,’ zegt de vrouw tegen de steen, ‘Heer, wat heb je geleden.’ De Indiaanse wijze oude mannen getuigen tegenover pater Bernardino de Sahagún. ‘Laat ons toch doodgaan,’ vragen zij, ‘nu zij onze goden hebben gedood.’

Pater Bernardino de Ribeira, geboren te Sahagún: zoon van Sint Franciscus, blote voeten, verstelde soutane, zoeker naar de volkomenheid van het Paradijs, zoeker naar de herinnering van deze overwonnen volken. Meer dan veertig jaar al trekt Sahagún door de streken van Mexico, de heerlijkheid Huexotzingo, het Tula van de Tolteken, het gebied van Texcoco, om de beelden en de woorden van voorbije tijden te bewaren. In de twaalf boeken van de Algemene geschiedenis van de zaken van Nieuw Spanje hebben Sahagún en zijn jonge helpers de oude stemmen, de feesten van de Indianen, hun riten, hun goden, hun methode om de loop van de jaren en de sterren te tellen, hun mythen, hun gedichten, hun geneeskunde, hun verhalen over langver-vlogen perioden en over de recente Europese invasie bijeengebracht en gered. De geschiedenis zingt in dit eerste, grootse werk van de Amerikaanse antropologie.

Zes jaar geleden heeft koning Philips II bevolen die manuscripten aan Sahagún te ontnemen, evenals alle door hem gekopieerde en vertaalde Indiaanse codices, zonder dat daarvan enig origineel of afschrift overblijft. Waar zijn die boeken, verdacht van het in stand houden en verspreiden van afgoderij, gebleven? Niemand weet het. De Raad van Indië heeft op niet een van de vele smeekbeden van de wanhopige schrijver en compilator geantwoord. Wat heeft de koning gedaan met deze veertig jaar van het leven van Sahagún en verschillende eeuwen van het leven van Mexico? In Madrid wordt gezegd dat de bladzijden zijn gebruikt om specerijen in te verpakken.

De oude Sahagún geeft zich niet gewonnen. Op de leeftijd van tachtig lange jaren drukt hij een bundeltje van de ramp geredde papieren tegen de borst en dicteert in Tlatelolco aan zijn leerlingen de eerste regels van een nieuw werk, dat De kunst van het voorspellen zal heten. Daarna zal hij gaan werken aan een volledige Mexicaanse kalender. Wanneer de kalender af is, zal hij beginnen aan het woordenboek van het Náhuatl-Spaans-Latijn. En zodra hij het woordenboek heeft voltooid....

Buiten huilen de honden, die regen aankondigen.

 

 

1583 Acoma

Het steenachtige koninkrijk Cíbola

 

Kapitein Antonio de Espejo, die aan de Mexicaanse grens snel een groot fortuin had gemaakt, heeft gehoor gegeven aan de roep van de zeven gouden steden. Aan het hoofd van een aantal krijgslieden te paard is hij aan zijn odyssee naar het noorden begonnen. In plaats van het legendarische koninkrijk Cíbola heeft hij een onmetelijke woestijn gevonden, waarin zeer verspreid enkele vestingdorpen liggen. Er hangen geen edelstenen aan de bomen omdat er geen bomen zijn, behalve in de schaarse valleien, en er is geen andere schittering van goud dan de flonkering die de zon uit de rotsen slaat wanneer hij daarop brandt.

In deze dorpen hijsen de Spanjaarden hun vlag. De Indianen weten nog niet dat zij spoedig verplicht zullen worden van naam te veranderen en tempels te bouwen om een andere god te aanbidden, hoewel de Grote Geest van de Hopi-Indianen hun al lang geleden had aange-kondigd dat er een nieuw ras zou komen, een ras van mannen met gespleten tong, die de hebzucht en de grootspraak zouden meebrengen. De Hopi-Indianen ontvangen kapitein Espejo met offergaven van maïskoeken, kalkoenen en vachten en de Navajo-Indianen uit de bergen verwelkomen hen met water en maïs.

In de verte, hoog in de purperen hemel, verheft zich een vesting van rotsen en leem. Vanaf de rand van het tafelland beheerst het volk van de Acoma’s de vallei, die groen ziet van de door kanalen en waterbekkens bevloeide maïsakkers. De Acoma’s, vijanden van de Navajo’s, hebben de naam zeer woest te zijn. Zelfs Francisco Vazquez de Coronado, die hier veertig jaar geleden rondtrok, heeft het niet gewaagd hen te benaderen.

De Acoma’s dansen ter ere van kapitein Espejo en leggen gekleurde dekens, kalkoenen, gekookte maïskolven en hertevellen aan zijn voeten.

Over een paar jaar zullen zij weigeren schatting te betalen. De aanval zal drie dagen en drie nachten duren. De overlevenden wordt met een bijlslag een voet afgehakt en de aanvoerders zullen in het ravijn worden gegooid.

 

 

Nachtlied van het Navajo-volk

 

Huis gemaakt van ochtendstond,

huis gemaakt van avondlicht,

huis gemaakt van donkere wolk...

De donkere wolk is in de deur

en van donkere wolk is het pad

dat oplicht onder de bliksemflits...

Gelukzalige, moge ik kunnen lopen.

Gelukzalige, moge ik onder overvloedige regens kunnen lopen.

Gelukzalige, moge ik tussen de vele bladeren kunnen lopen.

Gelukzalige, moge ik in het spoor van het stuifmeel kunnen lopen.

Gelukzalige, moge ik kunnen lopen.

Laat het mooi zijn wat mij wacht.

Laat het mooi zijn wat ik achter mij laat.

Laat het mooi zijn wat beneden is.

Laat het mooi zijn wat boven is.

Laat alles mooi zijn wat mij omringt

en laat het in schoonheid eindigen.

 

 

1586 Cauri

De pest

 

De griep glanst niet als het stalen zwaard, maar geen Indiaan kan hem ontwijken. De tetanus en de tyfus maken meer doden dan duizend jachthonden met vurige ogen en schuim op de bek. De pokken vallen in het verborgene aan en het kanon met oorverdovend lawaai, vonkenregens en zwavelrook, maar de pokken vernietigen meer Indianen dan alle kanonnen bij elkaar.

De vlagen van de pest roeien deze streken uit. Wie zij raken werpen zij neer. Zij verteren zijn lichaam, eten zijn ogen, sluiten zijn keel. Alles stinkt naar verrotting.

Intussen gaat er een mysterieuze stem door Peru. Hij zit de pest op de hielen en is door het geweeklaag van de stervenden heen te horen, deze stem die van oor tot oor fluistert: ‘Wie het kruisbeeld het huis uit gooit keert terug van de dood.’

 

 

1588 Quito

De kleinzoon van Atahualpa

 

De gouden pilaren, arabesken en bladeren zweten goud, de gouden heiligenbeelden en de aanbeden maagden met vergulde mantel en het koor van goudgevleugelde engelen bidden: dit is een van de huizen die Quito schenkt aan wie eeuwen geleden in Bethlehem in een kribbe werd geboren en naakt is gestorven.

De familie van de Inca Atahualpa heeft een altaar in deze kerk van Sint Franciscus, bij het grote retabel in het dwarsschip, naast het Evangelie. Aan de voet van het altaar rusten de doden. De zoon van Atahualpa, die Franciscus heette, als zijn vader en als de moordenaar van zijn vader, ligt in de hoofdtombe. God moet de ziel van kapitein Francisco Atahualpa genadig zijn als Hij, zoals men zegt, met meer aandacht luistert naar de meningen van hen die bevelen dan naar de kreten van de bevolenen. De zoon wist de Indiaanse opstanden in het zuiden neer te slaan. Hij bracht de opstandige hoofden van Cañaribamba en Cuyes als gevangenen naar Quito en werd beloond met de functie van directeur van Openbare Werken in die stad.

De dochters en nichten van Francisco zijn gekomen om het beeld van de heilige Catharina te plaatsen, dat een beeldhouwer in Toledo, Juan Bautista Vazquez heeft gesneden opdat het hoog aan het altaar van de familie Atahualpa zal schitteren. Alonso, de zoon van Franciscus, heeft het beeld uit Spanje gezonden en de familie weet nog niet dat Alonso in Madrid is overleden terwijl de heilige Catharina de zee overstak op weg naar deze kerk.

Alonso Atahualpa, kleinzoon van de Inca, is in de gevangenis gestorven. Hij kon de harp, de viool en het clavechord bespelen. Hij droeg alleen Spaanse kleren die door de beste kleermakers waren gemaakt en had reeds lange tijd de huur van zijn huis niet betaald. Edellieden gaan niet wegens schulden naar het gevang, maar Alonso kwam in de gevangenis terecht nadat hij was aangeklaagd door de belangrijkste kleermakers, juweliers, hoedenmakers en handschoenmakers van Madrid. Ook het beeld, dat zijn familie nu bezig is tussen guirlandes van goud op het vergulde altaar te plaatsen, heeft hij niet betaald.

 

 

1588 Havanna

Sint Martíalis tegen de mieren

 

De vraatzuchtige mieren gaan voort mensen te kwellen en muren te ondergraven. Zij halen bomen neer, vernietigen akkers en verslinden vruchten, maïskolven en het vlees van wie niet oplet.

Wegens de ondoeltreffendheid van Simon, de beschermheilige, kiest het gemeentebestuur eenstemmig een andere beschermheer.

De stad belooft dat zijn feest ieder jaar zal worden gevierd en zijn dag zal worden geëerbiedigd. Sint Martíalis is het nieuwe schild van Havanna tegen de stormloop van de schadelijke mieren. Sint Martíalis, die drie eeuwen geleden bisschop van Limoges was, heeft de naam een specialist te zijn en hem wordt grote invloed bij de Heer toegekend.

 

 

1589 Cuzco

Hij zegt dat hij de zon heeft gehad

 

Onbeweeglijk ligt Mancio Serra de Leguízamo tussen de lakens en ontlast zijn geweten. Ten overstaan van een notaris dicteert en zweert hij:

‘Dat wij deze koninkrijken in zodanige staat hebben gevonden dat daarin geen dief, geen verdorven of luie man noch overspelige of slechte vrouw was... ’ De oude kapitein van Pizarro wil deze wereld niet verlaten zonder voor het eerst te zeggen:

‘Dat de akkers en de bossen en de mijnen en de weiden en de jacht en het hout en alle zaken van nuttig gebruik op zodanige wijze werden bestuurd en verdeeld dat ieder zijn eigendom kende en bezat zonder dat enig ander dit in bezit nam of afpakte...

Van het leger dat Peru veroverde is don Mancio de laatste overlevende. Meer dan een halve eeuw geleden behoorde hij tot degenen die deze heilige stad Cuzco binnenvielen, de kostbaarheden uit de graven en de huizen plunderden en met bijlslagen de wanden van de Zonnetempel omver haalden, die zo dik met goud waren bekleed dat hun glans een doodskleur gaf aan wie er binnentrad. Naar zijn zeggen ontving hij het beste stuk uit de buit: het gelaat van de gouden zon met zijn stralen en zijn vlammen, dat, immens groot, de stad domineerde en haar bewoners bij zonsopgang verblindde.

Don Mancio zette de zon in bij het kaarten en verspeelde hem in een avond.

 

 

1592 Lima

Een kettergericht in Lima

 

De wind voert de as mee van drie lutherse Engelsen, die op het eiland Puná gevangen zijn genomen. Een van hen, Henry Oxley, is levend verbrand omdat hij zijn geloof niet wilde opgeven.

In het midden van een cirkel van hoge lansen stijgen de rookwolken omhoog, terwijl de menigte te keer gaat en de rechtbank van het Heilig Officie straffen van geseling en andere vernederingen uitvaardigt.

Verschillende worden gestraft omdat zij twee keer getrouwd zijn of wegens simpele ontucht en andere misdrijven met betrekking tot de vleselijke zonde. Een dominicaanse pater, een franciscaan, een augustijn en een jezuïet worden veroordeeld omdat zij nonnen het hof hebben gemaakt. Juan de la Portilla, soldaat, omdat hij bij de oren van God heeft gezworen. Isabel de Angulo, de vrouw van een soldaat, omdat zij, om de mannen te lokken, zachtjes de woorden van de wijding opzei. Bartolomé de Lagares, matroos, omdat hij heeft beweerd dat je geen zonde begaat zolang je vrijgezel bent en er voor betaalt. Lorenzo de la Peña, barbier, die, toen zijn vrouw haar plaats in de kerk werd ontnomen, zei dat als dat zo ging er dan ook geen God was.

De Sevillaan Pedro Luis Enriquez gaat met de mondprop voor tien jaar naar de gevangenis, omdat hij heeft gezegd dat, als je een haan meeneemt naar een veld waar geen hondegeblaf klinkt en je snijdt hem om middernacht zijn kop af, je daarin een steentje vindt zo groot als een amandel, en dat, wanneer je daarmee over je lippen wrijft, de eerste mooie vrouw die je tegenkomt in liefde ontbrandt voor degeen die dat deed zodra je haar toesprak, en dat, wanneer je in januari een kat doodmaakt en je stopt in elk gewricht een boon en je begraaft hem, de bonen die zo groeien de kracht hebben om je, als je er op kauwt en in de spiegel kijkt, onzichtbaar te maken; en ook omdat hij verklaarde dat hij een hoorndrager en kwakzalver was en dat hij ten teken daarvan een kruis op zijn borst en nog een op zijn gehemelte had, en omdat hij vertelde dat hij in de gevangenis schitterende kleuren zag en verrukkelijke geuren rook.

 

 

1593 Guarapari

Anchieta

 

Ignacio de Loyola wees naar de horizon en beval:

Gaat heen en steekt de wereld in brand!’

José de Anchieta was de jongste van de apostelen die de boodschap van Christus, het goede nieuws, naar de oerwouden van Brazilië brachten. Veertig jaar nadien noemen de Indianen hem caraibebé, man met vleugels, en zij zeggen dan Anchieta door het teken van het kruis te maken stormen afwendt, een vis in een ham verandert en een stervende in een atleet. Engelenkoren dalen neer uit de hemel om hem de komst van de galjoenen of de aanval van de vijanden te verkondigen en God heft hem op van de aarde wanneer hij geknield zijn gebeden van het middaguur zegt. Er komen lichtstralen uit zijn vermagerde lichaam, getekend door de boetegordel, wanneer hij zich geselt om de kwellingen van God’s enige zoon te delen.

Voor andere wonderen zal Brazilië hem dankbaar zijn. Uit de pen van deze haveloze heilige zijn de eerste in dit land geschreven gedichten geboren, de eerste grammatika voor het Tupi-Guaram en de eerste toneelstukken, allegorieën die in de inheemse taal het evangelie overbrengen in een mengsel van inheemse personages, Romeinse keizers en christelijke heiligen. Anchieta is de eerste schoolmeester en de eerste dokter van Brazilië geweest en was de ontdekker en kroniekschrijver van de dieren en de planten van dit land in een boek dat vertelt hoe de veren van de guarás van kleur veranderen, hoe de peixe-boi in de oostelijke rivieren kuit schiet en wat de gewoonten zijn van het stekelvarken.

Op zestigjarige leeftijd gaat hij door met steden stichten en kerken en gasthuizen bouwen, waarbij hij, tussen de Indianen, de hoofdbalken op zijn benige schouders torst. Als aangetrokken door zijn zuivere glans van arm mens komen de vogels naar hem toe en komen de mensen naar hem toe. Hij loopt tientallen kilometers zonder te klagen of te accepteren dat hij in een net door deze streken wordt gedragen, waar alles de kleur van de warmte heeft en alles in een ogenblik ontstaat en vergaat om opnieuw te ontstaan: de aarde kookt, de zee kookt op een laag vuurtje en Anchieta schrijft met een stokje zijn lofdicht op de Schepper van het voortdurende leven in het zand.

 

 

1596 Londen

Raleigh

 

Sir Waker Raleigh, balletdanser van de tabak, snoevende artillerist, blaast slangen rook uit zijn neus en kringen en spiralen uit zijn mond, terwijl hij zegt:

‘Als mijn hoofd er af gaat, zal het tevreden vallen met de pijp tussen de tanden.’

‘Je stinkt,’ antwoordt zijn vriend.

Er is niemand anders in de taveerne, behalve een negerslaafje, dat in een hoek zit te wachten.

Raleigh is aan het vertellen dat hij het vorig jaar het Aardse Paradijs heeft ontdekt in Guyana, daar waar de gouden Manoa zich verbergt. Hij likt zijn lippen af bij de herinnering aan de smaal van leguane-eieren en sluit zijn ogen om over de vruchten te spreken en over de bladeren die nooit uit de boomtoppen vallen.

‘Luister, collega,’ zegt hij, ‘dat boek van jou, dat van de jonge geliefden. .. Ja, dat. In die bossen, wat een verrukking! Je hebt het in Verona gesitueerd en het ruikt naar begrafenis. Je hebt het verkeerde scenario gekozen, mijn beste. Die briesjes...’

De vriend van Raleigh, een kale man met sluwe ogen, weet dat dit Guyana een moeras is, waarboven de lucht altijd zwart is van de muskieten, maar hij luistert in stilte en knikt met het hoofd omdat hij ook weet dat Raleigh niet liegt.

 

 

1597 Sevilla

Op een plek in de kerker

 

Hij werd gewond en verminkt door de Turken. Hij werd overvallen door de piraten en gegeseld door de Moren. Hij werd geëxcommuniceerd door de pastoors. Hij zat in de gevangenis van Algerije en in Castro del Rio. Nu zit hij gevangen in Sevilla.

Hij zit voor zijn stenen bed op de grond en weifelt. Hij doopt zijn pen in de inktpot en weifelt, zijn ogen strak gericht op het licht van de kaars, zijn bruikbare hand stil in de lucht.

Heeft het zin vol te houden? Het antwoord van koning Philips, toenhij hem voor de tweede keer om werk in Amerika vroeg, doet hem nog pijn: ‘Zoekt u hier waarin wij u ter wille kunnen zijn. Als de zaken sindsdien zijn veranderd is het alleen ten kwade. Vroeger had hij ten minste nog de hoop op een antwoord. Sinds geruime tijd spreekt de koning in de zwarte kleren, ver van de wereld binnen de muren van het Escorial, nog slechts met zijn eigen geestverschijningen.

Miguel de Cervantes, alleen in zijn cel, schrijft niet naar de koning. Hij vraagt geen vacante post in Indië. Op het blanke vel begint hij de tegenslagen te vertellen van een dolende ridder, een ridder met een lans in het wapenrek, een ouderwets lederen schild, een mager paard en een snelle hazewind.

Er klinken droevige geluiden in de gevangenis. Hij hoort ze niet.

 

 

1598 Potosí

De geschiedenis van Floriana Rosales, kuise vrouw uit Potosí (In verkorte vorm overgenomen uit de kroniek van Bartolomé Arzáns de Orsúa y Vela)

 

Om de grote schoonheid die zij reeds in de wieg als tere, schone bloem vertoonde, en omdat de naam van haar moeder Ana was, werd zij Floriana gedoopt.

Altijd opgevoed in de deugd en de beslotenheid van haar ouderlijk huis, schuwde het beeldschone jonge meisje te zien en gezien te worden, maar dit wakkerde de begeerte van de vrijers, die naar haar hand dongen vanaf het moment dat zij twaalf jaar was geworden, alleen maar aan. Degenen onder hen, die de beste kans maakten een aanzoek te mogen doen, waren don Julio Sánchez Farfán, mijneigenaar, kapitein don Rodrigo de Albuquerque, en de gouverneur van Tucumdn, die op weg naar Lima door Potosí kwam en daar was gebleven nadat hij Floriana in de kerk had gezien.

Uit pure nijd te zijn afgewezen, daagde de gouverneur van Tucumán de vader van Floriana uit tot een duel, en op een bronrijke plek trokken zij het zwaard en takelden zij elkaar toe, tot enkele dames, die het niet aan moed ontbrak, tussenbeide kwamen.

Toen Floriana haar gewonde vader zag, ontstak zij in woede en besloot zij eigenhandig genoegdoening te verkrijgen voor die belediging. Zij liet de gouverneur zeggen dat zij hem de volgende avond verwachtte in een bepaalde manufacturenwinkel, waar zij hem zonder enige getuige wilde spreken.

De gouverneur trok zijn duurste kleren aan, want hierin was hij buitengewoon ijdel, een verachtelijke ondeugd bij de mannen die de school van Heliogabalus hebben bezocht, van wie Herodianus zei dat hij de Romeinse en Griekse kledij minachtte omdat deze van wol was gemaakt en zelf kleren droeg van goud en purper met edelstenen in Perzische trant, zoals Lampridius vermeldt. Stipt op tijd was de gouverneur, uitgedost in verfijnde stoffen, aanwezig en op het afgesproken uur verscheen Floriana, die tussen de schone bloemen van haar gelaat de giftige adder van haar toorn verborg. Zij trok een breed, scherp geslepen mes uit haar mouw en wierp zich als een leeuwin op hem om hem in het gezicht te kerven, terwijl zij hem vele beledigingen naar het hoofd slingerde. De gouverneur weerde de steek met zijn hand af en haalde een dolk te voorschijn. Floriana, die het gevaar inzag, gooide een stapel doeken over hem heen, waarna zij kans zag met twee handen een stevig stuk hout te grijpen, dat de voorzienigheid daar voor haar had neergelegd. Zo’n harde slag bracht zij hem toe dat de gouverneur van Tumucán languit neerviel. Met grote schrik en ontsteltenis probeerden de ouders van Floriana haar in huis te verbergen, maar het was reeds te laat. De magistraat, de hoogste autoriteit in zaken van justitie en politie, kwam met de grootste spoed en Floriana zag geen andere uitweg dan naar haar kamer te gaan en zich uit het raam op straat te werpen. God bestierde dat zij met haar onderrok aan een stuk hout bleef haken dat uit een raamkozijn stak en zo bleef zij daar met het hoofd omlaag hangen.

Een dienstmeisje, dat don Julio Sánchez Farfán kende en wist dat hij haar meesteres liefhad, zei hem naar de straat aan de achterzijde van het huis te gaan om te zien of Floriana daar was, want die had zich kort tevoren uit het raam geworpen. Maar omdat kapitein Rodrigo de Albuquerque don Julio heimelijk met het dienstmeisje zag praten, volgde hij hem naar de achterstraat. Don Julio kwam daar aan toen de geplaagde Floriana, die er al een hele tijd hing, in doodsangst om hulp vroeg, roepende dat zij stikte. De ridderlijke minnaar ging naar haar toe en zijn armen strekkend pakte hij haar bij haar schouders, trok hard aan haar en viel met haar op de grond.

Op dat moment verscheen kapitein Rodrigo, die Floriana met de woorden van een verliefd man met zijn cape bedekte en haar van de grond tilde. Toen don Julio dat zag ontstak hij in hevige jaloezie, sprong op en een dolk te voorschijn trekkend stortte hij zich op de kapitein met de woorden dat hij een laaghartige verrader was. Dodelijk gewond in de borst viel de kapitein ter aarde en vroeg de biecht. Toen Floriana dit hoorde vervloekte zij haar lot en de rampspoeden van haar eer en rende weg.

Floriana trok Indiaanse kleren aan om uit Potosí weg te gaan, maar op het moment dat zij een muildier zou bestijgen was de magistraat reeds gewaarschuwd, hij kwam juist op tijd om haar in de gevangenis te zetten. Toen de magistraat Floriana zag, doorboorde het blinde jongetje dat Cupido heet zijn hart met een verschrikkelijke pijl. Verlangend nam hij haar bij de hand en voerde haar naar zijn paleis.

Toen het tien uur had geslagen, op welk tijdstip Floriana in de slaapkamer van de magistraat werd verwacht, bond zij een touw aan het balkon en liet zich zakken in de armen van don Julio, die haar beneden opwachtte. Toen zei het jonge meisje dat hij, voor zij een stap verzette, een eed moest zweren op de veiligheid van haar persoon en haar maagdelijkheid.

Het gevaar inziend waarin zij verkeerden, want de vlucht was reeds ontdekt, nam hij Floriana over zijn schouder en rende met haar naar het afgelegen Plaza del Gato. Hij vloog over de stenen en de modder, hijgend en zwetend, en toen hij ten slotte kon gaan zitten om uit te rusten en Floriana van zijn schouder liet glijden, stortte hij plotseling ter aarde.

Denkend dat hij in zwijm was gevallen nam zij het hoofd van don Julio in haar schoot. Maar toen zij zag dat hij dood was, sprong zij met grote schrik overeind en vluchtte naar de wijk San Lorenzo, in de maand maart van het jaar 1598.

Daar hield zij zich verborgen, vastbesloten eeuwige kuisheid in acht te nemen en tot het einde van haar dagen een gehoorzame dienares van de Heer te zijn.

 

 

Spaanse copla’s om te zingen en op te dansen

 

Ik heb een man zien leven

die bijna was gestikt

en daarna zag ik hem sterven

door een enkele blik.

 

In de diepte van de zee

zong een walvis zijn lied

en de woorden zeiden

wie liefde heeft heeft verdriet.

 

Nu wil ik zingen

omdat ik zin heb

morgen is het huilen

wellicht aan de beurt.

 

 

1597 Panama

Uren van slaap en geluk

 

Simón de Torres, apotheker in Panama, zou willen slapen, maar hij kan zijn ogen niet van het gat in het dak afhouden. Iedere keer dat hij zijn oogleden sluit, gaan zijn ogen vanzelf weer open en richten zij zich op dat punt. Simón steekt zijn pijp aan, maakt hem uit, steekt hem weer aan, terwijl hij met de rook of met zijn handen de muggen verjaagt, zich omdraait en nog eens omdraait, doorweekt, stikkend van de warmte, in zijn door de klap van een paar dagen geleden wankel geworden bed. De sterren knipogen naar hem door het gat en hij zou er niet aan willen denken. Zo gaan de uren voorbij, tot de haan kraait, die de dag aankondigt of de kippen roept.

Een week geleden tuimelde een vrouw van het plafond naar beneden en viel boven op Simón.

‘Wie, wie, wie ben je?’ stamelde de apotheker.

‘We hebben weinig tijd,’ zei zij, terwijl zij snel haar kleren uittrok. Bij het aanbreken van de dag stond zij op, glanzend, verrukkelijk, en was in een oogwenk aangekleed.

‘Waar ga je heen?’

'Naar Nombre de Dios. Daar heb ik het brood in de oven staan.’ ‘Maar dat ligt honderd kilometer hier vandaan,’ zei de apotheker verbaasd.

‘Negentig, ’ verbeterde zij. En terwijl zij verdween, waarschuwde zij: ‘Pas op jezelf. Wie in mij komt verliest zijn geheugen.’

 

 

1599 Quito

De halfbloeden van Esmeraldas

 

Zij kijken zeer waakzaam. Zelfs hun oogharen bewegen niet. Zij zijn wantrouwend. Dat penseel, dat bezig is hun beeld te stelen, zal dat ook niet hun ziel stelen? Het penseel is magisch als de spiegel. Als de spiegel maakt het zich van de mensen meester.

Af en toe moeten zij niezen, dat is de schuld van de koude in Quito, en de kunstenaar moppert op hen. In ongemakkelijke houding, half gesmoord door de ringkragen, nemen zij weer hun stijve pose aan, tot de volgende niesbui. Zij zijn nu een paar dagen in deze stad en zij begrijpen nog steeds niet waarom mensen die zo machtig zijn op zo’n koude plek zijn komen wonen, en zij begrijpen evenmin waarom de huizen deuren hebben noch waarom de deuren sloten, grendels en sluitbalken hebben.

Een halve eeuw geleden heeft de storm een slavenschip op de riffen aan deze kust geworpen, niet ver van de monding van de rivier de Esmeraldas. Het schip vervoerde slaven uit Guinea om deze in Lima te verkopen. De negers namen de vlucht en verdwenen in de bossen. Zij stichtten dorpen en kregen kinderen van Indiaanse vrouwen en ook deze kinderen vermenigvuldigden zich. Van de drie, die de schilder Andrés Sanchez Gallque nu aan het schilderen is, zijn er twee geboren uit deze vermenging van Afrikaanse mannen en Ecuadoriaanse vrouwen. De derde, Francisco de Arobe, komt uit Guinea. Hij was tien jaar oud bij de schipbreuk.

Zij zijn verkleed als voorname heren, met jassen en capes, kanten manchetten en hoeden, zodat zij geen slechte indruk zullen maken op de koning, wanneer hij in Madrid dit portret ontvangt van zijn nieuwe onderdanen, deze barbaren die tot nu toe onoverwinnelijk waren geweest. Ook houden zij een lans in hun hand en dragen zij snoeren van tanden en schelpen op hun Spaanse kleren, en aan hun gezicht glanzen gouden sieraden die hun oren, neus en lippen doorboren.

 

 

1599 De Chagres

De wijzen spreken niet

 

Dit is de schitterendste weg ter wereld. Van zee tot zee slingert zich de lange draad van zilver. Eindeloze rijen muildieren trekken door het oerwoud, gebukt onder het metaal van Potosí, op weg naar de galjoenen die in Portobelo liggen te wachten.

De aapjes begeleiden de trek van het zilver, van tak tot tak door Panama zwevend. Onafgebroken krijsend bespotten zij de muildier-

drijvers en bestoken hen met guayaba-projectielen.

Aan de oevers van de rivier de Chagres staat pater Diego de Ocaña bewonderend naar hen te kijken. Om de rivier over te steken vormen de apen vanuit een boomtop een ketting door elkaar bij de staart vast te grijpen: de ketting zwaait heen en weer en neemt steeds meer vaart tot een laatste slinger hem in de hoogste takken aan de andere oever doet belanden.

De Peruaanse Indiaan die de bagage van Ocana draagt, gaat naar hem toe en zegt:

‘Pater, het zijn mensen. Zij spreken niet, zodat de Spanjaarden het niet zullen merken. Als zij zien dat het mensen zijn sturen zij hen naar de mijnen om te werken.’

 

 

1599 La Imperial

De vlammende pijlen

 

De opstand breekt uit aan de kust van de Stille Zuidzee en het gedreun weergalmt in de bergketen van de Andes.

Martín Garcia Oñez de Loyola, neef van Sint Ignatius, was uit Peru gekomen met de faam een onvermoeibare jager en een trefzekere doder te zijn. Daar had hij Túpac Amaru, de laatste van de Inca’s, gevangen genomen. Hij werd als gouverneur naar Chili gezonden om de Araucaniërs eronder te krijgen. Hier doodde hij Indianen, stal hij schapen en verbrandde hij akkers zonder er een korrel maïs op achter te laten. Nu laten de Araucaniërs zijn hoofd op de punt van een lans rondgaan.

De Indianen roepen op tot de strijd door bij wijze van trompetten op de beenderen van christenen te blazen. Oorlogsmaskers, leren kurassen: de Araucaanse cavalerie raast door het zuiden. Onder een regen van vuurpijlen vallen zeven dorpen, het ene na het andere, in hun handen. De prooi wordt jager. De Araucaniërs belegeren La Imperial. Om de stad van zijn watertoevoer te beroven verleggen zij de bedding van de rivier.

Het halve koninkrijk Chili, alles ten zuiden van de Bío-Bío, wordt weer Araucaans gebied.

Wijzend op de lans, zeggen de Indianen: ‘Dit is mijn baas. Hij beveelt mij niet hem goud te geven of hem kruiden of brandhout te brengen of zijn vee te hoeden of voor hem te zaaien of te oogsten. Bij die baas wil ik blijven.’

 

 

1599 Santa Marta

Zij voeren oorlog om de liefde te bedrijven

 

De opstand breekt uit aan de kust van de Caraïbische Zee en het gedreun weergalmt in de Siërra Nevada. De Indianen komen in verzet voor de vrijheid van de liefde.

Op het feest van de volle maan dansen de goden in het lichaam van de aanvoerder Cuchacique en verlenen zij magie aan zijn armen. Vanuit de dorpen Jeriboca en Bonda, maken de stemmen die oproepen tot de oorlog, het hele land van de Tairona-Indianen wakker en brengen zij alle dorpen in beweging: Masinga en Masinguilla, Zaca en Mamazaca, Mendiguaca en Rotama, Buritaca en Tairama, Maro-ma, Taironaca, Guachaca, Chonea, Cinto en Nahuanje, Mamatoco, Ciénaga, Dursino en Gairaca, Origua en Durama, Dibocaca, Daona, Chengue en Masaca, Daodama, Sacasa, Cominca, Guarinea, Maura-cataca, Choquenca en Masanga.

De aanvoerder van Cuchacique draagt een pantervel. Pijlen die fluiten, pijlen die branden, pijlen die vergiftigen: de Taitona-Indianen steken kapellen in brand, breken kruisen en doden paters, in hun strijd tegen de vijandelijke god die hun gewoonten verbiedt.

Sinds de vroegste tijden scheidde in deze streken wie dat wilde en bedreven broer en zuster de liefde als zij daar zin in hadden, en de vrouw met de man of de man met de man of de vrouw met de vrouw. Zo was het in deze streken tot de zwarte mannen en de ijzeren mannen kwamen, die voor de honden wierpen wie liefhad zoals de voorouders liefhadden.

De Tairona’s vieren de eerste overwinningen. In hun tempels, die de vijand huizen van de Duivel noemt, spelen zij fluit op de botten van de overwonnenen, drinken zij maïswijn en dansen zij op de muziek van de trommels en de schelphoorns. De krijgers hebben alle toegangen en wegen naar Santa Marta afgesloten en bereiden zich voor op de beslissende aanval.

 

 

1600 Santa Marta

Zij hadden een vaderland

 

Het vuur wil niet branden. Wat brand het langzaam.

Geluiden van ijzer, bewegingen van wapenrustingen. De aanval op Santa Marta is mislukt en de gouverneur heeft het vonnis van totale verwoesting geveld. Wapens en soldaten zijn precies op tijd uit Cartagena aangekomen en de Taicona’s, leeggezogen door de lange jaren van schatting en slavernij, worden verslagen en uiteengejaagd. Uitroeiing door het vuur. De dorpen en de plantages, de maïsvelden en de katoenvelden, de yuca- en de aardappelakkers, de boomgaarden staan in brand. De irrigatievelden en de zaaiakkers, die de ogen streelden en de monden te eten gaven, staan in brand, en ook de bouwgrond waar de Tairona’s midden op de dag de liefde bedreven omdat kinderen, die in het donker zijn gemaakt, blind geboren worden. Hoeveel werelden worden door deze branden verlicht? De wereld die er was en die je zag, de wereld die er was en die je niet zag... Van hun grond verdreven na vijfenzeventig jaar opstand en verzet, vluchten de Tairona’s de bergen in naar de droogste en verste uithoeken, waar geen vis is en geen maïs. Daarheen worden zij verdreven, hoog de bergen in, om hen hun grond en hun herinnering af te nemen, zodat zij zich ver weg zullen isoleren en in hun eenzaamheid de liederen zullen vergeten uit de tijd dat zij samen waren, een federatie van vrije volken, en machtig waren en doeken van kleurig katoen en kettingen van goud en glinsterende stenen droegen, zodat zij zich nooit meer zullen herinneren dat hun grootvaders panters waren. Beneden zich laten zij ruïnes en graven achter. De wind zucht, de zielen in het vagevuur zuchten, en dansend verwijdert zich het vuur.

 

 

1600 De Vaupés

Techniek van het jagen en het vissen

 

In het diepst van het Amazone-woud gaat een visser van de Desana-stam op een hoge rots zitten en kijkt naar de rivier. Het water glijdt, voert vissen mee, polijst stenen, wordt goud gekleurd door het eerste licht van de dag. De visser kijkt en voelt dat de oude rivier de bloedstroom door zijn aderen wordt. De visser zal niet gaan vissen voordat hij de vrouwen van de vissen verliefd heeft gemaakt.

Niet veel verder, in het dorp, maakt de jager zich gereed. Hij heeft al gebraakt, hij heeft zich al gewassen in de rivier, van binnen en van buiten is hij schoon. Nu drinkt hij aftreksels van planten die de kleur van het hert hebben, opdat de geuren ervan in zijn lichaam zullen trekken, en hij beschildert zijn gezicht met het masker dat de voorkeur heeft van het hert. Daarna blaast hij tabaksrook over zijn wapens en gaat zachtjes naar de bron waar het hert drinkt.

Daar giet hij ananassap uit, melk van de dochter van de zon.

Deze laatste nachten heeft de jager alleen geslapen. Hij is niet bij vrouwen geweest en heeft niet van hen gedroomd om het dier niet jaloers te maken dat hij zal achtervolgen en met zijn speer of zijn pijlen zal doorboren.

 

 

1600 Potosí

Het achtste wereldwonder

 

Onafgebroken brengen eindeloze karavanen lama’s en muildieren het zilver, dat de berg in Potosí, bloedend uit zijn monden, laat vloeien, naar de haven Arica. Na een lange reis over zee worden de staven zilver in Europa ingezet om daar de oorlog, de vrede en de vooruitgang te financieren.

Naar Potosí gaan, in ruil daarvoor, uit Sevilla of als smokkelwaar wijnen uit Spanje en hoeden en zijden stoffen uit Frankrijk, kantwerk, spiegels en tapijten uit Vlaanderen, Duitse zwaarden en Genovees papierwerk; kousen uit Napels, Venetiaans glaswerk, kaarsen uit Cyprus, diamanten uit Ceylon, ivoor uit India en parfums uit Arabië, Malakka en Goa, Perzische tapijten en Chinees porselein, negerslaven uit Angola en de Kaapverdische Eilanden en vurige Chileense paarden. Alles is schrikbarend duur in deze stad, de duurste stad ter wereld. Alleen de brandewijn en de cocabladeren zijn goedkoop. De Indianen, door heel Peru met geweld uit hun gemeenschappen weggerukt, brengen de zondag door op omheinde terreinen, waar zij rondom de trommels dansen en brandewijn drinken tot zij over de grond tollen. Maandagmorgen worden zij bij het aanbreken van de dag als een kudde de berg ingedreven en coca kauwend volgen zij met houweel-slagen de zilveraders, bleekgroene slangen die opduiken en wegvluchten in de ingewanden van deze onmetelijke buik, zonder licht, zonder lucht. Daar werken de Indianen de hele week, als gevangenen, stof inademend dat de longen verpulvert en coca kauwend die de honger misleidt en de uitputting maskeert, zonder dat zij weten wanneer het donker wordt of wanneer het licht wordt, tot aan het eind van de zaterdag de bel gaat voor het gebed en het vertrek. Dan gaan zij op weg, hun pad zoekend met aangestoken kaarsen, en komen zondag bij het eerste daglicht naar buiten, want zo diep de berg in gaan de mijngangen en de eindeloze tunnels en galerijen.

Een pas in Potosí aangekomen pastoor ziet hen in de buitenwijken van de stad verschijnen, een lange processie van smerige spookverschijningen, de ruggen getekend door de zweep, en zegt:

‘Ik wil dit beeld van de hel niet zien. ’

‘Doet u dan uw ogen dicht,’ wordt hem geraden.

‘Dat kan ik niet, ’ zegt de pastoor. ‘Met mijn ogen dicht zie ik meer.’

 

 

1600 Paucarbamba

Voorspellingen

 

Gisteravond zijn zij getrouwd, voor het vuur, zoals de traditie eist, en hebben zij naar de gewijde woorden geluisterd.

Tegen haar:

‘Dat jij niet koud zult zijn wanneer hij in liefdesvuur ontbrandt.’

Tegen hem:

‘Dat jij niet koud zult zijn wanneer zij in liefdesvuur ontbrandt.

Bij de flonkering van het vuur worden zij in elkaars armen wakker, zij wensen elkaar geluk met de ogen en vertellen elkaar hun dromen. Tijdens de droom reist de ziel buiten het lichaam en kent, in een eeuwigheid of in een oogwenk, wat er zal gebeuren. De mooie dromen worden uitgenodigd en daarvoor worden de paartjes heel vroeg wakker. De slechte dromen, daarentegen, worden voor de honden geworpen.

De slechte dromen, nachtmerries van afgronden of gieren of monsters, kunnen het ergste aankondigen. En het ergste, hier, is dat ze je verplichten naar de kwikmijnen van Huancavélica of naar de verre zilverberg van Potosí te gaan.

 

 

Lied uit Cuzco

 

Een lama wilde

dat zijn haar van goud was,

glanzend als de zon,

sterk als de liefde

en zacht als de wolk

die de dageraad oplost,

om een koord te weven,

waarin hij zou aangeven,

knoop na knoop,

de manen die voorbijgaan,

de bloemen die verwelken.

 

 

1600 Mexico Stad

De koetsen

 

De koetsen zijn teruggekeerd in de brede straten van Mexico.

Meer dan twintig jaar geleden had de ascetische Philips II ze verboden. Het decreet vermeldde dat het gebruik van het rijtuig de mannen lui maakt en hen went aan een ledig en gemakzuchtig leven, en dat zij aldus spieren verliezen die nodig zijn voor de krijgskunst.

Nu Philips II dood is heersen de koetsen weer in de stad. Van binnen zijde en kristal, van buiten goud en schildpadleer en het wapen op de deur. Zij verspreiden een geur van fijne houtsoorten en zij rijden met de gang van een gondel en de beweging van een wieg. Achter de gordijntjes groet en glimlacht de koloniale adel. Hoog op de bok verheft zich tussen zijden kwastjes en franje de koetsier, vol minachting, bijna koning. En de paarden gaan op zilveren hoefijzers.

De rijtuigen blijven verboden voor Indianen, hoeren en degenen die door de Inquisitie zijn gestraft.

 

 

1601 Vallodolid

Quevedo

 

Sinds twintig jaar heerst Spanje over Portugal en al haar koloniën, zodat een Spanjaard over de wereld kan rondwandelen zonder voet op buitenlandse grond te zetten.

Maar Spanje is de duurste natie van Europa: het produceert steeds minder goederen en steeds meer munten. Van de zes jaar geleden geslagen vijfendertig miljoen escudo is zelfs de schaduw verdwenen. De gegevens, die don Martín Gonzalez de Cellorigo hier zojuist in zijn Memorie van het noodzakelijk beleid heeft gepubliceerd, zijn niet erg bemoedigend: door toedoen van het toeval en door erfenis onderhoudt iedere Spanjaard die werkt dertig andere. Voor de renteniers is werken een zonde. Het slagveld van de edellieden is de slaapkamer. En in Spanje groeien minder bomen dan paters en bedelaars.

Naar Genua vertrekken de met het zilver uit Amerika geladen galjoenen. De uit Mexico en Peru aangekomen edele metalen laten nog niet hun geur in Spanje achter. Zo lijkt het of het wapenfeit van de verovering is verricht door de Duitse, Genuese, Franse en Vlaamse kooplieden en bankiers.

In Vallodolid leeft een manke, bijziende jongeman, van zuiver bloed en met een scherp zwaard en een nog scherpere tong. ’s Avonds, wanneer zijn knecht zijn laarzen uittrekt, bedenkt hij copla’s. De volgende morgen glippen de slangen de poort van het koninklijke paleis binnen.

Met zijn hoofd in het kussen gezonken denkt de jonge Francisco de Quevedo y Villegas aan degeen die van een lafaard een krijgsheld maakt en de strengste rechter vermurwt, en dit beroep van dichter verwensend richt hij zich op in zijn bed, wrijft zijn ogen uit, trekt de lamp naar zich toe en zet in een ruk de verzen op papier die hem niet laten slapen. Het gedicht gaat over de heer Geld, die

 

in Indië eerzaam ter wereld komt

waar een ieder hem vergezelt

naar Spanje komt om dood te gaan

in Genua ter aarde wordt besteld.

 

 

1602 Recife

De eerste expeditie tegen Palmares

 

In de suikerfabrieken, die rietstengels en mensen vermalen en uitpersen, wordt het werk van iedere slaaf gemeten zoals het gewicht van het suikerriet en de druk van de pers en de temperatuur van de oven wordt gemeten. De kracht van een slaaf is in vijf jaar opgebruikt, maar zijn eigenaar verdient in een jaar terug wat hij voor hem heeft betaald. Wanneer de slaven ophouden nuttige arbeidskrachten te zijn en nutteloze monden worden, ontvangen zij het geschenk van de vrijheid.

In de bergen van het noordoosten van Brazilië verbergen zich de slaven die de vrijheid bereiken voor plotselinge ouderdom of een vroege dood hen overvalt. Palmares—palmbossen—heten de wijkplaatsen waar de gevluchte slaven een toevlucht zoeken, de kleine bossen hoge palmbomen van Alagoas.

De algemeen gouverneur van Brazilië zendt de eerste expeditie tegen Palmares uit, samengesteld uit enkele blanken en arme mestiezen die erop uit zijn negers te vangen en te verkopen, een aantal Indianen aan wie kammen, messen en spiegeltjes zijn beloofd, en veel mulatten. Bij zijn terugkeer van de rivier de Itapicuru verklaart de commandant van de expeditie, Bartolomeu Bezerra, in Recife: ‘De haard van verzet is vernietigd.’ En ze geloven hem.

 

 

1603 Rome

De vier delen van de wereld

 

In Rome verschijnt een geïllustreerde, vermeerderde editie van de Iconologie van Cesare Ripa.

Het lexicon van symbolische afbeeldingen toont de wereld zoals deze wordt gezien vanuit de noordkust van de Middellandse Zee.

Aan de bovenzijde verrijst Europa, de koningin, met de zinnebeelden van de macht. Achter haar staan paarden en lansen. Met een hand draagt zij de pilaren van de tempel, in de andere houdt zij de scepter. Op het hoofd draagt zij een kroon en aan haar voeten liggen, tussen mijters, boeken, penselen, citers en harpen, andere kronen. Naast de hoorn des overvloeds hebben het kompas en de lineaal een plaats gevonden.

Aan de onderzijde, rechts, Azië. Zij biedt koffie, peper en wierook aan en is getooid met guirlandes van bloemen en vruchten. Een liggende kameel wacht op haar.

Naast haar is Afrika een donkere Moorse met de kop van een olifant als helmteken. Op haar borst draagt zij een koraalsnoer. Zij wordt omringd door een leeuw, een slang, een schorpioen en korenaren. Helemaal onderaan Amerika, een vrouw met een afschuwelijk gezicht. Zij draagt veren op de naakte olijfkleurige huid. Aan haar voeten liggen een pas afgehakt hoofd en een hagedis. Zij is gewapend met pijl en boog.

 

 

1603 Santiago de Chile

De meute

 

Het gemeentebestuur van Santiago heeft een nieuw stempel van zilver aangeschaft om de Indiaanse slaven in het gezicht te brandmerken. De gouverneur, Alonso de Ribera, gelast dat het vijfde deel van de waarde van iedere in de havensteden Valdivia en Arica verkochte Araucaniër wordt bestemd voor kosten van de oorlog en voeding van de soldaten.

De jachtpartijen volgen elkaar op. De soldaten steken de Bío-Bío over en slaan ’s nachts hun slag. Zij steken in brand en snijden de keel af en keren terug met een troep bij de nek aan elkaar vastgebonden mannen, vrouwen en kinderen. Eenmaal gebrandmerkt worden zij aan Peru verkocht.

De gouverneur heft de wijnkruik en drinkt op de gewonnen veldslagen. Hij doet het op zijn Andalusisch, als Pedro de Valdivia. Eerst op alle edellieden en dames die hem in gedachten komen, slok na slok. Wanneer de mensen op zijn, drinkt hij op de heiligen en de engelen, en hij vergeet nooit hen voor het voorwendsel te bedanken.

 

 

1605 Lima

De nacht van het Laatste Oordeel

 

Vlak na kerstmis hebben de kanonschoten van de aarde de stad Arequipa opgeblazen. De bergketen barstte open en de aarde spuwde de fundamenten van de huizen uit. De mensen blijven vermorzeld onder het puin liggen en de oogst verbrand onder de as. Intussen verhief de zee zich en overspoelde de havenstad Arica.

Gisteren, tegen het vallen van de avond, verzamelde een barrevoetse pater op het grote plein van Lima een menigte om zich heen. Hij verkondigde dat deze losbandige stad in de eerstvolgende uren ten onder zou gaan en met haar de gehele omgeving tot zover het oog reikte.

‘Niemand zal kunnen ontkomen!’ schreeuwde hij, gilde hij. ‘Noch het vlugste paard, noch het snelste schip zal ontsnappen!’

Toen de zon onderging, waren de straten reeds gevuld met boetelingen, die zich geselden bij het licht van de toortsen. Op de straathoeken bekenden de zondaars luid hun schuld en de rijken gooiden hun zilveren vaatwerk en hun mooie kleren van de balkons naar beneden. Huiveringwekkende geheimen werden met luider stemme onthuld. Ontrouwe echtgenotes rukten de stenen uit de straat om zich op de borst te beuken. Dieven en verleiders wierpen zich voor hun slachtoffers op de knieën, meesters kusten de voeten van hun slaven en de bedelaars kwamen handen te kort voor alle aalmoezen. De kerk ontving die avond meer geld dan in alle vastentijden van haar geschiedenis. Wie geen pastoor zocht om te biechten zocht een pastoor om te trouwen. De kerken puilden uit van de mensen die daar beschutting zochten.

En daarna werd het dag.

De zon schijnt in Lima als nooit tevoren. De boetelingen zoeken balsem voor hun ontvelde rug en de meesters zoeken hun slaven. De jonggehuwde vrouwen vragen naar hun kersverse echtgenoten, die met het daglicht in rook zijn vervlogen. De boetvaardigen zwerven door de straten op zoek naar nieuwe zonden. Achter iedere deur klinken weeklachten en vervloekingen. Alle bedelaars zijn uit het gezicht verdwenen. Ook de pastoors hebben zich verborgen, om de stapels geld te tellen die God gisteravond heeft ontvangen. Met het geld dat overblijft zullen de kerken van Lima in Spanje echte veren van de aartsengel Gabriël kopen.

 

 

1607 Sevilla

De aardbei

 

Kapitein Alonso González de Nájera, die zes jaar in Chili is geweest, haalt herinneringen op.

Hij vertelt over wie tussen trommels en trompetten worden geboren, de edele heerschaar die vanaf de wieg in maliënkolder gekleed gaat en een muur opwerpt tegen de stormloop van de Indianen. Hij verzekert dat de regen goudkorrels uit de Chileense aarde naar boven haalt en dat de Indianen hun schatting betalen met goud dat uit de buik van hagedissen komt.

Ook vertelt hij over een zeldzame vrucht, met de kleur en de vorm van het hart die bij de aanraking met de tanden in zoete sappen openbarst. In geur, smaak en uiterlijk zou zij het tegen de lekkerste vruchten van Spanje kunnen opnemen, ook al doet men haar in Chili onrecht aan door haar vruchtje te noemen.

 

 

1608 Puerto Principe

Silvestre de Balboa

 

In het huis van leem en palmblad van Silvestre de Balboa, schrijver van het bestuur van Puerto Principe, ontstaat het eerste epische gedicht over de geschiedenis van Cuba. • De auteur draagt zijn achtregelige verzen op aan bisschop Altamirano, die vier jaar geleden door de Franse piraat Gilbert Giron in de haven van Manzanillo werd ontvoerd.

Uit het rijk van Neptunus stegen robben en zeenimfen, vol medelijden met de bisschop, op naar het piratenschip, maar deze wilde niets te zijner verdediging aannemen. De inwoners van Manzanillo wisten tweehonderd ducaten, duizend huiden en allerlei proviand bijeen te brengen en ten slotte liet de lutherse zeerover zijn prooi gaan. Om de vrijgekochte bisschop welkom te heten kwamen saters, faunen en halfbokken uit de bossen naar het strand om hem guanabanavruchten en andere heerlijkheden te brengen. Uit de velden kwamen bosnimfen beladen met mameyvruchten, ananassen, cactusvijgen, avocado’s en tabak. En in onderrok gekleed kwamen de boomnimfen naar beneden met de armen vol vruchten van de wilde pitajaya, van de birijí-boom en van de hoge jagua. Ook ontving bisschop Altamirano uit handen van de waternimfen guabinas, dajaos en andere riviervissen en de nimfen van de bronnen en de vennen schonken hem een paar heerlijke jicotea-schildpadden. Toen de piraten zich opmaakten de losprijs in ontvangst te nemen, werden zij overvallen door een klein groepje jongemannen, de bloem van Manzanillo, die hun dapper hun verdiende loon gaven. Het was een negerslaaf, Salvador geheten, die met zijn lans de borst van de piraat Gilbert Giron doorstak:

 

Oh creool Salvador, rechtschapen neger!

Je faam gaat je vooruit en zal nimmer vergaan.

Laat tot lof van deze held in ons leger

de tong noch de pen ooit werkloos blijven staan.

 

Vervuld van bewondering en ontzetting roept Silvestre de Balboa het beeld van Troje op en vergelijkt hij de inwoners van Manzanillo met Achilles en Odysseus, nadat hij hen heeft vermengd met nimfen, faunen en centauren. Maar tussen deze ontzag inboezemende godheden hebben ook, heel bescheiden, de mensen van dit dorp, een negerslaaf die zich als een held gedroeg, een plaats gevonden, evenals vele vruchten, kruiden en dieren van dit eiland, die de dichter bij hun naam noemt en liefheeft.

 

 

1608 Sevilla

Mateo Aleman

 

Mateo Aleman gaat aan boord van het schip dat naar Mexico vertrekt. Om naar Indië te kunnen reizen heeft hij de secretaris van de koning omgekocht en zuiverheid van bloed aangetoond.

Jood van vaders- en van moederszijde en met een door de Inquisitie op de brandstapel gebracht familielid, heeft Mateo Aleman zich een zeer christelijke afkomst en een indrukwekkend wapenschild aangemeten, en tegelijk maar zijn minnares, Francisca de Calderón, in zijn oudste dochter veranderd.

De schrijver nam de vaardigheden van zijn personage over en zo verandert Guzmán de Alfarache, bekwaam in het vak van de fraaiste schelmerij, van pak, naam en stad om schande uit te wissen en aan de armoe te ontsnappen. Ik moet naar alle pijpen dansen, voor zolang als het duurt, legt Guzmán de Alfarache uit in de roman die Spanje nu leest.

 

 

1608 Cordoba

De Inca Garcílaso

 

Met zijn zeventig jaar buigt hij zich over de tafel, doopt zijn pen in de hoornen inktpot en schrijft verontschuldigend.