Hoofdstuk 18

 

EEN ONVERWACHTE VRIEND

 

 

De kinderen liepen langs het pad dat naar de rivier leidde. Ze vonden een mooi plaatsje aan de oever van de rivier en daar gingen ze zitten. Buster gromde een beetje, maar hij ging toch bij hen zitten.

„Waarom grom jij, Buster?” vroeg Betty. „Wil je niet gaan zitten?”

Buster gromde opnieuw, maar zweeg daarna. De kinderen begonnen te praten.

„Het is wel heel vreemd,”, zei Pip. „We weten wie de man in kwestie is, en we hebben alle feiten. We weten hoe hij in de trein vanuit Londen is gekomen en we weten dat zijn schoenen in de voetsporen passen. We weten ook dat hij bang werd en die schoenen heeft verstopt. Maar wij hebben ze gevonden. We weten ook waarom alle andere Verdachten die avond in de tuin waren. We weten alles en toch kunnen we niets ondernemen, omdat meneer Goon toch zou doen of hij het allemaal zelf had ontdekt.”

„Nee, het heeft geen zin om het aan de politie te vertellen,” zei Dikky somber. „En we hoeven het ook niet tegen onze ouders te zeggen, omdat die meneer Goon toch direct opbellen. Is het niet afschuwelijk dat we het raadsel hebben opgelost en er niet voor kunnen zorgen dat de misdadiger wordt gestraft. Die afgrijselijke meneer Hick! Hij moet toch gestraft worden. Vind je het niet gemeen zoals hij die arme meneer Peeks de schuld in de schoenen heeft willen schuiven toen hij dacht dat wij teveel aan de weet gekomen waren? "

„Ja,” stemden ze allen in.

„Het was toch wel grappig dat hij zichzelf op die manier met de vliegtuigen verraadde,” zei Larry. „Het was heel knap van Dikky om dat op te merken.”

„Dat was het zeker,” zei Daisy vriendelijk, waarbij de anderen knikten.

Dikky kreeg onmiddellijk weer verbeelding.

„Ik had jullie toch al gezegd dat ik werkelijk een goed verstand heb. Op school...”

„Houd je mond, Dikky,” zeiden ze allemaal tegelijk.

Dikky zweeg, maar hij voelde zich toch nog steeds erg blij daar de anderen hem zo bewonderden, omdat hij zo’n belangrijk aanknopingspunt had gevonden.

Allen praatten nog een tijdje over het afgebrande huis, de Verdachten en hun aanknopingspunten, maar toen begon Buster opeens zo erg te grommen dat ze allen erg verbaasd waren.

„Wat is er toch aan de hand met Buster?” vroeg Betty. „Heeft hij misschien buikpijn?”

Ze had deze woorden nauwelijks uitgesproken, toen er een groot, rond gezicht boven het riet langs de rivier tevoorschijn kwam. Het was een vriendelijk gezicht en de man had sprankelende, intelligente ogen.

„O,” zeiden ze allen verbaasd.

„Neem me niet kwalijk,” zei de man. „Ik ben bang dat ik jullie aan het schrikken heb gemaakt. Maar zie je, ik zat hier op mijn geliefde plaatsje te vissen. Ik hield me natuurlijk stil omdat ik de vissen niet wilde storen. Ik kon er dus ook niets aan doen dat ik jullie gesprek hoorde. Maar ik vind dat het heel belangrijk is wat jullie te weten zijn gekomen, als ik dat tenminste mag zeggen.”

Buster blafte zo luid dat de kinderen nauwelijks konden verstaan wat de man zei. Hij kwam verder omhoog bij hen zitten en toen zagen ze dat hij een grote, sterke man was, die een tweed jasje droeg en enorme bruine schoenen.

Hij haalde een tablet chocolade tevoorschijn, brak dat in stukken en bood het de kinderen aan. Ze vonden hem erg aardig.

„Heeft u alles gehoord wat we hebben gezegd?” vroeg Betty. „Het was echt een geheim, hoor, want wij zijn de vijf detectives.”

„De vijf wat?” vroeg de man, die het niet goed verstond.

Allen lachten.

„De detectives,” verklaarde Daisy.

„Ik begrijp het,” zei de man, terwijl hij een pijp aanstak.

Buster was nu heel vriendelijk tegen hem en de man streelde Buster.

„Wat bent u?” vroeg Betty. „Ik heb u nog nooit eerder gezien.”

„Wel, ik hoop niet dat jullie het erg vinden, maar ik ben zelf ook een soort detective,” zei de man. „Ik moet ook raadsels oplossen. En dat is hoogst interessant, nietwaar? Ik denk dat jullie het met me eens zijn.”

„O ja,” zeiden ze allen.

„Ik begrijp uit wat ik heb gehoord dat jullie op een dood punt zijn aangeland. Jullie hebben het raadsel opgelost,” vervolgde hij, terwijl hij aan zijn pijp zoog. „Maar jullie kunnen de oplossing ervan niet bekend maken. Is dat juist?”

„Ja,” zei Larry. „Ziet u, meneer Goon, de plaatselijke politieagent vindt ons niet aardig en hij heeft bij onze ouders geklaagd over bepaalde dingen die we hebben gedaan. Er zijn inderdaad een paar minder leuke dingen bij, maar we hebben het met een goede bedoeling gedaan. Ik bedoel dat we erachter wilden komen wie het atelier van meneer Hick in brand heeft gestoken.”

„En nu jullie erachter zijn gekomen, moeten jullie erover zwijgen,” zei de man, terwijl hij de rook wegblies. „Dat is heel vervelend voor jullie. Maar vertel mij er iets meer van. Zoals ik al heb gezegd ben ik zelf ook detective en ik houd ervan over raadsels van man tot man met elkaar te praten, als jullie begrijpen wat ik bedoel.”

De kinderen keken de grote man naast hen aan. Zijn ogen twinkelden en met zijn hand streelde hij Buster. Larry keek om zich heen naar de anderen.

„Ik geloof dat we hem alles wel kunnen vertellen, vinden jullie ook niet?” vroeg hij.

De anderen knikten. Ze vertrouwden allen op de grote visser en op de een of andere manier wisten ze dat hun geheimen bij hem veilig waren.

En zo vertelde Larry, soms door Daisy, Dikky en Pip onderbroken, het hele verhaal van de detectives en wat ze hadden ontdekt. De man luisterde aandachtig, stelde nu en dan een vraag en knikte af en toe.

„Jij bent een knappe jongen,” zei hij tegen Dikky toen Larry vertelde hoe meneer Hick zichzelf had verraden door te zeggen dat hij die zeven Tempests had gezien op de avond van de brand. Dikky werd rood van genoegen en Betty kneep in zijn hand.

Toen was het verhaal uit. De man klopte zijn pijp uit en keek rond.

„Heel goed werk, als ik dat zo mag zeggen,” sprak hij, terwijl hij rondkeek. „Ik feliciteer de vijf detectives en hun hond! En ik geloof dat ik jullie wel een handje kan helpen.”

„Hoe?” vroeg Larry.

„We moeten die zwerver weer te pakken zien te krijgen, " zei de grote man. „Uit wat jullie me hebben verteld, maak ik op dat hij meneer Hick waarschijnlijk ook in de tuin heeft gezien. En dat zou een waardevol bewijs zijn. En natuurlijk moet de politie dit allemaal weten.”

„O,” zeiden ze allen teleurgesteld, terwijl ze dachten aan meneer Verdwijn en hoe deze met de eer zou gaan strijken. „We zouden die zwerver nooit weer kunnen vinden,” zei Larry. „Misschien is hij wel kilometers ver weg.”

„Ik zal hem wel voor jullie opzoeken,” beloofde de man.

„En die ouwe meneer Verdwijn, meneer Goon bedoel ik, wil toch niet naar ons luisteren,” 2ei Dikky teleurgesteld.

„Ik zal er wel voor zorgen dat hij luistert,” zei de man, terwijl hij opstond. „Laat dat maar aan mij over. Kom morgenochtend maar om tien uur op jullie politiebureau. Ik zal er dan ook zijn en de zaak regelen.” Hij nam zijn hengel en legde die over zijn schouder. „Een interessant gesprek,” zei hij. „Belangrijk voor jullie en belangrijk voor mij. Ik hoop dat jullie het ermee eens zijn.”

Hij liep weg in de avondschemering en de kinderen keken hem na.

„Morgenochtend om tien uur op het politiebureau,” zei Dikky, die zich niet helemaal op zijn gemak voelde. „Wat moet daar wel gebeuren. En hoe wil die man de zwerver weervinden?”

Niemand wist het. Larry keek op zijn horloge, uitte een kreet en sprong op.

„Het is verschrikkelijk laat!” zei hij. „We krijgen moeilijkheden thuis. Kom gauw!”

Ze renden naar huis met Buster op hun hielen.

„Tot morgen!” schreeuwden ze tegen elkaar. „Om tien uur op het politiebureau. En kom niet te laat!”