Hoofdstuk 9

 

LILY KOMT IN DE GESCHIEDENIS

 

 

Dikky was echt te stijf van alle builen om die dag nog iets te kunnen doen. Daarom lieten Larry, Pip en Daisy hem in de tuin achter met Betty en Buster. Dan konden die op hun gemak lezen. Ze dachten erover weer naar het huis van meneer Hick te gaan om opnieuw met mevrouw Minns te praten.

„We moeten proberen te weten te komen of mevrouw Minns het vuur niet zelf heeft aangestoken,” zei Larry. „Ik heb niet het gevoel dat ze het heeft gedaan, maar als detective kun je nu eenmaal niet teveel op je gevoel afgaan. We moeten ook het adres van Horace Peeks hebben.”

„We zullen een visje voor Sweetie de kat meenemen,” zei Daisy. „Ik geloof dat er wel eentje is overgebleven die ik van de kokkin mag meenemen. Mevrouw Minns zal het schitterend vinden dat we iets voor Sweetie meenemen. ’’

De kokkin gaf Daisy een viskopje in papier verpakt. Buster rook eraan en wilde achter Daisy aanlopen, maar Dikky hield hem stevig vast.

„Het is beter dat hij niet meegaat,” zei Daisy. „Hij zou waarschijnlijk achter Sweetie aanrennen en dan zou mevrouw Minns ons wegjagen.”

Ze liepen samen de weg af.

„Laat mij het woord maar doen,” zei Larry.

Daisy lachte.

„Maak je maar niet bezorgd, mevrouw Minns zal het woord wel doen,” zei ze.

Ze kwamen bij de keukendeur en keken naar binnen. Lily zat er een brief te schrijven. Ze zag eruit alsof ze had gehuild.

„Waar is mevrouw Minns?” vroeg Larry.

„Boven,” antwoordde Lily. „Ze is in een slechte bui. Ik heb een kan melk over haar heen laten vallen en nu zegt ze maar steeds dat ik het opzettelijk deed.”

„Was je hier ook op de avond van de brand?” vroeg Larry.

Lily schudde haar hoofd.

„Waar was je dan?” vroeg Larry. „Heb je de brand niet gezien?”

„Ik heb het gezien toen ik terugkwam van mijn vrije avond,” zei Lily. „Het doet niet ter zake waar ik was. Daar hebben jullie niets mee te maken!”

„Dat weet ik wel,” zei Larry verbaasd, omdat Lily opeens zo’n toon aansloeg. „Maar wat ik niet begrijp is dat mevrouw Minns of haar zuster het niet roken toen de brand begon!”

„Daar komt de Zuster van mevrouw Minns net aan,” zei Lily, terwijl ze een dikke vrouw aankeek, die met een gebloemde hoed op haar hoofd de keukendeur binnenwandelde. Ze scheen verbaasd te zijn daar kinderen aan te treffen. „Hallo, mevrouw Jones,” zei Lily gedwee. „Mevrouw Minns is boven om een andere jurk aan te trekken. Ze komt dadelijk terug.”

Mevrouw Jones liet zich in een stoel zakken en begon zwaar te ademen.

„Mijn hemel, is me dat een warme dag,” zei ze. „Wie zijn toch die kinderen?”

„We wonen hier in de straat,” zei Pip. „En we hebben een viskopje voor Sweetie meegebracht.”

„Waar zijn de kleine katjes?” vroeg Daisy, terwijl ze naar de lege mand keek.

„O,” zei Lily geschrokken. „Ik hoop niet dat ze de keuken zijn uitgelopen naar boven. Mevrouw Minns heeft me uitdrukkelijk gezegd de deur dicht te laten.”

„Misschien zijn de katjes wel buiten,” zei Larry, terwijl hij de keukendeur dichtdeed. Hij wilde niet dat meneer Hick het gesprek zou horen en naar beneden kwam. „O, daar hebben we Sweetie al.”

De grote zwart-witte kat kwam de keuken binnen met de staart recht omhoog. Ze rook de viskop en liep regelrecht op Daisy af. Daisy haalde het papier eraf en deed de viskop in een etensbakje in de hoek van de keuken. Sweetie nam het viskopje er onmiddellijk uit en at het op de vloer.

„Was Sweetie ook bang op de avond van de brand?” vroeg Pip, die vond dat het tijd werd om dat onderwerp aan te snijden.

„Ze was een beetje onrustig,” zei mevrouw Jones.

„Was u dan hier?” vroeg Daisy, die deed alsof ze dat niet wist. „Hoe kwam het dan dat u niet wist dat het huisje in brand stond?”

„Maar dat wist ik wel,” zei mevrouw Jones lichtgeraakt. „Heb ik niet steeds tegen Maria gezegd:, Maria, er brandt iets! ’ Ik heb een erg goede neus, maar Maria niet. Ik ben door de keuken gaan rondsnuffelen, en ik heb zelfs nog even in de hal gekeken of daar niet iets smeulde.”

„Heeft mevrouw Minns ook gekeken of er iets in brand stond?” vroeg Larry.

„Ach,” zei mevrouw Jones. „Die avond was Maria eenvoudig niet in beweging te krijgen. Ze had weer een aanval van reumatiek. Ze was erg uit het veld geslagen, hoor.”

„Wat bedoelt u met uit het veld geslagen?” vroeg Larry geïnteresseerd.

„Wel, ze zat in deze stoel en zei zelf:. Hannah, ’ zei ze., Ik ben werkelijk helemaal verslagen. De reuma heeft me weer te pakken. Ik kan me niet bewegen. ’ Dus zeg ik tegen haar: , Maria, blijf jij nu maar lekker zitten. Ik zorg wel voor thee en de rest. Meneer Hick is weg, dus je hoeft niet voor het eten te zorgen. Ik blijf zolang bij je totdat je iets minder pijn in je benen hebt. ’”

De kinderen luisterden en allen dachten hetzelfde:

, Als mevrouw Minns die avond niet van haar stoel was geweest, dan kon ze de brand ook niet hebben gesticht! ’ „En is die arme mevrouw Minns niet een keer uit haar stoel opgestaan?” vroeg Daisy. „Ik bedoel niet voordat u beiden zeker wist dat er brand was.”

„Nee, ze is blijven zitten,” zei mevrouw Jones. „Pas toen mijn neus me vertelde dat er werkelijk een ernstige brand was, stond ze op. Ik ging door de keukendeur en snoof, en daarna ben ik de tuin ingegaan en toen zag ik de brand. Ik riep:. Maria, er is brand. ’ Ze werd zo bleek als een doek. , Kom, Maria, ’ zei ik., We moeten iets doen. ’ Maar die arme Maria kon niet uit haar stoel opstaan. Zo was ze eraan toe!” De kinderen luisterden met genoegen. Mevrouw Minns kon er eenvoudig niets mee te maken hebben, want als ze de hele avond uit het veld geslagen was door haar reuma, dan kon ze niet zijn rondgelopen om brand te stichten. Bovendien was haar zuster de hele tijd bij haar. Nee, mevrouw Minns had er beslist niets mee te maken. Das was opnieuw een verdachte die van de lijst kon worden geschrapt.

Mevrouw Minns deed de keukendeur open en kwam binnen met een boos gezicht. Ze was naar boven geweest om een andere jurk aan te trekken. Ze keek even met een gemene blik naar Lily en toen zag ze in haar verbazing de kinderen.

„En Maria, hoe staat het met de reuma?” vroeg mevrouw Jones.

„Goedemiddag, mevrouw Minns,” zei Daisy. „We zijn gekomen om een viskopje voor Sweetie te brengen.”

Mevrouw Minns knipperde even met haar ogen. Ze was altijd heel erg geroerd als men iets voor haar dierbare katten deed.

„Dat is aardig van jullie,” zei ze. En toen vervolgde ze tegen haar zuster: „De reuma is weer iets beter. Maar wat er nog van komt als je helemaal doorweekt bent geweest van de melk, dat weet ik niet. In ieder geval is het toch maar wat als die Lily de melk over me uitstort.”

„Ik heb het niet met opzet gedaan,” zei Lily gedwee. „Mag ik nu deze brief even gaan posten?”

„Nee,” zei mevrouw Minns. „Maak de thee voor meneer Hick klaar. Stop met het schrijven van die brief en doe eindelijk iets, voor de verandering!”

„Ik wil dat deze brief nog met de postbestelling meekan,” zei Lily, die eruit zag alsof ze zo in huilen zou uitbarsten.

„Nou, het gaat toch niet door!” zei mevrouw Minns.

Lily begon te huilen en de kinderen voelden medelijden met haar. Ze stond op en begon koppen en schotels tevoorschijn te halen. De kinderen vroegen zich af hoe zij het beste over Horace Peeks zouden kunnen beginnen. Ze wilden zijn adres hebben, zodat ze hem konden gaan opzoeken.

„Heeft meneer Hick al een nieuwe bediende?” vroeg Larry tenslotte.

„Hij heeft vandaag een paar mensen ontvangen,” zei mevrouw Minns, terwijl ze zich in een fauteuil liet zakken, die onder haar gewicht kraakte. „Ik hoop alleen dat hij niet een aanneemt die zoveel verbeelding heeft als meneer Peeks.”

„Woont meneer Peeks hier ook in de buurt?” vroeg Pip onschuldig.

„Ja,” zei mevrouw Minns. „Laat me even kijken, waar woont hij nu toch... Mijn geheugen wordt bij de dag slechter.”

Er kwam een onaangename onderbreking juist op het moment dat mevrouw Minns zich scheen te herinneren waar Horace Peeks woonde. De keukendeur vloog open en drie katjes suisden door de lucht, waarna ze mauwend en blazend op de vloer terechtkwamen. Iedereen keek stomverbaasd toe.

Meneer Hick stond in de deuropening. Zijn voorste lok haar zat op zijn hoofd zoals een papegaai zijn kuif heeft zitten.

„Die katten zaten in mijn studeerkamer!” schreeuwde hij.

„Kunnen mijn orders dan nooit worden uitgevoerd? Als ze vanavond niet uit dit huis zijn, verdrink ik ze!”

Hij wilde de deur dichtslaan toen hij de kinderen zag. Hij kwam de keuken binnen en wees naar hen.

„Heb ik jullie niet al eerder weggestuurd? Hoe durven jullie hier nog weer te komen?”

Larry, Pip en Daisy stonden op en maakten dat ze wegkwamen. Ze waren niet laf, maar meneer Hick was zo’n woesteling dat het er veel op leek dat hij hen op dezelfde manier de deur uit zou smijten als hij met de katjes had gedaan.

Ze renden over het tuinpad, maar halverwege bleef Larry staan.

„Laten we wachten totdat Hickkop uit de keuken is,” zei hij. „We moeten het adres van Horace Peeks nu eenmaal hebben. We kunnen niets ondernemen zolang we niet weten waar hij is.”

Ze wachtten een paar minuten en gingen toen heel voorzichtig de keuken weer binnen. Mevrouw Minns sprak tegen haar zuster en Lily was nog steeds bezig met de voorbereidingen van de thee. De kinderen keken met het hoofd om het hoekje van de deur.

„Wat willen jullie nu nog?” vroeg mevrouw Minns goed-gestemd. „Geloof me, jullie renden daarnet weg als bange muizen. Ik heb er wel om moeten lachen, hoor.”

„U was bezig om ons te vertellen waar Horace Peeks woont, toen meneer Hick binnenkwam,” zei Larry.

„Werkelijk?” vroeg mevrouw Minns. „O ja, ik kreeg even een helder moment, maar nu weet ik het alweer niet. Laat me eens nadenken... eens even kijken, hoor...”

Ze dacht heel diep na en de kinderen ademden zwaar, zo zaten ze in spanning. Toen hoorden ze zware voetstappen in de richting van de deur komen en even later werd er hard geklopt.

Mevrouw Minns ging naar de deur. De kinderen zagen dat het meneer Goon, de politieagent was. Het scheen dat ze hem nooit konden ontlopen.

„Morgen mevrouw, " zei meneer Verdwijn tegen mevrouw Minns, terwijl hij zijn grote zwarte notitieboekje tevoorschijn haalde. „U hebt me over die brand alle informaties verstrekt, maar nu wil ik nog graag een paar inlichtingen hebben over die meneer Peeks.”

De kinderen keken elkaar fronsend aan. Dus meneer Verdwijn was ook achter Peeks aan.

„Weet u zijn adres?” vroeg meneer Verdwijn, terwijl hij mevrouw Minns met zijn uitpuilende blauwe ogen aankeek.

„Wel,” zei mevrouw Minns, „als dat niet toevallig is. Ik was er net over aan het nadenken, want deze kinderen wilden het ook weten.”

„Welke kinderen?” vroeg meneer Verdwijn verrast.

Hij stak zijn hoofd om de deur en zag Larry, Daisy en Pip.

„Jullie weer!” zei hij vol afkeer. „Verdwijn! Jullie kinderen lopen volwassen mensen altijd in de weg. Jullie zijn voortdurend tot last. Waarom willen jullie het adres van Peeks weten? Weer wijsneuzerig, hè?”

De kinderen zeiden niets. Meneer Goon wees met zijn duim achter zich.

„Ga naar huis!” zei hij. „Ik heb hier belangrijke zaken te regelen. Verdwijn!”

Er zat niets anders voor hen op dan te verdwijnen en de kinderen liepen over het tuinpad naar het hek. Ze waren erg boos.

„Net toen mevrouw Minns over het adres nadacht!” zei Larry.

„Ik hoop dat het haar niet te binnen schiet, zodat ze het aan meneer Verdwijn vertelt,” zei Pip somber. „Want als hij het hoort, dan is hij er eerder dan wij.”

„Verhip!” zei Daisy.

Ze voelden zich allemaal erg teleurgesteld. Ze zouden juist door het hek naar buiten lopen toen ze in het struikgewas Zacht gefluit hoorden. Ze draaiden zich om en keken wie het was.

Lily verscheen met een brief in haar hand. Ze keek erg bang, maar vastberaden.

„Willen jullie deze brief voor me posten?” vroeg ze. „Hij is voor meneer Peeks, om hem ervoor te waarschuwen dat ze hem van de brand verdenken. Maar hij heeft het niet gedaan! Hij heeft het niet gedaan! Ik weet dat hij het niet heeft gedaan. Jullie posten die brief toch voor me, hè?”

Uit de keuken klonk luid geschreeuw.

„Lily! Waar ben je?”

Lily verdween terstond. De kinderen renden het hek uit. Ze waren opgewonden en verbaasd tegelijk. Toen ze een eindje verder waren, bleven ze even staan en bekeken ze de enveloppe van Lily. Er zat geen postzegel op. Dat had het meisje in de haast vergeten.

„Lieve help!” zei Larry. „Nu zijn we de hele middag bezig geweest om het adres van Horace Peeks te weten te komen en nu wordt het ons op een presenteerblaadje aangeboden.” „Wat een meevallertje,” zei Daisy opgewonden. „Ik ben er erg blij mee.”

„Maar de Vraag is of wij wel willen dat Peeks wordt gewaarschuwd,” zei Larry. „Weet je, als hij de daad heeft begaan, dan moet hij gestraft worden. Daaromtrent bestaat geen twijfel. En als hij van tevoren door iemand wordt gewaarschuwd, kan hij vluchten. En dan kunnen wij het raadsel niet oplossen.”

Ze staarden elkaar eens aan. Toen kreeg Pip een idee.

„Ik weet het,” zei hij. „We gaan vanmiddag na de thee naar Peeks in plaats van te wachten tot morgenochtend. We zullen met hem spreken en dan onze conclusie trekken of hij het wel of niet heeft gedaan. En als we denken dat hij de dader niet is, dan geven we hem de brief van Lily.”

„Een goed idee,” zeiden de anderen tevreden. „Tenslotte kunnen we een brief zonder postzegel niet posten, maar wel persoonlijk afgeven.”

Ze keken naar het adres.

Meneer H. Peeks Ivy Cottage, Wilmer Green.

„Dan gaan we op onze fietsen,” zei Larry. „Kom, we moeten het aan de anderen vertellen.”