Hoofdstuk 15
EEN SCHOK VOOR LARRY EN DIKKY
Het volgende ogenblik sprong Dikky bijna weer uit zijn vel, want opnieuw werd hij door iemand vastgegrepen.
„O,” zei hij verschrikt.
„St!” zei Larry fluisterend. „Heb je de schoen?”
„Nee,” zei Dikky.
Toen legde hij snel uit wat er was gebeurd en Larry luisterde met ontzetting toe.
„Je bent een idioot!” zei hij. „Om een van onze beste aanknopingspunten aan die oude meneer Verdwijn te geven! Nu weet hij dat we achter hetzelfde aan zijn als hij.”
„De schoen was geen aanknopingspunt,” zei Dikky ter verdediging. „Het was een vergissing. We dachten dat het een aanknopingspunt was, maar dat was niet zo. In ieder geval heeft meneer Verdwijn hem nu en ik kon er echt niets aan doen. Ik ben er tenslotte nog in geslaagd om te vluchten.”
„Wat zullen we nu doen?” vroeg Larry. „Zullen we naar binnen gaan en een kijkje nemen? Er brandt geen licht meer in de studeerkamer. Die oude meneer Smellie moet naar bed gegaan zijn.”
„Ja, kom mee,” zei Dikky. „Waar is de tuindeur?”
Die vonden ze echter vrij snel en tot hun grote opluchting was deze nog steeds open. Aangezien er licht in de keuken brandde, namen de beide jongens aan dat juffrouw Miggle nog steeds op was. Ze besloten om bijzonder voorzichtig te zijn.
Toen glipten ze naar binnen. Larry ging voor naar de studeerkamer, waar Daisy en hij met meneer Smellie hadden gepraat.
„Blijf jij maar in de hal op wacht staan,” zei hij. „Als meneer Smellie of juffrouw Miggle er dan aankomen, kun je me dadelijk waarschuwen. Ik zal een van de vensters van de studeerkamer opendoen als dat tenminste zonder al te veel lawaai mogelijk is, zodat ik daardoor kan ontsnappen als er iemand in de kamer komt.”
Larry ging de studeerkamer binnen. Hij had een zaklantaarn bij zich en daarmee scheen hij in de slordige kamer rond. Overal lagen papieren. Papieren en boeken op het schrijfbureau, papieren en boeken op de vloer en op de stoelen. Er stonden ook boeken in de kasten die de hele wanden bedekten. Bovendien stonden er boeken op de schoorsteenmantel. Het was vrij duidelijk dat meneer Smellie een erg geleerd man was.
Larry begon te zoeken naar de schoenen die hij hoopte te vinden. Hij nam van iedere plank in de kast een rijtje boeken en voelde er met zijn hand achter. Maar er was niets te vinden. Hij keek overal onder de stapels papieren, maar hij vond geen schoenen.
Dikky stond buiten in de hal op wacht. Hij zag de halkast waar Daisy die ene schoen had gevonden en vond het een goed idee om daar eens een kijkje te gaan nemen. Daisy kon allicht iets over het hoofd hebben gezien. Hij glipte er snel naar binnen. Hij was zo druk bezig dat hij niet hoorde dat iemand een huissleutel in het slot stak. Hij hoorde ook niet dat er iemand in de hal kwam en de deur zacht achter zich dicht deed. Daardoor had hij helemaal geen tijd om Larry nog te waarschuwen. Hij hoorde meneer Smellie alleen toen die de studeerkamer binnenging en het licht aandraaide.
Toen was het natuurlijk te laat om nog iets te doen. Larry was betrapt terwijl hij zijn hoofd in een kast had gestoken. Meneer Smellie en hij staarden elkaar aan. Ze waren beiden boos en verbaasd.
„Indringer!” zei meneer Smellie woedend. „Dief! Akelige jongen ! Ik zal je opsluiten en de politie opbellen.”
Hij greep Larry beet en hield hem met een verbazingwekkende kracht vast. Hij schudde Larry stevig dooreen en Larry gaf een kreet.
„Toe meneer, alstublieft!”
Maar meneer Smellie wilde helemaal niet luisteren. Zijn kostbare papieren betekenden zoveel voor hem dat hij razend werd als hij zag dat iemand bezig was erin te snuffelen. Hij was eenvoudig niet in staat te luisteren. Hij schudde Larry stevig heen en weer en duwde hem voor zich aan de hal in. Die arme Dikky, die helemaal in de war geraakt was door het feit dat hij Larry niet had gewaarschuwd, durfde zich niet buiten de kast te vertonen.
„Lelijke, slechte jongen!” hoorde hij meneer Smellie tegen Larry zeggen, terwijl hij deze de trap opduwde. Larry protesteerde wel steeds, maar meneer Smellie wilde niet luisteren. „Ik zal de politie laten komen en je uitleveren!”
Dikky trilde. Het was erg genoeg als je werd gegrepen, maar hij moest er niet aan denken dat hij aan meneer Verdwijn werd uitgeleverd. Hij hoorde dat meneer Smellie Larry meenam naar de kamer boven en hem daar opsloot. Juffrouw Miggle, die geschrokken was van het lawaai, kwam een kijkje in de hal nemen.
„Dieven en rovers!” schreeuwde meneer Smellie tegen haar. „Ik kwam daarnet thuis, ik liep mijn studeerkamer binnen en daar vond ik dieven en rovers die mijn papieren wilden stelen.”
Juffrouw Miggle veronderstelde dat er wel twee of drie dieven in huis moesten zijn geweest en ze deed haar mond open van verbazing.
„Waar zijn die dieven nu?” vroeg ze.
„Boven in de bergkast,” zei meneer Smellie.
Juffrouw Miggle staarde meneer Smellie met nog meer verbazing aan. Ze kon zich niet voorstellen dat hij alleen twee of drie mannen mee naar boven had genomen en ze daar had opgesloten. Ze zag dat meneer Smellie trilde van opwinding en schrik.
„Gaat u eerst rustig zitten voordat u de politie opbelt,” zei ze. „U bent helemaal van streek. Ik zal u iets te drinken brengen. De dieven zitten veilig opgeborgen!”
Meneer Smellie liet zich in een stoel in de hal zakken. Zijn hart bonsde en hij ademde zwaar.
„Over een minuutje ben ik weer de oude,” zei hij hijgend. „De grootste van de dieven heb ik in ieder geval te pakken!”
Juffrouw Miggle liep hard naar de keuken. Dikky luisterde ademloos toe. Op de een of andere manier was hij ervan overtuigd dat meneer Smellie teruggegaan was naar de studeerkamer. Hij wist natuurlijk niet dat meneer Smellie in een stoel beneden aan de trap zat.
, Ik doe er waarschijnlijk goed aan om de kans waar te nemen Larry te bevrijden, ’ dacht hij wanhopig.
Hij opende de kastdeur en liep regelrecht naar de trap. Meneer Smellie was stomverbaasd nog een jongen in zijn huis te zien. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven. Hij deed een uithaal naar Dikky. Dikky schrok geweldig en gaf een gil. Hij probeerde de trap op te rennen en hij was meneer Smellie inderdaad een paar treden voor. Maar de oude man had zijn kracht weergekregen en woedend greep hij Dikky vast, omdat hij meende dat hij nu nog een dief te pakken had. Maar Dikky deed nog een paar passen, terwijl meneer Smellie hem bijna zijn jas uittrok. Toen struikelde Dikky en ging hij op een der treden zitten halverwege de trap. Meneer Smellie viel bovenop hem, waardoor hij de jongen bijna platdrukte.
„Au Au!” gilde Dikky. „Ga van me af! U doet me pijn!”
Juffrouw Miggle liet een glas vallen en kwam de hal inrennen. Wat kon er in ’s hemelsnaam aan de hand zijn? Was het hele huis dan vol rovers? Ze zag nog net dat Dikky van de trap viel en over de vloer rolde, wat met veel lawaai gepaard ging.
Ze zag dadelijk dat hij nog maar een jongen was en ze sprak streng tegen hem.
„Wat heeft dit de betekenen? Hoe durf je in het huis van iemand anders te komen? Hoe heet jij en waar woon je?”
Dikky besloot om zich maar erg van streek en geblesseerd te gedragen. Juffrouw Miggle was een erg goede ziel en misschien liet ze hem wel lopen als ze de indruk kreeg dat het niets anders was dan een kwajongensstreek.
Daarom begon Dikky luidkeels te huilen. Larry hoorde hem en hij vroeg zich af wat er wel gebeurd was. Hij bonsde op de gesloten deur, waardoor het lawaai toenam, en juffrouw Miggle keek erg geschrokken.
„Hij heeft mijn vriend boven in een kamer opgesloten,” zei Dikky huilend. „Ik wilde hem net gaan bevrijden toen meneer Smellie me vastgreep en van de trap afgooide. O, ik zit onder de builen. Ik weet nog niet wat mijn moeder zal zeggen als ze die ziet! Ze zal meneer Smellie wel aanklagen wegens het mishandelen van een kind. Ze zal de politie opbellen!”
„Maar je kunt nu nog geen builen hebben,” zei juffrouw Miggle. „Ik weet zeker dat zo’n vriendelijke oude heer als meneer Smellie jou niet slaat en dat hij je ook niet van de trap gooit. Wees niet zo’n ondeugende leugenaar.”
„Dat ben ik niet!” zei Dikky. „Dat ben ik niet!” Hij deed alsof hij nog steeds huilde. „Kijk hier maar... en hier... en daar! O, laat alstublieft een dokter komen.”
Tot juffrouw Miggle’s opperste verbazing en tot grote schrik van meneer Smellie zat die jongen beneden aan de trap inderdaad onder de builen. Ze waren rood, groen en sommige zelfs geel. Het kwam in geen van hen op dat de jongen die builen al eerder had.
„Meneer Smellie!” zei juffrouw Miggle op een vermanende toon. „Kijk dat arme kind nou toch eens! Hoe kunt u een kleine jongen zo slaan? Ik durf er niet aan te denken wat zijn ouders zullen zeggen.”
Meneer Smellie was erg geschrokken toen hij dacht dat hij de oorzaak was van de wonden van Dikky. Hij slikte een paar maal moeilijk en zei toen:
„Doet u maar iets op die builen!”
„Dat zal ik doen in de tijd dat u de politie opbelt,” zei juffrouw Miggle, die zich plotseling herinnerde dat er boven nog een andere dief zat.
Maar meneer Smellie scheen helemaal geen zin te hebben om de politie nog op te bellen. Hij keek een beetje schaapachtig en zei:
„Wel, juffrouw Miggle. Misschien is het beter wanneer we de jongens naar een verklaring voor hun gedrag vragen voordat we de politie bellen.”
„Wilt u mijn vriend vrij laten?” vroeg Dikky. „We zijn hier niet gekomen om iets te stelen. Het was maar een grapje. Heus! Laten we er niet meer over praten. Als u niets tegen de politie zegt, zullen wij niets tegen onze moeders zeggen en zal ik mijn builen niet laten zien.”
Meneer Smellie schraapte zijn keel en juffrouw Miggle keek hem aan.
„Dus die dieven en rovers waren alleen maar twee kleine jongens!” zei ze. „Lieve help! Waarom hebt u mij niet geroepen? Ik zou de zaak wel hebben geregeld zonder zoveel lawaai en drukte.”
„Ik heb hem niet van de trap afgegooid,” zei meneer Smellie, terwijl hij naar boven ging om Larry uit de kofferruimte te laten.
Kort daarop bevond Larry zich bij Dikky in de hal. Meneer Smellie nam hen beiden mee naar de studeerkamer en juffrouw Miggle kwam iets op de wonden van Dikky doen.
„Ik krijg altijd geweldige builen,” begon Dikky. „Ik heb eens een buil gehad in de vorm van een kerkklok.”
„Wat deden jullie beiden vanavond in mijn huis?” vroeg meneer Smellie scherp.
Hij wilde geen verhalen over builen horen. Larry en Dikky zwegen. Ze wisten werkelijk niet wat ze moesten zeggen.
„Dat zullen jullie toch moeten vertellen,” zei juffrouw Miggle. „Ik wed dat jullie hier niet met goede bedoelingen zijn gekomen. Wees nu braaf en biecht alles eerlijk op!”
De jongens bleven echter zwijgen. Meneer Smellie verloor plotseling zijn geduld.
„Tenzij jullie mij vertellen waarom jullie hier zijn gekomen, zal ik jullie aan de politie uitleveren!” zei hij.
„Ik weet niet wat de politie zal zeggen als ze al mijn builen zien,” zei Dikky.
„Ik heb de indruk dat die builen eerder zijn veroorzaakt dan vanavond,” zei meneer Smellie steeds scherper. „Ik weet wat het betekent als een buil geel is, als juffrouw Miggle het tenminste niet ook weet.”
De jongens zeiden niets.
„Namen en adressen!” bulderde meneer Smellie, terwijl hij een pen tevoorschijn haalde. „Ik zal zowel jullie ouders alsook de politie ervan in kennis stellen.”
Toen ze hoorden dat hun ouders op de hoogte zouden worden gesteld, vonden ze dat nog veel onaangenamer dan dat de politie het te weten zou komen. Larry gaf het opeens op.
„We zijn gekomen om een schoen terug te brengen die we vanmorgen hebben meegenomen,” zei hij zacht.
Zowel juffrouw Miggle als meneer Smellie staarden hem aan alsof ze dachten dat hij gek geworden was.
„Een schoen?” vroeg meneer Smellie tenslotte. „Waarom een schoen en waarom maar één? Waar hebben jullie het over?”
„We waren op zoek naar een schoen die paste bij een bepaalde voetafdruk,” zei Larry.
Dat bracht de beide toehoorders nog meer in verwarring. Meneer Smellie tikte ongeduldig met zijn pen op het bureau.
„Leg dat eens nader uit!” zei hij. „Ik geef jullie één minuut en daarna zal ik de politie en jullie ouders opbellen als jullie me geen verklaring voor jullie gedrag hebben gegeven.”
„Het heeft geen zin,” zei Dikky tegen Larry. „We zullen hem de werkelijke reden wel moeten vertellen, zelfs als hij daardoor op zijn hoede is. "
„Op mijn hoede zijn!” zei meneer Smellie. „Wat bedoel jij? Werkelijk, ik begin te geloven dat jullie beiden gek geworden zijn.”
„Dat zijn we niet,” zei Larry zuurzoet. „Maar we weten iets over u, meneer Smellie. We weten dat u op de avond van de brand in het huis van meneer Hick bent geweest.”
Het effect van deze woorden was verbazingwekkend. Meneer Smellie liet zijn pen op de vloer vallen en sprong overeind. Zijn bril viel van zijn neus en zijn baard schudde hevig heen en weer. Ook juffrouw Miggle keek bijzonder verbaasd.
„U was daar toch, nietwaar?” vroeg Larry. „Iemand heeft u gezien en dat heeft men ons verteld.”
„Wie heeft het jullie verteld?” vroeg meneer Smellie snel.
„Horace Peeks heeft u gezien,” zei Larry. „Hij was die avond zelf in het huis omdat hij enige dingen nog moest ophalen voordat meneer Hick terug was. En hij heeft u gezien. Hoe wilt u dat aan de politie verklaren?”
„O, meneer Smellie! Wat deed u die avond daar?” vroeg juffrouw Miggle huilend.
Ze dacht meteen dat haar baas de brand misschien had gesticht.
Meneer Smellie ging zitten en zette zijn bril weer op.
„Juffrouw Miggle,” zei hij. „Ik merk dat u mij ervan verdenkt de brand in het atelier van meneer Hick te hebben gesticht. Hoe kunt u zoiets van me denken nadat u zoveel jaren bij me in dienst bent geweest? U weet dat ik zelfs nog geen vlieg kan doodslaan !”
„Wel, waarom bent u er dan heengegaan?” vroeg juffrouw Miggle. „Vertelt u het mij maar, ik zal wel voor u zorgen, wat u ook heeft gedaan.”
„Ik heb geen oppas nodig,” zei meneer Smellie enigszins scherp. „De enige reden waarom ik naar meneer Hick ging, was om de papieren op te halen die ik had vergeten mee te nemen nadat ik ’s ochtends ruzie met die vent had gekregen. Ik ben in zijn huis geweest, maar niet in zijn atelier. Ik heb mijn papieren gehaald en daar liggen ze op de schrijftafel. Ik heb ze vanmorgen nog aan deze jongen en zijn zuster laten zien !”