Hoofdstuk 14

 

MENEER VERDWIJN VERSCHIJNT OP EEN ONGELEGEN OGENBLIK

 

 

De kinderen praatten nog een tijdje met Lily en toen het theetijd werd, moesten ze gaan. Het meisje was opgelucht dat ze haar moeilijkheden aan iemand had verteld en ze liet hen uit, nadat ze nog eens hadden beloofd er met niemand over te spreken.

Ze gebruikten de thee allen bij Pip thuis en dat was wel heel fijn, omdat ze de dingen dan nog eens konden bespreken. Ze waren allemaal wel erg opgewonden.

„Er komt nu toch schot in,” zei Pip, terwijl hij zich in de handen wreef. „Ik geloof niet dat Horace Peeks iets met de brand uitstaande heeft. Helemaal niets! Ik geloof dat het meneer Smellie geweest is. Denk maar na hoe bang hij was toen jullie met hem over zijn avondwandeling spraken. Waarom zou hij bang zijn als hij niets verkeerds gedaan heeft?”

„En we weten dat zijn schoenen de goede maat hebben, zelfs al komen de rubberzolen niet overeen met de tekening,” zei Daisy.

„Misschien heeft hij wel een paar dat past,” zei Dikky, „maar heeft hij ze ergens verstopt voor het geval zijn sporen zouden worden gevonden.”

„Ja, dat is zo,” zei Larry. „Als we nu maar iemand konden vinden met een gescheurd grijs flanellen jasje, dan zou de zaak voor elkaar zijn.”

„We moeten die schoenen werkelijk zien op te sporen,” zei Daisy. „Ik vermoed dat ze ergens in zijn studeerkamer staan. Je weet dat hij ons heeft verteld dat hij niet wil dat juffrouw Miggle daar de boel opruimt. Hij kan ze daar gemakkelijk in een kast of achter een rij boeken hebben verstopt.”

„Dat is een goed idee,” zei Larry tegen Daisy. „Ik denk dat je gelijk hebt. Zal ik er vanavond naar binnen sluipen om een kijkje te nemen?”

„Hebben wij wel het recht om zomaar huizen binnen te dringen en naar schoenen te gaan zoeken?” vroeg Pip, met een ondertoon van twijfel in zijn stem.

„We kunnen het nu eenmaal aan niemand vragen,” zei Larry. „En we zullen het eenvoudig moeten doen. We proberen gewoon iets te ontdekken.”

„Ik weet het, maar volwassen mensen doen soms zo raar, en ik ben ervan overtuigd dat de meesten van hen het ook niet op prijs zullen stellen als kinderen bij hen naar binnen sluipen om naar aanknopingspunten te zoeken.”

„Wel, ik weet niet wat we anders zouden moeten doen,” zei Larry. „Werkelijk niet. In ieder geval moeten we de schoen terugbrengen die Daisy heeft meegenomen, suffie.” „Ja,” stemde Pip in. „Dat moet wel, maar zorg dat je niet gepakt wordt!”

„Ik zal ervoor zorgen,” zei Larry. „Ho, stil jongens. Daar komt Pip’s moeder.”

De moeder van Pip vroeg hoe het Dikky na zijn val verging. Dikky voelde zich opeens heel wat opgewekter, want de anderen hadden helemaal vergeten ernaar te vragen.

„Dank u, met mij gaat het goed,” zei hij. „Maar mijn builen zijn wel heel bijzonder. Ik heb er een in de vorm van een hondenkop, zoals Buster bijvoorbeeld.”

„Werkelijk?” vroeg Pip’s moeder stomverbaasd. „Laat me die eens zien!”

Dikky bracht vijf heerlijke minuten door bij het tonen van al zijn builen, de een na de ander en vooral die in de vorm van een hondenkop. Het was erg moeilijk vast te stellen hoe hij erbij kwam dat de buil die vorm had, maar de moeder van Pip was bijzonder geïnteresseerd. De kinderen keken geërgerd voor zich uit. Wat konden volwassenen toch vervelend zijn. Nu hadden 2e Dikky juist een beetje in het goede spoor omtrent zijn opschepperijen en daar kwam de moeder van Pip roet in het eten gooien. Daardoor zou het allemaal weer veel erger worden.

Enige minuten later vertelde Dikky haar dat hij eens een buil als een kerkklok had gehad en een als een slangenkop.

„Ik krijg altijd geweldige builen,” zei hij. „Morgen wordt het een prachtig gezicht, want dan kom ik in de gele fase.”

„Kom,” zei Larry tegen Pip. „Dit kan ik niet langer aanhoren. Zo is Dikky wel op zijn ergst.”

De vier kinderen verdwenen en lieten Dikky fijn alleen tegen de moeder van Pip praten. Buster bleef er kwispelstaartend bij staan. Hij scheen wel geïnteresseerd in de builen van zijn baasje.

„Laten we een eindje gaan fietsen en Dikky alleen laten,” stelde Pip vol afkeer voor. „Ik kan hem niet uitstaan als hij zo is.”

Zij vieren gingen dus een eind fietsen en Dikky was verbaasd en tegelijkertijd geschokt dat hij zo alleen in de tuin was. Hij kon zich niet voorstellen waarom de anderen waren weggegaan en zo bleef hij een uur alleen met de gedachte dat de anderen bijzonder onaardig waren.

Toen ze terugkwamen, begroette hij hen dan ook met een mond vol klachten.

„Jullie zijn echt gemeen! Waarom zijn jullie er zomaar vandoor gegaan? Is dat een manier om je te gedragen als er mensen bij je op de thee zijn, Pip?” vroeg hij. „Jullie zijn akelig.”

„Wel, we dachten dat jij wel een uur nodig zou hebben voor je opschepperijen tegen de moeder van Pip,” zei Larry. „Kijk maar niet zo woedend, Dikky. Je moet niet zo’n stommeling zijn!”

„Op die manier weggaan en aanknopingspunten vinden zonder mij I” zei Dikky boos. „Ben ik misschien niet een van de detectives? Wat hebben jullie gedaan? Met Horace Peeks gepraat of zijn jullie weer bij Lily geweest? Jullie zijn werkelijk gemeen!”

„We zijn helemaal niet bij iemand geweest,” zei Betty vol medelijden met Dikky. Ze was zelf ook zo vaak alleen gelaten omdat ze nog te jong was. „We hebben een eindje gefietst.”

Maar Dikky voelde zich diep gekwetst en hij bleef beledigd.

„Ik geloof dat ik niet meer bij de detectives wil horen,” zei hij. „Ik zal de tekening van de voetsporen weer meenemen en dan gaan, want ik zie nu wel in dat jullie mij niet willen. Kom, Buster!”

Geen van hen wilde dat Buster bij de detectives zou weggaan en ze wilden Dikky eigenlijk ook niet missen. Hij was helemaal niet zo vervelend als men eenmaal aan hem gewend was.

Daisy liep achter hem aan.

„Kom nou, suffie,” zei ze. „We willen helemaal niet dat je weggaat. We willen erover praten wat we vanavond moeten doen met die schoen van meneer Smellie. Jij moet je mening ook zeggen. Ik wil het huis van meneer Smellie ook binnengaan om voor Larry op wacht te staan, terwijl hij op zoek gaat naar de juiste schoenen. Maar hij wil niet dat ik meega.”

Dikky ging terug naar de anderen, maar hij was nog steeds op zijn teentjes getrapt.

„Larry, ik wil dat je me mee laat gaan als we het huis van meneer Smellie doorzoeken,” zei Daisy. „Dikky, vind jij niet ook dat er iemand voor hem op wacht moet staan?”

„Nee,” zei Dikky. „Ik vind dat er een jongen met hem mee moet gaan. Ik zal wel meekomen. Dan kan ik op wacht staan, terwijl jij bezig bent.”

„Nee, ik ga mee,” zei Pip onmiddellijk.

„Jij kunt niet buiten komen zonder te worden gezien,” zei Larry. „Dikky wel. Zijn ouders schijnen zich niet zoveel om hem te bekommeren. Goed dan, Dikky, jij komt mee om me te helpen. Ik heb erover gedacht om tot een uur of halftien te wachten om te zien of meneer Smellie dan nog in zijn studeerkamer is. Het heeft geen zin iets te proberen voordat hij naar bed is. Hij kan wel een van die mensen zijn die tot drie uur in de ochtend opblijven. Dat zullen we dan wel zien.”

„Wel, ik zal er om halftien wel zijn,” zei Dikky. „Waar is die schoen eigenlijk? In het zomerhuis? Ik zal hem meenemen voor het geval je moeder wil weten waar je die schoen vandaan hebt. Het is dan toch donker en niemand ziet wat ik bij me draag.”

Dikky veranderde helemaal toen hij merkte dat er een aantrekkelijke opdracht voor hem was weggelegd. Hij vergat zijn zure stemming en besprak met Larry waar hij hem zou ontmoeten.

„Ik klim over de schutting van de tuin,” zei Larry. „Maar jij kunt beter de gewone weg opgaan en zijn huis van de voorkant benaderen, Dikky. Dan kun je me ergens achter het huis wel ontmoeten.”

„Goed,” zei Dikky. „Ik zal als een uil doen, dan weet je waar ik ben.”

„Kun je dat dan?” vroeg Betty verrast.

„Ja, luister maar!”

Hij deed zijn duimen rechtop vlak bij elkaar en vormde met zijn handen een soort schelp. Toen blies hij voorzichtig tussen de beide duimen door en het geluid van een uil werd nagedaan. Dat was werkelijk heel goed.

„Wat ben jij slim, Dikky,” zei Betty bewonderend.

Dikky deed het nog eens. Hij kon het werkelijk heel goed.

„Gewoonweg geweldig,” zei Betty.

Dikky opende zijn mond om te zeggen dat hij nog veel mooiere vogel- en dierengeluiden kon maken, maar hij zag aan de blik van Larry dat het tijd werd om te zwijgen. Daarom sloot hij zijn mond zo snel hij kon.

„Wel,” zei Larry. „Dat is dan geregeld. Zorg jij maar dat je me om halftien ontmoet achter het huis van meneer Smellie. Maak het geluid van een uil om te te laten weten waar je bent, want ik zit waarschijnlijk ergens in de bosjes op je te wachten.”

De kinderen voelden zich die avond allemaal erg opgewonden toen ze naar bed gingen. Dikky ging niet naar bed, maar Larry ging wel. De moeder van Larry kwam meestal nog even welterusten zeggen en daarom moest hij wel. Dikky ging een boek zitten lezen om de tijd te laten verstrijken.

Om tien over negen draaide hij het licht uit en deed zijn neus even om de hoek van de deur. Er was niemand te zien. Hij liep voorzichtig door de gang en ging de trap af. Hij liep uit hun eigen tuin in die van het hotel. Een halve minuut later liep hij op de straat met de schoen onder zijn jas.

Precies om halftien kwam hij bij het huis van meneer Smellie. Hij bleef bij het hek even staan. Het huis was helemaal donker. Dikky liep een paar keer heen en weer om zich ervan te overtuigen dat er niemand was.

Hij zag niemand staan bij een van de bomen. Hij liep nog eens voor het huis heen en weer en besloot verder naar achteren te lopen toen hij plotseling een sterke hand op zijn schouder voelde.

Die arme Dikky sprong bijna uit zijn vel van schrik.

„Ooo,” zei hij geschrokken.

De schoen viel onder zijn jas weg.

„Zo,” zei een stem, die Dikky maar al te goed kende. „Wacht eens even!” Een lantaarn scheen hem recht in het gezicht en toen zei de stem weer: „Zo.”

Het was de stem van meneer Verdwijn. Hij had bij die boom gestaan en was verbaasd geweest toen hij Dikky had zien aankomen en een paar maal heen en weer lopen. Nu was hij nog verbaasder, omdat hij zag dat het, een van die kinderen’ was. Hij boog zich voorover en nam de schoen op.

„Wat is dit?” vroeg hij.

„Het lijkt wel een schoen,” zei Dikky. „Laat me gaan! U hebt niet het recht om me zomaar vast te pakken.”

„Wat doe jij met deze schoen?” vroeg meneer Verdwijn met verbaasde stem. „Waar is de andere?”

„Dat weet ik niet precies,” zei Dikky naar waarheid.

De politieman schudde hem woedend door elkaar.

„Ik geloof er geen woord van,” zei hij.

Hij draaide de schoen ondersteboven en zag de rubberen zool, waarna er een flits van een gedachte door hem heen ging die de vijf detectives ook hadden gehad.

Meneer Goon was stomverbaasd. Hij scheen met zijn zaklantaarn weer recht in het gezicht van Dikky.

„Waar heb je deze vandaan?” vroeg hij. „Van wie is die?”

Dikky keek hem brutaal en weerspannig aan.

„Iemand heeft hem gevonden en aan mij gegeven.”

„Ik zal hem maar meenemen,” zei meneer Goon. „Kom nu maar eens even met me mee.”

Maar dat was Dikky niet van plan. Met een plotselinge ruk wist hij zich uit de stevige greep van meneer Goon te bevrijden en hij rende langs de straat zo snel hij kon. Hij ging dadelijk naar de straat waar Larry woonde. Zijn hart klopte snel toen hij naar de schutting in de tuin van Larry liep. Hij klom bovenop de schutting en liet zich aan de andere kant neervallen. Toen maakte hij het geluid van een uil.

„Oehoe! Oehoe! "