Hoofdstuk 3

 

DE EERSTE SAMENKOMST

 

 

Om precies twee uur waren de vijf detectives en hun hond in de grote tuin van Pip bijeen. Pip wachtte hen op en ging hen voor naar het zomerhuis.

„Dit hier is waarschijnlijk de beste plaats voor ons hoofdkwartier,” zei hij. „Want ik neem aan dat we vaker bijeen zullen moeten komen om de zaken te bespreken. Het is een uitstekende plaats omdat het achterin de tuin is en niemand ons kan afluisteren.”

Ze namen allen plaats op de houten bank die rondom het zomerhuis was geplaatst. Buster sprong direct op Larry’s knie en Larry vond dat wel prettig. En het scheen Dikky niets te kunnen schelen.

„Nu dan,” zei Larry, „aangezien ik de leider ben, kunnen we beter dadelijk beginnen. We zullen nog even doornemen wat we weten en dan zullen we erover praten wat we moeten doen.”

„Ik vind dit geweldig opwindend,” zei Betty, die het heerlijk vond om een van de vijf grote detectives te zijn.

„Val ons niet in de rede,” zei Pip.

Betty trok een ernstige uitdrukking op haar gezicht en ging muisstil zitten.

„Nu, we weten allemaal dat het atelier van meneer Hick, dat hij achter in zijn tuin had, gisteravond is af gebrand,” zei Larry. „Meneer Hick was er niet voordat de brand tegen het einde liep. Zijn chauffeur haalde hem af van de trein uit Londen. De mensen van de verzekering zeggen dat het vuur is ontstaan door brandende petroleum, dus moet iemand het opzettelijk hebben gedaan. Wij - de detectives - zijn van plan om erachter te komen wie deze misdaad heeft begaan. Tot zover alles duidelijk?”

„Heel duidelijk,” zei Pip dadelijk.

Buster kwispelde met zijn staartje. Toen deed Dikky zijn mond open en sprak temerig:

„Ik geloof dat we allereerst...”

Maar Larry viel hem dadelijk in de rede.

„Ik doe het woord wel, Dikky, en jij niet,” zei hij. „Dus houd je mond dicht.”

Dikky zweeg, maar hij keek helemaal niet vriendelijk. Hij toverde een verveelde uitdrukking op zijn gezicht en rinkelde met het geld in zijn broekzak.

„Wat we nu moeten doen om erachter te komen wie de misdaad heeft begaan, is ervoor te zorgen dat we te weten komen of er iemand die avond bij het atelier is geweest. Als dat tenminste het geval is,” zei Larry. „Dikky vertelde ons dat hij een zwerver heeft gezien. Op de een of andere manier moeten we die zwerver vinden en te weten komen of hij iets met de brand te maken had. En dan is mevrouw Minns er ook nog. Over haar moeten we ook iets meer weten.”

„Moeten we niet onderzoeken of iemand iets tegen meneer Hick had?” vroeg Daisy. „Men steekt nu eenmaal niet zomaar een huis in brand. Het moet zijn gebeurd om meneer Hick iets betaald te zetten. Denken jullie ook níét?”

„Dat is een heel goede opmerking, Daisy,” zei Larry. „Dat is in ieder geval een van de punten die we moeten onderzoeken. Wie had een hekel aan meneer Hick?”

„Ik geloof dat er wel honderd mensen zijn die iets tegen hem hadden,” zei Pip. „Onze tuinman zegt dat hij een heel erg slecht humeur heeft en dat niemand hem aardig vindt.”

„Als we er nu achter kunnen komen wie gisteravond in de tuin is geweest die een hekel aan hem had, dan hebben we de man te pakken!” zei Larry.

„We moeten aanknopingspunten vinden,” bracht Dikky in het midden.

Hij kon zich eenvoudig niet langer stilhouden.

„Wat zijn dat?” vroeg Betty.

Ze vond het een erg mooi woord.

„Wat ben jij toch nog een klein meisje,” zei Pip. „Ze bedoelen iets heel anders dan jij denkt.”

„Wat zijn dat dan voor dingen?” vroeg Betty.

„Aanknopingspunten zijn dingen die ons moeten helpen om erachter te komen wat we willen weten,” zei Larry. „Bijvoorbeeld in een detectiveroman die ik gisteren las, liet de dief een peukje in de zaak, die hij beroofde, achter. Toen de politie het peukje opraapte, zagen ze dat het van een niet vaak voorkomend merk was. Toen gingen ze op zoek naar mensen die dat merk rookten en toen ze daar tenslotte achter kwamen, hadden ze de dief. Dat peukje was dus een aanknopingspunt.”

„Ik begrijp het,” zei Betty. „Ik zal enorm veel knopen vinden; ik bedoel natuurlijk aanknopingspunten. Dat lijkt me fantastisch.”

„We moeten allemaal onze ogen en oren open houden om zoveel mogelijk aanknopingspunten te vinden,” zei Larry. „We zouden bijvoorbeeld voetsporen kunnen vinden. Je weet wel, ik bedoel voetafdrukken bij het huis, die door de dader zijn achtergelaten.”

Dikky lachte laatdunkend. De anderen keken hem aan.

„Wat is er zo grappig?” vroeg Larry koel.

„O niets,” antwoordde Dikky. „Ik moest alleen maar lachen om het feit dat je naar voetsporen wilt gaan zoeken in de tuin van meneer Hick. Er zullen waarschijnlijk niet minder dan een miljoen afdrukken zijn met al die mensen die gisteravond naar de brand stonden te kijken.”

Larry werd rood. Hij keek naar Dikky’s ronde gezicht en Dikky grijnsde tegen hem.

„De man die het vuur heeft aangestoken heeft zich misschien wel onder de haag verstopt, of ergens anders, om een gunstige gelegenheid af te wachten,” zei Larry. „Niemand is gisteravond onder de haag gaan staan. Daar vinden we misschien voetsporen, of in de greppel, want daar is het modderig.”

„Dat zou inderdaad wel eens kunnen zijn,” zei Dikky. „Maar het heeft geen zin om naar voetstappen te zoeken die naar het huis leiden. De mijne zijn er, de jouwe, die van meneer Verdwijn en van honderd anderen.”

„Ik ben ervoor om meneer Verdwijn niet te laten weten dat we bezig zijn met de oplossing van het geheim,” zei Pip.

„Maar het is toch zijn taak,” zei Daisy. „Hij is zo zelfingenomen als een hond met twee staarten dat hij nu een echte misdaad mag oplossen.”

„Wel, we zullen bij meneer Verdwijn uit de buurt blijven,” zei Larry. „Wat zal hij stom kijken als we hem vertellen wie het in werkelijkheid heeft gedaan! Want ik ben er zeker van dat wij de oplossing zullen vinden als we ons best maar doen.”

„Wat zullen we als eerste doen?” vroeg Pip, die ernaar verlangde om te handelen.

„We moeten zoeken naar aanknopingspunten. We moeten meer te weten zien te komen over die oude zwerver in zijn gescheurde regenjas en met die oude hoed,” zei Larry. „En we moeten erachter komen of er iemand is die een hekel aan meneer Hick heeft. En we moeten te weten zien te komen of iemand de kans had om die dag in het atelier te komen om het in brand te steken.”

„Het is geen gek idee om met mevrouw Minns, de kokkin, te gaan praten,” zei Daisy. „Zij moet het weten als er iemand is geweest. En heeft meneer Hick niet nog een bediende buiten zijn chauffeur?”

„Ja, hij heeft een huisknecht, maar ik weet zijn naam niet,” zei Larry. „Maar daar komen we ook wel achter. Lieve hemel, we hebben heel wat te doen.”

„Laten we allemaal naar aanknopingspunten op zoek gaan,” zei Betty.

„Goed,” zei Larry, „Luister! Het is natuurlijk mogelijk dat we teruggestuurd worden als iemand ons in de tuin van meneer Hick ziet rondscharrelen. Ik zal daarom ergens wat geld laten vallen, zodat we kunnen zeggen dat we geld verloren hebben.”

„Goed,” zei Pip, terwijl hij opstond. „Kom, laten we dan nu gaan; ik geloof dat we het beste eerst mevrouw Minns vragen kunnen stellen. Ze zal wel heel blij zijn dat ze over alles kan praten. We kunnen misschien heel wat van haar te weten komen.”

Buster sprong van Larry’s knie met een kwispelende staart.

„Ik geloof dat hij ieder woord heeft begrepen,” zei Betty. „Hij kan waarschijnlijk net zo goed aanknopingspunten zoeken als wij zelf.”

„Ach, jij met je aanknopingspunten,” zei Larry lachend. „Kom, detectives. Dit wordt een opwindende zaak!”