Hoofdstuk 11
DE ZWERVER KOMT WEER OP HET TONEEL
Het was zeven uur toen zij drieën de oprijlaan van Pip’s huis weer inreden. Betty begon zich al bezorgd te maken omdat ze spoedig naar bed moest en ze wilde er niet aan denken dat ze ging slapen zonder dat ze het nieuws had gehoord dat Larry, Pip en Daisy zouden brengen.
Ze sprong op van vreugde toen ze hun fietsbellen hoorde. Het was zo’n prachtige avond dat zij nog steeds met Dikky en Buster in de tuin was. Dikky had zijn builen nog eens onderzocht en hij was trots dat zij nu purperrood waren, ondanks de pijn.
„Wat voor nieuws hebben jullie?” schreeuwde Betty toen de drie terug waren. „Wat voor nieuws?”
„Heel wat!” schreeuwde Larry terug. „Wacht maar even. Laten we eerst onze fietsen wegzetten.”
Spoedig daarop zaten ze met hun vijven in het zomerhuis te praten. Dikky’s ogen vielen bijna uit hun kassen toen Larry vertelde dat hij de brief uit zijn broekzak had laten vallen.
„Maar meneer Verdwijn is hem ook al op het spoor,” zei Pip. „We kwamen hem tegen toen we onderweg naar huis waren. Larry reed hem in de bocht van zijn fiets. Meneer Verdwijn is slimmer dan wij denken. Hij is alleen een beetje langzamer.”
„Dan moeten we morgen maar zo snel mogelijk achter meneer Smellie aan, “ zei Dikky. „Betty en ik hebben zijn adres gevonden.”
„Goed zo,” zei Larry. „Waar woont hij?”
„Het adres stond in het telefoonboek. Het was erg gemakkelijk te vinden, want er was maar een meneer Smellie. Hij woont in Willow-Dene aan de Jeffreys Lane.”
„Dat grenst aan onze tuin,” zei Larry verrast. „Nietwaar, Daisy? Onze halve tuin wordt omgeven door Willow-Dene. We wisten nooit wie daar woonde, omdat we alleen maar een oude vrouw in de tuin hebben gezien.”
„Dat zal juffrouw Miggle, de huishoudster, zijn,” sprak Dikky.
„Hoe weet jij dat?” vroeg Daisy verbaasd.
„O, Betty en ik zijn vandaag heel goede detectives geweest,” zei Dikky met een grijns. „We hebben onze tuinman gevraagd waar Willow-Dene was, en hij wist het omdat zijn broer daar werkt. Hij vertelde ons ook over juffrouw Miggle en dat ze het zo moeilijk vindt om meneer Smellie schoon te houden en ervoor te zorgen dat hij zijn eten op tijd krijgt en hem eraan te herinneren dat hij zijn regenjas moet aantrekken als het regent.
„Wat is er dan met hem aan de hand?” vroeg Larry. „Is hij gek, of stom, of zoiets?”
„O nee, hij is de een of andere geleerde,” zei Betty. „Hij bestudeert oude papieren en documenten en hij weet er meer van dan wie ook. Hij interesseert zich voor niets anders. De tuinman zegt dat hij zelf ook heel waardevolle documenten bezit.”
„Als hij zo dichtbij woont, zouden Larry en ik morgen misschien eens met hem kunnen praten,” zei Daisy, die zich er al op verheugde iets meer op te sporen, zoals Betty dat dan noemde. „Ik vind dat we tamelijk goed zijn in ondervragen. Ik wed dat we het beter kunnen dan meneer Verdwijn. Iedere Verdachte is onmiddellijk op zijn hoede als hij meneer Goon ziet, maar tegen kinderen praten ze zonder te denken.”
Larry haalde zijn aantekeningen tevoorschijn.
„We moeten er nu wel het een en ander aan toevoegen,” zei hij, terwijl hij begon te schrijven.
Pip haalde het lucifersdoosje tevoorschijn en opende het. Hij wilde zien of het stukje grijs flanel van dezelfde kleur was als het jasje van Horace Peeks. Het leek er veel op.
„Toch kon Larry geen gaatje ontdekken,” zei Pip. „En ik kon zijn broek goed zien, maar daar zat ook geen scheur in.”
De kinderen staarden naar het grijze stukje flanel. Pip legde het weer in het lucifersdoosje. Hij vouwde Dikky’s tekening van de voetsporen open en grijnsde, want hij dacht weer aan de manier waarop ze hem ermee geplaagd hadden.
„Weet je,” zei hij. „Het is helemaal geen slechte tekening,” waarop Dikky’s gezicht begon te stralen. „Ik zal ze uit mijn hoofd leren,” vervolgde Pip, „zodat ik ze herken als ik ze weer zie.”
„Ik zal ze ook leren,” zei Betty, terwijl ze ernstig naar de tekening keek.
Ze was ervan overtuigd dat ze een voetspoor dat er zo uitzag onmiddellijk zou herkennen.
„Ik ben klaar met mijn aantekeningen,” zei Larry. „Ik kan nu niet zeggen dat onze aanknopingspunten ons geholpen hebben. We moeten erachter komen of Peeks rubberzolen droeg en dat moeten we ook van meneer Smellie weten.”
„Maar misschien dragen ze ze helemaal niet,” zei Dikky. „Misschien staan ze wel in een kast of in de slaapkamer.”
„Misschien kunnen we een kijkje nemen in de kast waar de schoenen van meneer Smellie staan,” zei Larry, die geen idee had hoe hij zoiets moest doen. „Luister! Er zijn vier Verdachten. Een van hen was mevrouw Minns, maar ze had reuma op de avond van de brand en zat in haar stoel. Dat zegt haar zuster ook, dus kan zij de brand niet hebben gesticht. Dus blijven er drie Verdachten over. De zwerver was ook een een van hen, maar we kunnen hem ook wel van de lijst schrappen. Dus blijven er nog twee Verdachten over.” „Ik denk dat Horace Peeks het heeft gedaan,” 2ei Pip. „Waarom wilde hij ons niet vertellen waar hij die avond is geweest. Dat vind ik zeer verdacht I”
„Wel, als meneer Smellie ons kan vertellen waar hij op de avond van de brand is geweest, nog dan blijft alleen Horace Peeks over,” zei Larry. „Dan zullen we al onze aandacht alleen nog op hem moeten vestigen. We moeten weten wat voor schoenen hij allemaal heeft, of hij een grijs jasje met een scheur heeft en wat hij op die bewuste avond heeft gedaan en zo.”
„En wat doen we dan?” vroeg Betty. „Het aan de politie vertellen?”
„Wat!” zei Larry hard. „Meneer Verdwijn alles vertellen, zodat hij met de eer kan gaan strijken? Ik vind niet dat we dat kunnen doen! We moesten maar naar inspecteur Jenkins gaan. Hij is het Hoofd van Politie in dit district. Mijn vader kent hem vrij goed. Hij is erg pienter en hij woont in de dichtstbijzijnde stad.”
„Dan ben ik bang voor hem,” zei Betty. „Ik ben zelfs een beetje bang voor meneer Verdwijn.”
„Poeh!” zei Dikky. „Bang voor die opgeblazen kikker met zijn uitpuilende ogen? Je zou zo moeten doen als Larry! Hem op de fiets van de sokken rijden.”
Allen lachten. Toen rinkelde de bel en alle vijf stonden ze op. Buster sprong om hun benen heen en Dikky wenste hun nog een prettige avond, want hij moest thuis in het hotel bij zijn vader en moeder gaan eten. Larry en Daisy namen hun fietsen en reden naar huis. Pip ging naar binnen voor het avondmaal en Betty ging naar bed. Buster ging natuurlijk met Dikky mee. Zijn jonge baasje ging die avond vroeg naar bed, want hij was nog steeds erg stijf en zijn builen deden nogal pijn. Buster kon ze heel goed zien toen Dikky zich uitkleedde, maar het scheen hem niet erg te interesseren.
„Morgen komt die zwerver naar de schoenen kijken die moeder voor hem heeft uitgezocht,” zei Pip tegen Betty. „We zullen hem een paar vragen stellen.”
„Wat voor vragen?” zei Betty.
„We zullen hem recht op de man af vragen of hij zich in het struikgewas in de greppel heeft verstopt,” zei Pip. „Als hij dat toegeeft, dan zijn we een heel eind verder.”
Geen van de kinderen sliep die nacht erg goed, want ze waren allemaal nogal opgelaten over de gebeurtenissen van de afgelopen dag. Betty droomde van meneer Verdwijn en ze werd dan ook met een gilletje wakker, want ze droomde dat hij haar arresteerde omdat ze brand had gesticht. Dikky sliep slecht vanwege de builen. Het maakte niets uit hoe hij lag, want overal zaten zijn builen.
Het was uitgemaakt dat de volgende dag Pip, Betty en Dikky in de tuin zouden blijven om de zwerver op te wachten. Pip zou hem voorzichtig uitvragen. Larry had tegen hem gezegd wat hij moest vragen.
„Zet de schoenen zodanig neer dat hij ze ziet en ze graag wil hebben,” zei Larry. „Maar geef hem ze niet voordat hij antwoord op je vragen heeft gegeven. Geen antwoorden, dan ook geen schoenen. Begrepen?”
De volgende ochtend kwam Dikky met Buster bij Pip en Betty om hen gezelschap te houden. Ze wachtten op de zwerver.
En de zwerver kwam. Hij keek voorzichtig om zich heen, alsof hij bang was dat iemand hem achterna kwam. Hij had nog steeds die verschrikkelijke oude schoenen aan en zijn tenen staken er nog steeds uit. Pip zag hem en riep hem zacht.
„Hallo!” zei hij. „Hier zijn we.”
De zwerver keek naar Pip.
„Hebben jullie die smeris niet achter me aan gestuurd?” vroeg hij.
„Natuurlijk niet!” zei Pip ongeduldig. „Wij vinden hem ook niet aardig.”
„Heb je de schoenen?” vroeg de zwerver.
Pip knikte. De oude man kwam naar hen toe en Pip nam hem mee naar het zomerhuis. Daar stond een kleine houten tafel met de schoenen er bovenop. De ogen van de zwerver begonnen te glinsteren toen hij ze zag.
„Mooie schoenen,” zei hij. „Die zullen me goed passen.”
„Wacht even,” zei Pip, toen de zwerver zijn handen naar de schoenen uitstak. „We willen dat u ons eerst een paar vragen beantwoordt.”
De zwerver keek hem aan met een zuurzoete glimlach.
„Ik wil niet in moeilijkheden komen,” zei hij.
„Natuurlijk niet,” zei Pip. „We zullen u niet verraden. Wat u ons vertelt zullen we geheim houden.”
„Wat willen jullie weten?” vroeg de zwerver.
„Heeft u iemand gezien die zich op de avond van de brand in de tuin van meneer Hick heeft verstopt?” vroeg Dikky.
„Ja,” zei de zwerver. „Ik heb iemand in de bosjes gezien.”
Betty, Pip en Dikky waren gewoon buiten adem.
„Heeft u hen werkelijk gezien?”
„Natuurlijk heb ik ze gezien,” zei de zwerver. „Ik heb die avond zoveel mensen in de tuin gezien.”
„Waar was u?” vroeg Betty nieuwsgierig.
„Dat gaat jullie niets aan,” zei de zwerver ruw. „Ik deed helemaal geen kwaad.”
„Waarschijnlijk loerde hij op het kippenhok om een of twee eieren te pakken, ondanks het feit dat die ouwe Hickkop hem had weggestuurd,” dacht Pip.
Ze staarden de zwerver allen aan en hij staarde terug.
„Was degene die zich in de bosjes verstopte een jonge man met een lok haar op zijn voorhoofd?” vroeg Pip, waarbij hij Horace Peeks beschreef. „Had hij bolle ogen?”
„Ik weet niets over zijn ogen,” zei de zwerver. „Maar dat van die haarlok klopt. Hij fluisterde tegen iemand maar ik kon niet zien wie.”
Dat was iets nieuws. Horace Peeks had zich in het struikgewas verborgen met iemand anders. Waren er dan misschien twee mensen bij de misdaad betrokken?
Dat was een nieuw raadsel. Zouden Horace Peeks en meneer Smellie de brand samen hebben gesticht? De kinderen wisten niet wat ze moesten denken.
„Kijk eens even,” zei Pip.
Maar de zwerver had er genoeg van.
„Geef mij die schoenen nou maar,” zei hij, terwijl hij zijn hand uitstak. „Ik zeg helemaal niets meer, want ik breng mezelf alleen maar in moeilijkheden als ik niet uitkijk. Ik wil niet ergens in verwikkeld raken. Ik ben een eerlijk man!”
Hij nam de schoenen en trok ze aan. Hij wilde geen woord meer zeggen over die geschiedenis.
„Het schijnt dat hij plotseling stom geworden is,” zei Pip.
Ze keken de zwerver na toen hij in zijn nieuwe schoenen wegstapte. Ze waren hem een beetje te groot, maar ze liepen gemakkelijk.
„Wel, het raadsel wordt moeilijker,” zei Dikky. „Nu schijnt het dat er twee personen in de bosjes hebben gezeten om zich te verstoppen. Er bestaat geen twijfel dat een ervan Horace Peeks was, maar wie was die ander? Misschien hebben Larry en Daisy wel een nieuwtje als ze terugkomen.”
Buster had bijna de hele tijd gegromd toen de zwerver in het zomerhuis was geweest. Dikky had hem in bedwang gehouden, anders was hij die vieze oude man aangevlogen. Nu begon hij plotseling vrolijk te blaffen.
„Dat zijn Larry en Daisy,” zei Betty. „Fijn zeg; ik vraag me af of ze ook iets nieuws weten.”