Hoofdstuk 10

 

HET GESPREK MET MENEER HORACE PEEKS

 

 

Zij drieën gingen terug naar Dikky en Betty. Buster begroette hen uitbundig.

„Hallo,” zei Dikky. „Hebben jullie goede vorderingen gemaakt?”

„Het ging eerst verschrikkelijk moeilijk,” zei Larry, „maar tegen het einde hadden we het geluk aan onze kant.”

Hij vertelde Betty en Dikky over wat er die middag was gebeurd en zij luisterden vol belangstelling. Ze keken allen naar het adres van Peeks en voelden zich erg opgelaten.

„Daarom gaan Pip, Daisy en ik op onze fietsen naar Wilmer Green,” zei Larry. „Dat is op z’n hoogst acht kilometer hier vandaan. Maar we zullen eerst de thee gaan gebruiken.”

„Ik wil ook mee,” zei Betty dadelijk.

„Ik zou ook wel mee willen, maar ik geloof dat ik te stijf ben,” zei Dikky.

„Blijf jij maar bij Betty,” zei Pip. „We willen daar niet direct met zo’n hele groep aankomen. Dan zou Peeks wel eens argwaan kunnen koesteren.”

„Jullie laten mij er maar steeds buiten,” zei Betty droevig.

„Nee, dat doen we niet,” zei Larry. „Wil je nu al een opdracht hebben? Nu goed, dat kan. Zie dat je het adres van meneer Smellie te weten komt. Dikky zal je wel helpen. Misschien staat het in een telefoonboek, of misschien weet iemand het wel. We moeten zijn adres in ieder geval morgen hebben, omdat we dan met hem moeten praten. Alle verdachten moeten we ondervragen!”

„Twee zijn nu van de lijst geschrapt,” zei Pip. „Mevrouw Minns heeft het niet gedaan en ik ben er zeker van dat de zwerver ook onschuldig is. Daardoor blijven alleen meneer Smellie en meneer Peeks over. Ik wou dat we iemand vonden die dergelijke rubberzolen met die kruisen droeg. Dat zou ons zo’n eind verder helpen.”

„Ik zorg wel dat ik het adres van meneer Smellie te weten kom,” zei Betty vrolijk. Ze was blij dat ze nu eindelijk echt iets kon doen. „Ik breng het telefoonboek hier naar Dikky.”

De bel voor de thee luidde. De kinderen renden naar binnen om hun handen te wassen en even later zaten ze aan tafel om te genieten van brood met boter en jam. Larry en Daisy bleven bij Pip, maar Dikky ging terug naar het hotel, omdat zijn moeder daar op hem wachtte.

Na de thee kwam Dikky terug om Betty gezelschap te houden. Larry, Pip en Daisy haalden hun fietsen tevoorschijn en reden weg. Ze kenden de weg naar Wilmer Green heel goed.

„Wat voor smoesje zullen we verzinnen om Horace Peeks te spreken te vragen?” vroeg Larry toen ze snel wegfietsten.

Geen van hen kon iets goeds bedenken. Toen kreeg Pip een idee.

„Laten we naar het huis gaan en gewoon om een glas water vragen,” zei hij. „Als ik me niet vergis, zal mevrouw Peeks ons de oren van het hoofd praten. En op die manier komen we misschien te weten wat we zo graag willen uitvinden, dus waar Horace Peeks op de avond van de brand was. Als zijn moeder zegt dat hij de hele avond bij haar thuis was, dan kunnen we hem ook van de verdachtenlijst schrappen.”

„Een goed idee,” zei Larry. „En ik zal jullie vertellen wat ik ook nog wil doen. Vlak voordat we bij hun huis zijn, zal ik de lucht uit mijn voorband laten lopen en als we dan om een fietspomp vragen, hebben we nog een smoes om even te blijven praten.”

„Goed,” zei Pip. „Ik geloof dat we het allemaal verstandig doen.”

Na een tijdje fietsen kwamen ze in het dorpje Wilmer Green. Het was een leuk plaatsje met een vijver vol witte eenden. De kinderen stapten van hun fietsen en gingen op zoek naar Ivy Cottage. Ze vroegen het aan een klein meisje en dat wees het hun. Het lag een eindje van de weg af en werd omzoomd door een bos.

De kinderen reden erheen en liepen door het oude houten hek. Larry had de lucht al uit zijn voorband laten lopen en de band was al bijna helemaal plat.

„Ik zal wel om water vragen,” zei Daisy.

Ze liepen naar de deur die half open stond. Ze hoorden het geluid van een strijkijzer. Daisy klopte aan.

„Wie is daar?” vroeg een scherpe stem.

„Zouden we een beetje water mogen hebben?” vroeg Daisy.

„Kom het maar halen,” zei de stem.

Daisy opende de deur en ging naar binnen. Ze zag een oude vrouw met een scherp gezicht, die een overhemd streek. Ze wees met haar hoofd naar een kraan boven een gootsteen.

„Daar is het water,” zei ze. „Er staat wel een kopje op de plank.”

De beide jongens kwamen binnen terwijl Daisy bezig was met het opendraaien van de kraan.

„Goedenavond,” zeiden ze beleefd. „Het is erg vriendelijk van u dat we even mogen binnenkomen. We hebben een heel eind gefietst en nu zijn we zo warm,” zei Larry.

De oude dame keek hem goedkeurend aan. Hij zag er aardig uit en had ook heel goede manieren als hij dat zelf wilde.

„Waar komen jullie vandaan?” vroeg ze, terwijl ze verder streek.

„Uit Peterswood,” zei Larry. „Ik neem aan dat u het niet kent, of wel?”

„Zeker wel,” zei de oude dame. „Mijn zoon heeft daar een betrekking gehad bij meneer Hick.”

„Wat grappig,” zei Daisy, terwijl ze een slok water nam. „We waren laatst op een avond in de tuin van meneer Hick, toen er brand was.”

„Brand!” zei de oude dame geschrokken. „Wat voor brand? Daar heb ik helemaal niets van gehoord. Toch niet het huis van meneer Hick?”

„Nee, alleen het kleine huisje in de tuin, zijn atelier,” zei Pip. „Er is niemand gewond. Maar dat zal uw Zoon u toch wel verteld hebben. Heeft hij het misschien niet gezien?”

„Wanneer was die brand?” vroeg de oude dame.

Pip vertelde het haar. Mevrouw Peeks hield even op met strijken en dacht na.

„Dat was dan op de dag dat Horace thuiskwam,” zei ze. „Daarom wist hij er natuurlijk niets over. Hij kreeg ruzie met meneer Hick en zegde zijn betrekking op. Hij kwam hier ’s middags en daar schrok ik nogal van.”

„Dan moet hij de brand hebben gemist,” zei Pip. „Ik neem aan dat hij de hele avond bij u is gebleven, of niet?”

„Nee,” zei mevrouw Peeks. „Hij ging na de thee op zijn fiets weg en ik heb hem niet weer gezien voor het donker was. Ik heb hem niet gevraagd waar hij was geweest. Ik houd er niet van om steeds zo nieuwsgierig te zijn. Ik neem aan dat hij in het café Pig and Whistle is geweest om pijlen te schieten. Onze Horace is daar dol op.”

De kinderen wisselden onderling een blik van verstandhouding. Dus Horace was na de thee vertrokken en niet teruggekeerd voordat het donker was. Dat scheen erg verdacht. Het was natuurlijk heel gemakkelijk om op de fiets terug te gaan naar Peterswood, in de greppel te wachten en het huisje in brand te steken toen er niemand was, om daarna ongezien weer terug te fietsen.

Larry vroeg zich af wat voor schoenen Horace droeg. Hij keek in de keuken rond en zag dat er een paar schoenen klaarstond om te worden gepoetst. Ze waren wel van dezelfde maat als de voetsporen. Maar ze hadden geen rubberzolen. Misschien droeg Peeks die nu.

„Ik moet mijn voorband even oppompen,” zei Larry, terwijl hij opstond. „Ik ben over een minuut terug.”

Maar hoewel hij de anderen vijf minuten de tijd gaf om nog over andere dingen te praten, scheen er niets meer te zijn om nog te bespreken. Ze namen afscheid van mevrouw Peeks en begaven zich terug naar Larry.

„Ik ben verder niets te weten gekomen,” zei Pip zacht. „Hé, wie is dat daar? Zou dat Horace zijn?”

Ze zagen een spichtige jongeman door het hek komen aanlopen. Hij had een springerige lok haar op zijn voorhoofd, een zachte kin en nogal uitpuilende blauwe ogen, bijna zoals meneer Goon. Hij droeg een grijze flanellen jas.

Dat viel de kinderen allen tegelijk op. Daisy’s hart begon sneller te kloppen. Zouden ze tenslotte dan toch de juiste man gevonden hebben?

„Wat doen jullie hier?” vroeg Horace Peeks.

„We hebben om een beetje water gevraagd,” zei Larry, terwijl hij zich afvroeg of hij zoveel van de grijze flanellen jas kon zien om te ontdekken of er ook een stukje stof aan ontbrak.

„En we weten ook dat we uit hetzelfde plaatsje komen als waar u tot voor een poosje hebt gewerkt,” zei Daisy opgewekt. „We wonen namelijk in Peterswood.”

„Dat is waar,” zei Horace. „Kennen jullie die slechtgehumeurde meneer Hick? Ik heb voor hem gewerkt, maar nooit was er iets goed. Vervelende oude kerel !”

„We mogen hem zelf ook niet erg graag,” zei Pip. „Wist u dat er brand bij hem is geweest op de dag dat u bent vertrokken?”

„Hoe weten jullie op welke dag ik ben vertrokken?” vroeg meneer Peeks stomverbaasd.

„We hebben het met uw moeder over die brand gehad en toen zei ze dat het op de dag dat u er bent weggegaan moet zijn geweest, omdat u er niets van wist,” zei Pip.

„Wel, ik kan alleen maar zeggen dat die akelige, afschuwelijke oude meneer Hick verdiende dat zijn hele huis afbrandde,” zei Horace. „Wat zou ik dat graag hebben gezien!”

De kinderen keken hem aan en vroegen zich af of hij deed alsof.

„Was u daar dan niet?” vroeg Daisy met een onschuldige klank in haar stem.

„Maak jij je maar niet druk over waar ik was,” zei Peeks. Hij keek naar Larry die zijn best deed om een ontbrekend stukje in het jasje van meneer Peeks te zien. „Wat doe je?” vroeg hij. „Je besnuffelt me als een hond. Laat dat!”

„U hebt een vlekje op uw jasje,” zei Larry. Dat was het eerste smoesje dat hem te binnen schoot. „Laat mij het even voor u wegvegen.”

Hij trok zijn zakdoek tevoorschijn en tegelijkertijd kwam de brief van Lily voor meneer Peeks uit zijn zak. Horace boog zich voorover om hem op te rapen en staarde in opperste verbazing naar zijn eigen naam op de enveloppe. Hij wendde zich tot Larry.

„Wat is dit?” vroeg hij.

Larry kon zichzelf wel slaan voor zijn onvoorzichtigheid.

„O, die is voor u,” zei hij. „Lily vroeg ons de brief te posten, maar we kwamen hier toch langs en dachten dat het even gemakkelijk was om hem zelf af te geven.”

Horace Peeks keek alsof hij een bijzonder vreemde vraag wilde stellen, en Larry vond dat het tijd werd om te gaan. Hij rolde zijn fiets naar het hek.

„Tot ziens,” zei hij. „Ik zal tegen Lily zeggen dat u haar brief hebt gekregen.”

Ze sprongen alle drie op hun fietsen en reden weg. Horace riep hen na:

„Hé, wacht eens even! Kom terug!”

Maar ze gingen niet terug. Ze wisten zelf niet meer wat ze moesten denken. Ze reden eerst twee kilometer en toen sprong Larry van zijn fiets en ging op een hek zitten.

„Kom,” zei hij tegen de anderen. „We praten even.”

Ze gingen op een rij op het hek zitten en keken ernstig.

„Wat was ik een sufferd om die brief uit mijn zak te laten vallen,” zei Larry, terwijl hij beschaamd keek. „Maar misschien was het toch goed. Tenslotte horen brieven nu eenmaal besteld te worden, nietwaar? Denken jullie dat Horace die brand heeft aangestoken?”

„Het ziet er wel naar uit,” zei Daisy nadenkend. „Hij had diezelfde dag een hekel aan meneer Hick en zijn moeder zegt dat ze niet weet waar hij die avond is geweest. Jij hebt zeker niet gezien of zijn schoenen rubberen zolen hadden met een kruisprofiel, wel Larry? En was zijn grijze flanellen jasje ook ergens gescheurd?”

„Zijn schoenzolen kon ik niet zien en voorzover ik zijn jasje heb kunnen bekijken, was dat niet gescheurd,” zei Larry. „In ieder geval waarschuwt die brief hem nu en zal hij op zijn hoede zijn.”

Ze praatten nog een poosje en vroegen zich af hoe ze nu verder met Horace Peeks moesten. Ze besloten om hem voorlopig met rust te laten en hun aandacht op meneer Smellie te vestigen. Het leek alsof het er nu om ging of meneer Peeks of meneer Smellie het had gedaan. Maar het had geen zin om ergens over na te denken zolang ze niet met meneer Smellie hadden gesproken.

Ze gingen weer op hun fietsen zitten en reden verder. Ze lieten zich langzaam van een heuvel afglijden, maar aan het eind van die heuvel kwam een bocht. Daar kwam Larry in aanraking met een andere fietser. Dat was meneer Verdwijn!

„Wat! Jullie weer!” bulderde meneer Goon met een dreigende stem.

Larry haastte zich overeind en de anderen stonden een eind verder te lachen.

„Wat doe je daar?” vroeg meneer Goon bevelend toen Larry weer op zijn fiets ging zitten.

„Ik verdwijn,” schreeuwde Larry. „Ziet u dat niet? Ik verdwijn!”

En zij reden gedrieën lachend verder, terwijl ze zich afvroegen of meneer Verdwijn op weg was naar Horace Peeks! In ieder geval was Horace nu gewaarschuwd door de brief van Lily. Meneer Goon zou niet veel uit hem krijgen. Dat was wel zeker.