XI
Hanneke kluift op haar ballograaf. „Wat een snertsom, daar kom ik nooit uit. Eerst de volgende maar, ” zucht ze hardop. Maar als blijkt dat alle sommen van hetzelfde kaliber zijn, klapt ze met een kort gebaar het boek dicht en schuift het van zich af.
„Later nog maar eens proberen, en anders helpt Peter me zaterdag wel. ”
Als ze aan Peter denkt, slaan haar gedachten vaak op hol. Haar gezicht krijgt een zachte trek, die het scherpe van de laatste tijd enigszins verdoezelt. Ze knijpt haar ogen stijf dicht en nestelt zich, wat onderuit glijdend, gemakkelijk in de kussens. Ze gaat dromen van Peter. Ze gelooft dat ze verliefd op hem is, maar weet wel zeker dat hij niet verliefd is op haar.
Haar nuchter verstand zegt: ’Hanneke, houd ermee op, steeds op die manier aan Peter te denken. Het komt natuurlijk omdat je hier zo alleen ligt en eigenlijk nooit met jonge mensen in aanraking komt. Gebruik je verstand, kind. Hij is misschien wel in stilte verloofd. Zeg nu niet dat hij zo vriendelijk voor je is. Vergeet niet dat hij voor arts studeert. En je weet drommels goed, dat een dokter altijd zichzelf opzij moet zetten en belangstelling voor ieder van zijn patiënten moet tonen. Daar moet hij zich zelfs al van het begin af in trainen. Nee Hanneke, die vriendelijkheid van Peter heeft niets met liefde uit te staan. Stel je voor dat op de een of andere dag zijn verloving publiek wordt! Dan sta je voor schut, meisje, jij met je dagdromen. Toe, hard je ertegen. ’
Maar op dit moment is haar nuchter verstand ver te zoeken. Ze voelt zich weer zo eenzaam als een mens maar zijn kan. O zeker, het is heel prachtig van zuster Greeth om in de morgenwijding te zeggen: „De mensen zijn vaak zo eenzaam, maar het komt meestal omdat ze zich niet open willen stellen voor God en voor hun medemensen. Eerst komen we altijd zelf, dan een hele poos niets, dan degenen die ons lief zijn en dan weer een hele poos niets. En dan eindelijk zijn God en onze naaste aan de beurt. Eenzaam zijn hoeft niet, als we God maar in ons leven toelaten. ”
Ja, zuster Greeth heeft gemakkelijk praten. Ze is een opgewekte verpleegster, en eerste hoofdzuster hier op Bosoord. De patiënten mogen haar allemaal graag. Ze heeft een leuk figuur, kroezig donker haar. De uniform staat haar om te gappen. Ze kan gaan en staan waar ze wil...
Hanneke heeft weer het gevoel dat de hele wereld haar in de steek laat en niet alleen de wereld, maar God ook. Ze is echt in een opstandige bui. Niet zoals een maand geleden, toen ze dacht dat ze nooit meer beter zou worden. Nee, nu is het anders, ze wil beter worden. Ze wil weer deelnemen aan het volle leven. Ze wil werken, ze wil verliefd zijn, wat kan het haar schelen dat Peter misschien van een ander is! In haar dromen heeft zij hem. Ze dagdroomt verder over Peter, haar Peter. Wat zal het heerlijk zijn als ze straks beter is en met hem verloofd raakt. O, die Hanneke is zo’n domme fantaste. Ze droomt tegen beter weten in, want zei dokter van Bemmelen gisteren niet langs zijn neus weg: „Als Peter het zeilkamp achter de rug heeft, gaat-ie met een vriend en twee meisjes een voettocht door de Beierse Alpen maken. ”
Dit zinnetje komt telkens weer als een duveltje uit een doosje in Hannekes gedachten terug, als ze intens aan Peter gaat denken. Maar dat wil ze nu niet doen, wat kan het haar schelen? Als je iets wilt, gebeurt het. Zo staat het ook in Norman Peale, het boekje dat Gert haar gaf. Ze reikt naar het tafeltje naast haar ruststoel. Even opzoeken. Wacht, daar staat het al: Al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen en het zal u geschieden. Marcus 11: 24.
Als Hanneke het boekje teruglegt, schaamt ze zich. Ze weet dat ze door zo te doen, God als het ware dwingen wil om haar Peter als man te geven. Moedeloos zakt ze in de kussens terug. Gedachten zijn tolvrij en ze dwarrelen door haar hoofd. Ziek zijn, lang ziek zijn, dan een jongen ontmoeten op wie je verliefd bent en dan moeten zeggen: Nee, ik moet mijn tijd afwachten, ik moet niet vooruitgrijpen.
Meer dan een half uur ligt ze zo te staren naar de boomtoppen in de verte, ’t Is een windstille dag en er is niets te horen dan het zachte gelispel van de peppels die nooit of maar heel zelden zwijgen.
De gedachten komen en gaan, maar Hanneke heeft zich niet voor niets getraind in zelfbeheersing. En na haar gesprek met Gert op die dinsdagmorgen is er nu bijgekomen, dat ze vechten wil tegen alles wat een belemmering kan zijn voor haar genezing.
Er komt een vastberaden trek op haar gezicht. Onder de plaid heeft ze haar handen gevouwen, maar haar ogen kijken op naar de blauwe hemel waar enkele witte wolkjes drijven, heel teer en ijl.
Ze zegt niets, er komt geen woord over haar lippen, maar haar hart is vol. ’Nu niet dagdromen over Peter, ’ corrigeert ze zichzelf. ’Hij heeft een meisje en jij wordt beter. ’
Ze richt zich op en gaat gemakkelijk in de kussens zitten.
Voor het eerst krijgt ze vandaag weer oog voor haar omgeving.
Moek Bruins zit in een gemakkelijke stoel, gesteund door kussens. Ze mag elke dag drie keer een halfuur opblijven en ook al weer wat lopen. Haar gezicht staat echter bedrukt. Nog een die in de put zit, al is het dan over heel iets anders dan ik, denkt Hanneke. Ze tobt natuurlijk over de vakantie van de kinderen en hoe het gaan moet met Janneke, die het niet meer aan kan.
Als Hanneke ziet dat er een stille traan langs de magere wangen van mevrouw Bruins glijdt, staat ze op het punt haar geheim te verklappen. Ze roept:
„Hé moek, luister eens naar me... U weet... ”
Maar als moek haar betraande ogen naar Hanneke keert, kan die ineens niet verder. Want die lamme twijfel heeft weer bezit van haar genomen. Stel je voor dat Angenietje toch naar die rotvent Block is gegaan! Hij heeft zo’n flemende manier van doen, en zij is misschien wanhopig verliefd op hem.
Hanneke kleurt, want ineens denkt ze weer aan Peter. Stel je voor dat die haar nu in zijn armen nam en zeggen zou: „Jij bent de liefste voor mij, Hanneke. ” Dan zou ze toch zeker dadelijk toegeven? Hoewel ze niet weet, of haar verliefdheid over zal gaan in echte diepe liefde. Stel je voor dat die Block ook zo tegen Angenietje doet. Tenslotte is het kind ook nog maar achttien. Stel je voor dat hij Angeniet gaat zoenen, dan is alles verkeken, want natuurlijk laat ze zich dan helemaal door hem lijmen...
Hanneke roept al haar weerbaarheid te hulp. Ze is de laatste tijd niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk sterker geworden.
„Wat wou je zeggen, Hanneke? ” vraagt de zachte stem van mevrouw Bruins.
Hanneke heeft zichzelf van de zoenende Wijbrand en de omhelzende Peter bevrijd. Ze ademt diep en zegt: „Wat heerlijk dat u weet zo vooruit te gaan. Voor u ’t weet bent u thuis. Hè toe, zet u nog eens een gezellige plaat op. U mag een paar stapjes doen. ” Moek staat gewillig op en loopt langzaam naar de grammofoon, die op de radio staat. Als het heel mooi weer is, brengen de zusters die altijd naar buiten. Ze moeten dan wel extra oppassen om bij het lopen niet over de elektrische snoeren te struikelen, maar dat hebben ze er wel voor over.
Moek zoekt even: „Zal ik de derde symfonie van Beethoven maar opzetten? ”
Hanneke knikt toestemmend.
Lies Koops rekt haar handen boven haar hoofd en zegt: „Kinderen, wat is het leven goed. Ook al liggen we nu alle drie nog in Bosoord, straks zal het bij leven en welzijn anders zijn. ”
Ja, dat is waar. Even trekt er een schaduwwolkje over Hannekes gezicht. Moek en Lies gaan beiden met september naar huis, als er tenminste niet iets bijzonders gebeurt. Dan blijft zij hier alleen achter...
Als de tonen van de symfonie doorkomen, denkt Hanneke ineens: Hé, ze hebben me deze week nog geen bloed afgetapt. Straks eens aan de dokter vragen. Het zal niet lang duren voor hij op zijn ronde hier komt.
Hanneke luistert niet meer naar de muziek. Ze is er te opgewonden voor. Haar gedachten gaan weer naar Angenietje. Waarom schrijft dat schaap nou ook niet terug! Toen ze haar brief heeft laten posten, is ze al begonnen te rekenen. Nu kan ze terugschrijven.
Maar antwoord is er tot nu toe niet gekomen. Er zal wel iets met Angenietje aan de hand zijn. Hanneke heeft die laatste onbegrijpelijke brief nog vaak overgelezen en ze heeft er een heel verhaal bij verzonnen, maar ze weet niet hoe dicht ze bij de waarheid is. Vooruit, niet meer aan denken! Ze pakt haar schrift. Niemand weet het nog, maar ze is bezig een kinderboek te schrijven, ’t Gaat over een tweeling Joop en Joko, die in een dorp aan zee wonen. De moeder is al vroeg overleden en oma zorgt voor vader en de kinderen, ’t Schiet fijn op en Hanneke is er helemaal in. Ze concentreert zich op haar werk en sluit zich volkomen van de buitenwereld af. Ze is niet meer Hanneke van Dalfsen, maar Joko, die de brandkraan niet heeft opengezet en er toch de schuld van krijgt...
Ze schrikt dan ook geweldig als er ineens een grote hand op haar schrift wordt gelegd.
„Ja, nou schrik je je natuurlijk het apezuur, zoals jullie jongeren het uitdrukken, ” lacht dokter Van Bemmelen. „Je schrijft met zoveel animo. Toch geen postillons d’amour, zoals Peter zegt als hij een brief aan zijn meisje in Parijs heeft geschreven en die, tegen alle gezondheidsregels in, dichtlikt? ”
Het schot is even raak, maar Hanneke heeft zich niet voor niets in zelfbeheersing getraind, zoals Gert haar heeft aangeraden.
Ze verbaast er zich over dat ze het op kan brengen, luchtig en zelfs enigszins nieuwsgierig te zeggen: „Ik dacht dat Peter te modem was om nog postillons d’amour te schrijven. Dat is toch uit de mode. Tegenwoordig doe je het per telefoon of per telegram. Studenten hebben toch helemaal geen tijd, dokter, om die postillons d’ amour te schrijven? Ze moeten al zoveel dictaten opnemen. En bovendien, ” ze kan het er zelfs plagend aan toevoegen: „bovendien schrijven alle dokters een beroerd pootje, om maar bij uzelf en Peter te blijven. ”
Dokter Van Bemmelen steekt waarschuwend zijn vinger in de hoogte:
„Meisjelief, het wordt tijd dat we eraan beginnen je naar huis te sturen. Je wordt zo brutaal als de beul. Maar je weet toch ook wel dat de taal van de liefde veel te rijk aan woorden is om dat allemaal per telegram te doen? Dat wordt veel te duur en ik kan je wel vertellen dat die zoon van mij een gierigaard is. Niet oververtellen, hoor. ”
Dokter Van Bemmelen steekt een sigaret op.
„Nou, alle gekheid op een stokje. Jij gaat momenteel prachtig vooruit, meiske. Dat voel je zelf ook wel? ”
„Ik dacht tenminste al, ze hebben me deze week helemaal vergeten bloed af te nemen, ” zei Hanneke met een pruillipje. „Het is zeker veel te druk en dan worden de patiënten die hier langer zijn maar een beetje verwaarloosd. ”
Dokter Van Bemmelen lacht: „Nou wil je mij op de kast zetten, kleine heks. Maar ’t lukt je niet, vuurtorentje. Eens per veertien dagen is nu voldoende voor jou. Houd je vast Hanneke, val niet van je ruststoel. Luister nu heel goed; zet je oren wagenwijd open en desnoods je ogen ook. Je mag morgen even op een gewone leuningstoel zitten, dan zetten we die naast mevrouw Bruins neer. Je toestand is de laatste weken best vooruitgegaan. Herinner je je ons gesprek nog wel van een poosje geleden? ”
Het is even heel stil.
„Ja, nou ben je natuurlijk sprakeloos. Sjonge, dat had ik niet gedacht, dat jij je mondje nog eens verliezen zou. Houd je goed vast, want er komt nog meer. Als het goed bevalt mag je met een dag of wat een paar stappen lopen. ”
„Nee toch! ” is alles wat Hanneke er uit kan stoten.
„Ja toch. Voor je ’t weet wandel je met moek en Lies de tuin rond en gaan jullie het bos in. En als moek en Lies straks naar huis mogen, stuur ik jou elke dag een uurtje naar het lab. We komen daar toch al handen te kort, nu juffrouw Simonse, de hoofdanaliste, getrouwd is. Gelukkig blijft ze nog tot eind september, om de nieuwe in te werken. Dan voeg ik jou dus ook, zij het voor enkele uren, aan onze staf toe. ”
Nu is het met Hannekes zelfbeheersing gedaan. Ze huilt. Alles van de laatste weken komt er nu uit Al haar opstandigheid vloeit weg en lost zich op in een tranenvloed. Dokter Van Bemmelen geeft nog even een klapje op haar hand: „’t Hindert niets. Dit is ook allemaal verrassend voor je. Maar jij werkt de laatste tijd zo geweldig mee, dat ik dit proberen wil. Doorzetten kind. ”
Als Hanneke weer wat bijkomt, zit moek Bruins naast haar ruststoel in een tijdschrift te bladeren.
Even kijkt ze verbaasd, maar moek zegt: „Ik heb de zuster gevraagd, me met stoel en al hierheen te verkassen. ”
Hanneke lacht alweer als ze het woord 'verkassen’ dat ze zelf zo vaak gebruikt, uit de mond van een dame van middelbare leeftijd hoort.
„De post! ” roept ineens Lies Koops.
Ja, daar komt zuster Greeth aan. Hanneke krijgt een brief van thuis en een van Angenietje.
„Eerst die van Angenietje dan maar. Sjonge wat een lange. ’t Zal me benieuwen. ”
Hannekes ogen vliegen langs de regels. Gelukkig, met dat van Wijbrand heeft Angeniet prima gehandeld. Dan geeft ze een gil van vreugde. O, die schat van een Angenietje gaat toch met het gezin van Bruins mee! Waar is dat briefje? O, nog in de envelop. Wat een bof dat moek vlak naast haar zit. Even voorverwarmen, anders schrikt ze zich het apezuur.
Moek zit met haar geopende brief in de hand voor zich uit te kijken. Haar ogen staan wat droevig. Natuurlijk is er geen oplossing gekomen; moek, als je eens wist wat er voor jou gebrouwen is! Langzaam schuift ze de brief in de envelop terug. Haar stem klinkt wat hoog als ze zegt: „Hebt u al iemand kunnen vinden, moek? ” Mevrouw Bruins schudt het hoofd. „Nog niet, ” zegt ze wat triest. „Ik hoop toch zo dat er nog iemand komt. Ik zou het zo jammer vinden voor de kinderen. Want Joke is wel veertien, maar haar handen staan niet zo erg naar de huishouding. Agnesje van tien doet soms meer dan Joke. En dan Willem Jan niet te vergeten. Maar ik gun het de kinderen toch zo dat ze weggaan met de vakantie. ”
„Nou moet u eens even uw ogen stijf dichtknijpen en u mag ze niet weer opendoen voor ik het zeg, ” commandeert Hanneke. „Nee, ook niet door de spleetjes gluren! Hier, bind mijn servet er maar voor. ” Mevrouw Bruins doet gehoorzaam wat Hanneke zegt. Ze knoopt het servet om haar hoofd.
Hanneke zwaait een paar vingers voor het gezicht van moek en vraagt net als ze als kind deed: „Hoeveel vingers ziet u? ” Tegelijkertijd laat ze met een handige beweging het briefje van Angenietje op de brief van meneer Bruins vallen, die moek in haar schoot heeft liggen. Lies Koops kijkt vol belangstelling toe. Ten overvloede legt Hanneke haar vinger tegen de lippen en telt: „Een, twee drie... honderd. ”
„Mal kind, ” zegt moek. „Mag ik nu het servet afdoen? ”
„Ja dat mag, ” geeft Hanneke grootmoedig toe. „En als de zuster straks op mij bromt dat mijn servet zo verkreukeld is, zeg ik met een pruimemondje: Dat heeft zij gedaaaaaaaannn. ”
„Nou, wat is er loos? Je maakt me nieuwsgierig. ” zegt moek.
Dan valt haar oog op de beide brieven die nu in haar schoot liggen. Wat verwonderd pakt ze het briefje op en kijkt naar het voor haar vreemde handschrift.
Maar als ze het opengevouwen en gelezen heeft, rollen de tranen zo maar langs haar wangen. Ze kan geen woorden vinden, maar haar hand tast naar die van Hanneke. Later, wat bijgekomen van de grote vreugde die Angenietjes brief haar heeft gegeven, wil ze alles over haar weten.
„Ik ga haar na het rustuur dadelijk schrijven. O Hanneke, wat ben ik blij! ”
Na het rustuur krabbelt ook Hanneke een briefje naar Angenietje:
Zo engel, groot nieuws, allemaal telegramstijl.
Ik mag uit bed, d. w. z. op een stoel zitten. Jouw voorspelling van het lab komt uit, als alles goed gaat met september. Kind, ik ben zo blij. Maar moek zat te huilen toen ik haar jouw briefje had gegeven. Ik heb het maar met een beetje 'Schwung’ gedaan, dat was het wel waard. Ben erg blij dat jij Blockje kwijt bent. Ik ben het ook kwijt, ’t Is voor jou voorlopig een raadsel, maar als ik er helemaal overheen ben, schrijf ik het je wel eens. Da ieve. De g en de l zijn op.
Hanneke