VI
Lieve Hanneke Tanneke Toverheks, zo net heb ik een brief die ik voor elkaar had, in duizend kleine stukjes gescheurd. Het was namelijk een hele preek geworden en ik kon me ineens voorstellen dat je wel eens gaar kon worden van al die preken. Ik vertel je ook niet wat er zoal in stond, want dan verval ik nog eens in dezelfde fout. Alleen het slot: dat ’dat doktertje van jou’ je maar eens flink op je kop moest geven, dat helpt vast meer dan al zijn poeders en drankjes. En schrijf nu per kerende post hoe het er met je gezondheid voorstaat. Ook als het niet best gaat wil ik het graag horen. Ik ben toch niet enkel voor de lol je vriendin?
Hier is verschrikkelijk veel gebeurd sinds mijn laatste brief. Heb ik je geschreven dat ik een paar weken geleden voor school eten moest brengen naar een zekere meneer Block? (zijn naam is langer, maar zo noem ik hem voor het gemak). De volgende dag vroeg ik aan Gerritse - zo heet onze conciërge - of ik dat werkje nog eens voor hem mocht doen, wat hij graag accepteerde. Een dag of wat heb ik het nu gedaan. Ik breng hem eten en we praten een beetje over alles en nog wat. Oergezellig.
De laatste keer stond er een prachtige doos bonbons op me te wachten. Ik wist me eigenlijk met mijn figuur geen raad en zei dat ik het echt niet kon aannemen. Maar hij smeekte me gewoon om ze mee naar huis te nemen. Hij kan me met zo’n paar hondeogen aankijken. ’Zo maar een kleine attentie’, noemde hij die bonbons. Als ik nu maar niet zo dol op chocola was, dan had ik wel kunnen weigeren, maar nu heb ik ze aangenomen. Iedere keer als ik langs mijn kast kom pik ik er eentje uit de doos.
Nog maar een week of zes, dan begint de vakantie. We gaan niet met elkaar uit dit jaar. Vader en moeder gaan samen met een NCRV-reis; Jelbert heeft een zeilkamp in Friesland en Sjoerd gaat met een paar vrienden langs jeugdherbergen. Nou, Bea heeft natuurlijk geen cent om vakantie van te houden, het lijkt wel of zij met de dag gieriger wordt. En mijn persoontje is van plan vakantie-werk te zoeken. Ik had eerst wel zin om met een familie met kinderen naar zee te gaan of zo iets, maar nu deed Wijbrand mij een enorm goed idee aan de hand. Hij kent in de buurt van Wassenaar een hotel, waar ze altijd vakantiehulpen hebben ’s zomers bij gebrek aan arbeidskrachten. Hij zal voor mij informeren of daar plaats is, dan kan ik daarna solliciteren. Het lijkt mij enig, als kamermeisje in zo’n deftig hotel. Daar is vast van alles te beleven! Wijbrand is zelf in augustus thuis met vakantie en hij heeft me beloofd dat we er vaak samen op uit zullen gaan.
Zo zie je, dat kan best goed worden. Ik heb er nog niet thuis over gesproken, eerst maar eens zien of er plaats is, wat het werk zal zijn en niet te vergeten wat ik er kan verdienen. Want ik ben altijd krap bij kas en als ik nu eens met werken wat geld kon overhouden, dan kocht ik bijvoorbeeld een suède jasje. Vind jij die ook niet snoezig?
Moeder heeft me net gelaafd met limonade. Je moet weten dat ik in de tuin zit te schrijven. Stralende blauwe hemel, felle zon, enzovoort, enzovoort. Ik hoop dat ik lekker bruin word deze zomer, dat staat zo duur, net of je in Nice geweest bent. Eigenlijk wel schandalig hè, dat ik me zo laat bedienen. Zelf ben ik vaak nog te lam om een bord naar de keuken te brengen. Niet dat moeder ooit klaagt hoor, o nee. Maar ik moet me beslist veranderen hier thuis, anders word ik nog het spook waar Bea me nu voor uitscheldt.
Komt het van de zon en het mooie weer dat ik al die goeie voornemens heb?
Vóór Kerstmis gaan Bea en Kees trouwen. Ze hebben kans op inwoning bij een tante van Kees. Als tegenprestatie moet Bea dan voor die tante koken. Ik beklaag haar (de tante) nu al want Bea kan nog geen aardappel koken. Moeder vindt dat ze met september haar baan op moet zeggen en dan een ’trouwcursus’ aan de huishoudschool moet volgen. Dat is nog een punt van discussie, want Bea wil haar inkomsten niet missen die laatste maanden en zij vindt dat ’een beetje koken’ gauw genoeg geleerd is. Enfin, ze blijven hier in de stad wonen, wij kunnen ons altijd nog over Kees ontfermen als hij al te mager wordt.
Raar woord eigenlijk: ’trouwcursus’. Zo wordt hier aan de school de cursus genoemd, waarop je in drie maanden wegwijs gemaakt wordt in een huishouding.
Je lacht je slap als je de meisjes ziet die er op gaan. Ze komen steevast op hoge hakken naar de kookles en koperpoetsen doen ze allemaal met gummi handschoenen aan. Vanwege de gelakte nageltjes. Gunst, wat begin ik weer te zwammen, het hangt aan elkaar als los zand. Zo dadelijk als de brief klaar is, breng ik hem naar de post en rijd dan meteen even langs Wijbrand. Horen of hij al bericht heeft uit Wassenaar. Hij komt om zes uur thuis van zijn werk, zie je. Hierbij een kruiswoordpuzzel, doe je best.
En schrijf nu toch eindelijk eens terug aan je
Angenietje
P. S. Vergat ik nog te schrijven. Sjoerd heeft een meisje. Dat kwam hij me op een avond vertellen toen er verder niemand thuis was. Hij zat er erg mee in de knoop. Waarom begreep ik eerst niet, maar toen kwam het al gauw. Zij is niet helemaal blank. Haar ouders wonen in Suriname en zij werkt hier als doktersassistente. Hij vroeg hoe ik het vond. Ik heb gezegd dat het me niets zou kunnen bommen, al was ze pikzwart. Als ik maar van haar hield en zij van mij. Hij is nu bang dat vader en moeder bezwaren zullen hebben, wat ik niet geloof. Ik zou niet weten waarom. Zij gaat naar dezelfde kerk als wij en haar vader is dominee. Hij heeft hier ook gestudeerd. Maar het zal wel de nodige (of naar mijn idee onnodige) complicaties meebrengen. Wat vind jij daar nu van? Dat zou ik heel graag willen weten. lij bent in dit soort dingen veel, hoe zal ik het zeggen, rijper dan ik. Ik flap er alles uit zonder vooraf na te denken. Vergeet niet hierop te antwoorden, zoals je heel handig doet als ik naar je gezondheid informeer.
Dag lieve schat, nu maak ik heus een eind aan deze brief. Kon ik maar eens een enkel uurtje overwippen. Feitelijk zit ik boordevol met allerlei problemen en ik heb niemand met wie ik eens lekker kan praten! Daaaaag!
A.
Hanneke van Dalfsen zit rechtop in haar bed. Haar ogen stralen en zij kijkt vol verwachting dokter Van Bemmelen aan.
„Mag het heus? ” Haar stem trilt.
„Ja klein vuurtorentje, het mag heus, ” lacht de dokter. „Kijk, ik heb het boek meegebracht en een schrift. Elke dag mag je een half uur rechtop zitten en werken. Mevrouw Bruins, u houdt wel toezicht dat de jongedame niet langer dan een half uur per dag werkt. Dan kan ze de ene dag brieven schrijven aan hartsvriendin Angenietje en de andere dag een wiskundeprobleem oplossen en een scheikundige formule van buiten leren. ”
Mevrouw Bruins, tegenover Hanneke, knikt toestemmend. „Ik zal haar onder de duim houden, dokter. Dat is mij wel toevertrouwd. ” „Wanneer mag ik beginnen? ” vraagt Hanneke verlangend. „Vanmiddag na je rusttijd, ” zegt dokter van Bemmelen. „Hanneke, denk eraan, niet langer dan een half uur voorlopig. Wie weet hoe gauw ik toestemming geef voor meer. Maar je moet zelf meewerken. ”
Hanneke kan haar blijdschap niet verbergen. „Ik vind het toch zo verrukkelijk. Ik kan mijn pret niet op. ”
Mevrouw Bruins lacht. Ze is een dame van bijna veertig, die nu al zes maanden in Bosoord ligt. Het duurt nog wel tot september voor ze weer naar huis mag.
„Daar komt de post! ” roept mevrouw Koops naast haar.
Er is voor alle drie wat. Voor Hanneke een dikke brief van Angenietje van Gelder. Ze leest hem twee, drie keer. Ze begint Angenietje nu te kennen uit haar brieven. Ja, wat ze schrijft over dat terugschrijven van haar is zo. Maar nou mag ik om de andere dag een half uur zitten schrijven. Fijn!
Als ze het hele relaas over Block van Gorssel leest, schudt ze haar hoofd. Ze laat de brief zakken.
Dan ziet ze dat mevrouw Bruins tranen in de ogen heeft. „Wat is er, moek? ”
Ze noemen haar allemaal moek, dat zeggen haar kinderen ook en het klinkt zo gezellig. Moek is fleurig en opgewekt, ze heeft voor iedereen altijd een opbeurend woord. Maar nu heeft ze blijkbaar slecht nieuws gekregen, want ze huilt zachtjes.
Lies Koops zegt: „Toe nou, vertel ons eens gauw wat eraan scheelt. ” Hortend en stotend komt dan het hele verhaal.
De vertrouwde hulp die moek thuis heeft kan het alleen niet meer aan. En nu heeft mijnheer Bruins besloten dat ze met vakantie zullen gaan. Dan kan Janneke, zo heet het meisje, ook weggaan. Een vriend van mijnheer Bruins heeft een grote tent op Ameland, die mag hij deze zomer gebruiken, want de vriend zelf gaat voor de zaak waar hij werkt naar Amerika. Nu moeten ze zien een hulpje te krijgen die mee wil naar Ameland, want al zijn de kinderen allemaal boven de tien jaar: er moet toch eten worden gekookt en wat gewassen en gestreken en genaaid worden.
Moek zucht. „Mijn man is al naar de directrice van de huishoudschool geweest, maar die kon hem niet helpen. Er waren wel enkele meisjes die vakantiewerk hadden gezocht, maar ze waren nu voorzien. Als we maar van half juli tot eind augustus iemand konden krijgen, dan waren we gered. Het zou voor onze kinderen ook zo fijn zijn helemaal naar Ameland te gaan. We wonen op een bovenhuis en ze moeten altijd twee trappen op. ”
Hanneke luistert niet meer. Er is haar een prachtplan te binnen geschoten. Wat schreef Angenietje ook weer? Wacht, daar heeft ze ’t: ’ik had eerst wel zin om met een familie met kinderen naar zee te gaan, maar nu deed Wijbrand mij een enorm goed idee aan de hand. ’
Hanneke kijkt weer op van de brief. „Moek”, haar stem aarzelt even, ’t is ook zo’n rare vraag. „Moek, verdient zo’n meisje ook wat bij u? Of is het alleen maar tegen reis en verblijfkosten? ” Mevrouw Bruins gaat rechtop zitten. „Weet jij iemand, Hanneke? ” Haar stem klinkt hoopvol. Moek zit niet gauw bij de pakken neer. Maar Hanneke laat niks los. „Misschien, ” zegt ze vaag.
„Natuurlijk verdient ze wat, maar hoeveel, ja, dat moet ik natuurlijk eerst met mijn man overleggen. ”
Ze zucht en kijkt uit het raam. Het is een donkere junidag. Dagenlang heeft de zon geschenen, maar na het onweer van vannacht is het geweldig afgekoeld.
Als Hanneke weer is gaan liggen, denkt ze na over het plannetje dat ze gemaakt heeft. Hè, ze wou dat het middag was. Wacht, nu eerst de brief aan moeder en vader afschrijven. Want toen ze in Angenietjes brief las, dat haar moeder altijd klaar stond en ze zelf zo vaak drakerig deed, voelde ze het bloed in haar gezicht trekken. Want hoe deed ze zelf altijd toen ze nog thuis was? Ze kan soms ineens zo naar moeder verlangen. En als moeder er is, doet ze stijf en verongelijkt. Toch klaagt ook haar moeder nooit.
Hanneke schrijft bij stukjes haar brief af. Ze vertelt dat ze nu elke dag een half uur rechtop mag zitten en wat werken mag.
’t Wordt een opgewekte brief. Waarom is ze nu eigenlijk ineens zo heel erg blij? Hanneke weet het niet. Ze verlangt nu al naar het einde van het rustuur.
De zuster plaagt haar als ze de gordijnen voor de brede ramen trekt:
„Let u goed op Hanneke, dames, want ik heb zo’n idee dat ze al aan ’t werk is als ik straks met de thee kom. ”
„Flauw, ” zegt Hanneke, maar ze kijkt met verliefde blikken naar het tafeltje waar de boeken en schriften al klaar liggen. Hoe ter wereld komt dokter Van Bemmelen zo ineens aan boeken van de hbs?
Wat zal moek grote ogen opzetten als daar straks ineens een hulp uit een huishoudschool komt aanwaaien! „Kalm aan, Hanneke, ” remt ze zichzelf. „Angenietje is er nog niet. Die Block van Gorssel kon wel eens een blok aan haar been worden. Ik vertrouw die vent voor geen halve duit. Angenietje zal toch niet zo stom zijn om alles wat die vent haar vertelt voor zoete koek op te eten? Of zou ze zo onder de indruk zijn van z’n dubbele naam? ’t Klinkt wel goed, dat is zo. Maar hij is niet te vertrouwen. Angenietje zal nog weleens raar opkijken. ”
In haar gedachten stelt Hanneke de brief aan Angenietje op...
Als ze wakker wordt staat de zuster met een kop thee bij haar bed. „Ik had niet gedacht dat je zou slapen, meisje. Hier, drink maar lekker uit. ”
Hanneke drinkt genietend haar thee. Hoe lang is het nog maar geleden dat ze op de rustbank in de tuin lag en zo’n sombere kijk op het leven had?
Zuster Greeth steekt haar hand op als ze langs komt en even door de deur kijkt. „Ik kom zo, Hanneke, om je te installeren, ” roept ze. Een kwartier later zit Hanneke rechtop in bed. Wat geeft het dat het buiten plenst en de lucht helemaal dichtgetrokken is? Wat geeft het dat er een harde, vrij koude wind waait om Dennenheuvel?
Wat is dat vreemd om zo lekker in de kussens overeind te zitten met zo’n plankensteun achter je. Voor zich heeft ze een soort schrijftafeltje. De zuster heeft er de boeken op gelegd, haar pennezakje en een blocnote met een envelop. Hanneke schuift resoluut de boeken naar achteren. Eerst de brief aan Angenietje.
Ze kauwt even op haar penhouder en begint dan te schrijven:
„Goeiendag, daar kom ik je kamer binnenwaaien. En ik val met de deur in huis. Ik mag vandaag voor ’t eerst opzitten, recht overeind in mijn bed. En naast me ligt een knaap van een wiskundeboek. Ik mag wat werken. Dat was de verrassing die mijn dokter me de vorige week beloofde. Ik had toen zo’n echte pestbui. ’t Was nadat ik die brief aan jou geschreven had. Maar nu wil ik je eerst een brief aan één stuk schrijven. Daar gaat ie. Nou ga ik jou op je kop zitten. Angenietje, wees wijzer en laat je niet zo inpalmen door die Bock van Gorssel. ’t Is zo iemand die meent dat hij alles kan krijgen. Ik vind zijn voorstel om jou in een hotel in Wassenaar te laten werken idioot. Ben je nou razend op me? Ik weet toevallig iets van die Block van Gorssel, al ken ik hem niet persoonlijk! Er waren twee zoons. De ene zoon is laatst, een maand of zes geleden, verongelukt in een auto. ’t Heette een ongeluk, maar er wordt gefluisterd dat het zelfmoord was. Hij had gespeeld en in Monte Carlo een massa geld verloren. En deze Wijbrand heeft al vaker een geschiedenis met een meisje gehad. Zijn vader en moeder leven allebei nog. Zij zijn werkelijk mensen van de oude stempel. Ze hebben echt een knots van een huis, maar er is tegenwoordig bijna geen personeel te krijgen.
En daarom ken ik ze. Een tante van me is gezelschapsdame bij de oude mevrouw, de moeder van die Wijbrand. Daarom weet ik alles van hem af. Niet dat mijn tante daar uit huis kletst, zo moet je het niet opvatten, maar ze heeft echt met de oude mensen te doen. Dus Angenietje, wees op je hoede, ik zou het zonde vinden als jij je te veel aan die jongeman ging hechten en hij je na een poos weer aan de kant zette om naar ander 'speelgoed’ om te zien. Misschien gaat ie zijn leven beteren, maar dat ontdek je dan vanzelf wel. Ga niet weer alleen naar hem toe. Heb je het er al eens met je moeder over gehad? Ik vind het trouwens ook niet in de haak dat hij je steeds maar opnieuw op zijn kamer nodigt en je met dozen bonbons vereert. Ben je werkelijk zo groen, Angenietje?
Ik voel me nu echt een oude, wijze tante met pijpekrullen, die een jong en onbezonnen nichtje raad geeft.
En nu wat anders. Zand over Wijbrand. Misschien ben je nu wel zo nijdig dat je deze brief niet verder wilt lezen. Zou ik toch maar doen. Bij mij op de kamer ligt mevrouw Bruins, je weet wel. We noemen haar moek. Ze kreeg vandaag een brief van haar man. De hulp Janneke die ze thuis heeft, dreigt overspannen te raken. Die moet er nodig een tijdje uit. Nu heeft meneer Bruins een tent te leen gekregen van een vriend van hem. Die tent staat op Ameland; daar gaan ze nu in de vakantie kamperen. Meneer Bruins gaat natuurlijk zelf mee. Ze hebben vier kinderen: Agnes van tien, Willem Jan van twaalf en dan een tweeling Ernst en Joke van veertien. Dus twee jongens, twee meisjes. Meneer Bruins heeft al geprobeerd een meisje van de huishoudschool te charteren, maar ’t is hem niet gelukt. Ze wonen in Utrecht. Je schreef dat je met een familie mee naar zee wilde. Dan is dit voor je geknipt. Laat dat plan om naar Wassenaar te gaan, varen. Als je Wijbrand in al die weken niet ziet, kom je misschien over die bevlieging voor hem heen. En als hij je na die zes weken niet vergeten heeft, ontdek je dat wel. Dan is hij heus mans genoeg om je te komen opzoeken.
Schrijf, als je ervoor voelt, regelrecht aan mevrouw Bruins-van Dam, kamer zeven, Dennenheuvel. Ik zal je later vertellen hoe haar gezicht er uitzag, als ze jouw brief krijgt. Wat zal ze blij zijn! Ik neem aan dat je het doet. Wat je salaris zal zijn weet ik niet, maar je verdient wel wat. Meneer Bruins is leraar aan de kweekschool,dus hij heeft een lange vakantie. Moek Bruins komt als alles goed is in september weer thuis.
Nou zal ik je brief doorvliegen, want er zijn al zestien minuten van mijn half uur om. Geef mij maar rustig op mijn kop. Ik deed stom met mijn verjaardag. Maar ik heb aan moeder geschreven of ze eens alleen bij me komt, dan kan ik met haar praten.
Je schreef: ik was weekdier. Wat is dat? Solliciteer je naar zo’n griezelige plaat uit ons dierkundeboek?
Over die BI. v. G. schrijf ik voorlopig niet meer.
Ik stel me jou dus voor met een m. b. h. pruik die gepermanent is. Maar dat melkboerenhondehaar zal wel wat meevallen.
Je vraagt over mijn ziekte? De complicaties waren erg. Je weet het toch? ’t Werd een lichte hartaandoening. Soms voel ik me zo zwak, dan ben ik nog te moe om te schrijven. Ik vind het alles zo doelloos. Eigenlijk moet ik schrijven: vond, want ik mag nu een half uur opzitten en mijn dokter heeft met me gepraat. Voor ’t eerst roerde hij het onderwerp 'beter worden’ aan. Natuurlijk duurt het nog wel lang en ik geloof niet dat ik volgend jaar al in een lab zit. Misschien hier; dat zal ik hem als ik er de moed voor vind vragen. Hij geeft me gerust wel op mijn kop. Twijfel daar maar niet aan. Toen je gisteren jouw brief schreef was het prachtig weer, maar het is na die onweersbui van vannacht helemaal van de kook.
Of ik suède jasjes snoezig vind? Nou en of. Ik heb... nee, dat vertel ik je later een keer, want moek heeft al gezegd: ’Hanneke, nog vijf minuten’. Van dokter Van Bemmelen moet ze op me letten.
Ik ben nu helemaal niet moe. Straks ga ik nog fijn even in het scheikundeboek neuzen.
Nou Angenietje, wat zeg je van deze brief? Trek het je niet aan wat ik over die jongeman schreef. Praat er eens over met je moeder. Kun je met je moeder praten? Ik kon het wel met de mijne. Ik heb eens een bevlieging gehad voor iemand die verloofd was. Gelukkig dat moeder een gezond oordeel en een scherpe opmerkingsgave heeft.
Tot later:
je Hanneke
„Net op tijd, ” zegt zuster Greeth als ze binnenkomt. „Nou ga ik je weer lekker neerleggen. Ben je ook moe? ”
„Helemaal niet, ” antwoordt Hanneke. „Mag ik die boeken nog wel even houden? ”
Dat mag gelukkig. „Maar je moet wel plat blijven liggen, hoor.
Hier is je prismabril, dan leest het wat gemakkelijker. Maar drink eerst je melk uit. ”
Moek is wat stil, vindt Hanneke. Ze heeft binnenpret als ze denkt aan de brief naar Angenietje. Stel je voor dat het lukt. Twee vliegen in één klap. Moeks gezin een prachtvakantie op Ameland en Angenietje onder de invloed van Block van Gorssel uit.
Hè, wat ligt ze nu toch weer lekker. Wat waait het buiten! Ze kijkt een poosje uit het raam. Is het nu ineens zoveel veranderd bij verleden week? Ze voelt zich nog zwak, maar de wereld lijkt nu toch wel veel zonniger.
„Malle, ” grinnikt ze in zichzelf om die vergelijking. Want een zware regenbui plenst tegen de grote ramen. De dikke druppels glijden traag naar beneden langs de brede ruiten.
Als ze een half uur stil gelegen heeft, neemt Hanneke het wiskundeboek op. Ze kan nu geen vraagstukken meer oplossen, want daar moet ze recht overeind bij zitten. O, wat zot, daar valt een brief uit. Ze kijkt vol verbazing naar het adres. Want er staat: Hanneke van Dalfsen, kamer zeven, Bosoord. Nieuwsgierig opent Hanneke de envelop, die niet dicht geplakt zit. Ze leest:
Hallo Hanneke!
Mijn vader vertelde dat je zo graag wat aan wis en natuurkunde wilt doen. Of ik nog een boek voor je had. Hij vertelde erbij dat je vijf jaar hbs hebt. Ik heb even in mijn boekenkast geneusd. Kun je dit gebruiken? Zeg, als je iets niet meer begrijpt, geef dan mijn vader een briefje mee. Ik studeer in Utrecht en kom elke week thuis. Dan zal ik je wel voorthelpen. Ben je een kei in scheikunde? Dan zal dit boek wel niet te moeilijk zijn. Vader vertelde dat je medisch analiste wilt worden. Dus als je iets niet begrijpt, vraag het gerust. Is Gert van Dalfsen, die ook medicijnen studeert, misschien jouw broer? Als je zo’n kei bent als hij, komt het wel goed. Hij en Jelbert van Gelder werken hard. Ik ken ze allebei goed, omdat we in dezelfde club zitten. Dag Hanneke. Doe precies wat de pipa zegt, dan ben je gauw weer beter.
Een studentenpoot van Peter van Bemmelen
Hanneke kijkt naar het forse handschrift: wat een halen! Niet onleesbaar, maar het zijn evenveel halen als letters. Nu is het raadsel opgelost hoe dokter Van Bemmelen aan natuurkunde, wiskunde en scheikundeboeken komt. Ze weet wel dat dokter Van Bemmelen twee zoons heeft; dat heeft hij verteld. Een is op zee, die vaart als kapitein, en de andere studeert. Ze heeft er echter nooit verder bij nagedacht. Dan is die Peter net zo oud als hun Gert: vierentwintig. Hanneke bladert in het wiskundeboek. Ze is er wel wat uit, maar dat zal niet lang duren. Als ze ook het scheikundeboek doorgebladerd heeft, leest ze de brief nog eens over. Toch ontzettend leuk. Ze neemt zich voor zich precies aan de voorschriften te houden, als dokter Van Bemmelen op zijn avondronde bij haar bed komt, lacht ze blij: „Ik vind het zo fijn, dat ik wat doen mag. ”
Hij gaat even bij haar bed zitten: „Dat dacht ik al, daarom lijkt het me een prachtoplossing. ”
Hij bekijkt de kaart die zuster Greeth hem geeft, „’t Heeft helemaal geen kwaad gedaan. Morgen mag je weer een half uur en als dat goed gaat zaterdag drie kwartier. Heb je ’t briefje van Peter gevonden? Ja? Nou, als je iets niet begrijpt schrijf je dat maar op. Zaterdag komt hij thuis en dan kan hij wel een half uurtje bij je komen. ”
Het is een heel blijde en dankbare Hanneke, die ’s avonds luistert naar de avondwijding, die elke avond in de huiskamer van de zusters door zuster Greeth wordt gehouden. De patiënten hebben ieder een koptelefoon bij hun bed. Er staat in de kamer ook een radio met een pick-up. Mevrouw Koops, die al op mag, draait af en toe een plaat.
Zuster Greeth zegt: „Ons leven lijkt vaak op die sombere dag van vandaag. Steeds maar regen en harde wind. ’t Lijkt of er geen eind aan komt. Maar als u straks naar de radio luistert en hoort dat de weerberichten voor morgen goed zijn, bent u, als u dan de stralende zon weer ziet, al die regen vergeten. Zo moet u ook doen met uw ziekte en uw narigheden. U weet allen bij Wie u troost kunt vinden voor de moeilijke donkere dagen in uw leven. Zoek uw troost dan bij Hem en vergeet al die donkere dingen in uw leven. We willen nu zingen: Gezang 191. ”
Zacht zingt Hanneke het mee:
„Heer, tot wien zou ik mij wenden, waarheen mijne klachten zenden,
Waar is troost en rust voor mij?
Wie kan mij de blijdschap geven, wie doet mijne kracht herleven?
’t Eeuwig levenswoord hebt Gij. "