3
Na het telefoontje uit Italië was Maurice naar zijn werkkamer gegaan. Hij had zijn computer aangezet om op de website van de katholieke kerk aan het Singel de aanvangstijden van de verschillende paasdiensten te bekijken. Agenda op schoot, pen in de hand.
Zo weinig gelovigen en toch nog zoveel keuze.
Vanavond laat, na de gebruikelijke vespers en na de Latijnse mis met gregoriaanse zang door het kleine herenkoor, volgde een wake annex doopdienst met wel drie volwassen dopelingen, waarbij een gemengd koor delen uit Händels Messiah ten gehore bracht. Op paaszondag was er om half tien ’s morgens een eenvoudige eucharistieviering, met orgelspel maar zonder koor, vermoedelijk voor de trouwe parochianen en vrijwilligers; die waren na afloop namelijk van harte welkom in de pastorie, voor koffie met ‘versnaperingen’. Om half elf (nb Dus niet, zoals gebruikelijk, om elf uur!!!) was er dan opnieuw een korte Latijnse mis, gevolgd door een feestelijke hoogmis, beginnend om twaalf uur, voor de hele familie. Een zang en muziekgroep uit Kiev zou de mis extra allure geven. Wie geïnteresseerd was, kon beide paasdagen vanaf half drie terecht in het liturgisch studiehuis om de hoek. De leden van de muziekgroep boden er workshops aan en uiteraard waren daar ook hun cd’s verkrijgbaar. Kinderen in de basisschoolleeftijd konden luisteren naar een traditioneel Russisch opstandingssprookje en er was een kleine tentoonstelling van kostbare beschilderde eieren, sommige al meer dan honderd jaar oud, afkomstig uit een volkenkundig museum in de Oekraïne. Het topstuk: een ganzenei met daarop een icoon van de heilige drie-eenheid. Kom langs en laat je inspireren!
Maurice noteerde de tijden. Als hij wilde, kon hij alle diensten bijwonen. Een vorm van boetedoening. Hij was al maanden niet meer naar de kerk geweest. Niet met advent, niet met Kerstmis, niet op Aswoensdag en ook daarna niet, in de veertigdagentijd – zelfs Witte Donderdag en Goede Vrijdag waren voorbijgegaan als normale werkdagen.
Gisteren, klokslag drie uur, had Maurice het lijdensverhaal gelezen. Viermaal, want bij alle evangelisten. Noem het plichtsgevoel. ‘Kunt gij dan niet één uur met mij waken?’
In minder dan een kwartiertje had hij de betreffende hoofdstukken uit, daarna had hij, in dezelfde bureaustoel waarin hij nu zat, geprobeerd te bidden. Of dan in elk geval innerlijk stil te zijn, met zijn gedachten bij de gebeurtenissen in Gethsemane, in Jeruzalem en op Golgotha.
Het was hem niet gelukt. Wat hij voor zich had gezien, waren filmbeelden. Slanke, gebronsde jongemannen, gekleed in een grof, witlinnen gewaad, op armoedige sandalen, versleten en dof van het woestijnzand, made in Hollywood.
Het had Maurice geleken alsof al deze jezussen, met en zonder vlekken op hun kleren, met en zonder kruisbalk op hun schouders (misschien had hij er zelf een paar bij verzonnen, hij wist het niet) de toegang tot zijn gemoed versperden, zoals stakende vakbondsleden de poort naar de fabriek voor andere, werkwillige arbeiders konden barricaderen. Steeds als hij zich wilde concentreren op een passage die hij zojuist had gelezen, staarden de filmsterren hem aan met hun vochtige, maar vooral onwaarschijnlijk lichte hondenogen. Dan had hij dingen gedacht als: waarom geen bruine ogen? Jezus was toch Joods? Zijn echt al die regisseurs heimelijk antisemitisch? of: eindelijk snap ik de beeldenstormers. Dat is dan toch weer winst. Om een seconde later te beseffen dat het precies deze zogenaamd interessante invallen waren die bewezen dat zijn geloof was verwaterd, of zelfs ongemerkt weggespoeld, in het halve jaar na de breuk met Sara...
Maurice klikte de website weg. De computer zoemde zachtjes. Er waren nog wat zakelijke e-mails die hij moest beantwoorden, maar haast was daar niet bij geboden. Hij dacht aan het met bladgoud ingelegde Oekraïense ganzenei dat met de uiterste zorg door museummedewerkers was ingepakt. Eerst hadden ze het in een lap zijde gerold, daarna volgden watten, daaromheen kwam een geïmpregneerde wollen deken... Totdat het kunstobject op een mollige, van top tot teen ingebakerde baby leek, een mummie, die precies in het houten koffertje paste dat speciaal voor de reis was gemaakt; een vanbinnen en vanbuiten glad geschuurd kistje, waar nog geen splintertje van af zou breken tijdens de lange reis. Hun triniteit! Op weg naar Nederland! Naar Amsterdam, de stad van de Grote Meesters! Ze hadden de rijen natuurlijk al voor zich gezien.
Maurice sloot zijn computer af.
Arme, goedgelovige oosterlingen. Als er gedurende het paasweekeinde veertig bezoekers naar de expositie kwamen, was dat al veel.
Een paar maal had Maurice het studiehuis zelf bezocht. Beschroomd. Ze moesten daar niet gaan denken dat hij om het o, zo troostrijke gemeenschapsgevoel verlegen zat, of behoefte had aan een vertrouwelijk gesprek met een jezuïet in een sportieve corduroy broek en lamswollen pullover, die om de zoveel zinnen liet merken dat hij ook wel eens twijfelde, en eigenlijk meer een man van de wetenschap was, dan, haha... een zielenherder. Over zenmeditatie kon zo’n priester en hoogleraar bedrijfsethiek je prachtige verhalen vertellen, bevlogen, zijn ogen schitterden achter de glazen van zijn kekke bril met dun gouden montuurtje, maar wat de man met Christus had bleef onduidelijk, waarschijnlijk ook voor hemzelf.
Kom langs en laat je inspireren! Graag. Maar waartoe?
In een ver verleden had Maurice ook wel eieren beschilderd. Samen met Thomas en vijf of zes van zijn vriendjes. Bij binnenkomst hadden de jongens een plastic wegwerpschort gekregen, een reep tricot van een oud T-shirt om hun kwasten aan af te vegen, een pot met water en een schilderspalet dat Maurice uit een kartonnen picknickbordje had geknipt. De eettafel had hij bedekt met kranten. Na afloop van de schildersessie zouden ze pannenkoeken bakken met het uitgeblazen struif.
Een verjaarspartijtje zonder jarige.
Helaas hadden de kinderen het na één ei wel genoeg gevonden. Maurice herinnerde zich een Jim, of Tim, die al na vijf minuten had gevraagd of de televisie aan mocht. Het was zo stil. Een andere jongen was hem bijgevallen. Hij had de naam genoemd van een serie waar hij elke woensdag naar keek. Een halfuurtje, dat kon toch wel? Maurice had zich moeten beheersen. In plaats van in te gaan op de vragen, had hij overdreven opgewekt doorgewerkt aan zijn eigen ei.
Toen Henriëtte aan het einde van de middag was thuisgekomen, lagen er zeven slordige werkjes te drogen bij de verwarming. Een ei met een boosaardige Dracula-kop, uitgevoerd in zwart, wit en groen, een blauw ei met paarse, gele en oranje sterren waarvan de punten waren uitgelopen, en één met een rode raceauto – de andere decoraties herinnerde Maurice zich niet meer. Twee jongens voetbalden beneden op het plein. Thomas zat met de andere vriendjes op de grond in de woonkamer. Ze speelden Monopoly. Vredig. Een verschil van mening over de spelregels werd zonder schreeuwen of schelden opgelost. Alleen Marlon, uitgerekend Marlon, had Maurice aangeboden om te helpen met opruimen. Mocht hij daarna ook alvast het beslag kloppen? Na de klusjes had hij in de keuken een glas limonade gedronken, zwijgend.
‘Fijn dat je me zo goed geholpen hebt. Ga nu maar lekker spelen,’ had Maurice gezegd. De jongen was doodstil blijven staan. Maurice herhaalde: ‘Lekker spelen.’ Opnieuw had hij geen reactie gekregen. Dus had hij eraan toegevoegd dat hij zelf nog even wilde werken, aan een tekening die de volgende dag voor vier uur bij de krant moest zijn. Hij had nog niet veel meer dan een vage potloodschets. ‘En daar ben ik ook nog eens niet tevreden over, snap je?’
Marlon snapte het heel goed. Wat Maurice had met zijn tekening, had hij precies zo met zijn eieren. Kon hij eraan doorschilderen in eh... het atelier?
Nog nooit had Maurice zijn werkkamer ‘atelier’ genoemd. De aanstellerij.
Dat had hij niet gezegd. Volgens Thomas, Henriëtte en Marlons eigen ouders keek de jongen erg tegen hem op. Maurice had dat altijd betwijfeld. Er school iets vals in de toon waarop hij zo’n woord als atelier uitsprak. Ook de nederigheid waarmee Marlon zijn diensten had verricht, kon niets anders dan gespeelde nederigheid zijn. Alle anderen mochten denken dat Marlon werd gedreven door bewondering, sterker, dat hij in de vader van zijn beste vriendje zijn grote voorbeeld had gevonden – Maurice was ervan overtuigd dat de jongen er een sadistisch genoegen aan beleefde om hem overal te volgen. Net zolang tot hij zijn geduld verloor. Was het Marlons bedoeling dat hij razend werd? Dat hij hem een keer naar de keel zou vliegen, zomaar, vanuit het niets? Waarom?
Vragen die Maurice zich zo vaak had gesteld. Vragen waarop tientallen antwoorden mogelijk waren. Of geen enkel antwoord. Vragen die hij zichzelf, had hij een keuze gehad, liefst nooit had willen stellen; zijn eigen ongemakkelijkheid en achterdocht waren Maurice een gruwel geweest, vier basisschooljaren lang.
Op de avond van hun eerste afspraak was burgemeester Mijland de enige studiogast in een late actualiteitenrubriek. Er werden nieuwsbeelden van haar optreden getoond. Daarna prees de presentator haar om haar warme woorden; er had oprechte betrokkenheid (een woord dat ze zelf nogal zakelijk vond, wist Maurice nu) in doorgeklonken, maar sentimenteel was de speech nergens geworden.
‘Grappig,’ had Henriëtte gezegd. ‘Vanmorgen zat jij nog met haar aan de koffie, en nu is ze weer op televisie. Over Marlon nog wel. Wist jij al dat ze bij de stille tocht zou spreken? Heb je haar verteld dat wij hem goed gekend hebben?’
Maurice had geknikt en met de nog niet aangestoken sigaret tussen zijn vingers naar het scherm gewezen, om duidelijk te maken dat hij het interview wilde volgen. Op de vraag waarom er in de speech niets werd gezegd over het drugsbeleid van de hoofdstad, antwoordde de burgemeester dat het haar niet kies had geleken om een herdenkingsplechtigheid te gebruiken voor politieke doeleinden. Of alleen al voor het introduceren van nieuwe maatregelen. Ze begreep heel goed dat burgers kwaad waren omdat er in hun uitgaanscentrum klaarblijkelijk gewetenloze types rondliepen die met goedkope, gevaarlijke chemicaliën versneden drugs verkochten, maar je kwam deze mensen echt niet tegemoet door meteen maar alles te verbieden. Bezinning op het vraagstuk was juist nu geboden. ‘Bovendien: als ik nu met plannen kom waarvan pas in een veel later stadium blijkt dat ze juridisch toch niet haalbaar of praktisch uitvoerbaar zijn, dan heb ik een groter probleem.’ Ze herhaalde nog eens dat de tientallen mensen die een paar uur eerder door de hozende regen hadden meegelopen in de tocht, waarschijnlijk meer baat hadden bij iemand die durfde te delen in hun onmacht, dan bij iemand die het verdriet met kreten van ongebreidelde dadendrang overschreeuwde. Dat laatste snapte de presentator. Dat eerste niet.
‘“Iemand die durft te delen in de onmacht...” Klinkt prachtig. Moedig ook. Maar voelen overtuigde christenen als u die onmacht werkelijk net zo sterk als eh...?’
Maurice had naar de handen van de burgemeester gekeken. Ze lagen ontspannen op de desk. Opnieuw had hij het gebaar voor zich gezien – hoe diezelfde handen subtiel tastten naar de houding, de uitdrukking die overeenkwam met die van zijn amateuristische beeldje.
‘Goeie vraag.’ Henriëtte had een slok wijn genomen, en bij het terugzetten van haar glas naar Maurice gelachen. Daarna had ze gevraagd of de burgemeester dit donkergroene mantelpakje al de hele dag aanhad. ‘Ik weet het niet,’ had Maurice geantwoord. Niet eens om ervanaf te zijn.
‘Hoe kan dat nou? Je ziet altijd alles! Toen Annelies hier laatst at, zei ze nog hoe leuk ze het vond dat jij... Jij hebt toen iets gezegd over haar oorbellen. Ik heb het niet gehoord, want ik stond in de keuken. Maar ze was heel blij met het compliment.’
‘Ik heb er gewoon niet op gelet, dit keer.’
Op televisie praatte de burgemeester rustig verder. Verstaan kon Maurice haar maar half. Het kon niet anders of mevrouw Mijland had bij de laatste vraag gedacht: daar gaan we weer, over dat stomme geloof. Toch vertoonde haar gezicht (haar lieve gezicht – Maurice had zichzelf afgevraagd waarom hij dit er onmiddellijk bij dacht?) geen spoor van irritatie. Haar stem klonk precies zo zacht en levendig als in de ambtswoning. Tegelijk leek ze zich ervoor te schamen dat ze zichzelf, of haar geloof, of zichzelf als gelovige, niet goed kon verdedigen. Onder de make-uplaag bloosde ze lichtjes.
Bloosde hij ook? Zag Henriëtte wat hijzelf zag?
Met haar ogen volgde de burgemeester haar woorden, alsof ze ze letter voor letter zag verschijnen; de hele studioruimte één grote autocue. Maurice had zijn sigaret gedoofd. Verkeerde beeldspraak. De studio een computerbeeldscherm, waarop ze las wat haar vingers typten, kritisch, beducht voor weglatingen en verschrijvingen. Die blik. De blik waarmee ze eerder haar handen had gevolgd toen die zo aandachtig zochten... Nadat ze uitgesproken was, grijnsde ze. Zo ontriomfantelijk als een grijns maar kon zijn. Ik heb mijn best gedaan. Versla mij nu maar, de eer is aan u.
‘Ik ga nog iets lekkers nemen. Jij?’ Henriëtte was opgestaan en had zijn kruin gekust. Een pluk van haar lange haar viel daarbij in zijn gezicht. De bedwelmende geuren van gember, mango, kokos, dampend bladgroen, vijg, laurier; zelfs op kille regendagen rook zijn vrouw exotisch. Tropisch. Alsof ze niet op een kantoor werkte, maar in de kassen van de Hortus.
Geborgenheid en sensatie in één persoon, en altijd die bewegelijke interesse. Voor alles. Bijna alles. Soms leek het of er rondom haar zilveren mugjes dansten, die alleen zijzelf kon volgen met haar blik en horen zoemen, zingen.
Was er op een andere zender niet iets leukers? Hoe heette dat ook weer, met die improviserende acteurs? Had hij dat artikel al gelezen over Sigmar Polke en Gerhard Richter? Ja, in dat nieuwe webmagazine. Zo sterk.
Alleen omdat de burgemeester over Marlon sprak, en Maurice er net was geweest, was ze toch maar even blijven kijken.
Gelukkig, meldde ze, Thomas had niet alles opgegeten. Ze hadden zelfs nog chips.
‘Dus het geloof... Of, ach nee, excuseer me, “het geloven”, begint bij een ontroering, beweert u,’ teemde de talkshowpresentator op hetzelfde moment. ‘Het is allemaal een kwestie van gevoel, bedoelt u dan. Dat klinkt toch een beetje hip spiritueel, maar in elk geval behoorlijk simpel. Dat kan toch niet de hele waarheid zijn? Het spijt me dat ik dit zeg. Aan het begin van ons gesprek riep u nog dat je in uw beroep nooit met heftige emoties op heftige emoties moet reageren... En nu is uw geloof uitsluitend een emotie! Helaas is de tijd om. Ik had er graag eens met u over doorgepraat.’ De man knipoogde nog net niet in de camera en besloot: ‘Niettemin heeft u een fantastische toespraak gehouden, alsof uw eh... ontroering sterker was dan anders. Heel troostrijk, heel geloofwaardig. Dank u wel.’
‘Voor mij even niets meer,’ had Maurice in de richting van de keuken geroepen. Hij had de televisie uitgezet, maar pas nadat de reclame was begonnen; hij had Mijland willen blijven peilen, ook toen de aftiteling al liep. Laat die dominee op haar wachten met een glas wijn, had hij tot zijn eigen verrassing gedacht, en laat hem een arm om haar heen slaan. Haast dwingend. Alsof hij het zelf had willen doen.
Nadat Maurice had gezegd dat de gestorven Marlon een vriendje van zijn zoon was geweest, had de burgemeester hem gecondoleerd. Het speet haar als ze over zijn gevoelens was heen gewalst, doof en blind voor zijn reacties, door te klagen over de stille tocht en de vermaledijde toespraak daarna.
Ze had gemompeld: ‘Wat erg. Wat stom van me. Wat erg,’ zoals mensen dit kunnen mompelen tegen een wc-spiegel, tijdens het handen wassen of het kammen van hun haar – voordat ze terugkeren naar het gezelschap waar ze hun blunder hebben gemaakt.
Het kon niet anders of mevrouw Mijland had zich in de paar tellen stilte afgevraagd of ze iets moest zeggen als ‘u en uw gezin zullen nu dan wel erg verdrietig zijn’. Waarschijnlijk besefte ze dat dit goedkoop kon klinken, want verder dan voor een derde keer prevelen: ‘Gods, wat verschrikkelijk erg’ was ze niet gekomen. Had Maurice haar op dat ogenblik nog steeds gezien als prominent lid van een kleine, christelijke partij, en als echtgenote van een predikant, dan zou hij zeker hebben gedacht dat haar onvermogen haar sierde. Maar het was geweest alsof hij haar al jaren kende, en meer over haar wist, veel meer, dan hij uit de pers kon weten. Een rechtlijnige betweter? Zij?
Haar onvermogen raakte hem. Ze was niet afgegaan, niet voor hem, maar toch wilde Maurice haar het gezichtsverlies voor haarzelf besparen. Hij moest de eerste spiegel zijn die terugsprak – en dat deed hij ook.
‘De vriendschap was al bekoeld, tussen Marlon en mijn zoon. Natuurlijk waren we geschokt toen we het hoorden, en natuurlijk hebben we het er nu dagelijks over, haalt mijn zoon herinneringen op, en ze zijn naar de uitvaart geweest, hij en mijn vrouw... Maar ik geloof dat hij de eerste schok al wel te boven is. Hij wist heel goed hoe roekeloos Marlon kon zijn, en had daar al veel eerder afstand van genomen. Hij heeft andere vrienden tegenwoordig. Hij loopt ook niet mee in die tocht, vanavond. Gok ik zo.’
‘De klap kan nog komen.’
‘Daar houden we natuurlijk rekening mee. Dat wel.’
‘U heeft geen contact met de ouders? Met andere... nabestaanden?’
‘Bij de crematie heeft de moeder van Marlon mijn vrouw aangesproken. Of ze in een later stadium... Zeg je dat zo? Nou ja, in elk geval, of ze in de loop van de tijd nog eens langs mochten komen, gewoon, om weer eens op die plek te zijn waar hun zoon zich ooit zo had thuis gevoeld.’
‘U zegt het alsof het u verbaast. Alsof u destijds nooit heeft gemerkt dat hij graag bij uw zoon, en dus bij u, over huis kwam. Heeft u eigenlijk nog meer kinderen?’
‘Thomas is enig kind.’
‘En Marlon komt uit een gezin met nog twee broers. Misschien vond hij al die aandacht bij u thuis heerlijk. Een verademing.’
‘Dat heeft mijn vrouw ook wel eens geopperd. Maar het was niet alleen dat, geloof ik.’
‘Het ging hem misschien vooral om een bepaalde sfeer?’
‘Ja, zal wel. Ja. Een sfeer. Zoiets.’