2
Sara groeide op in Nunspeet, op de Veluwe. Haar vader werkte als jongen al in de slagerij van degenen die later zijn schoonouders zouden worden. Lieve, wat stijve mensen die, ook in tijden van voorspoed, bezorgd bleven om de financiën en zeker tweemaal per week hun boekhouding deden, aan de eetkamertafel, onder een lamp met een melkwitte, matglazen kap die dagelijks werd schoongewreven met een spons gedrenkt in lauwwarm water met azijn. Alleen zo voorkwam je aanslag van opa’s sigarenrook, werd Sara al jong geleerd.
Toen ze zes was, maakten haar grootouders haar vader eigenaar van de zaak; dan konden ze de administratie eindelijk uit handen geven.
Maar van de winkel wilden ze geen afscheid nemen. Achter de toonbank bleef Sara’s oma de dienst uitmaken. De bekende, dus belangrijke klanten waren voor haar; slechts bij grote drukte werden nieuwkomers en vakantiegangers doorgespeeld naar Sara’s vader, die verder niet veel meer te doen had dan op en neer rijden naar het slachthuis om vervolgens de karkassen uit te benen, in de koelcel achter de zaak. Daar bleef opa worsten draaien, en gehaktballen maken, en biefstukken en kipfilets snijden – af en toe mompelend dat er bij de kruiden en specerijengroothandel een nieuwe bus nootmuskaat besteld moest worden, of dat hij haast door het kratje met gesnipperde uien heen was. Geen directe vragen: constateringen. Het was dan de bedoeling dat Sara’s vader onmiddellijk zijn gereedschap neerlegde en aan de slag ging om zijn baas van de ontbrekende benodigdheden te voorzien. Terwijl de man zijn baas natuurlijk niet meer was.
Toch herinnerde Sara zich niet dat er spanningen waren. Niet in het huwelijk van haar ouders, niet in de familie. Ze zag de grootouders van beide kanten graag, ze hielp haar oma’s en moeder al jong en met veel plezier in de huishouding en bij de verzorging van de drie kleintjes die na haar kwamen. Op regenachtige dagen zat ze na schooltijd het liefst in de kleine werkplaats van de opa van vaders kant, die klokkenmaker was. Hij leerde haar bloemen schilderen, met glanzende bladeren in twee tinten roestrood of oker. Alsof ze bol stonden, het licht weerkaatsten. De truc was dat je de kwast, die eerst in de donkere verf was gedoopt en daarna aan één kant een likje wit had gekregen, in een soepele beweging moest draaien bij de punt van het blaadje, terug naar het hart. Sara leerde kronkelende, bedoornde of behaarde stelen maken, ineengevouwen, roze bloesemknoppen, al bijna uitgebloeide akeleien, zonnebloemen en ranonkels in de vreemdste tinten, en paarse toverbessen, parelrond. Ze vulde de nog lege plekken in haar composities op met fijn geaderde, aan de randen gekartelde groene blaadjes; op de houten plankjes die haar opa niet meer nodig had ontstonden wilde fantasieboeketten waarin alleen de rozen op bestaande rozen leken.
Vanaf haar negende mocht Sara er ook figuurzagen, frezen, houtsnijden, gutsen, raspen en schuren tot in de smalste kiertjes – maar hoe handig ze ook was, hoe sierlijk de vlechtmotieven en krullen die onder haar vingers ontstonden ook werden, ze was pas tevreden geweest toen haar opa haar het eerste klokje liet maken, en haar inwijdde in de techniek van het binnenwerk. De opperste concentratie waarmee ze met de allerkleinste schroevendraaiers de tandwieltjes moest afstellen, nadat ze eerst middagenlang had moeten puzzelen en meten en berekenen welk onderdeel van het mechaniekje waar moest worden aangebracht... Haar geluk toen het ten slotte werkte, in beweging bleef. Alsof het leefde! Toch echt iets anders dan het timmeren en versieren van een kistje voor haar moeders naaigerei.
Zeven jaar na de overname deed Sara’s vader de slagerij op zijn beurt over aan zijn zwager. Een ‘echte’ zoon zou misschien beter worden behandeld dan een schoonzoon, en anders in elk geval toch meer weerwoord durven bieden. Beide partijen tevreden. In de avonduren had Sara’s vader doorgeleerd. Tijd om na te denken had hij genoeg gehad, en hij had precies geweten wat hij wilde.
In het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw begon hij zijn eigen camping, die al snel werd uitgebreid met een huisjespark.
Vanaf dat moment sloeg bij Sara de twijfel toe. Dat de toeristen die de Veluwe in de zomermaanden bevolkten er andere mores op nahielden dan die waarmee Sara was opgevoed, had ze nooit schokkend gevonden. Anders dan sommige van haar vriendinnen, was ze niet jaloers op de meisjes van haar leeftijd die strakke broeken mochten dragen, en bij warm weer hun blote benen toonden. Ze hoefde niet zonodig bruin te worden en aan lange jurken en rokken had ze nooit een hekel gehad; het was juist perfecte kleding voor iemand met stevige dijen en kuiten, zoals zij.
In haar geboortehuis stonden een radio en een pick-up waarop platen met stichtelijke orgelmuziek en gezangen door Aafje Heynis werden afgespeeld, maar aan een televisietoestel hadden haar ouders geen behoefte. Zondige beelden waren nog tot daaraan toe. Hun voornaamste vrees was dat je er een luie geest van kreeg en uiteindelijk je kritische onderscheidingsvermogen zou verliezen. ‘We zijn al blinde mollen, zegt Calvijn. Dan moeten we dat niet nog erger maken, niet?’ Hoe braaf en meegaand dit ook mocht lijken, Sara was het volledig met haar ouders eens geweest. Ze las veel liever een goed boek. Zeker, de zondagen waren zwaar. Tot twee-, driemaal toe een donderpreek, geen fietstocht, geen ijsje, geen wilde spelletjes, laat staan een zwempartij – maar zolang iedereen hieraan was onderworpen, was zo’n regime prima uit te houden. Kort voor Pasen kregen de meisjes allemaal een nieuw hoedje en, als het ervanaf kon, een bijpassende sjaal.
Sara glunderde heimelijk wanneer de dominee of de ouderlingen opmerkten hoe goed zij de Schrift kende, op zo’n jonge leeftijd al. Alsof ze er voor haar plezier in verderging, ’s avonds, na de lezing door haar vader, waarmee de maaltijd dagelijks werd besloten.
‘Wat heb je gedaan, Bram, om zo’n kind al zo bevindelijk te krijgen? Zo rechtzinnig en ernstig, en met zoveel oprechte liefde in haar hart... Ja! Hoe er iets oplicht in dat verlegen, ouwelijke gezichtje, wanneer de naam van onze Heere Jezus Gristus in eerbied over dominees lippen gaat... Maar. Laat je niet misleiden. Wat wij allen voor een zegen aanzien, kán, kan altijd, kan immer en altijd het werk van de Satan wezen. Dus blijf met vaste hand... En complimenteer haar niet. Ga geen discussies aan, hoe scherp en getrouw haar geest ook is, en hoezeer ook de Waarheid toegenegen...’
Het was niet zo dat Sara’s geloof in God met de komst van de camping verzwakte; het geloof in haar ouders nam erdoor af. Haar vader tolereerde niet alleen dat zijn gasten op zondag alles deden wat hemzelf verboden was, nee, hij moedigde hen ertoe aan. De tennisbaan, het zwembad, de snackbar en later het midgetgolfterrein waren geopend van tien uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds.
Wanneer hij zelf in de kerk zat, in plechtig zwart pak, met plechtige blik, te midden van zijn plechtig kijkende gezinsleden, stond zijn nieuwe Rotterdamse compagnon op het zanderige, door vliegdennen omzoomde parkeerterrein de vertrekkende gasten plechtig uit te wuiven, om een uur later nieuwe gasten rond te leiden en hen daarna de sleutel van hun huisje te overhandigen, even plechtig.
Binnen zeven jaar telde het park een supermarkt, een romantische Franse bistro, een oud-Hollands pannenkoekenhuis, een overdekt zwembad met sauna, een Turks stoombad en een beautysalon met massageruimte, een professionele bowlingbaan, een speelhal vol biljarttafels, flipperkasten en gokautomaten en een intieme bioscoopzaal waar zojuist uit de roulatie genomen, bewezen kaskrakers werden vertoond. Ongecensureerd, dat sprak.
Nog steeds kwam de dominee graag op bezoek bij Sara’s vader die, bij alle winst, toch nooit groter was gaan wonen, maar al heel tevreden was met zijn nieuwe garage, de uitbouw van de serre en de iets te modern uitgevallen dakkapel. Sara’s favoriete ouderling bewonderde de beige Mercedes waarmee het gezin tegenwoordig naar de kerk kwam. Niet dat hij er verstand van had, hij reed nog altijd op dezelfde fiets, maar omdat een glimmende, kostbare eerstehands wagen in hun kringen bijna gold als teken dat je tot de uitverkorenen behoorde. Dat er zegen rustte op je harde werken, ja, dat de hele hemel instemde met het terechte loon dat je ontvangen mocht. Als schaap geboren, nooit een bok geworden. Een bovag-keurbewijs, en eentje van de Schepper.
Sara begreep de redenering. De bokken, dat waren de goddeloze vertierzoekers uit de Randstad en de roomse Brabanders en Limburgers, die kennelijk waren uitgekeken op hun eigen natuur, hun eigen landschap, misschien op hun eigen buren en familiekransjes. Gered konden die heidenen niet meer worden – de predestinatieleer was genadeloos. De enige reden waarom deze luidruchtige vrienden van de Veluwse stilte op de wereld waren gezet, was dat de hel bevolkt moest worden, en dit waarschijnlijk weer omdat de kachel toch ook daar moest kunnen blijven roken. Zo beneden, zo nog dieper dan beneden – waar een maag van vuur onafgebroken rommelde en kreunde.
Volgens dezelfde leer bracht de manager van het vakantiepark zijn kostgangers dus niet eens in verzoeking: immers, wie al gevallen was, was toch niet meer te redden. Zolang Sara’s vader zich zelf maar aan de regels hield en op zondag met geen voet zijn park betrad, zolang hij de films in de met roodfluweel beklede, schaars verlichte cinema niet zelf bekeek, geen stuiver in de fruitautomaat liet rollen en met gebogen hoofd langs de zonneweide bleef lopen, opdat zijn dwalend oog niet hoefde worden uitgerukt... Zolang mocht hij schroomvallig, nederig, in de rechte godvrezendheid hopen op een gunstig oordeel, en op herrijzenis van zijn aardse lichaam tijdens de jongste dag. Amen.
Een goeddoortimmerd, logisch systeem. Te makkelijk om waar te zijn. Wanneer er aan tafel of in de kerk hardop tot de Vader werd gebeden voor al die geloofsgenoten die, in de greep van de zonde of van hun eigenzinnige, opstandige gedachten, dreigden afvallig te worden, voor het eeuwige leven verloren, bad Sara in stilte tot de Zoon.
Ze stelde Hem altijd dezelfde vraag. Helpt u mij alstublieft een mens te blijven, tussen echte mensen? Geen bok, geen schaap – een mens. Dus ook geen Schriftgeleerde. Voordat Christus zelf, als eerste, uit de dood opstond, was hij toch drie volle jaren opstandig geweest, overal waar hij zelfverklaarde uitverkorenen hoorde oordelen over zondaars; omdat dit oordelen de grootste zonde was. Een misdaad tegen de menselijkheid. Maar wat was menselijkheid? En waar, en bij wie, kon je dat leren: menselijk te worden?
Haar opleiding tot godsdienstlerares brak Sara halverwege af. Een jonge, van oorsprong zwaar gereformeerde theologiestudent die het vak kerkgeschiedenis doceerde en zelf op het punt stond over te stappen naar de lutherse kerk, raadde haar een universitaire studie aan. Mochten haar ouders dat onzin vinden voor een meisje, dan zou hij wel met ze praten. Desnoods nam hij folders mee van de vu, waarin ze konden lezen hoe keurig alles er geregeld was; er waren zelfs in zo’n verdorven oord als Amsterdam speciale woonhuizen voor christelijke meisjes, waar dagelijks werd gecontroleerd of iedereen voor negenen ’s avonds binnen was, natuurlijk zonder herenbezoek. Hij had gelachen, samenzweerderig. Zo’n licht als dat van Sara... onder de korenmaat... Ook een vrouw mocht de haar gegeven talenten toch niet begraven? Natuurlijk, zonder kennis van Latijn en Grieks werd Theologie bijzonder zwaar, aangezien ze naast die twee talen ook nog Hebreeuws zou moeten leren, maar waarom koos ze geen filosofie?
Bijna had Sara de raad van haar pleitbezorger gevolgd. Maar ze wilde ook van hem onafhankelijk blijven. Filosofie, wat moest je daar nou mee?
Pedagogiek, zei de dominee, die bij het gesprek bij haar thuis was uitgenodigd. Sara’s ouders zeiden het hem na. Psychologie, opperde de moedige bekeerling, die nog maar een paar maanden ervoor door zijn familie was verstoten, en nu misschien voorvoelde dat de mensen met wie hij om de tafel zat zijn schoonouders zouden worden. Ze hadden allemaal verwachtingsvol in Sara’s richting gekeken. Ze las in die periode juist een korte levensschets van de als lutherse predikant begonnen, en als voorman van de socialistische beweging gestorven Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Atheïst geworden. Anarchist. Maar verre van een antichrist. Zo allermenselijkst.
Ze had de stilte een paar tellen stil gelaten. Het door haarzelf gemaakte klokje tikte luider dan anders. Het was beschilderd met rode en witte rozen. Voor de rode van het socialisme zou ze, kon ze nooit kiezen. Ondanks haar sympathie: met mensenhanden alleen kon je geen heilstaat bouwen. Dat ideaal was even hoogmoedig als blasfemisch.
Meteen daarna had Sara aan Hans en Sophie Scholl gedacht. Vrije, protestantse studenten in München die, rond de leeftijd die zij nu had, geweldloos verzet hadden geboden aan de nazi’s door intelligent gestelde vlugschriften onder de bevolking te verspreiden. Wakker worden, doe je ogen open, en sta op! Honderden, duizenden blaadjes die over Duitsland dwarrelden. Die Weisse Rose. De witte roos. Kort voordat Sophie onthoofd zou worden, had een gevangenispredikant haar nog gezegd: ‘Niemand heeft groter liefde dan hij die zijn leven voor zijn vrienden geeft.’ Johannes 15: vers 9 tot en met 17. Sara’s favoriete evangelietekst.
Ja. Zo kon een mens leven. Proberen te leven. Ook buiten oorlogstijd. Maar dan moest je je medemensen wel als vrienden leren zien. Op ooghoogte. En geloven in hun kunnen.
‘Ik heb mijn keuze al gemaakt,’ had ze gezegd. Haar hart klopte kortstondig in eenzelfde, helder ritme als het klokje aan de muur. ‘Ik voel het meeste voor politicologie.’ Alsof ze uit de kast gekomen was. Haar binnenwerk liet zien.
Al tijdens haar studie had Sara zich aangemeld als lid van een nieuwe christelijke partij die was ontstaan uit de brokstukken van twee veel kleinere partijen. Steeds meer van hun leden waren in de loop der jaren gefrustreerd overgestapt naar het cda – anderen besloten nooit meer lid te worden, van geen enkele partij; de politiek heette niet rijp voor Bijbels geïnspireerde solidariteit met de zwakkeren en verdrukten, noch voor een radicaal milieubeleid dat uit niets anders voortkwam dan eerbied voor het grote geschenk dat door hen nog steevast ‘schepping’ werd genoemd.
Het eerste verkiezingsprogramma was op deze punten zo overtuigend dat ook buitenkerkelijken zich hadden aangemeld. De prominenten onder hen hadden bij hun toetreding wel de hoop uitgesproken dat er soepeler zou worden omgesprongen met ethische kwesties als euthanasie, abortus en homoseksualiteit. Het was Sara geweest die, toen een reactie van de partijleiding was uitgebleven, bij een aantal van deze leden op bezoek was gegaan, op persoonlijke titel, om hen op het hart te drukken dat zij hun hoop deelde en zich, juist als christen, altijd zou blijven inspannen voor een open discussie rondom deze onderwerpen. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.
Dat deze leden alsnog opstapten toen de fractievoorzitter in een televisie-interview had verkondigd dat hij nog dagelijks bad voor zijn zieke, want lesbische zusje, had ze niet kunnen verhinderen. Binnen de partij zou ze nog lang het zwarte schaap blijven.
Niet erg. Haar familie had alle contact verbroken toen ze via via hadden begrepen dat Sara al meteen na haar propedeusejaar met haar lutherse vriend Johan Mijland was gaan samenwonen. En de vriendschappen met medestudenten, die ze in korte tijd had opgebouwd, waren verwaterd toen Sara naast de klussen voor de partij ook nog vrijwilligerswerk ging doen. Aanvankelijk bij de daklozenopvang, later voor prostituees op de Wallen en aan de Ruysdaelkade. Niet om hen te verlossen. Misschien om zelf verlost te worden van haar benauwde vooroordelen. Van haar minachting, zo hard, zo kil, dat ze die al lang geleden in dikke lagen glaswol had verpakt. Wat ze meebracht was een met vrome oneliners gewatteerde, synthetische bontmantel der liefde, ontdekte ze al doende, even verstikkend als de omhelzing van een liederlijke klant met knoflookadem, zweetbuik en perverse wensen. Ja, zo was het. Huilen kon ze al, maar lachen had Sara bij de hoeren geleerd.
Goedkeuring van een groep was wel het laatste waar Sara op uit was. Ook Johan, die na het voltooien van zijn studie als pastor werkzaam was in ziekenhuizen en later in strafinstellingen, mocht zijn bedenkingen hebben – er was er toch maar één aan wie ze verantwoording verschuldigd was. Een die niet had teruggevochten. Die ook niet gevlucht was toen hij aan een kruisverhoor werd onderworpen. Een die de onterechte aantijgingen had aangehoord, zwijgend, rechtop, zonder ijdelheid en trots, maar ook zonder nederigheid en valse, kruiperige schaamte... Een die alle overlevingswetten (die eeuwen later pas door Darwin beschreven zouden worden) naast zich had neergelegd, had getart door dat simpele antwoord: ‘Gij zegt het.’
Hoe noemde je zo iemand in survivaltermen? Een – mutant?
Een over wie de aanklager ten slotte verslagen had gezegd: ‘Ecce Homo, zie de mens...’
Als Sara tegenover deze ene overeind kon blijven, hem ooit recht zou mogen en kunnen aankijken, van aangezicht tot aangezicht, zonder angst voor welk oordeel dan ook, dan was dat haar genoeg. Meer dan genoeg. Wie Luther als zijn leidsman zag, die moest dat toch begrijpen?
Hier sta ik, ik kan niet anders.
In haar afstudeerscriptie had Sara de evangelische opstandingsgedachte verbonden aan Ortega y Gassets boek Opstand der horden en Albert Camus’ meesterwerk De mens in opstand. In het slothoofdstuk had ze een aantal gedichten gebruikt om tot haar eigen antropologische fenomenologie van het opstaan te komen... Want verschilden mensen daarin niet van dieren?
Zelfs de meest reformatorische onder de professoren, die de werken van Kuyper, Dooyeweerd en Vollenhoven nog net niet uit hun hoofd kenden, hadden niet geweten wat ze aan moesten met de orthodox gelovige studente die toch zoveel eigenzinniger in het leven stond dan zij, en ze hadden Sara de wereld in gestuurd met een bedremmeld uitgesproken cum laude.
Geen feest. Johan had zijn aanstaande bruid mee uit eten genomen bij een chinees. De hoeren hadden een bos bloemen laten bezorgen. Aan huis. Gele en witte rozen. ‘De pauselijke kleuren,’ had Johan grijnzend opgemerkt. Nog diezelfde avond had Sara bij Romano Guardini, een bekende katholieke priester-theoloog, een indrukwekkend opstel gelezen. Over Kierkegaard ging het. Over zwaarmoedigheid. Ze las voor het eerst een zelfportret.
1984. Johan en de toen tweeëntwintigjarige Sara trouwden. In stilte. Ze kregen een dochter, een zoon, een tweede dochter. Johan werd gepolst voor benoemingen in Middelburg, in Assen – en dichterbij, in Gouda, Haarlem, Alkmaar. Hij wilde in Amsterdam blijven en hetzelfde gold voor zijn vrouw. Uiteindelijk was Johan door een kleine gemeente in de hoofdstad beroepen. Zeven jaar lang was Sara fulltime moeder en domineesvrouw, maar in haar vrije uren bleef ze werkzaam voor de regionale afdeling van de partij; ook al was men niet altijd van haar vrijzinnigheid gediend, om kiezers te winnen was haar inbreng onmisbaar. Mevrouw Mijland wist, meende men, de boodschap te vertalen naar de actualiteit van de grote stad. Voor een eigen wetenschappelijk bureau was geen geld, maar zij alleen kon gedegen onderzoeksrapporten schrijven. Over welk onderwerp dan ook. Toen hun oudste naar het gymnasium ging, werkte Sara voor halve dagen als assistent van de christendemocratische deelraadvoorzitter. Totdat de man ziek werd en er zo snel geen opvolger gevonden kon worden... Stap voor stap was het gegaan. Kans volgde op toeval, aanbod op mogelijkheid. Ambities had Sara nooit echt gekend. Een strategie evenmin. Ze had zich hogelijk verbaasd toen de partij haar een tweede plaats op de kandidatenlijst voor de landelijke verkiezingen had aangeboden, maar het aanbod niet geweigerd. Als het per se moest, wilde ze best voor vier jaar in de Kamer. Hoeveel partijleden er ook moeite hadden met haar ideeën, iedereen begreep dat Sara in debatten sterker over het voetlicht kwam dan de nummer één van de lijst; een magere man met hoornen bril en glimmend bloempotkapsel, die over hervormingen sprak op een toon alsof hij het telefoonboek voorlas en bij iedere grap gepijnigd naar zijn gepoetste schoenen keek.
De zittende PvdA-burgemeester was na de coalitieonderhandelingen gepolst voor een ministerschap. Ervaring had hij al. Zijn betrouwbare uitstraling werd bovendien door vriend en vijand geprezen – en dat was nodig voor de lastige post van Volksgezondheid. Geen andere sociaaldemocraat kon iets aanvangen met de aangekondigde bezuinigingen, zonder ervan te worden beschuldigd een aanjager van marktwerking te zijn.
Maar wie moest de populaire stadsbestuurder opvolgen?
‘Meld je aan,’ had Johan gezegd. En hij had argumenten genoemd. Zijn vrouw kon in de gemeente voor elkaar krijgen wat hij alleen maar in zijn eigen kerk, in zijn eigen wijk voor elkaar had gekregen; betrokkenheid bij minderheden. Bij moslims, werklozen, arme bejaarden, laagopgeleiden in het algemeen, die met en zonder schulden, bij zwervers, drugsverslaafden, asielzoekers, ex-delinquenten en gescheiden moeders in de bijstand... ‘Ik wil mijn functie best neerleggen. Als jij eh... Goed. Het groter aan kan pakken.’ Want zo had Johan Mijland het gezien. Als hun gezamenlijke project.
Beschroomd had Sara haar sollicitatie ingediend. Lacherig zelfs. Wist zij veel wat de criteria waren?
Ze was de enige vrouw geweest. De enige die bekend was met de verschillende islamitische groeperingen, en kennis had van religieuze spanningen. De enige die ervaringen ‘in het veld’ had opgedaan, en steeds in staat was gebleken duurzame toekomstvisies te formuleren. En bij dat alles kon ze zich ook nog genietend uitlaten over de rommeligheid en veelkleurigheid van Amsterdam, over rare nieuwe buurtinitiatieven en artistieke protesten tegen ambtelijke regels en projecten, zonder dat het één moment klonk als een ingestudeerd promotiepraatje.
Sara’s aandoenlijke enthousiasme voor de stad bleef dat van een nieuwkomer ‘van buiten’, die destijds bewust voor deze vluchthaven had gekozen; bewegingsvrijheid, inspiratie, weg uit de benepenheid. Toch een andere mentaliteit dan die van de geboren Mokummer, die nu eenmaal niet beter wist – en daardoor geborneerd kon lijken.
Zeker, Mijlands kleine partij was bepaald niet de modernste. Er moesten zelfs wijzigingen in de statuten worden aangebracht om de benoeming mogelijk te maken, en de protesten en verdachtmakingen bij haar aanstelling waren fel en soms regelrecht vals geweest, maar in het profiel had er kennelijk toch maar één gepast. Een die, hoewel braaf christelijk, geen goede werken dacht te doen voor God, maar had bewezen dat het haar altijd om al die belangen van al die verschillende burgers was gegaan.
Een die een offer brengen kon. Om de gemeenschapszin. Om niet.