HOOFDSTUK IX

Clifton slaagde er tenslotte in een baan te krijgen in Watrous, in het Landis Warenhuis, een zaak die gedurende de hoogtijdagen van de veehandel uitstekend had gefloreerd, maar die nu was overgenomen door een schuldeiser die alle moeite had de eindjes aan elkaar te knopen.

De baan als boekhouder viel Clifton niet mee. Hij had geen hoofd voor cijfers en de hele dag binnenshuis opgesloten te zitten, was ook een ware temptatie voor hem. Maar hij had in elk geval werk en dat was het voornaamste.

Watrous lag midden in de prairie op enige afstand van San Luis. Om van en naar zijn werk te gaan, had Clifton van een Mexicaan een oud Fordje overgenomen, dat hem ondanks het gammele uiterlijk dagelijks trouw naar zijn bestemming bracht.

Op zijn eerste dag in Watrous zag Clifton toen hij van de middagpauze gebruik maakte om buiten een luchtje te scheppen, Virginia een stoet prachtige paarden door de stad drijven op weg naar Cottonwoods. Een gevoel van diepe trots welde in hem op toen hij zag hoe ze meer dan haar deel van het werk deed en voor de beste cowboy niet onder hoefde te doen. Ze was zijn vrouw en hij had het wel van de daken willen schreeuwen.

Augustus verstreek zonder dat hij haar nog te zien kreeg en hij troostte zich met de gedachte dat dit in elk geval een goed teken was. Ze scheen zich tot dusverre nog altijd van Malpass avances te hebben kunnen vrijwaren. Aanvankelijk was Clifton bang geweest dat het geheim van hun huwelijk uit zou lekken, maar de dagen en weken verstreken zonder dat hem er iets van ter ore kwam en tenslotte vergat hij zijn beduchtheid. Thuis ging het nu ook iets beter. Clay Forrest scheen niet meer zo intens met zijn wrok te leven en hij bleef gelukkig weg uit Las Vegas. In de stad had hij altijd maar gedronken en gekankerd met andere oude veeboeren, die betere tijden gekend hadden en was dan steevast somber en bokkig thuis gekomen.

En zo begon Clifton aan zijn tweede maand in Watrous.

Op een morgen zat hij achter zijn bureau toen hij Mr. Hartwell, zijn baas, het kantoor hoorde binnenkomen met een man die hij zeer hartelijk verwelkomde. Zonder op te kijken ving Clifton een glimp op van glimmende rijlaarzen en een vlekkeloze rijbroek en hij hoefde niet verder te kijken om te weten dat het Malpass was, een feit dat even later door 's mans neerbuigend vriendelijke stemgeluid bevestigd werd.

'Het is een order waaraan ik hoge eisen stel, Hartwell,' hoorde hij Malpass zeggen, terwijl de man met zijn rijzweep tegen zijn laars tikte. 'Ik verwacht binnenkort in het huwelijk te treden met de dochter van mijn compagnon en de winter in het zuiden door te brengen. En bij mijn terugkeer vroeg in de lente wil ik hier dan beginnen te bouwen. Dat geeft je ruimschoots de tijd om alle benodigde materialen hierheen te krijgen. Ik gun je deze grote order omdat ik mij in Watrous zal vestigen en er voorstander van ben met mijn klandizie naar mijn buren te gaan.'

'Dat stel ik ten zeerste op prijs, Mr. Malpass,' antwoordde Hartwell eerbiedig, bijna strijkerig. 'Ik zal uw order met de uiterste zorg behandelen en leveren tegen prijzen die u in Las Vegas niet zou kunnen bedingen.'

'Later zal ik je schriftelijk de benodigde hoeveelheden meedelen en...'

Malpass zweeg eensklaps en Clifton wachtte, wetend dat er iets zou komen.

'Wie is dat?' vroeg Malpass met zachte, eensklaps veranderde stem.

'Waar?'

'Daar aan het bureau.'

'Dat is mijn boekhouder,' antwoordde Hartwell ook op gedempte toon. 'Beste kerel. Zwaar gewond geweest in Frankrijk. De naam is Forrest.'

'Aha! Dat dacht ik al, ja. Heeft vroeger op Cottonwoods gewoond.'

'Daar weet ik niets van. Ik ben nog niet zolang hier. Zijn vader is Clay Forrest.'

'Wel, je kunt hem nu op staande voet ontslaan of mijn order als geannuleerd beschouwen,' zei Malpass heerszuchtig.

Hartwell staarde de ander verbluft aan. 'Maar... waarom, Mr. Malpass? Weet u dan iets in zijn nadeel?'

'Zeker weet ik dat.'

'Werkelijk? Dat is heel spijtig. Ik kan uitstekend met hem opschieten. Maar onder deze omstandigheden zal ik hem natuurlijk ontslaan.'

'Als Lundeen hier toevallig zou binnen stappen en zien dat je een Forrest in dienst had, dan zou hij weggaan en nooit meer terugkomen. Hij is ook in de stad. Met mij hierheen gekomen. Ik zou die knaap maar gauw kwijt spelen als ik jou was.'

'Zeker wel... zeker wel...' antwoordde Hartwell. Clifton sprong op, bevend van woede. 'Bespaart u zich de moeite, Mr. Hartwell, ik hou de eer wel aan mezelf,' verklaarde hij heftig.

'Het spijt me, Forrest. Er blijft me geen andere keus. Mr. Malpass verzekert me dat hij iets in je nadeel weet en ik...'

'Hij is een vervloekte leugenaar,' interrumpeerde Clifton, naar de kapstok benend om zijn hoed en jas op te halen. 'En u zult er nog weleens goed spijt van krijgen naar hem geluisterd te hebben.'

Malpass speelde zijn rol voortreffelijk, precies met het juiste toetsje hooghartige minachting. Maar in zijn koolzwarte ogen brandde een laaiend vuur.

'Forrest, als ik niet wist met een invalide te doen te hebben, zou ik je mores leren,' zei hij en hij sprak met stemverheffing, als was hij er bepaald niet afkerig van door luisterende bedienden en klanten gehoord te worden.

Als dat niet het geval was geweest, zou Clifton zich misschien beheerst hebben, maar nu wist hij zijn withete woede niet te beteugelen.

'Dat zou anders de eerste keer niet zijn, senor Malpass... Van alle laffe ploertenstreken waarvan ik ooit gehoord heb, is dit wel de schunnigste. Het was zeker nog niet genoeg voor u mijn winkel in San Luis te laten platbranden door een van uw vetkragen!'

'Haha!... Je ziet zeker wel, Hartwell, wat de oorlog Forrest aangedaan heeft,' lachte Malpass. 'Zijn verstand heeft hij er ook bij verloren!'

Hartwell kwam langzaam naar voren, kennelijk niet goed raad wetend met de situatie.

'Jongeman, het lijkt me hoogst onverstandig dergelijke wilde beschuldigingen te uiten,' zei hij afgemeten.

'Zo wild zou u ze niet noemen als u senor Malpass wat beter kende,' zei Clifton. 'Hij is een leugenaar en ik niet. Dat is het verschil en dat zal ik weten te bewijzen ook.'

Toen drong het tot Clifton door dat het niet bij woorden zou blijven als hij niet heel snel zijn biezen pakte en dat stond zijn trots niet toe. Hij stapte achteruit tot tegen een toonbank met ruiterbenodigdheden en zijn snelle blikken ontdekten een lange zwarte zweep van het soort dat gebruikt werd door wagenvoerders. Clifton zou zich veel liever met een revolver bewapend hebben, maar deze zweep zou moeten dienen als verdedigingswapen.

'Neem dat terug, jij vuile schooier, •> beval Malpass. Zijn stem klonk snauwerig, maar hij wist zich nog te beheersen. Het was hem er voornamelijk om te doen zijn tegenstander ten aanzien van de omstanders te kleineren. Hij speelde zijn rol met hautain zelfvertrouwen.

'Voor jou iets terugnemen, gore vetkraag!' beet Clifton hem toe, 'voor jou iets terugnemen! Je hebt me eerst mijn broodwinning ontstolen door mijn winkel in brand te steken en nu chanteer je Hartwell om me te ontslaan. Om nog maar te zwijgen van mijn arme vader en moeder die je beroofd hebt. Versta je me goed, vetkraag? Berooid, zei ik. En bovendien, Virginia Lundeen...'

'Hou je bek!' siste Malpass en hij sloeg Clifton vierkant in het gezicht. 'Ik heb je een keer de les gelezen... en ik zal het weer doen als je het waagt de naam van mijn verloofde in je mond te nemen.'

De klap bracht eensklaps een kille, ijzige kalmte in Clifton te weeg en de zekerheid dat er iets ging gebeuren.

'Verloofde?' lachte hij smalend. 'Jij arme opgeblazen snoever! Het geld is je zeker naar het hoofd gestegen. Hoe kan ze met jou verloofd zijn... jij, vervloekte halfbloed?... Hoe kan ze met jou verloofd zijn, zeg ik ...terwijl ze met mij getrouwd is?'

Malpass, dreigend naar voor komend, bleef met een ruk op zijn schreden staan.

'Getrouwd!' hijgde hij.

'Getrouwd, ja!'

'Je bent krankzinnig.'

Clifton ontzet over wat hij er in zijn drift had uitgeflapt, wist dat hij met bewijzen zou moeten komen. Met een gevoel alsof hij hoogverraad pleegde, rukte hij zijn trouwboekje uit zijn binnenzak en hield het Malpass onder de neus.

'Een vervalsing!' siste Malpass, lijkwit wordend.

'Wie heeft dat geschreven? Je zult het handschrift en de handtekening toch wel herkennen, niet waar?... Virginia Lundeen!'

En Malpass las inderdaad zijn nederlaag in de trillende hand van de ander. Hij scheen te wankelen als onder een katastrofale slag. Zijn vuurschietende ogen volgden het boekje, terwijl Clifton het weer in zijn binnenzak stak. Toen drong het tot hem door dat hem een gigantische poets was gebakken en flitsend snel uithalend, sloeg hij Clifton midden in het gezicht met zijn rijzweep.

Clifton had zijn rechterhand achter zich, het handvat van de lange voermanszweep strak omklemmend. Op zijn beurt haalde hij nu uit met alle kracht die hij op Kon brengen. Als een pistoolschot knalde het leer en als een zwarte slang krulde het zich rond Malpass' nek. Een verstikte kreet ontsnapte aan Malpass' lippen. Clifton rukte de zweep terug, zo hard dat Malpass van de been ging. Soepel ais een kat sprong hij weer op en liet een regen van zweepslagen op Cliftons hoofd en bovenlichaam neerkomen tot het benen handvat van de korte rijzweep brak.

Met een satanische grijnslach op het gezicht klauwde Malpass naar zijn heupzak. Hartwell slaakte een wilde kreet van schrik. De andere omstanders achter Clifton stoven naar alle kanten uiteen, weg van de verwachte kogelbaan. Clifton haalde opnieuw uit met de zweep en een rode bloedveeg verscheen als bij toverslag op Malpass' gezicht. Malpass brulde als een gewond dier.

'Schiet maar, vetkraag!' sarde Clifton. Wilde uitgelatenheid had zich van hem meester gemaakt nu lang opgekropte haat eindelijk een uitweg had gevonden. Hij begon rond Malpass heen te dansen, hem steeds opnieuw aanvallend met de zweep.

Malpass trok een klein automatisch pistool en vuurde. Clifton dook weg voor de vuurflits en een man achter hem krijste eensklaps : 'Mijn God! Ik ben getroffen!... Help I Help!' en sloeg op de vloer neer.

In plaats van hem te hulp te snellen doken de anderen achter toonbanken en kasten weg. Niemand kon uit de winkel ontsnappen, omdat Clifton de uitgang versperde met zijn zweep. Hij bleef Malpass geen kans geven zuiver te richten met snelle kletsende zweepslagen. Maar Malpass bleef vuren en glas ging rinkelend aan diggelen. Zijn ogen fonkelend van naakte moordzucht puilden uit de kassen. Toen scheen een volgende striemende zweepslag die ogen als het ware uit te wissen alsof er een purperen blinddoek voor was gebonden. Malpass krijste godslasterlijke vloeken in het Spaans, even verblind. Toen vuurde hij opnieuw. Clifton voelde een lichte schok als van een windstootje. Weer schoot de lange zwarte zweep slangachtig naar voren, kronkelde zich rond Malpass' rechterhand die het pistool omklemd hield. Clifton rukte met beide handen en Malpass sloeg op de vloer neer. Het pistool vloog uit zijn hand, ver buiten zijn bereik. Clifton rukte de zweep los en als een hond begon hij Malpass nu te ranselen, de ene striemende slag na de andere. Krijsend kroop Malpass op de vloer rond, vergeefs trachtend zijn hoofd met zijn armen te beschermen.

Clifton bleef slaan tot de zweep tenslotte uit zijn machteloze hand viel. Toen strompelde hij de winkel uit naar buiten. Omstanders weken voor hem uiteen. Iemand wiens stem hij vaag herkende, hielp hem naar zijn een eindje verder geparkeerde wagen. Clifton plofte op de voorbank neer en liet zijn hoofd in zijn armen op het stuurwiel rusten. Vlekken dansten voor zijn ogen en zijn oren gonsden. Maar geleidelijk kwam hij een beetje tot zichzelf en met een bevende hand veegde hij het bloed weg dat uit een snede op zijn voorhoofd stroomde. Toen startte hij de wagen en weldra had hij Watrous achter zich liggen.

Hij bracht de wagen langs de weg tot stilstand en toen werd hij zich bewust van de pijnlijke opzwellingen in zijn gezicht en op zijn rechterhand en pols waar Malpass' zweep hem had geraakt. Zijn hemd voelde nat aan en eerst dacht hij dat het van het zweet kwam. Maar het was bloed. Een van Malpass' kogels had hem dus toch geraakt.

Een kogelwond betekende echter niet veel voor Forrest. Veel erger was het zich nu eensklaps scherp naar voren dringende besef dat hij Virginia's vertrouwen had beschaamd. Meegesleept door zijn drift had hij er zich toe laten verleiden het geheim van hun huwelijk te verraden.

Tenslotte reed hij verder. De paar mijlen naar San Luis schenen een eindeloze afstand. In het dorp aangekomen stopte hij voor de hut van een oude Indiaan die hij kende, een medicijnman met een zekere plaatselijke faam.

De kogelwond bleek weinig betekenend, een schampschot boven in zijn schouder, en toen de Indiaan zalf en verband had aangebracht, vergat Clifton de verwonding. De striemen en ontvellingen op zijn gezicht waren echter niet zo gemakkelijk te camoufleren en hij voelde er niets voor zijn moeder de schrik op het lijf te jagen.

Hij had in zoverre geluk dat hij onopgemerkt zijn kamer kon bereiken. Hij strekte zich een uurtje op zijn bed uit om wat op verhaal te komen en toen hij tenslotte de huiskamer binnenstapte, wist hij de verontruste vragen van zijn moeder met het een of andere uitvluchtje vrij gemakkelijk te omzeilen. Minder gemakkelijk ging dat echter met zijn vader toen die tegen etenstijd binnenkwam, terwijl zijn moeder in de keuken bezig was. Daarom besloot Clifton alles maar eerlijk op te biechten na zijn vader verzocht te hebben moeder niet nodeloos ongerust te maken.

Clay Forrest luisterde gespannen en zijn commentaar was de te verwachten tirade, rijkelijk met vloeken doorspekt, aan het adres van Lundeen en Malpass.

'Maar ik begrijp niet waarom hij het op jou geladen heeft?' vroeg hij dan. 'Jij hebt die Malpass toch nooit iets in de weg gelegd?'

Dat was de vraag die Clifton het minst gelegen kwam en hij gaf een ontwijkend antwoord.

Op dat moment werd het gezoem van een snel naderende auto hoorbaar door het open raam en een voorgevoel van naderend onheil kwam eensklaps in Clifton op toen hij het voertuig tot stilstand hoorde komen.

Voetstappen naderden, klotsten dan zwaar over het trottoir. Een zware hand sloeg een roffel op de deur en Jed Lundeen stond op de drempel, een gevaarlijke uitdrukking in de sombere ogen. Naar binnen benend sloot hij de deur achter zich en hij scheen met zijn tegenwoordigheid het hele vertrek te vullen.

Clifton richtte zich half op van de rustbank onder het raam. Hij wist wat er op komst was. Zijn vader verbleekte en niet alleen van verbazing over dit bezoek van zijn doodsvijand.

'Forrest, nou hebben we het gedonder in de glazen,' kondigde hij bulderend aan.

'Wel, als je iets te zeggen hebt, zeg het dan en donder weer op,' antwoordde Forrest, met zijn oude wrok levendiger dan ooit nu hij zijn aartsvijand voor Zich zag.

'Forrest, ik ben hier niet gekomen om te vechten. Maar ik kom met iets dat je harder zal treffen dan welke kogel ook.' 'Is Malpass dood?'

'Nee, maar veel scheelt het niet. Die dolle hond van een zoon van je is hem te lijf gegaan met een wagenzweep.'

'Lundeen, hij had me geen groter plezier kunnen doen. Jammer dat hij het nog niet beter heeft afgewerkt. Malpass is zelf begonnen en dat nog wel met een schietijzer ook. Hij heeft Cliff aangeschoten zoals je met eigen ogen kunt zien.'

Ongetwijfeld was dat nieuws voor Lundeen, maar hij keurde Clifton nauwelijks een blik waardig.

'En die andere knaap die Malpass neergeschoten heeft, is die dood?' vervolgde Forrest.

'Heeft hij dan nog iemand geraakt?' informeerde Lundeen verhit.

'Ja, per ongeluk,' antwoordde Clifton. 'Terwijl hij op mij richtte.'

'Een schietijzer tegen een zweep en toch heeft die halfbloed nog geen schijn van kans,' voegde de oude Forrest er minachtend aan toe. 'Maar, als dit alles is wat je te zeggen hebt, Lundeen...'

'Ik heb je toch gezegd dat we het gedonder in de glazen hadden, niet waar?' snauwde Lundeen. 'Die schijnheilige zoon van je, die altijd schermt met zijn verwondingen uit de oorlog...'

'Laat er maar af wat mijn zoon volgens jou is. Zeg alleen maar wat hij gedaan heeft...'

'Hij is met zijn dochter getrouwd, verdomme!' Forrest werd zo wit als een laken. 'Zeg, jij bent zeker dronken of nog gekker dan die dolle hond van een partner van je? Geen zoon van mij zal ooit de naam Forrest aan een Lundeen geven.'

'Oh nee? Maar deze zoon van je toch wel. En al neemt mijn Virginia dan de schuld op zich, de schande is er niet minder om. Mijn dochter is een Forrest geworden.'

'Het is een leugen! Het is weer een van die ploertenstreken van je!' schreeuwde Forrest, purper aanlopend. 'En als er sprake is van een schande, dan is het er een voor de Forrests. Maar het is een gemene leugen.'

'Vraag het hem dan zelf.' Forrest wendde zich met verwrongen gezicht tot zijn zoon. 'Je hoort hem. Waarom zet je hem niet voor de leugenaar die hij is?'

'Vader, het is de waarheid,' antwoordde Clifton rustig.

Een plotselinge dood kon nauwelijks een sprekender verandering in de trekken en gestalte van een man te weeg gebracht hebben. Dit was de laatste druppel. Het einde van de wereld. Forrest zonk op een stoel neer, zo wanhopig, zo geslagen dat Clifton niet eens meer naar hem kon kijken.

'Forrest, daarom ben ik gekomen,' vervolgde Lundeen scherp. 'Omdat het waar is. Ze is meerderjarig, zodat ik er machteloos tegenover sta. Ze is met je zoon getrouwd om aan Malpass te ontsnappen. Ze wist dat hij het niet lang meer zou maken, maar misschien nog lang genoeg om haar van dienst te kunnen zijn. Hij is vuil onder haar voeten. Ze geeft voor geen cent om hem! Versta je me goed?' 'Verstaan doe ik je wel,' antwoordde Forrest. 'Maar geloven zou ik jou nog niet, al zwoer je een dure eed op je knieën voor God. Clifton is het waar wat hij zegt?'

'Is wat waar?' vroeg Clifton verstikt. 'Dat dat kind van Lundeen jouw als vuil onder haar voeten beschouwt.'

Clifton aarzelde, maar hij kreeg niet eens de tijd een antwoord te geven, want Lundeen brulde :

'Reken maar dat het waar is! Ik heb het uit haar gekregen. Als ze gezegd had dat ze het uit liefde gedaan had, zou ik haar de nek omgedraaid hebben!'

Deze minachtende woorden rukten Clay Forrest uit het waas van zijn verbijstering. Hij sprong op en schreeuwde zijn zoon toe :

'Zeg tegen die Lundeen dat jij geen snars om haar geeft. Dat je het alleen maar gedaan hebt om haar te verlossen van die gore halfbloed. En om niets anders I Vooruit, zeg het hem!'

Clifton had de keukendeur half zien open gaan en hij had een glimp opgevangen van zijn moeders doodsbange gezicht. Dat bracht hem tot bezinning. Hij moest bloedvergieten vermijden en dat gevaar was lang niet denkbeeldig als hij niet op de een of andere manier olie op de golven wierp.

'Vader heeft gelijk, Mr. Lundeen,' zei hij. 'Ik heb het alleen maar gedaan om Virginia te helpen.' 'Dat is dan maar het beste ook, voor beide partijen,' zei Lundeen kennelijk ontnuchterd. 'Forrest, ik heb mijn dochter voor de keus gesteld : ofwel van je zoon scheiden, of het huis uit.' Forrest mompelde iets binnensmonds. 'Ze heeft er de voorkeur aan gegeven te gaan,' besloot Lundeen wrokkig.

'Wel, die keus zal ik mijn zoon niet geven,' antwoordde Forrest met een vreemde mengeling van scherpte en melancholie.

'Logisch,' antwoordde zijn vijand met honend sarcasme, 'jij hoopt er financieel wijzer van te worden. Maar vergeet dat maar rustig.'

'Lundeen, je bent altijd rapalje geweest dat fatsoenlijke mensen niet begrijpen kan. Mijn zoon krijgt geen keus. Hij gaat mijn huis uit.'

Beide vaders onverzoenlijk in hun dodelijke haat richtten hun blikken als één man op Clifton.

'Jongeman, je bent geen zoon meer van me. Mijn huis uit I' donderde Forrest. 'Vader!' riep Clifton uit.

Maar de kreet was niet meer dan een refleks, werktuiglijk. Kille afkeer welde in zijn hart op.

'Een paar mooie vaders zijn jullie!' siste hij met genadeloze hoon. 'In jullie waanzinnige haat slepen jullie twee onschuldige jonge mensen mee, mensen die het ongeluk hebben van jullie bloed te zijn... Lundeen, het is geen wonder dat Virginia bescherming zocht, zelfs bij een verminkt wrak van een mens. Je bent geen vader. Je bent geen haar beter dan de gore vetkraag aan wie je je dochter hebt willen verkopen!... Maar voor één ding waarschuw ik je : blijf me uit de buurt, jij en Malpass, einders zal het je slecht vergaan.'

En toen goot Clifton de fiolen van zijn toorn over zijn eigen vader uit.

'Ik zal gaan. En ik zal nooit weer terugkomen. Je bent niet alleen slecht, je bent ook een stomme oude idioot, verblind door je krankzinnige haat tegen alles wat Lundeen heet! Jij bent het zelf die de naam Forrest door het slijk gehaald heeft en niet ik!'

Clifton beende naar de deur die naar zijn kamer leidde, maar hij had al zijn gal nog niet uitgespuwd. In de deuropening bleef hij staan. 'Ik heb tegen jullie gelogen. Ik hou wel van Virginia, met hart en ziel hou ik van haar. En ik hoop bij God dat ze eens van mij zal gaan houden ook... Dood gaan zal ik niet!... Leven zal ik en Malpass zal haar nooit krijgen!... En slachten jullie elkaar nu maar af, laffe honden!'