HOOFDSTUK VIII

'Cliff, ik snap niet dat jij dat maar op je laat zitten! Als je zeker weet dat die Malpass achter die brand zit. Lundeen zal er trouwens ook wel iets mee te maken hebben als je het mij vraagt.' Het was een dag in juli, heet en windstil. De cicades maakten een leven als een oordeel.

'Vader, hoe vaak heb ik nu al gezegd dat ik het niet zeker weet,' antwoordde Clifton lijdzaam. 'Ik vermoed het alleen maar, maar bewijzen kan ik niets. En zolang ik niets kan bewijzen, kan ik ook niets doen.'

'Als het mij te doen stond,' gromde Forrest. 'Het is dat ik het voor je moeder gelaten heb, anders zou ik die twee hun streken al lang afgeleerd hebben... voorgoed afgeleerd.'

'Vader, dat is het 'm juist. Al jaren hebt u uw leven verpest met die wrok. U had gemakkelijk opnieuw kunnen beginnen, u bent er nog jong genoeg voor, iets over de vijftig. Maar het enige wat u doet, is maar wat rondhangen en uzelf kapot maken aan uw haat. En moeder erbij.'

Forrest sloeg de ogen neer. 'Misschien heb je wel gelijk, jongen,' antwoordde hij gelaten. 'Ik weet even goed als jij dat ik er op de duur kapot aan zal gaan als ik maar over dat geval blijf piekeren.'

'Vader, u bent het niet alleen die er kapot aan zal gaan, maar moeder ook. En ik zelf.' 'Hoe bedoel je... jij?'

'Ik heb hier meer moeten vechten dan ik ooit in Frankrijk gedaan heb. Vechten tegen de haat waaraan u zich hebt overgeleverd. Vechten om mijn wrakke lichaam tot volhouden te dwingen. Ik weet dat ik vooruit ga, en ik weet dat ik beter zal worden als ik het vol houd. Maar ik gooi het er net zo lief bij neer en ga zelf achter Lundeen en Malpass aan!'

'Jij achter Lundeen en Malpass aan?' echode zijn vader verbijsterd.

'Ja,' verklaarde Clifton met kille, meedogenloze stem. 'Ik bezweer u dat ik het zal doen als u eindelijk eens niet tot rede komt. Zoals nu kan het ook niet verder gaan.' Het was geen snoeverij, hoewel hij hoopte er zijn vader mee te kunnen intimideren. In zijn donkerste uren had hij vaak met die afschuwelijke gedachten gespeeld.

'Maar, grote hemel, jongen, denk toch aan je moeder!' riep Forrest uit, met een smekend gebaar zijn grote handen uitstrekkend. 'Het is bijna haar dood geweest toen je daar aan de overkant was. En nu ze je eindelijk terug heeft... Cliff, jongen, ik mag er niet aan denken.'

'En wat denkt u dan dat het voor moeder zou betekenen als u het deed?' vroeg Clifton, gretig zijn kans aangrijpend. 'U of ik, dat is voor haar toch precies hetzelfde.'

'Je hebt gelijk, jongen, ik geef het toe,' zei Forrest schor en sloeg de handen voor het gezicht.

Het geluid van naderende voetstappen en rinkelende sporen deed Clifton opkijken. Hij herkende in de jongeman die voor de veranda verscheen een van de cowboys van Cottonwoods.

'Hallo samen,' zei de jongeman vriendelijk en hij overhandigde Clifton een kleine witte enveloppe. Het handschrift herkende hij niet, maar het zwakke parfum onmiddellijk. Clifton voelde het bloed naar zijn gezicht stromen. Hij wilde de brief liever niet openmaken in zijn vaders tegenwoordigheid, maar omdat de cowboy afwachtend bleef staan, zat er niets anders op. Hij scheurde de enveloppe open en las de brief snel door.

Cliftons hoofd scheen te tollen. Hij trachtte onverschillig te doen, maar wist dat zijn poging geen succes was.

'Dank je, geen antwoord,' zei hij tegen de cowboy. 'Hoe staat het leven op de heuvel?'

'Niet veel te beleven nu de paarden weg zijn.' 'Weg?'

'Jawel. Malpass heeft ze allemaal naar .Watrous gestuurd.'

Bij het horen van die naam trok Cliftons vader een gezicht dat de cowboy niet ontging.

'Ik kan me indenken hoe je je voelt,' zei Clifton met een begrijpend lachje. 'Ik zit zelf ook zonder werk.'

'Niet gemakkelijk aan een baan te komen vandaag de dag,' antwoordde de ander en, aan de rand van zijn hoed tikkend, verdween hij.

'Cliff, wie was dat?' vroeg Forrest scherp zodra de jongeman buiten gehoorsafstand was.

'Con zus of zo. Hij kocht zijn sigaretten altijd bij me.'

'Maar hij rijdt voor Malpass!' riep de vader uit. 'Ik geloof van niet, vader. Er staat me iets van bij dat hij voor de jongedame daar werkt.'

'Lundeens dochter! Was dat een brief van haar?' vroeg Forrest met dreigende stem. 'Ja, vader.'

'Geef eens hier. Laat lezen!' 'Vader, dit is privé. En bovendien is het niet belangrijk ook.'

'Heb jij iets met dat meisje?' 'Nee, vader.'

'Je liegt het! Ik zie het aan je hele gezicht! Bij God, als dit niet het laatste is!'

'Vader, ik lieg niet,' antwoordde Clifton gekwetst en geërgerd. 'Er is niets tussen Virginia Lundeen en mij. Ik kan het toch ook niet helpen als ze vraagt of ik iets voor haar wil doen. Geloof me, dat meisje heeft ook haar moeilijkheden.'

Forrest hees zich overeind, het gezicht rood aangelopen, zijn ogen als brandgaten in een deken.

'Als je teruggekomen bent om met dat meisje aan te pappen... dan... dan had ik liever dat je nooit teruggekomen was!'

Hij beende weg tussen de eiken. Clifton was zo verbijsterd door deze plotseling uitbarsting dat hij niet eens het benul had zijn vader terug te roepen. Wat zou het overigens ook voor zin gehad hebben?

De koppige oude dwaas? Alleen al het horen van de naam Lundeen was genoeg om hem razend te maken.

Clifton herlas het briefje en dat was voldoende om hem zijn vader en al het andere behalve Virginia te doen vergeten. Hij vermoedde wel wat haar moeilijkheden waren. Maar wat zou ze van hem willen? Als ze opnieuw begon over de terreur waaraan ze door haar vader en Malpass werd blootgesteld, zou Clifton haar vragen zijn vrouw te worden. Een keer had hij weerstand geboden aan die verleiding, verschrikkelijk en bedwelmend tegelijk, maar een tweede maal zou hij dat niet kunnen. Zelfs het besef dat ze het alleen maar wilde om hem als barrière tegen een gewetenloze minnaar te gebruiken, zou hem er niet van kunnen weerhouden.

En met die gedachte voor ogen verdroomde Clifton de middag...

 

Toen het donker werd, trok hij zich terug op zijn kamer, schijnbaar om naar bed te gaan. Hij vertrouwde zijn vaders grimmige waakzaamheid niet. Toen moest hij uit het raam klimmen, geen gering karwei, zeker niet voor hem, te meer daar het vrij nauw was en hoog van de grond.

Het gegrom van een automotor dat hij even gehoord had in de verte, was verstomd toen hij zich op weg begaf. De gedachte dat Virginia op een andere manier dan te paard zou komen, was nog niet bij hem opgekomen. Maar nu herinnerde hij zich dat haar paarden weg gevoerd waren. Weer een van die lage streken van die schurk van een Malpass!

Het Was een prachtige zomeravond. De sterren glinsterden aan de fluwelige, blauwzwarte hemel, een smal maansikkeltje verspreidde een zilverig licht, insecten zoemden, kikkers kwaakten en krekels tjirpten in de zoele avondlucht.

Zich geluidloos voorthaastend, naderde Clifton spoedig de hoek van de tuinmuur.

'Virginia,' riep hij zachtjes, trachtend de spookachtige schaduwen met zijn blikken te doorboren.

'Oh, Cliff!' hoorde hij haar stem, een wereld van opluchting onthullend. 'Ik was bang... dat je niet zou komen.'

'Het spijt me dat ik zo laat ben,' fluisterde hij. 'Maar ik moest uitkijken voor vader. Hij was bij me toen de cowboy het briefje bracht. Ik heb uit het raam moeten klimmen als een meisje dat een stiekem afspraakje had.'

'Echt?' giechelde ze. 'Dat heb ik vroeger ook vaak genoeg gedaan.'

'Voor afspraakjes met jongens?' 'Nee, dat nooit. Alleen maar om vrij rond te dwalen onder de eiken in het maanlicht.'

'Virginia, laten we een eindje van het pad weg gaan,' zei hij. 'Ik zou niets erger vinden dan dat mijn vader ons hier betrapte.'

'Behalve dat mijn vader ons hier zou betrappen,' antwoordde ze met een uitdagend lachje.

Hij leidde haar een eindje tussen de bomen en zijn ogen, nu gewend aan het donker konden haar duidelijk zien, bijna etherisch in het zilveren maanlicht.

'Verbaasde het je mijn briefje te krijgen?' vroeg ze na een korte stilte.

'Verbaasd zou ik in elk geval geweest zijn, maar het feit dat mijn vader er met zijn neus boven op zat toen ik het las, maakte het tot een ietwat pijnlijke zaak.'

'In de eerste plaats wil ik je zeggen, Cliff, dat ik weet dat Malpass je zaak in brand gestoken heeft of het heeft laten doen.' 'Hoe weet je dat?'

'Ik heb hem ervan beschuldigd... hem ermee verrast. En zijn antwoord stond praktisch gelijk aan een bekentenis.'

'Is het werkelijk? Aan moed ontbreekt het je niet, Virginia... Ik had er overigens zelf ook al een vermoeden van dat Malpass het door de een of andere vetkraag heeft laten doen.'

'Heb je er veel mee verloren?' vroeg Virginia meelevend.

'Ja, behoorlijk. Voor al het geld van jou en je vrienden heb ik nieuwe voorraad ingeslagen en die is allemaal verbrand, afgezien van wat proviand die ik thuis had opgeslagen. Die zal van de winter in elk geval goed van pas komen.'

'Cliff, ik heb geen cent meer over, afgezien van een paar dollars,' kondigde Virginia aan.

'Grote hemel, jij?' riep Clifton verbaasd uit. 'En ik heb gehoord dat je geld uitgegeven hebt als water!'

'Dat heb ik ook gedaan en daar heb ik nu spijt genoeg van... Cliff, vader en Malpass hebben samen mijn geld erdoor gejaagd. Ze hebben mijn paarden naar Watrous gebracht. Ik ben er pas kort geleden achter gekomen dat de ranch daar eigendom van Malpass is. Het zou me niets verbazen als ik mijn paarden ook nog kwijt was.'

'De gemene schurken!' riep Clifton uit. 'Het is natuurlijk allemaal opzet... bedoeld om je voor Malpass te doen zwichten.'

'Zeker is het dat. Vader is wanhopig. Zweert dat hij Malpass zal moeten doden, als ik niet toegeef. En Malpass... hij heeft me schandelijk beledigd.'

'Hoe?' vroeg Clifton, terwijl het hete bloed naar zijn kaken stroomde.

'We zaten alleen aan het ontbijt. Hij begon weer over zijn aanzoek en toen ik hem de mond snoerde, draaide hij de duimschroeven aan. Zei dat hij vader achter de tralies zou kunnen werpen en dat hij het zou doen ook. Ik geloof dat ik hem onder meer voor vetkraag uitgescholden heb... Uiteindelijk ging hij me te lijf. Het was ontzettend. Hij heeft me een paar maal gekust voordat ik me kon losrukken.'

'Grote hemel, Virginia, dat is ontzettend! De gemene hond. Je vader...' 'Vader kruipt voor hem.'

'Virginia, wat wil je doen?' vroeg Clifton zorgelijk.

'Ik Wou dat ik het wist. Ik ben aan het einde van mijn Latijn, ik weet geen uitweg meer...' Clifton haalde diep adem.

'En als je nu eens met mij zou trouwen?' vroeg hij aarzelend. 'Als hij het waagt je dan nog eens aan te raken, zal ik hem met de zweep ranselen. En als dat niet genoeg is om hem zijn streken af te leren, vermoord ik hem.'

Na een gespannen stilte vroeg Virginia met zachte fluisterstem : 'Cliff, meen je dat echt?'

'Natuurlijk meen ik het echt, Virginia. Misschien had ik het toen al moeten doen, maar ik had er geen idee van dat je er zo benard aan toe was... Dat zal me het recht geven je te beschermen... Als je het geheim kunt houden voor je vader hoeft het huwelijk niet meer te zijn dan een beschermingsmaatregel. Met die barrière voor zich zal Malpass zijn plannen op de duur wel opgeven... En dan zul je van mij je vrijheid terug kunnen krijgen. Misschien maak ik het toch niet lang meer...'

'Stil,' fluisterde ze, een koele hand tegen zijn lippen leggend en zelfs in het zwakke licht kon Clifton haar nauwelijks onderdrukte opwinding zien.

'Virginia, een ideale oplossing is het natuurlijk niet. Maar bij gebrek aan een betere...'

'Je bent mijn liefste ...mijn enige vriend,' fluisterde ze. 'Ik neem het aan... Clifton.' 'Wil je met me trouwen?' 'Ja.'

Clifton zoog lucht in zijn leeg aanvoelende longen. 'Goed. Hoe steken we het aan de steel?' Ze dacht even na.

'Ik zou morgen naar de stad kunnen rijden om voor de papieren te zorgen. Dan kan ik meteen naar de dominee gaan. Ik ken hem goed en ik weet zeker dat hij het geheim zal willen houden. Als we elkaar dan morgenavond weer hier treffen, misschien een beetje vroeger, dan rijden we naar de stad en trouwen daar. En dan breng ik je weer terug zonder dat iemand er iets van afweet. Wat dunkt je daarvan?' 'Uitstekend, als je het zo voor elkaar kunt krijgen,' antwoordde hij, vergeefs trachtend een luchtige klank in zijn stem te leggen.

'Goed dan is het... afgesproken.' Ze scheen opeens haast te hebben om weg te komen. 'Maar nu moet ik echt gaan... Morgenavond zal het niet belangrijk meer zijn hoe laat ik thuis kom.'

Hij volgde haar naar de wagen en hielp haar instappen.

'Goedenavond, Cliff. Tot morgen dus,' zei ze, de motor startend.

'Ja, tot morgen,' antwoordde hij bedrukt. Wat abrupt had ze een einde gemaakt aan hun samenzijn! Het kwam hem voor alsof ze zijn uitgestoken hand niet wilde zien. Toen kwam de wagen in beweging en hij bleef achter, de snel verdwijnende rode achterlichten nastarend.

Langzaam keerde hij vervolgens naar huis terug, zich eensklaps scherp bewust van de melancholie van de donkere, stille avond.