10. Eenmansgevecht
‘Poeh!’ herademde Ginger toen ze buiten waren. ‘Ik ben er niet rouwig om uit dat hol te zijn.’
‘Het stonk er wel wat,’ stemde Biggles in. ‘We zullen lopend naar ons hotel teruggaan om wat frisse lucht in onze longen te krijgen. Misschien ontdekken we Algy en Bertie wel onder de palmen. We zullen moeten uitkijken dat we niet geschaduwd worden.’
Ze waren nog niet ver toen Ginger, na gedaan te hebben alsof hij zijn schoenveter vastmaakte, aankondigde dat ze werkelijk gevolgd werden.
‘We zullen zien wie het is,’ zei Biggles terwijl hij de volgende zijstraat insloeg en toen stilstond. Een minuut later verscheen hun achtervolger. Het was Algy.
‘Loop door,’ zei Biggles tegen hem. ‘We zullen opletten of er niemand achter jou aan komt. Ik zie je op het plein onder de palmen.’ Algy liep door.
Biggles wachtte vijf minuten en daarop gingen ze, tevreden dat alles in orde was, verder en stonden niet weer stil tot ze in de zwarte schaduw van de palmen stonden, een eindje voorbij het hotel. Algy verscheen met Bertie. ‘Ik liet Bertie achter om een oogje op het hotel te houden, terwijl ik jullie volgde naar de club,’ verklaarde Algy. ‘Hoe staan de zaken?’
‘Vrij goed. We vertrekken morgenochtend per vliegtuig met onbekende bestemming. Alles wat ik je kan zeggen is dat de machine een Beechcraft Bonanza is. We zullen ons om zes uur in de morgen bij onze piloot voegen voor hangar nummer drie. Ik ben bang dat het geen zin heeft dat jullie ons proberen te volgen ook al zou je een machine kunnen bemachtigen. Waar logeren jullie?’ ‘In Hotel Napoli. Het is vlakbij Hotel Continentale. De eigenaar is een Italiaan. Het is heel gerieflijk. Om de waarheid te zeggen, probeerden we in Continentale te komen, daar we aannamen dat het een echt hotel was, maar die minzame kerel in de receptiehall vertelde ons dat ze volgeboekt waren.’
‘Hij wilde jullie daar niet hebben. Ik denk dat er behalve wij niemand in het hotel is. Het hoort bij de organisatie.’ ‘Een half uur geleden zag ik dat er iemand door een Rolls afgezet werd,’ viel Bertie in. ‘Ik kon niet zien wie het was. Ik geloof niet dat hij weer naar buiten kwam. De wagen wachtte niet.’
‘Ik zal er aan denken,’ zei Biggles. ‘Wat gebeurde er in Villa Mimosa?’
‘Niets bijzonders, behalve dat we Marcel vonden, opgesloten in een kamer op de bovenverdieping,’ antwoordde Algy. ‘Ze hadden hem met van alles gedreigd om hem aan het praten te krijgen, maar hij hield zijn mond, daar hij wist dat ze met hem af zouden rekenen zo gauw ze de gewenste inlichtingen gekregen hadden. De inval was een volkomen verrassing. Joudrier greep iedereen, maar afgezien van Raban waren er alleen bedienden. Klutz moet al eerder zijn vertrokken. Het karweitje werd keurig en rustig opgeknapt. Wij gingen er vandoor toen Joudrier nog bezig was het huis te doorzoeken. Hij zei ons dat hij mensen achter zou laten om eventuele bezoekers in te rekenen. Dan is Voudron de volgende keer dat hij daar komt er ook bij. Hij houdt de hele geschiedenis stil tot hij iets van jou hoort.’
‘Mooi werk,’ zei Biggles. ‘Daarmee is een misdadigers hol uitgeschakeld.’
‘De bende zal natuurlijk spoedig weten wat er gebeurd is. Dan heb je de poppen aan het dansen.’ Tegen die tijd zullen we de een of andere grotere vis in ons net kunnen vangen. Hoe is het met Marcel?’ ‘We lieten hem bij Joudrier achter, toen we ons haastten om jullie vliegtuig te Algiers te halen. Hij weet dat je volgende halteplaats Alexandrië is, zodat hij misschien volgt. Hij is blij dat er voorlopig niemand van het Legioen zal deserteren. Daar is een stokje voor gestoken. En wat ben jij van plan. Ga je morgen met die kerel mee?’ ‘Natuurlijk. Ik neem aan dat we ons bij het geheime escadrille gaan voegen.’ ‘Dat lijkt me niet zo best. Moet je gaan?’ ‘We zullen hun schuilplaats nooit ontdekken als we niet gaan. Dit is onze kans en we krijgen er misschien nooit weer een. Als Klutz hoort wat er met Raban gebeurd is, zal hij zijn veiligheidsmaatregelen verscherpen. Alles wat we kunnen doen, is het spoor blijven volgen zover het gaat, in de hoop dat we vroeg of laat de hele bende zullen krijgen. De verbindingslijnen moeten tenslotte eindigen bij de topfiguren van de organisatie. Maar het is misschien niet voldoende om alleen hun namen te weten. We moeten zorgen dat we bewijzen krijgen om aan te tonen wat ze gedaan hebben. Als ze een militair vliegtuig op hun geheime basis hebben, dat gestolen is of op een andere manier in hun bezit is gekomen, zullen ze moeilijk kunnen verklaren wat ze ermee doen. Daarom wil ik graag hun basis zien. Klutz moet in verbinding staan met de hoofdfiguren. Door hen te volgen kom je misschien meer te weten.’
‘Wil je dat wij dat doen?’
‘Het lijkt me het beste wat je doen kunt. Blijf waar je bent. Probeer Klutz op te sporen. Als hij in verbinding stond met Janescu, de man die hier gisteren vermoord werd, is hij misschien naar zijn jacht Silvanus gegaan dat in de haven ligt. Heb je het bericht gelezen, dat ik aangestreept had in de krant die ik je in het vliegtuig gaf?’ ‘Ja.’
‘Klutz was helemaal van de kaart toen hij het las. Daarom ben ik er bijna zeker van dat Janescu bij deze zaak betrokken was. En zo ja, dan moet hij een van de topfiguren geweest zijn, wat betekent dat de hele zaak een hevige schok moet hebben gehad. We hoeven niet te proberen te raden wie Janescu vermoordde en waarom. Je kunt beter het vliegveld in het oog houden. Klutz neemt misschien een vliegtuig. Marcel kan aankomen aangezien hij weet dat wij hier zijn. Meer kan ik op dit ogenblik niet zeggen. Blijf in je hotel, zodat ik zal weten waar ik je kan bereiken of waarheen ik een boodschap kan sturen als dat mogelijk is. Meer kunnen we vanavond niet doen. We zullen naar binnengaan. Wacht een poosje voordat je je vertoont, zodat als er iemand uit de ramen van Hotel Continentale mocht kijken, ze niet zullen weten dat wij elkaar gesproken hebben.’
‘Oké. Ik hoop dat je niet al te onzacht zult landen.’ Hiermee gingen ze uiteen. Biggles en Ginger naar hun hotel en de anderen bleven achter in de schaduw. De buitendeuren van Hotel Continentale waren gesloten, wat Ginger vreemd vond, want het was nog niet zo laat. Verwacht kon worden, dat het hotel de hele nacht open bleef en er een nachtportier was. De deur ging echter open toen ze de knop omdraaiden en ze zagen dat de hall achter de glazen tochtdeuren in donker gehuld lag. Dit vond Ginger nog vreemder, want de eigenaar die moest weten dat ze uitgegaan waren, kon toch moeilijk van zijn gasten verwachten dat ze naar de lichtschakelaars zouden zoeken. Ze gingen de tochtdeuren door en stonden toen stil. Er heerste een diepe stilte. Te diep, dacht Ginger die het bloed door zijn polsen voelde jagen. Een dergelijke stilte zou in ieder gebouw ongewoon zijn, maar in een hotel van een dergelijke grootte, dat ook nog helemaal donker was, was het angstaanjagend. Biggles zei zachtjes: ‘Weet jij misschien toevallig waar de lichtschakelaars zitten?’
Ginger antwoordde ontkennend, maar deed een stap naar voren in de veronderstelling dat ze zich op de tegenoverliggende wand bevonden. Zijn voet kwam in aanraking met iets dat zacht was en meegaf. Op hetzelfde ogenblik flitste Biggles’ aansteker aan. Deze gaf maar een zwak licht, doch het was voldoende om het mysterie te verklaren. Aan Gingers voeten lag, op zijn rug en met wijd uitgestrekte armen, de eigenaar.
‘Verroer je niet,’ kwam Biggles stem fluisterend. ‘Doe het licht aan,’ smeekte Ginger.
‘Nee.’ Biggles liep zacht naar de plaats waar de man lag, knielde een ogenblik naast hem neer en stond toen op. ‘Hij is er geweest,’ deelde hij mee. ‘En het is nog niet zo lang geleden gebeurd.’
‘Ik zag niemand naar binnen gaan toen we met Algy stonden te praten.’ ‘Ik ook niet.’ ‘Denk je…’
‘Degene die het deed is misschien nog steeds in het gebouw.’
“Wat ben je nu van plan te doen?’
‘We zullen weg gaan. Er zit niets anders op. We kunnen hier niet blijven. Als we dat doen zullen we in moeilijkheden komen.’
Dat begreep Ginger. Of ze nu zelf de politie belden of in het hotel aangetroffen werden nadat iemand anders dat gedaan had, ze zouden in ieder geval ondervraagd worden en misschien zelfs gearresteerd. Men zou hun spoor terug volgen naar Algiers, waarna de politie spoedig zou ontdekken dat ze deserteurs van het Vreemdelingenlegioen waren. Wat zouden ze kunnen zeggen als ze met een dergelijke beschuldiging geconfronteerd werden? Als ze de waarheid vertelden, zouden de zwendelaars ontdekken wie ze in werkelijkheid waren. Het was duidelijk dat de enige mogelijkheid was er vandoor te gaan terwijl het nog kon.
‘Laten we onze bagage halen,’ zei Biggles zacht en hij ging de trap op die vaag verlicht werd door het maanlicht dat door een raam op de overloop viel. Vanaf de trap liep een gang over de hele lengte van het gebouw. Aan beide kanten van de gang lagen slaapkamers. Hun eigen vertrekken waren bijna achteraan, waar zich een privésuite bevond, naar ze hadden vernomen, ofschoon die bij hun aankomst niet bezet was. Voordat hij verder ging, stond Biggles stil om te luisteren. Het was nog steeds volkomen stil. Nu ze wisten wat er in de hall lag, was het allemaal nog meer benauwend en Ginger merkte dat zijn lippen droog werden. Hij wilde juist een stap naar voren doen, toen er ongeveer halverwege de gang van binnenuit een deur werd geopend en een schimmige, zich steels bewegende figuur naar buiten kwam om geluidloos naar het einde van de gang te lopen.
Ginger bleef stokstijf staan. Het kwam niet bij hem op dat de indringer iets anders was dan een gewone dief, die na de eigenaar gedood te hebben de kamers doorzocht op zoek naar dingen van waarde. Klaarblijkelijk dacht Biggles hetzelfde en kwam hij tot de conclusie dat dit hem niet aanging. In ieder geval bleef hij stilstaan toen de man naar de privésuite ging. De indringer opende de deur op een kier. Er scheen geen licht door. Daarop ging hij naar binnen, de deur achter zich sluitend. Hierna had Ginger het gevoel dat hij niet gauw genoeg naar buiten kon komen. Het door een huis sluipen in het donker is altijd al iets wat op de zenuwen werkt; maar in deze sinistere atmosfeer, met een dode man achter hem en zijn vermoedelijke moordenaar juist voor hen, vond hij het hoogst onplezierig.
Biggles greep zijn arm en samen liepen ze op hun tenen naar hun kamers.
Het kostte Ginger maar een minuut om zijn weinige toiletbenodigdheden in zijn tas te gooien; en hij wilde juist gaan kijken of Biggles al klaar was toen zijn zenuwen hevig geschokt werden door een gedempt en van dichtbij komend revolverschot.
Biggles moest het ook gehoord hebben, want hij kwam naar buiten. Op hetzelfde ogenblik zwaaide de deur aan het einde open en kwam er zo snel een man uitrennen dat ze met zo’n geweld tegen elkaar aanbotsten dat ze allebei duizelden. De man herstelde zich hijgend en hief zijn arm op. De hand bevatte een revolver. Biggles bukte zich en dook naar zijn benen, waarna ze beiden met een smak tegen de vloer gingen.
Deze plotselinge wilde actie na de voorafgaande stilte was verwarrend en Gingers bewegingen waren dan ook eerder instinctmatig dan beredeneerd. Biggles en de man lagen op de vloer. Of de man Biggles vasthield of Biggles de man, kon men in het schemerlicht onmogelijk zeggen. Maar Ginger wist dat de man een revolver had, zodat het duidelijk was dat Biggles groot gevaar liep getroffen te worden..
Te hulp schietend ontdekte hij dat Biggles de arm die de revolver bevatte naar beneden drukte, zodat de loop van hem afgekeerd was. Ginger knielde op de arm en maakte met enige moeite de revolver los, die de man als een schroef omklemde; maar niet voordat hij afgegaan was, waarbij horen en zien hem verging, de lichtstraal hem verblindde en de kalk van het plafond viel. De man antwoordde met een krachtige ruk die hem van Biggles losmaakte, waardoor hij achterwaarts door de wijd openstaande deur van de suite tolde. Biggles greep Ginger de revolver af en hield hem onder schot. ‘Duvel op,’ beet hij hem toe. ‘En houd je verder koest. Ik wil net zo graag uit deze tent komen als jij.’ Hijgend, gehavend en verfomfaaid liep de man verder achterwaarts de kamer in. Biggles volgde hem en toen hij de lichtschakelaar vond, deed hij het licht aan. ‘Sta stil,’ beval hij. “Wij horen hier niet. We wilden juist vertrekken.’ ‘Met die insignes? Bah! Jullie kunnen mij niet voor de gek houden, jullie ratten,’ zei de man knarsetandend, terwijl hij buiten zichzelf van woede scheen te zijn. Hij wierp een blik op het raam alsof hij erover dacht daar door te springen en te vluchten.
Maar dat was het niet wat Ginger deed schrikken. In zijn pyjama lag, wijd uitgestrekt, een man op de grond. Het was Klutz. Door het gevecht had Ginger het eerste schot vergeten. Nu begreep hij het.
Biggles kaakspieren spanden zich toen hij naar beneden keek. ‘Is dit jouw werk?’ vroeg hij ernstig.
‘Zeker is dat mijn werk,’ pochte de man venijnig. ‘En die zalvende Armeense schurk beneden ook. Ze hadden het verdiend.’
‘Vermoordde jij Janescu soms ook?’ vroeg Biggles. ‘Ja. En ik zal de rest van de hele vuile troep ook krijgen als ik lang genoeg leef. Jullie ook. Jullie dragen dat mooie insigne van hen.’
Ginger begon zich af te vragen of de man wel bij zijn verstand was. Met hoog gekleurd gelaat en glinsterende ogen was hij kennelijk in een staat van grote opwinding, zo niet erger. Hij maakte niet de indruk gedronken te hebben.
‘Wacht nu eens even,’ zei Biggles rustig. ‘Maak je niet dik en trek geen overhaaste conclusies.’
‘Bah. Jullie hebt je insignes gekregen. Ga verder. Waar om schiet je me niet neer, jou moordend zwijn.’ ‘Als je eens even rustig werd in plaats van zo te keer te gaan zou je beseffen dat wij je allang neergeschoten zouden hebben, als we bij de bende hoorden.’ De man keek hen aan. Dit was kennelijk niet bij hem opgekomen. Maar hij moest hebben ingezien dat het een steekhoudend argument was.
‘Ik weet niet wie je bent of waarom je dit doet; maar aangezien ik hetzelfde probeer te doen op een wettige manier ben ik meer dan geïnteresseerd,’ zei Biggles. ‘Wie zijn jullie dan wel?’
‘Als ik je nu eens zei dat we rechercheurs uit Londen waren?’
De man keek ongelovig. ‘Waarom draag je dan die insignes?’
‘Dat moet niet moeilijk te raden zijn.’ ‘Waar tikte je die op de kop?’
‘We hebben ze gekregen. Zonder deze dingen zouden we niet kunnen komen waar we willen. Daarom dragen we ze. Ze brachten ons hier. Nu gaan we er vandoor, voordat iemand ontdekt dat je het hier in een slachthuis veranderd hebt.’
‘Ga je me niet arresteren?’
‘Ik heb wel iets belangrijker te doen dan mijn tijd te verknoeien aan een man die toch al bezig is zelfmoord te plegen. Wat mij betreft kun je gaan, wanneer je wilt en waarheen je wilt. Natuurlijk wil ik wel graag luisteren als je bereid bent te praten. Kun je ons iets vertellen?’ ‘Genoeg,’ antwoordde de man grimmig. ‘Zie je, voordat ik in de gaten kreeg hoe het zat met dit zaakje, droeg ik ook zo’n insigne.’
‘Ik begrijp het,’ antwoordde Biggles langzaam. ‘En nu probeer je de bende op je eentje op te rollen.’
‘Je hebt het gesnapt, broer. En ik doe het lang niet slecht.’
‘Aan je uitspraak te horen ben je een Amerikaan.’
‘Dat ben ik inderdaad. Ik heet Lindsay, Cy Lindsay, als je dat iets zegt.’
‘Nee, dat niet,’ moest Biggles toegeven. ‘Maar dat doet er niet toe. Ga verder. Hoe raakte je hierbij betrokken?’ ‘Ik was een eerste klas chauffeurmonteur in New York. Daar werd ik door Pantenelli in dienst genomen.’ ‘Bedoel je Fabiano Pantenelli?’
‘Juist. De baas van de rubbermarkt.’ ‘Hij zit er dus ook in?’
‘Tot over zijn oren. Ik zal alles vertellen. Ik raakte in moeilijkheden en verloor mijn baan. Toen kwam er een knaap naar me toe met een smak dollars en bood me een beter baantje aan. Dat hield in dat ik Pantenelli moest rijden en mijn mond houden over alles wat ik zag. Ik was gedurende bijna twee jaar zijn chauffeur, niet altijd in de Verenigde Staten. Zo leerde ik Janescu en Festwolder kennen. Festwolder verkoopt geweren aan stommelingen om er elkaar mee te beschieten. Hugo Festwolder! Hij hoorde bij die stinkdieren die met Hitler samen heulden, maar hij was wel zo verstandig om niet te laten merken dat hij bij de zaak betrokken was, o hij was zo verstandig. Maar ik zal hem krijgen.’ ‘En Klutz?’
‘Hij organiseerde het vuile werk. Wel, hij is nu opgehouden met organiseren. Het Driemanschap. Zo noemde hij zijn bazen, Janescu, Festwolder en Pantenelli. Nu is het een tweemanschap en ze zullen een nieuwe organisator nodig hebben om de volgende oorlog op touw te zetten. Het is stom van me geweest dat ik hun spelletje niet eerder door had. Oorlog! Ik noemde het een spel, maar het is harde werkelijkheid. Tegen die tijd zat ik er diep in en peinsde ik over een manier om er uit te raken en toen hoorde ik dat mijn jongere broer gedood was in Korea. Dat deed toen de deur dicht. Ik zag bloed. Ja, dat zag ik. Bloed. Ik had gewerkt voor die geslepen knapen, die dollar op dollar stapelden, door jonge jongens de dood in te sturen. Ik zwoer dat ik met hen zou afrekenen.’ ‘Waarom ging je niet naar de politie?’ ‘Welke politie? Denk je dat ik vermoord wilde worden? Luister broer. Deze zwendel beslaat de halve wereld. Als ik doorgeslagen had, zou Klutz het binnen vijf minuten geweten hebben. Nee. Ik besloot hun eigen spel te spelen. Oorlog. En ik zou het op mijn eentje uitvechten. Ik doe het lang niet slecht.’
Biggles schudde zijn hoofd. ‘Je kunt hier niet mee doorgaan.’
‘Ik ga er mee door tot ze me tegenhouden.’ ‘Wat voerde je naar Alexandrië?’
‘Janescus jacht. Je kunt een jacht niet ongemerkt verplaatsen. Een schip als de Silvanus is nieuws. Ik ben er dikwijls aan boord geweest. Dat was hun zwakke plek. Ze durfden elkaar niet ergens aan land te ontmoeten uit vrees dat de mensen zich af zouden vragen wat er aan de hand was. De beurzen hebben hun spionnen, weet je. Daarom hadden ze de gewoonte op het jacht samen te komen, waar iedereen uiteraard op hun betalingslijst stond en er geen gevaar was dat ze afgeluisterd werden. Toen de Silvanus hier arriveerde vermoedde ik wat de plannen waren en kwam ik hierheen in de hoop ze allemaal aan boord te pakken te krijgen. Maar ik was te vroeg. Janescu was alleen. Ik dacht dat Klutz hier wel zou zijn. Dit is zijn gebruikelijke verblijfplaats in dit deel van de wereld. Ik ben blij dat ik hem in ieder geval te pakken heb gekregen. Misschien is het zo nog wel beter.’ ‘Hoezo?’
‘Nu zal ik de anderen gemakkelijker kunnen krijgen.’ ‘Hoe kom je daarbij?’
‘Omdat Pantenelli en Festwolder nu zelf op het toneel zullen moeten verschijnen in plaats van als een paar prairiewolven ergens verscholen op de loer te liggen. Zij broedden de plannen uit. Het enige wat te vervolgens nog te doen hadden was het plan aan Klutz te vertellen. Hij deed het eigenlijke werk, het organiseren; en ik moet zeggen dat hij dat goed deed. Hij is een hele tijd bij de organisatie geweest. In feite was deze van hem. Het driemanschap betaalde de rekeningen. Wat zullen ze doen nu Klutz weg is?’ ‘Moeten ze iets doen?’
‘Dat moeten ze zeker. Ze zullen de zaak niet op haar beloop laten. Wat denk je dat er zou gebeuren als de troep niet betaald werd? Ze zouden te keer gaan. Sommigen van hen althans. En er hoeft maar een zijn mond open te doen en het hele spel zal uit zijn. Pantinelli en Festwolder weten dat. Ze weten dat ze met lastige mensen te maken hebben. Klutz kon met ze overweg. Maar hij is er geweest. Wat nu? Pantenelli en Festwolder zullen zijn werk moeten doen en ze zullen op moeten schieten omdat sommige van de jongens in de Vallei in ieder geval al ontevreden worden.’
‘Denk je dat Pantenelli en Festwolder op het ogenblik in Alexandrië zijn?’
‘Stellig.’
‘Hoe zien ze eruit?’
‘Festwolder is een flinke knaap met rood haar en een grote rode snor. Pantenelli is een klein vlot type. Hij ziet er uit alsof hij de bandleider van een Mexicaans dansorkest kon zijn.’
‘Ben je hier al eerder geweest?’
‘Natuurlijk. Heb ik niet gezegd dat ik overal met hen geweest ben? Ik heb nog steeds mijn insigne, weet je. Ik verander telkens het nummer. Daardoor heb ik nog steeds overal toegang. Daar kunnen ze niets aan doen, tenzij ze alle insignes veranderen en dat zal een heel karwei zijn. Er zijn er honderden. Ik ga niet meer naar de club. Charlie kent me van gezicht. Ik veronderstel dat jullie daar ook geweest zijn? Iedereen komt daar.’ ‘Wij zijn er vanavond geweest.’
‘Op zekere dag ga ik die plaats opruimen met een paar staven dynamiet,’ zwoer Lindsay.
‘Luister nu eens naar mij,’ zei Biggles streng. ‘Ik heb je gezegd dat je er vandoor moest gaan. Het zal beter zijn, zowel voor ons als voor jezelf, als je zorgt in leven te blijven.’ ‘Hoezo?’
‘Dan kun je je melden en getuigenis afleggen als de troep gepakt is.’
‘Wat gaan jullie nu doen? Ik bedoel, waar ga je van hier naar toe?’
‘Ik wilde dat ik het wist. We zijn piloten. Wij zijn bestemd voor het geheime escadrille van de bende. We weten nog steeds niet waar dat is, maar we worden daar morgens ochtend naartoe gebracht door een knaap met het nummer negenentwintig.’
‘Donkere vent met een streng gezicht, klein Utteken op zijn kaak?’
‘Ja, dat is de man.’
‘Hij heet Leffers. Hij heeft bij de Luftwaffe gediend, ging na de oorlog naar de Verenigde Staten, doodde een vent en dook onder in het Vreemdelingenlegioen. Zo kregen ze hem in de organisatie. Een deserteur. Wees voorzichtig. Hij is slecht, en gemeen.’ ‘Ben jij bij dat geheime escadrille geweest?’ ‘Nee, maar ik weet waar het ongeveer is omdat ik de
meesten van de knapen die er geweest zijn ontmoet heb.’ Waar is het?’
‘Vraag me niet in welk land het ligt, want dat weet ik niet. Ik denk dat niemand dat weet. Ik hoorde Janescu eens zeggen dat hij het ook niet wist en hij heeft daar in de buurt nog wel een stel mensen zitten die naar olie boren. Een chauffeur hoort heel wat, zelfs wanneer het lijkt alsof hij niet luistert.’ 1Kom ter zake. Waar is het?’
‘De eigenlijke plek staat bekend als de Vallei der Tartaren. Het is dicht bij het beginpunt van de Basjanpas, waar Irak, Iran en Turkije aan elkaar grenzen, niet ver van de U.S.S.R. Leffers noemde het Koerdistan. Een verschrikkelijk land waar niemand iets aan heeft. Daarom heeft nog nooit iemand geprobeerd de sjeik, of hoe hij ook maar heten mag, die aanspraken maakt op het gebied, te verdrijven. Hij staat op de betalingslijst van het driemanschap. Ik weet dat, omdat ik Pantenelli tegen Janescu hoorde zeggen dat hij om meer geld vroeg. Het herkenningspunt is een oud kasteel. Iets heel bijzonders, geloof ik, zo oud als de heuvels. Je kunt de machines niet zien, omdat ze onder stoflakens verborgen zijn. Toch is de plek volgens sommige knapen niet moeilijk te vinden. Je vliegt gewoon over Syrië en Irak, door de oliepijpleiding naar Kirkoek te volgen. Dan draai je naar het Noorden en zet je koers naar een plaats genaamd Gelia Dagh. Dan kom je er overheen. Denk je erover daar heen te gaan?’ ‘Ja.’
‘Pas dan maar goed op jezelf. Als die troep, en die bestaat voornamelijk uit deserteurs uit het een of andere leger, ook maar even in de gaten krijgt wat jullie aan het doen zijn, ben je er geweest, meteen. Ze argumenteren niet. Ze schieten. Zo word je als je een slecht geweten hebt. Altijd op je qui-vive. Dat doet je snel naar de trekker grijpen. Misschien heb ik daar ook last van. Wat zou ik moeten doen, denk je?’
‘Dat klinkt beter,’ zei Biggles goedkeurend. ‘Heb je geld?’ ‘Een beetje.’
Biggles haalde zijn geld te voorschijn en gaf hem het grootste deel daarvan.
‘Ik zal je precies vertellen wat ik wil dat je doet en als je verstandig bent dan doe je dat. Alexandrië is geen geschikte plaats voor je. Ga rechtstreeks naar het vliegveld. Dan zul je precies op tijd komen om het nachtpostvliegtuig naar Londen te pakken. Ga meteen naar Scotland Yard en vraag naar commodore Raymond. Vertel hem dat je mij ontmoet hebt, ik heet Bigglesworth. Vertel hem alles wat je mij verteld hebt en zeg hem dat wij doorgereisd zijn naar het Dal der Tartaren. Je kunt ook nog vertellen dat Lacey in Hotel Napoli logeert, hier vlakbij. Hij zal je daarna zeggen wat je doen moet. Is het duidelijk?’ ‘Ja.’
Biggles gaf Lindsay zijn revolver terug. ‘Je kunt dit terugkrijgen, maar gebruik hem niet weer, tenzij je niet anders kunt.’
‘Goed. Maar als jullie naar het Dal der Tartaren gaan zal ik er maar niet op rekenen dat ik jullie nog ooit weerzie. Als je hun basis eenmaal gezien hebt, kom je er nooit weer uit.’
‘En als je dan in een vliegtuig zit? Wat kan iemand er van weerhouden weg te vliegen en niet terug te keren?’ ‘Om te beginnen laten ze je niet alleen vliegen. Je hebt tenminste altijd één van de ouwe rotten bij je totdat ze je kunnen vertrouwen, wat betekent, totdat je wat bommen hebt laten vallen of ergens op geschoten hebt. Zij hebben revolvers. Jij niet. En ze hebben ook nog andere manieren om je in het oog te houden.’
‘We hebben het in ieder geval tot dusver klaargespeeld,’ zei Biggles. ‘Nu kun je maar beter hier weggaan. Wij zullen later volgen. Ik wil graag zien of Klutz iets belangrijks in zijn zak heeft. Zo ja…’ Zijn stem stierf weg toen hij de uitdrukking zag die plotseling op het gezicht van Lindsay verscheen. Diens ogen waren op de deur gericht. Biggles en Ginger draaiden zich allebei om. In de deuropening stond, met een bleek gezicht, venijnige ogen en opeengeklemde lippen, nummer negenentwintig, Leffers.