6. Is alles wel in orde

 

Toen Biggles tegen Marcel zei dat Voudron misschien zou willen dat ze vrij gauw vertrokken als ze zijn voorstel aannamen, dacht hij eerder aan een kwestie van dagen en misschien weken, dan van uren. Hij nam aan dat de regelingen die hij moest treffen enige dagen zouden vergen. Later gaf hij tegenover Ginger toe dat hij, ondanks alles wat hij over de doeltreffendheid van de organisatie, waar ze tegenover stonden, gezegd had, de macht en draagwijdte ervan toch nog onderschat had. Hij schreef een paar regels aan Algy en een beknopte brief aan de commodore, waarin hij de stand van zaken rapporteerde, deed ze beide in dezelfde envelop en adresseerde deze in een ongeschoold handschrift aan hun Londens appartement. Hij vertrouwde de post niet helemaal, omdat hij dacht dat de mogelijkheid bestond dat de vijand een soort censuur uitoefende op de post van legionnairs om te weten met wie zij contact opgenomen hadden: maar dat risico moesten ze nemen. Hij voelde dat hij, nog afgezien van al het andere, ook in hun eigen belang het hoofdkwartier niet in totale onwetendheid kon laten over wat er gebeurd was, voor het geval zij zouden verdwijnen zonder een spoor achter te laten. Hij postte de brief zelf in het postkantoor in de stad waarbij Ginger hem schaduwde om te controleren of hij soms gevolgd werd. Nadat ze dit gedaan hadden sloegen ze de weg naar het kamp weer in om de afspraak met Voudron na te komen.

De sergeant kwam precies op tijd bij de ruïne van de moskee aan en begroette hen hartelijk. ‘Ik zie dat jullie niet van gedachten veranderd zijn,’ zei hij. ‘Het zou dom zijn een kans als deze te laten lopen,’ antwoordde Biggles.

‘Daar heb je gelijk in,’ zei Voudron. ‘Als je doet wat je gezegd wordt kun je hierin veel bereiken en het is wel iets anders dan je hersens in Fort Labougant te laten bederven.’

‘Het moet wel nuttig zijn die vrienden van u te kennen,’ waagde Biggles. 

‘Zeker.’

‘Maar heeft u hier ook voordeel van? Ik voel dat we u iets voor deze dienst verschuldigd zijn.’ ‘Vergeet dat maar. Ik vind het,prettig twee keurige knapen zoals jullie een dienst te bewijzen. Ik heb geen geldgebrek; en dat zullen jullie van nu af aan ook niet meer hebben, zoals je dadelijk zelf zult zien.’ ‘Wat bedoelt u daarmee?’ ‘Je salariëring gaat meteen in.’ ‘Bedoelt U dat u ons gaat betalen?’

‘Ik. Nee. Mijn vriend zal jullie betalen, jullie zullen hem straks ontmoeten.’

‘Vanavond?’

‘Nu direct. Kijk, hij heeft ons zijn wagen zelfs al gestuurd. Een glanzend opgepoetste Amerikaanse slee was geruisloos naar een parkeerplaats aan de kant van de weg gegleden. De chauffeur stapte uit om de deur voor hen te openen. Ginger herkende de grote neger die het hek van Villa Mimosa gesloten had, zodat hij wist waar ze heengingen. Dit verbaasde hem niet. Villa Mimosa was klaarblijkelijk de eerste stap in de richting die naar hun uiteindelijke doel zou voeren. Voudron ging niet met hen mee in de auto. ‘Gaat u niet met ons mee?’ vroeg Biggles oprecht verbaasd.

‘Nee, jullie hebben mij niet nodig. Mijn vriend zal voor jullie zorgen.’ Voudron sloot de deur. De neger ging terug naar zijn plaats. Hij drukte een knop in en de ramen werden automatisch geblindeerd. De wagen schoot vooruit.

Het was zoals Ginger uiteraard wist maar een korte afstand naar Villa Mimosa, met deze snelheid zeker niet meer dan drie minuten rijden vanaf de moskee. Toen dan ook de minuten voorbij gingen en nog steeds niets erop wees dat de wagen zou stoppen, begon hij ongerust te worden. Had hij het mis gehad wat hun bestemming betrof? Maar toen de auto twintig minuten later stilstond en zij uitstapten, zag hij dat hij zich nodeloos ongerust gemaakt had. In het maanlicht herkende hij de toegangspoort van Villa Mimosa. Toen begreep hij het. De chauffeur, die niet wist dat zij hier al eerder waren geweest, had zijn tijd en benzine verspild met het uithalen van de bekende truc om te proberen hen te laten denken dat ze ongeveer dertig kilometer hadden afgelegd in plaats van één. Het was duidelijk dat Raban geen onnodige risico’s nam.

De voordeur ging open. Een in het wit geklede Arabier nodigde hen uit binnen te komen. De auto gleed weg naar de garage.

Raban ontving hen in een ruime bibliotheek en Ginger wist dat er van dit ogenblik af geen terugkeer meer mogelijk was. De advocaat kon zich niet veroorloven hen te laten gaan nadat ze hem en zijn huis gezien hadden, want als ze zouden praten zouden de Franse autoriteiten hem spoedig op het spoor zijn. Hij had zich reeds gecompromitteerd door twee potentiële deserteurs van het Legioen te helpen. Want daar kwam het toch op neer. Raban liet hen plaatsnemen en opende de conversatie op zo’n vlotte manier dat het duidelijk was dat hij dit niet voor de eerste keer deed.

‘Ik hoor dat jullie de pech hadden voor Fort Labougant bestemd te worden,’ begon hij terwijl hij hen een doos sigaretten voorhield.

Biggles beaamde dit.

‘Jullie zijn Engelsen, nietwaar?’

‘Oui, monsieur.’

‘En jullie hebben gediend bij de RAF.’ ‘Oui, monsieur.’

Raban schudde somber zijn hoofd. ‘Dat heb ik nu op dat leger van ons tegen. Ze krijgen een paar bruikbare knapen zoals jullie in dienst en het enige wat ze voor jullie kunnen bedenken is je ergens te plaatsen waar je je in het , geheel niet nuttig kunt maken. Het is een schande mannen als jullie naar de eenzaamste plek op aarde te sturen. Zo denk ik erover en daarom doe ik wat ik nu doe. Sergeant Voudron, die ik een of tweemaal ontmoet heb, vertelde me over deze zaak toen ik hem gisteravond trof. Natuurlijk moest ik dit eigenlijk niet doen, zoals ik jullie niet hoef te vertellen. Als het bekend werd, zou ik in ernstige moeilijkheden raken, heel ernstig zelfs; daarom moet ik vragen of jullie plechtig wilt beloven dit gesprek tegenover niemand te herhalen. Natuurlijk zouden jullie, als deserteurs uit het Legioen, je ook in een beroerde positie bevinden. 

Biggles en Ginger beloofden het.

‘Jullie heten, meen ik, Biggs en Hepple?’

Biggles antwoordde voor beiden. ‘Ja.’

‘En jullie zijn allebei ervaren piloten, in staat onder alle omstandigheden te vliegen?’

‘Ja.’

‘In dat geval hebben jullie enkel een vliegtuig nodig om jezelf ver buiten het bereik van de Franse politie te brengen.’

‘Maar waar kunnen we een machine vinden, monsieur?’ Raban wuifde met zijn sigaar. ‘Maak je daar geen zorgen over. De vraag is eerder, wat ga je doen nadat je Noord Afrika verlaten hebt? En daarbij kan ik jullie misschien helpen. O zeker, ik geef eerlijk toe dat ik persoonlijk bij deze zaak geïnteresseerd ben. Weet je, ik heb financiële* belangen bij een maatschappij die een luchtlijn exploiteert en wij kijken altijd uit naar goede piloten. Wanneer ik zeg goed, bedoel ik piloten die bereid zijn operaties te ondernemen, die hen misschien wel laten we zeggen ongewoon of zelfs zinloos voorkomen. Waarom wij deze dingen doen is onze zaak. Alles wat we vragen is dat het werk gedaan wordt zonder al te veel, in de gegeven omstandigheden misschien gerechtvaardigde, vragen te stellen. We betalen onze mensen uiteraard goed.’ ‘Laten we open kaart spelen, monsieur. U betaalt niet enkel voor .het vliegen maar ook voor het zwijgen.’ ‘Juist.’

‘En welk salaris zullen we ontvangen, monsieur?’ ‘Honderdduizend frank per maand, in welke muntsoort je maar wilt met volledige kost en inwoning en onkostenvergoeding. Zijn jullie geïnteresseerd?’ ‘Geïnteresseerd!’ Biggles glimlachte. ‘Na ons schamel beetje frankjes in het Legioen?’

‘Je zult elk honderdduizend frank in je zak hebben als je hier vanavond weggaat.’ ‘Duizendmaal dank, monsieur.’

‘Je zult er geen spijt van hebben dat je bij ons gekomen bent,’ verklaarde Raban. ‘We zorgen goed voor de mensen die hun best doen voor ons. We hebben invloedrijke vrienden op hoge posten en men kan erop rekenen dat ze ervoor zorgen dat onze mensen geen schade ondervinden.’ ‘Staat u mij toe een rechtstreekse vraag te stellen?’

‘Je hebt alle recht iedere vraag te stellen die je maar wilt. Wij verlangen niet dat onze mensen een sprong in het duister doen.’

‘Die werkzaamheden van ons, zijn die ook in strijd met de wet?’

Raban leek geschokt. ‘Zeker niet. Wij zijn geen misdadigers. Ik zal heel eerlijk tegen jullie zijn. De maatschappij waarvoor wij veel werk verrichten heeft uitgestrekte bezittingen in verscheidene delen van de wereld, onderontwikkelde delen van de wereld, moet ik zeggen. Op dergelijke plaatsen worden soms weerspannige stamleden gevonden die veel onheil veroorzaken door onze voorposten aan te vallen. Het achtervolgen en bestraffen van deze lui is een lange en kostbare geschiedenis. We hebben ervaren dat vliegtuigen de noodzakelijke afstraffing beter en doeltreffender verrichten. Natuurlijk proberen we dit geheim te houden om te voorkomen dat we lastig gevallen worden door welmenende mensen die niets beters te doen hebben dan zich met andermans zaken te bemoeien. En daarom gebruiken we meestal een militair vliegtuig in plaats van een uit de burgerluchtvaart.’ ‘Ik begrijp het,’ mompelde Biggles. Wat mij betreft, de enige vraag die ik nog zou willen stellen is, wanneer vertrekken we?’

‘Vannacht natuurlijk. Het heeft geen zin dat jullie nog naar de kazerne teruggaan.’

Dat Biggles niet voorbereid was op een dergelijk voorstel, bleek duidelijk uit zijn gelaatsuitdrukking. Raban moest hebben geweten dat dit een verrassing voor hen zou zijn, want hij glimlachte. ‘Je ziet, we laten er geen gras over groeien.’

‘Maar onze persoonlijke bezittingen dan?’ vroeg Biggles die niet probeerde zijn tegenzin om zulke willekeurige orders aan te moeten nemen, te verbergen. Raban schoof het bezwaar met een gebaar opzij. ‘Welke persoonlijke dingen van waarde kan een legionair nu hebben? Er is toch zeker niets dat we niet kunnen vervangen, voor iets beters naar ik hoop. De toiletbenodigdheden die door het Franse leger verstrekt worden zijn niet van de beste kwaliteit.’

Dit was natuurlijk waar. Ze bezaten niets van waarde. Maar kennelijk wilde Biggles niet van alles afgesneden worden zonder een laatste woord met Marcel. Het was Ginger even duidelijk dat Raban niet van plan was hen uit het oog te verliezen nu hij hen zijn bedrog had onthuld. Hij troostte zich met de gedachte dat ze, als ze maar eenmaal in de lucht waren, in staat zouden zijn om te gaan waar ze wilden. Hij nam als een vaststaand feit aan dat ze de beschikking zouden krijgen over een vliegmachine. Maar aan deze verheugende gedachte kwam spoedig een einde.

‘Hoe staat het met de kleren?’ vroeg Biggles. ‘Reizen we in deze uniformen?’

Raban haalde de schouders op. ‘Waarom niet? Niemand zal je zien voordat je op je bestemming aankomt.’ ‘Maar als we ergens zouden moeten landen, zouden we als deserteurs herkend worden.’

‘Dat zal jullie elke lust tot landen ontnemen,’ antwoordde Raban effen, een gevolgtrekking die Ginger niet ontging. ‘Laat ik je geruststellen, je hoeft je nergens zorgen over te maken,’ ging hij verder. ‘Alles is in orde.’ ‘Waar is het?’ ‘Dat zul je vanzelf zien.’ ‘En hoe laat gaan we hier weg?’

‘Dat zul je eveneens zien wanneer het zover is.’ Raban trok een la van zijn bureau open en nam er twee pakjes bankbiljetten uit, waarvan hij er ieder een gaf. ‘Hier is je salaris voor de eerste maand plus een bonus. Reken maar eens uit hoe lang je er over zou doen om zoveel geld in het Legioen te verdienen. Dat zal alle aarzelingen die er misschien nog zijn wel weg nemen.’ ‘En welke koers moeten we volgen om op onze bestemming te komen,’ vroeg Biggles, daarmee aantonend dat hij ook veronderstelde dat zij de machine zouden vliegen. ‘Dat zou ik graag nauwkeurig bepalen met de kaart.’ ‘Dat is volstrekt overbodig,’ antwoordde Raban. ‘Hoezo?’

‘Jullie piloot weet de weg.’ ‘Onze piloot?’ Weer zette Biggles grote ogen op. ‘Natuurlijk. Had je gedacht dat je zelf zou vliegen?’ ‘Ja,’ antwoordde Biggles eerlijk.

Raban schudde zijn hoofd. ‘Dat zou te gevaarlijk zijn. Je zou kunnen verdwalen. Tenslotte hebben we tot nu toe nog geen bewijs van je bekwaamheid.’ 

‘Ik begrijp het,’ zei Biggles.

‘Daar jullie nog kennis zullen moeten maken met je piloot, kan dat evengoed nu gebeuren,’ stelde Raban vast. ‘Je zult samen een maaltijd gebruiken voor je vertrekt.’ Hij drukte op een bel. Een Arabische bediende kwam binnen. ‘Vraag monsieur Voss hier te komen,’ beval Raban. Dat was een nieuwe schok voor Ginger. Voss! De deserteur. De man die het Abessijnse dorp had gebombardeerd. Hij was dus hier en werkte nog steeds voor de bende. Ginger keek naar Biggles, maar Biggles liet niet merken dat de naam hem iets zei.

Voss kwam binnen. Hij was een slanke blonde man van midden in de twintig met een streng maar knap gezicht. Hij had het typische vierkante kort geknipte hoofd van de Pruis. Zijn manier van doen echter, toen hij naar hen knikte was vrij hartelijk. ‘Nu gaan we aan dezelfde kant vechten, Engelsen. Zo moet het ook,’ zei hij, waarmee hij blijk gaf op de hoogte te zijn van hun opleiding. ‘Heeft u hen verder nog nodig, monsieur?’ vroeg hij Raban. ‘Nee, ze zijn klaar,’ was het antwoord. ‘Ik geef ze aan jou over. Geef ze te drinken en zorg dat ze een maaltijd krijgen.’

‘Zeker, monsieur.’ Voss wenkte de twee rekruten. ‘Hierlangs vrienden.’

Biggles en Ginger volgden hem naar een kleine kamer waar ze een ijsgekoelde longdrink kregen, waaraan Ginger, het mag gezegd worden, dringend behoefte had. De snelle gang van zaken had hem lichtelijk verbijsterd. Nooit had hij zo graag een situatie met Biggles besproken en nooit was het zo onmogelijk geweest.

Later kondigde een Arabische bediende aan dat het diner opgediend was, zodat ze naar een kamertje liepen dat aan de keuken grensde en waar zo’n uitstekend diner werd opgediend dat Ginger, als zijn eetlust normaal geweest was, er meer van gegeten had dan hij nu deed. Nu ging er zoveel in zijn hoofd om dat er geen ruimte meer was voor het appreciëren van voedsel. Raban verscheen niet. Hij zat waarschijnlijk alleen te dineren in de eetkamer waarin /e hem met Voudron hadden zien praten.

‘Jullie zullen merken dat je nieuwe werkgevers heel goed voor je zijn,’ zei Voss. ‘Doe je best voor ze dan zullen zij voor jou zorgen. Geld speelt geen rol.’ Hij praatte veel, maar Ginger merkte dat hij zorgvuldig vermeed hun enige inlichtingen te verstrekken. Biggles stelde een of twee aanmoedigende vragen maar Voss gaf het gesprek telkens een andere wending. Voor het merendeel sprak hij over hun vak alsof hij probeerde hun vliegervaring te controleren. Er was kennelijk geen haast bij hun vertrek.

Het was al middernacht toen Voss opstond en na een blik op zijn horloge nonchalant aankondigde dat het tijd was om te gaan.

Ze begaven zich naar de voordeur. Daar stond de wagen met dezelfde zwarte chauffeur. Ze stapten in. De deur sloeg dicht. De ramen werden geblindeerd. De auto begon te rijden. Er was niets dramatisch aan. Het was zelfs allemaal zo onconventioneel alsof ze naar een bioscoop gingen. Zeker leek het totaal niet op het toneel dat Ginger zich had voorgesteld. Het feit dat ze nu datgene deden waar ze steeds op uit geweest waren en het allemaal zo gemakkelijk gegaan was, kon hem niet rustiger maken. Hij had gedacht dat als ze gingen, zowel Marcel als de commodore op de hoogte zouden zijn. Misschien zouden ze zelfs geweten hebben waar ze heen gingen. In plaats daarvan stonden Biggles en hij op het punt net zo volledig te verdwijnen als een steen die je in een oceaan laat vallen. En dit was geen toeval. Hij besefte dat van het ogenblik af dat ze Voudron bij de moskee ontmoet hadden, hun geen gelegenheid meer gegeven was om elkaar alleen te spreken en nog veel minder om met iemand anders te spreken of een brief te schrijven. Na een rit van ongeveer twintig minuten stopte de wagen. Voss zei dat ze er waren en stapte uit. Ze zouden een klein eindje moeten lopen. De wagen keerde en gleed weg. Ginger tuurde om zich heen en ontdekte dat ze zich aan de rand van een wit en stil in het maanlicht liggend vliegveld bevonden en op een afstand van ongeveer achthonderd meter van de hangars. Hier bracht Voss hen over de weg naar toe.

Nadat ze ongeveer honderd meter afgelegd hadden zagen ze een waarschuwingsbord dat heel duidelijk tegen de lucht afstak. Toen Ginger het las begreep hij onmiddellijk wat ze op het punt stonden te doen en hij voelde het bloed door zijn polsen jagen. Want niet alleen was dit een militair vliegveld van de Franse Luchtmacht maar bovendien de basis van het 77e escadrille, waarvan tenminste al één machine was gestolen. Voss stond nu op het punt een ander te pakken. Alsof dat nog niet genoeg was om hem bang te maken herinnerde hij zich wat Marcel had gezegd over het plaatsen van extra bewakers. Veronderstel dat ze op heterdaad betrapt werden, uitgerekend met Voss? Als hun de tijd gegeven werd zouden Marcel en de commodore hen ongetwijfeld uit de puree helpen: maar lang voordat het zover was waren ze waarschijnlijk al op staande voet doodgeschoten, want de Fransen moesten de buik nu wel vol hebben van Voss. Wist Voss iets van de extra bewakers? Waarschijnlijk niet. En de moeilijkheid was dat ze hem niet konden waarschuwen zonder te vertellen hoe ze het wisten en dan zou uitkomen wat ze waren. Biggles worstelde ongetwijfeld met hetzelfde probleem. Hij zei niets, zodat Ginger zich ook stilhield en achter Voss aan liep terwijl zijn hart hem in de keel klopte, zoals het gezegde luidt. Wat Ginger vooral verbaasde was Voss’ zelfvertrouwen. Hij gedroeg zich alsof hij wist dat er een machine was en deze op hem stond te wachten op het vliegveld. Als dat zo was, had hij kennelijk een medeplichtige op de basis. Eindelijk zei Biggles iets. Hij raakte de arm van Voss aan. ‘Een ogenblik, vriend,’ zei hij zacht. ‘Je zult ons wel willen vergeven als we vragen wat we gaan doen. Is het de bedoeling om een machine van de Franse luchtmacht te eh lenen?’

‘Precies. Maar maak je geen zorgen. Er staat er een op ons te wachten.’

‘Maar ik heb begrepen dat we een lange tocht gaan maken. Hoe staat het met de benzine?’

‘De tanks zullen vol zijn. Zei ik niet dat alles in gereedheid zou zijn? Stel geen dwaze vragen. Wacht hier, terwijl ik ga kijken of alles in orde is. Het zal op zijn hoogst vijf minuten duren.’ ‘Bon.’

Voss liep in de richting van de hangars waardoor hij eindelijk Ginger gelegenheid gaf te zeggen wat hij op zijn hart had. 

‘We zijn stapelgek,’ zei hij grimmig tegen Biggles. ‘Je herinnert je wat Marcel zei over extra bewaking.’ ‘Ja. We zullen het moeten riskeren. Misschien zijn de bewakers wel allemaal omgekocht, weten wij veel. In ieder geval ben ik niet van plan nu nog terug te krabbelen. Dit was onze bedoeling.’

‘Goed. En veronderstel dat we er mee wegkomen, wat gaan we dan doen? Onschuldige mensen bombarderen? Waarschijnlijk niet. Maar als we weigeren of in gebreke blijven zullen we zeker de laan uitgestuurd worden.’ ‘We zullen dan zeker weten dat de geheime luchtmacht bestaat, waar ze gestationeerd is en wat het doel ervan is. Er moet een verbindingslijn zijn tussen het escadrille en degenen die de leiding in handen hebben. We zullen daar naar uitkijken.’

‘Er moet ook een verbindingsschakel zijn tussen Raban en diezelfde lui. We zouden hem in de gaten kunnen houden zonder ons hoofd in de strop te steken.’ ‘Misschien. Maar we hebben een betere kans door binnenin de zwendel te werken dan door ze van buitenaf gade te slaan. Genoeg hierover. Daar heb je Voss.’ De Duitser kwam terug. ‘Alles is in orde,’ kondigde hij aan. ‘De machine is startklaar. De tanks zijn vol. Een enkele beweging zal haar doen starten. We zullen in de lucht zijn voordat die waardeloze meccano’s wakker worden.’

‘Ik hoop dat je gelijk hebt,’ zei Ginger zacht. ‘Nu doodstil.’ fluisterde Voss en hij ging hen voor. Ginger zag al gauw dat hij de waarheid had verteld. Op het betonnen gedeelte voor de openstaande deuren van een hangar stond een machine, een lichte bommenwerper met het blauw, wit, en rode plaatje van de Franse Luchtmacht. Terwijl ze er zacht naar toe liepen maakte een man die de onderscheidingstekenen van korporaal droeg zich uit de schaduw los. Hij fluisterde iets tegen Voss.

Dit, dacht Ginger, was dus de verrader. Hij hoopte op zekere dag het genoegen te hebben hem te grazen te nemen. Ja, hij had zelfs al zijn zelfbeheersing nodig om het niet hier en nu te doen. Hij keek opgewonden rond. Waar waren de bewakers waar Marcel over gesproken had? Sliepen ze allemaal? Er was niemand te zien. Hij kreeg het gevoel dat het vliegveld te rustig was; dat de griezelige stilte op zichzelf een bedreiging vormde. Hij trachtte dit gevoel van zich af te zetten, maar het bleef bestaan en hij wenste dat hij ergens anders was, waar deed er niet toe, overal liever dan hier. ‘Als we dan toch gaan, laten we dan in ‘s hemelsnaam opschieten!’ mompelde hij. Voss keek hem afkeurend aan alsof hij zijn angst minachtte en liep naar het vliegtuig dat natuurlijk helemaal donker was en geen navigatielichten voerde. Ze klommen naar binnen. Voss nam Biggles bij zich in de cockpit. Ginger die zich in het vertrek van de navigator , bevond, juist daarachter, keek uit een zijraam om de tekens die de korporaal gaf te zien. De beide motoren startten brommend. Onmiddellijk daarop kwam, alsof het een teken geweest was, het vliegveld tot leven. Een fluit gilde. Een man schreeuwde een bevel. Donkere, rennende figuren kwamen op het vliegtuig toe. De motoren brulden. De machine kwam in beweging. De korporaal holde. Een revolver blafte. Ineenkrimpend viel hij neer. Er klonken schoten. Sommige troffen de machine die nu aan snelheid won. Ginger gooide zich tegen de grond terwijl de kogels door de romp vlogen. De enige gedachte in zijn tollende hoofd was, dat de bewakers dus toch op hun post waren.

De ramen werden witte lichte vierkanten toen een zoeklicht de machine in zijn straal ving en daar vasthield. Een machinegeweer begon te ratelen en Ginger kromp ineen toen loden kogels de machine geselden als een dorsvlegel. Splinters vlogen rond. Hij rolde zich op tot een bal, denkend dat het onderstel er afgeschoten moest zijn want de machine zwenkte afschuwelijk. Dit was het einde, dacht hij. Waarom zette Voss het contact van de motoren niet af, de idioot. Als ze nu ergens tegen aan botsten zouden ze meteen in lichterlaaie staan.

Hij durfde pas weer adem te halen toen de Breguet de lucht inging. De stank van benzine die hij opsnoof vertelde een eigen verhaal. Vaag als in een droom hoorde hij Biggles schreeuwen. Hij stond op en strompelde naar voren.