5. Sergeant Voudron steekt van wal

 

Er gingen twee dagen voorbij zonder dat er iets gebeurde. De saaie regelmaat van exercitie en marcheren ging door en gaf Ginger het merkwaardige gevoel dat hij twee levens leidde, het ene als soldaat en het andere als wel, hij wist, niet precies wat. Zijn gewone leven in Londen leek heel ver weg. Wanneer hij aan Algy en Bertie dacht, was het alsof zij zich in een andere wereld bevonden, wat in zekere zin ook het geval was.

Ze zagen Marcel dikwijls. Hij deed geen poging hen aan te spreken en zij benaderden hem evenmin. Hij had klaarblijkelijk besloten door te zetten, ongeacht de gevaarlijke positie waarin het ongelukkige telefoongesprek met de Süreté hem gebracht had. Voudron was ook vaak in de buurt zowel op het exercitieterrein als daarbuiten. Zijn manier van doen was kortaf, maar niet bepaald onvriendelijk. Niet eenmaal kwam hij terug op het voorval in het bos. Wat hem betrof kon het wel nooit plaatsgevonden hebben. Meer dan eens letten ze er op of hij de legerplaats verliet, maar als hij al wegging, zij zagen hem nooit gaan. Het leek alsof hij ook op zijn hoede was. In één woord, het was alsof er een plotselinge storm voorbijgetrokken was die alles rustig achtergelaten had. Maar Ginger liet zich niet bedriegen. Deze stilte, hij voelde het, was niet echt en zou niet lang duren. Welke vorm de volgende storm aan zou nemen wist hij niet, maar hij was er zeker van dat deze zou komen. Hij maakte zich vooral ongerust over Marcel.

Op de morgen van de derde dag ontving Biggles een brief met de post. Het adres was getypt en totdat hij hem openmaakte had hij geen idee van wie hij was. De envelop bevatte een enkel dun velletje papier. Er was geen adres of opschrift. De boodschap bestond uit één alinea, eveneens getypt, en slechts ondertekend met de letter M. Maar de inhoud verklaarde alles.

Biggles las de brief en gaf hem zonder iets te zeggen aan Ginger.

‘De naam van de man in wie u geïnteresseerd bent is een pseudoniem,’ las Ginger. ‘Vroeger was hij advocaat bij de rechtbank in Parijs, maar hij vertrok na de oorlog, aangeklaagd als een collaborateur tijdens de bezetting. Hij ging daarop naar Marseille waar hij zijn tegenwoordige naam aannam en een succesvolle praktijk uitoefende als verdediger in verdachte zaken. Hij verdedigde onder andere een man genaamd Voss. Hij heeft kantoren in Tanger en Casablanca en reist van de ene plaats naar de andere. Zijn huidige adres is zijn landhuis waar hij gedurende de zomermaanden woont. M.’

Ginger gaf de brief terug aan Biggles die er een lucifer bij hield en hem verbrandde.

‘Dat is dus monsieur Raban,’ mompelde Biggles. ‘Hij verdedigde Voss, de deserteur die vloog voor de bende. We hoeven ons daar niet over te verbazen. Zijn kantoren zijn, denk ik, enkel een dekmantel voor winstgevender transacties. De bende had advocaten nodig en hij is een van hen, een stap hoger op de ladder dan Voudron. We zullen een oogje op zijn villa houden in onze vrije tijd. De moeilijkheid is dat wij niet genoeg vrije tijd krijgen. De villa moest eigenlijk voortdurend bewaakt worden, ten eerste om te zien wie er komt en ten tweede om te weten waar hij heengaat als hij tochtjes maakt. Dat zou ons kunnen voeren tot de man die weer boven hem staat. We zijn nog maar bij de onderste sport van de ladder.’ ‘Als we Algy eens over lieten komen om hem in de gaten te houden? Ik bedoel als een gewone toerist.’ ‘Dat is een idee,’ stemde Biggles toe. ‘Ik zal er over denken.’

Dat was nog maar het begin van wat een veelbewogen dag zou blijken te zijn.

De volgende gebeurtenis was het rond gaan van een gerucht door het kamp, op dezelfde geheimzinnige manier waarop zulke geruchten ontstaan in alle legerplaatsen, dat een detachement naar Fort Labougant gezonden zou worden. Niemand wist waar het gerucht begonnen was en Ginger die er aanvankelijk helemaal geen belangstelling voor had, was verwonderd over de golf van opwinding die er door veroorzaakt werd. De verklaring kwam spoedig, daar zorgden sommige oude rotten voor die de plaats uit persoonlijke ervaring kenden. Anderen hadden er van gehoord.

Het was volgens zeggen, de meest eenzame voorpost waarvoor het Legioen troepen leverde. Hij lag midden in de Sahara en was volgens degenen die het konden weten, het dichtst bij de hel liggende oord op aarde. Men had zelf de hitte, de brandende zon en de afschuwelijke eenzaamheid moeten ondervinden om het te kunnen geloven. In Fort Labougant raakten meer mannen buiten zichzelf door Le Cafard dan op alle andere posten tezamen.

Vanzelfsprekend gaven de namen van degenen die er hoogstwaarschijnlijk naar toe gestuurd zouden worden de meeste aanleiding tot speculaties. Sommigen verklaarden dat ze liever zichzelf voor het hoofd zouden schieten dan deze vreeslijke beproeving te ondergaan. Anderen zwoeren dat ze nog eerder zouden deserteren. Biggles en Ginger luisterden lichtelijk geamuseerd naar deze dwaze dreigingen in het besef dat het slechts grootspraak was en dat, als het zover was, niemand van de praatjesmakers iets van dien aard zou doen. Zelf maakten ze zich geen zorgen. Daar ze hun opleiding nog niet voltooid hadden, kwam het niet bij hun op dat hun namen op de noodlottige lijst zouden kunnen voorkomen. Maar het volgende gerucht dat een tijdje later rondging, bracht een verontruste uitdrukking op Biggles gezicht. Het was dat onderluitenant Brissac het bevel zou voeren over het detachement en het commando van het Fort over zou nemen.

Biggles keek Ginger aan. ‘Dat klinkt niet zo best. Ik vraag me af…’

‘Wat vraag je je af?’

‘Of er meer achter zit dan je op het eerste gezicht zou denken.’

‘Je bedoelt, of iemand achter de schermen gewerkt heeft om Marcel uit de weg te hebben?’

‘Ja. Hij zou net zo goed dood kunnen zijn als midden in de Sahara opgeborgen.’

‘Maar een dergelijke overplaatsing zou alleen van hoger hand bevolen kunnen worden.’

‘Misschien is iemand bij de bende machtig genoeg om orders te geven aan de hogere leiding.’ Ginger keek ongelovig.

‘Dat meen ik,’ beweerde Biggles. ‘We hebben niet te doen met een stelletje goedkope oplichters. Dit keer nemen we het op tegen iets groots, nog groter zelfs dan we nu kunnen vermoeden.’

‘Marcel zal weigeren te gaan. Hij zal ontslag nemen als officier en de Süreté zal zorgen dat zijn ontslag geaccepteerd wordt.’

“Natuurlijk zal hij ontslag nemen en dat zal de vijand doen weten wat ze graag bevestigd wilden zien, namelijk dat Marcel iemand van de politie is en dat de politie op de hoogte is van de wapenzwendel. Nog afgezien daarvan, is het duidelijk dat Marcel of hij nu naar Fort Labougant gaat of ontslag neemt, niet meer aan deze zaak mee kan doen en dat wij hier aan ons zelf overgelaten worden. Natuurlijk kan hij niet naar het Fort gaan, maar als hij ontslag neemt zal het de inlichtingendienst van de vijand niet veel tijd kosten om te ontdekken waarom hij uit het Legioen is gegaan.’

Daarop zei Ginger neerslachtig: ‘De hemel zij dank dat ze ons niet verdenken, anders zouden we nog tot de ontdekking komen dat we zelf ook naar Fort Labougant moesten.’

Nog steeds pratend gingen ze naar buiten. Ze vroegen zich af wat Marcel zou gaan doen, maar maakten zich hierover toch niet al te veel zorgen. Voudron liep het exercitieterrein over. Toen hij hen zag, veranderde hij van richting en kwam naar hen toe.

‘Als de Arabieren jullie nog willen pakken voor wat je die avond gedaan hebt, zullen ze wel vlug moeten zijn,’ zei hij vrolijk.

‘Hoezo?’ vroeg Biggles.

‘Jullie horen ook bij het detachement voor Fort Labougant.’

‘Wij allebei?’ ‘Ja.’

Biggles gelaatsuitdrukking veranderde niet. ‘Hoe weet u dat? Hebt u de lijst gezien?’

‘Gezien? Ik hielp bij het opstellen ervan. Wat denken jullie eigenlijk dat ik op het compagniesbureau uitvoer?’ ‘En waarom hebt u ons deze eer bewezen?’ vroeg Biggles. ‘Wel, in de eerste plaats wilde ik jullie, omdat jullie zeiden dat je het hier prettig vond, een kans geven om te zien hoe het werkelijke soldatenleven is. En vervolgens dacht ik dat jullie, gezien die haatdragende Arabieren, ver weg veiliger waren.’ Voudron sprak nonchalant. Daarop liet hij zijn stem dalen. ‘Natuurlijk hoeven jullie niet te gaan als jullie willen.’

‘Wat bedoelt u daar precies mee?’ vroeg Biggles langzaam.

‘Kom mee daarheen,’ antwoordde de sergeant. Hij duidde met zijn hoofd in de richting van een alleenstaande palm dicht bij de rand van het terrein, waar ze onmogelijk afgeluisterd konden worden. “Wel, daar staan we dan,’ zei Voudron vaag. Ginger had een sterk vermoeden van wat zou volgen maar er was nog veel dat hij niet kon raden. Hij dacht dat Marcels naam misschien wel genoemd zou worden en in dat geval zou het interessant zijn de wijze waarop Voudron die ter sprake zou brengen te horen. Op het ogenblik echter scheen de sergeant niet precies te weten hoe te beginnen. Hij hield hun een pakje sigaretten voor en stak er zelf ook een op. 

Biggles hielp hem door een begin te maken. ‘Alors, mon sergeant,’ zei hij. ‘Ik stel voor dat we ophouden in raadselen te spreken. U zegt dat we naar Fort Labougant gaan. U zegt tegelijkertijd dat we niet hoeven als we niet willen. Hoe kunnen wij of u dat dan voorkomen?’ Voudron scheen nog steeds niet bereid zich bloot te geven. Hij maakte een gebaar alsof hij niet werkelijk serieus was. ‘Ik dacht er alleen maar aan wat anderen gedaan hebben en wat ik zelf zou doen als ik in jullie schoenen stond.’

‘En wat zou u dan doen?’ vroeg Biggles. ‘Ik zou gaan wandelen en vergeten terug te komen.’ ‘Bent u bezig ons voor te stellen om te deserteren?’ Voudron grijnsde. ‘Ik houd niet van het woord deserteren. Laten we zeggen dat jullie vakantie nemen zonder toestemming te vragen.’

‘Neem me niet kwalijk, sergeant, als ik een pijnlijke vraag stel. Maar we zijn allemaal mannen van de wereld en zoals we weten, gaat alleen de zon voor niets op. Wat hebt u er voor belang bij als we zouden besluiten niet naar Fort Labougant te gaan?’

‘Breek je daar maar niet het hoofd over, mon enfant. Het is mijn aard mensen te helpen als ze in moeilijkheden zijn.’

Biggles probeerde het gemakkelijker voor Voudron te maken om ter zake te komen; want hier had hij op gewacht, en hij had gehoopt dat dit zou gebeuren. ‘Goed dan,’ zei hij. ‘Laten we aannemen dat we niet naar Fort Labougant willen gaan. Laten we aannemen dat we liever dan dat te doen bereid zijn een eh wandeling te maken. Welnu, u weet er het fijne van. Hoe gaan we? Waar gaan we heen? En wat kunnen we doen om niet van honger om te komen?’

‘Een ding tegelijk,’ protesteerde Voudron. ‘Ik geef toe dat ik vrienden heb die jullie misschien willen helpen. Zouden jullie bijvoorbeeld wel weer willen vliegen?’ “Natuurlijk.’

‘En als ik zo’n baan voor jullie zou kunnen krijgen, zouden jullie die dan accepteren?’ ‘Maar natuurlijk.’ ‘Zonder vragen te stellen?’

‘Een man met enig gezond verstand argumenteert niet met zijn boterham,’ zei Biggles weinig origineel. ‘Maar sta me toe het volgende te zeggen zonder dat ik u beledig. Ik kan moeilijk geloven dat u dit voor ons klaar kimt spelen.’

‘Vanzelfsprekend,’ gaf Voudron toe. ‘Maar ik verzeker jullie dat ik het kan. Maar luister goed wat ik zeg.’ De glimlach bleef op zijn gezicht maar er was geen spoor van humor in zijn ogen. ‘Als jullie één woord van dit gesprek aan iemand anders over vertellen dan zou je bepaalde mensen in moeilijkheden kunnen brengen en daar het invloedrijke mensen zijn zou het gevolg daarvan wel eens niet zo gunstig voor jullie kunnen zijn.’ ‘Alsof we zoiets zouden doen,’ protesteerde Biggles. ‘Je kunt nooit weten en ik moet voorzichtig zijn.’ ‘Allicht. Maar hoe staat het met die baan? Waar is het?’ ‘Dat zul je later horen. Alles wat ik nu kan zeggen, is dat het hier ver vandaan is wat jullie dus goed uitkomt.’ ‘En hoe zullen we daar komen?’

‘Met een vliegtuig. Dat zal voor jullie geregeld worden. Maar je vraagt al veel te veel. In ieder geval is het beter dat we hier niet langer meer blijven staan praten. Weten jullie zeker dat je wilt gaan?’ ‘Ja.’

‘Goed dan. We zullen er spoedig verder over spreken maar niet hier. Ik zie jullie vanavond om zeven uur even voorbij de ruïne van de moskee op de weg naar de stad.’ ‘Bien entendu.’

Voudron draaide zich om en liep met grote stappen het exercitieterrein over.

Ze keken hem na. ‘Wat een rat. Wat een onderkruipsel,’ smaalde Ginger.

‘Maak je niet kwaad. Hij brengt ons waar we wilden komen.’

‘Ik had nooit van mezelf gedacht dat ik nog eens een deserteur zou worden,’ zei Ginger bitter. ‘Daar kwamen we hier toch voor? Het volgende wat we moeten doen is Marcel opzoeken en hem vertellen wat we van plan zijn. Ik moet ook nog een paar brieven schrijven.’

‘Kan het jou helemaal niets schelen?’

‘Niet bepaald. Het is eerder gebeurd. Dat kun je opmaken uit de manier waarop Voudron alles uitgewerkt heeft. Zijn moeilijkste taak was het ijs met ons te breken zonder zichzelf al te zeer bloot te geven. Welnu, dat heeft hij gedaan. Nu zal hij verder gaan. Verdraaid. Marcel heeft wel iets bijzonders ontdekt toen hij dit zaakje op het spoor kwam. We kunnen beter proberen met hem in contact te komen. Voudron is de kantine binnengegaan. Dat kan onze kans zijn.’

‘Ga je je dan aan die afspraak met hem houden?’ ‘Wat dacht je dan? Ik…’

‘Daar heb je Marcel,’ onderbrak Ginger hem. ‘Hij staat met de adjudant te praten. Nu Voudron in de kantine is moeten we onze kans grijpen. Als we langs Marcel lopen en naar de achterkant van het gebouw gaan, zal hij wel raden dat we hem willen spreken.’

‘Dat is een goed idee,’ beaamde Biggles. ‘We kunnen in elk geval Marcel geen schade meer berokkenen, nu Voudron hem toch door heeft. Laten we gaan.’ Ze liepen in stevige pas over het exercitieterrein en salueerden in het voorbijgaan zonder hun pas in te houden. Biggles zorgde dat hij achter de adjudant langs liep wat hem in staat stelde Marcel een veelbetekenende blik te geven. Ze liepen rechtstreeks naar de achterkant van het hoofdkwartier van het kamp. Daar wachtten ze en weldra hadden ze het genoegen Marcel de hoek om te zien komen.

‘Luister, Marcel,’ begon Biggles zonder inleiding. ‘De zaak ontwikkelt zich snel. Het feit dat wij naar Fort Labougant gestuurd worden gaf Voudron de gelegenheid open kaart te spelen.’

Marcel keek verbaasd. ‘Fort Labougant? Waar hebben jullie het over?’

‘Wij zijn op de lijst geplaatst voor Fort Labougant, dat is toch zo?’

‘Nonsens.’

‘Moet jij daar dan ook niet naar toe?’ ‘Helemaal niet.’

Nu was het Biggles’ beurt om grote ogen op te zetten. ‘Maar… maar… Voudron zei dat we ‘op de lijst voorkwamen.’ ‘Dat liegt hij.’

‘Maar hij zei dat hij de lijst samenstelde.’

‘Encore, ik herhaal, hij liegt het. Er is helemaal geen lijst en er is zelfs nooit sprake van geweest.’

Er ging Biggles een licht op. ‘Dat is het dus,’ bracht hij uit. ‘Nu snap ik het. Die sluwe vos liet zelf het gerucht de ronde doen en daarop waarschuwde hij ons, zogenaamd in vertrouwen, dat wij op de lijst stonden. Dat was om ons rijp te maken voor desertie. Ik moet bekennen dat ik er inliep, die gemene intrigant.’

‘Heeft hij jullie werkelijk voorgesteld te deserteren?’

‘Ja.’

Marcel werd wit. Zijn neusvleugels trilden van opwinding. ‘Mon Dieu! Ik zal die schoft…’ ‘Doe niets,’ vroeg Biggles hem snel. ‘Alles loopt prima. We zullen hem vanavond ontmoeten om de details te bespreken. Ik zal je laten weten wat er gebeurt maar je kunt maar beter voorbereid zijn op onze plotselinge verdwijning. Voudron heeft aangeboden ons een baan te bezorgen als piloot en misschien wil hij wel dat we al vlug vertrekken. Pas jij ondertussen goed op. De grond wordt heet onder je voeten en voor Voudron en zijn bende is moorden dagelijks werk. Meer heb ik op het ogenblik niet te zeggen. We zullen er vandoor gaan voordat Voudron Ons samen ziet.’

‘Als hij je die baan aanbiedt zul je haar dan accepteren en deserteren?’

‘Natuurlijk. Daarvoor zijn we hier gekomen.’ Marcel schudde zijn hoofd. ‘Het bevalt me niet. Ik moet er over nadenken. Ik ga nu.’ Hij liep weg, een bezorgde trek op zijn gezicht.

Biggles en Ginger sloegen een andere richting in. ‘Die schoftige sluwe schurk,’ schold Ginger, blijkbaar nog denkend aan de manier waarop Voudron hen voor de gek gehouden had.

‘Dat kan allemaal wel waar zijn,’ antwoordde Biggles effen, ‘maar de man is lang niet gek. Dat was een knap stukje werk van zijn kant. Als Marcel geen officier geweest was, zouden we nooit de waarheid over deze denkbeeldige lijst te weten zijn gekomen. Als we hier waren gebleven zouden we er uiteindelijk natuurlijk toch achter gekomen zijn, en daar kunnen we uit opmaken dat Voudron niet verwacht dat we hier nog veel langer zullen zijn. Zorg er voor niet te laten merken dat we weten dat dat gepraat over een lijst een verzinsel was.’