Hoofdstuk 16

David was de eerste die bij haar was.

Hij vond haar ^p een hoogte van twintig meter. Ze lag bewusteloos te rillen op een bloederige rotspunt. Wat hij vervolgens deed had niets met logica te maken, het was pure paniek. Hij trok zijn jasje uit en legde het over haar heen met maar één gedachte in zijn hoofd: Je mag niet sterven. Ik laat je niet sterven. Hoor je me, Kate? Je mag niet sterven.

Hij nam haar in zijn armen, en terwijl haar warme bloed door zijn overhemd sijpelde, zei hij haar naam, telkens en telkens weer, alsof hij zo kon voorkomen dat hij haar voor altijd zou kwijtraken. Hij hoorde het geschreeuw van de reddingswerkers amper, noch de sirenes van de ambulances. Zijn aandacht was gericht op het ritme van haar ademhaling en het kloppen van haar hart tegen zijn borst.

Ze was zo koud, ze lag zo roerloos. Kon hij haar zijn warmte maar geven. Diezelfde wens had hij één keer eerder geuit, toen zijn enige kind had liggen ster- ven in zijn armen. Deze keer niet, bad hij, haar stevig tegen zich aan trekkend. Neem haar niet ook van me af...

Die smeekbede ging keer op keer door zijn hoofd toen ze haar de berg af droegen. De afdaling eindigde in een chaos toen de ambulancemedewerkers op hen afkwamen om te helpen. David werd naar de zijkant gedirigeerd, een hulpeloze toeschouwer van een gevecht waarvoor hij niet opgeleid was.

Hij keek de gillende ambulance na in het donker en stelde zich de Spoedeisende Hulp voor, de lichten, de mensen in het wit. Hij kon het niet verdragen om te denken dat Kate daar hulpeloos middenin lag. Maar daar zou ze binnenkort wel zijn. Het was haar enige kans.

Een hand gaf een vriendelijk klapje op zijn schouder. 'Gaat het, Davy?' informeerde Pokie.

'Gaat wel.' Hij zuchtte diep.

'Het komt wel goed met haar. Ik heb een zesde zintuig voor dat soort dingen.' Hij draaide zich om toen hij hoorde niezen.

Brigadier Brophy kwam eraan gelopen, met zijn gezicht half verstopt in een zakdoek. 'Ze hebben het lichaam naar boven gebracht,' zei hij. 'Zat helemaal verstrikt in de... in de...' hij snoot zijn neus, '...in de bosjes. Gebroken nek. Wil je haar zien voor ze naar het mortuarium gaat?'

'Nee, laat maar zitten,' gromde Pokie. 'Ik geloof je wel.' Terwijl ze naar de auto liepen, vroeg hij: 'Hoe is dokter Santini eronder?''Dat is het vreemde,' antwoordde Brophy. 'Toen ik het hem vertelde van zijn vrouw, deed hij een beetje alsof... Nou ja, alsof hij het had verwacht.'

Pokie fronste zijn voorhoofd naar het ingepakte lichaam van Susan Santini, dat op dat moment in de ambulance werd geschoven, en zuchtte. 'Misschien was dat ook wel zo. Misschien wist hij al die tijd al wat er aan de hand was, maar wilde hij het voor zichzelf niet toegeven.'

Brophy deed de deur van de politiewagen open. 'Waarheen, inspecteur?'

'Naar het ziekenhuis. En snel een beetje.' Pokie knikte naar David. 'Deze man heeft een lange wachttijd voor de boeg.'


Het duurde vier uur voor David bij haar mocht. Dat betekende vier uur ijsberen in de wachtkamer van de derde verdieping. Vier uur heen en weer lopen langs dezelfde kop van de National Enquirer op de leestafel: hoofd van vrouw op lichaam baviaan geplaatst.

Er was maar één andere persoon in de kamer, een ietwat dommig uitziende man die onder een bord met daarop niet roken neerplofte en als een gek aan een sigaret ging zitten trekken. Nadat hij de peuk had uitgedrukt, pakte hij een nieuwe. 'Het wordt een later- tje,' zei hij. Dat was hun hele gesprek. Vier woorden. De man zei niet wie hij was of op wie hij wachtte. Hij zei ook niet dat hij bang was. Dat was te zien in zijn ogen.

Om elf uur werd de man in de verkoeverkamer geroepen en bleef David alleen achter. Hij ging bij het raam staan en luisterde naar het gehuil van de naderende ambulance. Voor de honderdste keer keek hij op zijn horloge. Ze was nu drie uur in de operatiekamer. Hoe lang kon het duren om een kogel te verwijderen? Was er iets misgegaan?

Om middernacht stak er eindelijk een verpleegster haar hoofd om de hoek. 'Bent u Mr. Ransom?'

Zijn hart ging onmiddellijk als een razende tekeer. 'Ja!'

ik dacht dat u wel zou willen weten dat dokter Chesne uit de operatiekamer is.'

'Is het... Is alles goed met haar?'

'Ja, prima.'

Hij ademde zo diep uit dat hij er duizelig van werd. Dank u,dacht hij. Dank u.

'Als u naar huis toe wilt, dan bellen we u wel als zeik wil haar zien.'

'Ze is nog niet bij bewustzijn.'

ik moet haar zien.'

'Het spijt me, maar we laten alleen de naaste familie...' Haar stem stierf weg toen ze de dreigende blik in zijn ogen zag en ze schraapte haar keel. 'Vijf minuten, Mr. Ransom. Meer niet. Begrijpt u dat?'

O ja, dat begreep hij heel goed, alleen trok hij zich er geen moer van aan. Hij wrong zich langs haar en liep naar de verkoeverkamer.

Ze lag in het laatste bed. Haar kleine, bleke gestalte leek te verdrinken in de heldere lichten en plastic buizen. Alleen een dun wit gordijntje scheidde haar van de patiënt naast haar.

David bleef bij haar voeteneind staan, bang dichterbij te komen, bang haar aan te raken uit angst een van die fragiele ledematen te breken. Zoals ze daar lag, deed ze hem denken aan een prinses in een glazen doodskist, liggend in een dicht woud, onaanraakbaar, onbereikbaar. Boven haar gaf een hartmonitor haar hartritme aan. Prachtige muziek. Goed en sterk en regelmatig. Kates hart. Hij bleef roerloos staan toen de verpleegster met de buisjes in de weer ging en de zuurstof en de vloeistof in het infuus bijstelde. Een arts onderzocht Kates longen. David voelde zich nutteloos, een sta-in-de-weg. Hij wist dat hij weg zou moeten gaan en hun hun werk moest laten doen, maar i$ts hield hem gekluisterd aan deze plek.

Een van de verpleegsters wees op haar horloge en zei streng: 'We kunnen ons werk niet doen met u erbij. U zult nu weg moeten gaan.'

Hij deed het niet. Hij wilde niet. Niet tot hij wist dat alles goed zou komen.

'Ze is wakker aan het worden.'

Het leek wel of het licht van tientallen zonnen door haar gesloten oogleden brandde. In de ruimte boven haar hoorde ze vaag bekende stemmen mompelen. Langzaam, moeizaam, opende ze haar ogen.

Het eerste wat ze zag, was het licht dat helder en onontkoombaar op haar neer scheen. Daarna ontwaarde ze stukje bij beetje het glimlachende gezicht van een vrouw, iemand die ze uit een vaag en ver verleden kende, hoewel ze zich niet kon herinneren waarvan. Op haar naamplaatje stond Julie Sanders, verpleegkundige. Julie. Nu wist ze het weer.

'Kunt u me horen, dokter Chesne?' vroeg Julie.

Kate knikte zwakjes.

'U bent in de uitslaapkamer. Hebt u pijn?'

Kate wist het niet. Haar zintuigen waren een voor een aan het terugkeren, en de pijn moest nog komen. Het duurde even voor haar brein de signalen registreerde die het ontving. Ze voelde het gesis van de zuurstof en hoorde het zachte gepiep van een hart- monitor boven haar bed. Maar pijn? Nee. Ze voelde zich alleen heel erg leeg, en uitgeput. Ze wilde slapen...

Er kwamen meer gezichten om haar bed staan. Nog een verpleegster, met een stethoscoop om haar nek. Dokter Tam, als altijd even stug. En toen hoorde ze een stem die zacht haar naam zei.

'Kate?'

Ze draaide zich om. David. Hoewel hij in het licht stond en ze hem niet goed kon zien, zag ze wel dat hij eruitzag alsof hij de hele nacht niet had geslapen. Verwonderd stak ze haar hand naar hem uit, maar ze merkte dat haar vuisten hopeloos verwikkeld waren in allerlei plastic slangetjes. Te zwak om iets anders te doen, liet ze haar hand zakken.

Voorzichtig, alsof hij bang was iets te breken, pakte hij de hand. 'Alles is goed met je,' fluisterde hij, zijn lippen op haar handpalm drukkend. 'Godzijdank is alles goed met je...'

'Ik kan me niet herinneren...'

'Je bent geopereerd.' Hij lachte een gespannen glimlachje. 'Drie uur lang. Het leek wel een eeuwigheid, maar de kogel is eruit.'

Ineens kwam het allemaal weer boven. De wind. De rots. En Susan die als een geest wegzweefde, is ze dood?'

Hij knikte. 'Er was niets meer aan te doen.'

'En Guy?'

'Hij zal een tijdje niet kunnen lopen. Ik weet niet hoe het hem gelukt is om bij die telefoon te komen, maar hij heeft het gehaald.'

Ze lag even te denken aan Guy, wiens leven nu net zo erg in de vernieling lag als zijn been. 'Hij heeft mijn leven gered. En nu is hij alles kwijt...'

'Niet alles. Hij heeft zijn zoon nog.'

Ja, dacht ze, William zal altijd Guys zoon zijn. Ze waren niet verbonden door bloed, maar door iets sterkers: liefde. Te midden van al deze ellende zou er één goed ding blijven.

'Mr. Ransom, u moet nu echt gaan,' drong dokter Tam aan.

David knikte. Toen boog hij zich voorover en gaf Kate een onhandige kus. Als hij tegen haar had gezegd dat hij van haar hield, als hij ook maar iets had gezegd, had ze die droge lippen misschien nog wel prettig gevonden, maar hij haalde zijn hand te snel weg bij de hare.

Het leek wel alsof alles zich in een waas afspeelde. Dokter Tam begon vragen te stellen die ze niet kon beantwoorden omdat ze te versuft was. De verpleegsters waren druk aan het werk bij haar bed, verwisselden infusen, schakelden apparaten uit en stopten haar onder de lakens. Ze kreeg een pijnstiller, waarna ze binnen een mum van tijd voelde dat ze onontkoombaar weggleed.

Terwijl ze haar de uitslaapzaal uit rolden, vocht ze tegen de slaap omdat ze iets belangrijks moest zeggen tegen David, iets wat niet kon wachten. Maar er waren zoveel mensen om haar heen, zoveel verwarrende gesprekken, dat ze zijn stem niet meer kon onderscheiden. Ze voelde paniek opwellen bij de gedachte dat dit haar laatste kans was om hem te vertellen dat ze van hem hield. En toch... Zelfs nu ze op het randje van bewustzijn balanceerde, hield haar trots haar tegen en zweeg ze. En zo liet ze zich zwijgend meeslepen het donker in.

David bleef bij haar in de kamer zitten tot het ging schemeren. Hij zat naast haar bed, met haar hand in de zijne, en veegde als het nodig was haar haren uit haar gezicht. Af en toe zei hij haar naam, hopend dat ze wakker zou worden, maar de pijnstiller die ze haar hadden gegeven was zo sterk dat ze zich zelfs nauwelijks bewoog. Had ze hem maar een keer geroepen in haar slaap, of alleen maar de eerste lettergreep van zijn naam gezegd, dat zou al genoeg zijn geweest. Dan zou hij hebben geweten dat ze hem nodig had, en zou hij tegen haar hebben gezegd dat hij haar nodig had. Dat was niet iets wat een man zomaar tegen iedereen zou zeggen. Althans, hij niet. In werkelijkheid was hij slechter af dat die arme stomme Charlie Decker. Die kon zich tenminste uiten in zijn rijmelarij.

De rit naar huis was lang.

Zodra hij thuis was, belde hij het ziekenhuis om te vragen hoe het met haar ging. 'Stabiel.' Dat was alles wat ze zeiden, maar het was genoeg. Hij belde een bloemenzaak en bestelde bloemen die op Kates kamer moesten worden bezorgd. Aangezien hij geen boodschap wist te bedenken, zei hij tegen de bloemist dat die er alleen 'David' op moest zetten. Na dat gedaan te hebben, maakte hij een kop koffie voor zichzelf, smeerde een broodje en at alsof hij uitgehongerd was, wat hij ook was, aangezien hij al vierentwintig uur niet meer had gegeten. Uiteindelijk ging hij, vies, ongeschoren en moe als hij was, naar de huiskamer en het zich op de bank vallen.

Hij dacht aan alle redenen waarom hij niet verliefd kon zijn. Om te beginnen omdat hij een leuk bestaan- tje voor zichzelf had opgebouwd. Hij keek om zich heen naar de geboende vloer, de gordijnen, de boeken die naast elkaar in de glazen kast stonden. Ineens viel het hem op hoe steriel het allemaal was. Dit was niet het huis van iemand die leefde. Het was een geraamte, net zoals hij een geraamte was.

Ach, wat maakte het ook allemaal uit, dacht hij. Ze wilde hem waarschijnlijk toch niet. Hun relatie was uit behoefte ontstaan. Zij was bang geweest, en hij was handig van pas gekomen. Binnenkort zou ze weer helemaal de oude zijn en haar carrière kunnen oppakken. Een vrouw als Kate liet zich er niet lang onderhouden.

Hij bewonderde haar en hij verlangde naar haar. Maar hield hij ook van haar? Hij hoopte van niet.

Omdat hij, beter dan wie dan ook, wist dat liefde slechts een voorbode van verdriet was.

Dokter Clarence Avery stond verlegen in de deuropening van Kates ziekenhuiskamer en vroeg of hij binnen mocht komen. Hij had zes ontzettend lelijke, groengeverfde anjers bij zich, die hij naar haar zwaaide alsof hij geen benul had wat men normaal gesproken met anjers deed. Althans niet met groen geverfde. De bloemen zaten nog in de supermarktverpakking met het prijsplakkertje erop.

'Die zijn voor jou,' zei hij, voor het geval ze daar nog niet helemaal van doordrongen was. 'Ik hoop... Ik hoop dat je niet allergisch bent voor anjers. Of iets dergelijks.'

'Nee, dat ben ik niet. Dank u, dokter Avery.'

'Geen dank, ik wilde alleen...' Zijn blik dwaalde naar de bos rode rozen die in een porseleinen vaas op het nachtkastje stond. 'O, maar ik zie dat je al bloemen hebt gehad. Rozen.' Triest keek hij neer op de anjers. Zo zou hij ook hebben gekeken als er een dood beest had gelegen.

'Ik vind anjers mooier,' reageerde ze. 'Kunt u ze voor me in het water zetten? Volgens mij staat er een vaas onder het aanrecht.'

'Natuurlijk.' Hij nam de bloemen mee naar het aanrecht, en toen hij zich bukte zag ze dat zijn broek zoals gebruikelijk gekreukt was en hij twee verschillende sokken aanhad. De anjers zagen er op de een of andere manier aandoenlijk uit, zoals ze daar verloren in de grote vaas ronddobberden. Maar het belangrijkste was dat ze persoonlijk waren gebracht, wat van de rozen niet kon worden gezegd.

Ze waren gekomen terwijl ze sliep. Op het kaartje stond alleen 'David'. Hij had niet gebeld en was niet op bezoek geweest. Misschien had hij besloten dat dit het juiste moment was om de relatie definitief te verbreken. De hele morgen had ze afwisselend de bloemen uit elkaar willen rukken en ze willen oppakken en knuffelen. Dat was nog eens een passend gebaar: dat ze doornen tegen haar borst zou drukken.

'Hier,' zei ze. 'Zet de anjers maar naast me. Dan kan ik ze ruiken.' Bruusk schoof ze de rozen opzij, een beweging die haar ineen deed krimpen. Door de incisie die de chirurg had gemaakt had ze nu tientallen hechtingen, en ze had heel wat pijnstillers moeten slikken om de pijn te onderdrukken. Voorzichtig leunde ze achterover tegen de kussens.

Blij dat zijn geschenk een ereplek had gekregen, stond dokter Avery de bloemen even in stilte te bewonderen voor hij zijn keel schraapte en zei: 'Kate, ik moet erbij zeggen dat dit niet gewoon een... een informeel bezoek is.'

'O nee?'

'Nee. Het heeft te maken met je positie hier in Mid Pac.'

' Dus er is een beslissing genomen,' zei ze rustig.

'Met al het nieuwe bewijs dat boven tafel is gekomen, nou ja...' Hij haalde zijn schouders op. ik veronderstel dat we eerder jouw kant hadden moeten kiezen. Het spijt me dat ik dat niet heb gedaan. Ik denk dat ik... Het spijt me gewoon.' Van de ene voet op de andere wippend keek hij naar zijn laborato- riumjas, die onder de inktvlekken zat. 'Ik weet niet waarom ik dat verdomde voorzitterschap heb aangehouden. Het bezorgt me alleen maar maagzweren. Trouwens, ik ben hier om je je oude baan aan te bieden. Er zal niets over de zaak in je dossier komen te staan. Alleen een aantekening dat er een aanklacht tegen je was ingediend en dat die aanklacht later is ingetrokken. En dat zal ook gebeuren. Tenminste, dat hebben ze me gezegd.'

'Mijn oude baan,' mompelde ze. ik weet het niet.' Zuchtend draaide ze zich naar het raam. 'Ik weet niet eens zeker of ik mijn oude baan wel terugwil. Weet u, dokter Avery, ik heb na zitten denken. Over andere plaatsen.'

'Bedoel je een ander ziekenhuis?'

'Een andere stad.' Ze glimlachte naar hem. 'Dat is niet zo verbazingwekkend, toch? Ik heb de laatste paar dagen voldoende tijd gehad om na te denken, en ik heb me afgevraagd of ik hier wel hoor. Of ik niet ergens anders hoor. Weg van dit alles, van de eilanden.' Weg van David.

'O, hemeltje.'

'U vindt wel een vervanger. Er moeten honderden doktoren zijn die graag in het paradijs komen werken.'

'Nou, daar gaat het niet om. Ik ben alleen verbaasd. Na al het werk dat Mr. Ransom erin gestopt heeft. Ik ging ervan uit dat je daar -*

'Mr. Ransom? Wat bedoelt u?'

'Al die telefoontjes die hij heeft gepleegd. Naar ieder lid van de ziekenhuisraad.'

Een afscheidsgebaar, dacht ze. Daar moet ik hem op zijn minst dankbaar voor zijn.

'Het was een behoorlijke ommekeer, moet ik zeggen. Een advocaat van de aanklager die vraagt - eist - dat we de schorsing van een arts ongedaan maken. Maar vanochtend, toen hij ons het bewijs van de politie voorlegde en met de verklaring van dokter Santini kwam, nou, toen had het bestuur maar vijf minuten nodig om een beslissing te nemen.' Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'We kregen van Mr. Ransom de indruk dat je je baan terug wilde.'

'Misschien was dat ooit wel het geval,' antwoordde ze, naar de rozen starend en zich afvragend waarom ze zich niet blijer voelde. 'Maar de dingen veranderen. Nietwaar?'

ik neem aan van wel.' Avery schraapte zijn keel en begon nog onrustiger heen en weer te wippen. 'Je kunt je baan zo terugkrijgen als je wilt. We hebben je hard nodig. Vooral nu mijn pensioen eraan zit te komen.'

Verbaasd keek ze op. 'Gaat u met pensioen?'

'Ik ben vierenzestig, weet je. Dat schiet op. Ik heb nooit veel van het land gezien. Had er nooit tijd voor. Mijn vrouw en ik hadden het er altijd over dat we na mijn pensionering zouden gaan reizen. Barb zou hebben gewild dat ik mezelf zou vermaken. Denk je niet?'

Kate glimlachte, ik weet zeker dat ze dat zou willen.''Hoe dan ook...' Hij wierp nog een blik op de anjers. 'Ze zijn best wel mooi, hè?' Grinnikend liep hij naar de deur. 'Ja, ja, veel beter dan rozen, volgens mij. Veel beter.'

Kate draaide zich weer om naar de bloemen. Rode rozen en groene anjers. Wat een absurde combinatie. Net zo'n absurde combinatie als David en zij.

Het regende hard toen David later die middag bij haar op bezoek kwam. Ze zat in haar eentje in de gezelschapsruimte door het natte raam naar de tuin beneden te kijken. De verpleegster had even daarvoor haar haren gewassen en gekamd, en zoals gewoonlijk droogde het in de kroezige, meisjesachtige krulletjes die ze haatte. Ze hoorde hem niet binnenkomen. Pas toen hij haar naam zei, draaide ze zich om en zag ze hem staan, zijn haar vochtig en verwaaid, zijn pak nat van de regen. Hij zag er moe uit. Bijna net zo moe als zij zich voelde. Ze wilde dat hij haar tegen zich aan trok, dat hij haar in zijn armen nam, maar hij deed het niet. Hij boog zich gewoon naar haar toe, gaf haar een plichtmatige kus op haar voorhoofd en ging weer rechtop staan.

'Uit bed, zie ik. Dan voel je je zeker beter?' merkte hij op.

Ze wist een flauw glimlachje te produceren, ik ben niet iemand die de hele dag kan blijven liggen.'

'O, ik heb deze voor je meegenomen,' zei hij alsof hij er nu pas aan dacht. Hij gaf haar een klein doosje chocola. 'Ik wist niet zeker of je al iets mocht eten. Misschien voor later.'

Ze keek naar het doosje in haar schoot. 'Dank je,' mompelde ze. 'En bedankt voor de rozen.' Toen draaide ze zich om en keek naar de regen.Er viel een lange stilte, alsof ze beiden niets meer wisten te zeggen. De regen gleed langs de ramen naar beneden en wierp een waterige schaduw op haar handen.

ik heb net met dokter Avery gesproken,' zei hij ten slotte. 'Hij zei dat je je oude baan terugkrijgt.'

'Ja, dat heeft hij mij ook verteld. Dat is nog iets waar ik je voor moet bedanken.'

'Waarvoor?'

'Voor mijn baan. Avery zei dat je een heleboel telefoontjes hebt gepleegd.'

'Een paar maar. Het stelde niet zoveel voor.' Hij haalde diep adem en vervolgde gemaakt opgewekt: 'Dus, als het goed is ben je binnen no time weer aan het werk in de operatiekamer. Met een flinke salarisverhoging, mag ik hopen. Dat zal wel goed voelen.'

'Ik weet niet zeker of ik het wel doe - mijn oude baan terugnemen.'

'Wat? Waarom niet, in vredesnaam?'

Ze haalde haar schouders op. ik heb ook aan andere mogelijkheden gedacht, andere plaatsen.'

'Je bedoelt buiten het Mid Pac?'

'Ik bedoel... buiten Hawaï.' Omdat hij niets zei, voegde ze eraan toe: 'Er is niet echt iets wat me hier houdt.'

Er viel weer een lange stilte. Zacht zei hij: 'Echt niet?'

Ze antwoordde niet. Hij keek naar haar, zoals ze daar zo stilletjes zat, en hij wist dat hij tot sint-jutte- mis kon wachten maar ze nog steeds zo zou zitten. Een fraai stel vormen wij, dacht hij met afschuw.

Twee toch intelligente mensen die niets tegen elkaar wisten te zeggen.

'Dokter Chesne?' Er verscheen een verpleegster in de deuropening. 'Wilt u al terug naar uw kamer?'

'Ja,' antwoordde Kate. 'Ik wil wel slapen.'

'U ziet er ook moe uit.' De verpleegster wierp een blik op David. 'Misschien is het tijd voor u om te vertrekken.'

'Nee,' zei David, die plotseling zijn rug rechtte.

'Sorry?'

ik ga niet weg. Nog niet.' Hij keek Kate lang en indringend aan. 'Eerst ga ik mezelf voor schut zetten. Dus kunt u ons alleen laten?'

'Maar meneer-'

'Alstublieft.'

De verpleegster aarzelde. Toen, aanvoelend dat er iets belangrijks in de lucht hing, liep ze de kamer uit.

Onzeker, en misschien een beetje bang, keek Kate naar David. Hij stak zijn hand naar haar uit en raakte teder haar gezicht aan.

'Zeg nog eens wat je net zei,' zei hij fluisterend, 'dat er niets is wat je hier houdt.'

'Nee, dat doe ik niet. Wat ik bedoelde, was -'

'Vertel me dan wat de ware reden is waarom je weg wilt.'

Ze zweeg, maar hij zag het antwoord in haar ogen, in die zachte, verlangende ogen en verwonderd schudde hij zijn hoofd. 'Mijn god,' mompelde hij, 'je bent een nog grotere lafaard dan ik.'

'Een lafaard?'

'Ja, net als ik.' Hij wendde zich van haar af en begon met zijn handen in zijn zakken rusteloos heen en weer te lopen. 'Ik was niet van plan dit te gaan zeggen. Althans, nog niet. Maar je hebt het over weggaan, en dus heb ik geen andere keus.' Hij stopte en keek uit het raam. Buiten was de wereld zilvergrijs geworden. 'Oké.' Hij zuchtte. 'Aangezien jij het niet gaat zeggen, zal ik het moeten doen. Het is niet makkelijk voor me. Het is nooit makkelijk geweest. Nadat Noah was gestorven, dacht ik dat ik mezelf had aangeleerd niets meer te voelen. Tot nu toe was dat me gelukt, tot ik jou ontmoette en...' Lachend schudde hij zijn hoofd. 'God, ik wou dat ik een van Charlie Deckers gedichten bij me had. Misschien dat ik dan een paar regels had kunnen citeren* Iets wat in ieder geval een beetje begrijpelijk was. Die arme Charlie had dat op me voor: zijn welbespraaktheid. Daar ben ik jaloers op.' Met een klein glimlachje om zijn lippen keek hij haar aan. 'Ik heb het nog steeds niet gezegd, hè? Maar je begrijpt wel wat ik wil zeggen, toch?'

'Lafaard,' fluisterde ze.

Lachend liep hij op haar af en hief haar gezicht naar het zijne. 'Nou, oké dan. Ik hou van je. Ik hou van je koppigheid en je trots. En je onafhankelijkheid. Ik wilde het niet. Ik dacht dat het prima ging zo in mijn eentje, maar nu het gebeurd is, kan ik me niet meer voorstellen dat ik ooit niet van je zal houden.' Hij deed een stapje achteruit om haar de kans te geven zich terug te trekken.Dat deed ze niet. Ze bleef roerloos zitten. Het leek wel of haar keel dichtgeknepen zat. Ze had het doosje chocola nog steeds vast en probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat dit echt was. Dat hij echt was.

'Het zal niet makkelijk worden,' zei hij.

'Wat niet?'

'Samenwonen met mij. Er zullen dagen zijn waarop je me zou willen wurgen of tegen me wil schreeuwen, alles om ervoor te zorgen dat ik tegen je zeg dat ik van je hou. Maar dat ik het niet zeg, betekent niet dat ik het niet voel. Want dat doe ik wel.' Hij zuchtte diep. 'Dus, dat is het wel zo'n beetje. Ik hoop dat je hebt geluisterd, want ik weet niet zeker of ik dit nog een keer kan doen en ik ben zo stom geweest om dit keer mijn taperecorder niet mee te nemen.'

'Ik heb wel geluisterd,' zei ze zacht.

'En?' vroeg hij, haar aankijkend omdat hij zijn ogen geen seconde van haar af durfde te houden. 'Hoor ik daar een vonnis, of is de jury nog steeds aan het overleggen?'

'De jury,' fluisterde ze, 'verkeert in een shocktoestand. En heeft dringend behoefte aan een mond-op- mond -'

Als het zijn bedoeling was haar te reanimeren, dan mislukte dat, want de kus had precies de tegenovergestelde uitwerking. Hij bracht zijn gezicht naar het hare, en ze voelde de kamer om zich heen draaien. Iedere spier van haar nek leek opeens verlamd en haar hoofd zakte tegen de stoel.

'En nu, medelafaard,' mompelde hij met zijn lippen vlak boven de hare, 'is het jouw beurt.'

'Ik hou van je,'zei ze zwak.

'Op dat vonnis had ik gehoopt.'

Ze dacht dat hij haar weer zou kussen, maar hij trok zich plotseling terug en fronste zijn wenkbrauwen. 'Je ziet er afschuwelijk bleek uit. Ik denk dat ik een verpleegster moet gaan roepen. Een beetje zuurstofkan volgens mij geen -'

Ze stak haar armen uit en sloeg ze om zijn nek. 'Wie heeft er hier zuurstof nodig?' fluisterde ze vlak voor zijn mond warm op de hare neerdaalde.