Hoofdstuk 4

Vanuit het noordoosten waaide een stevige wind toen de boot met Ellen O'Briens laatste resten naar zee voer. Wat was dit Foch een zuiver, passend besluit van het leven: de as die bij zonsondergang over het water werd verstrooid, het lichaam dat terugkeerde naar de elementen.

Vanaf de oude pier wierp de predikant een gele bloemenslinger in het water, die langzaam werd meegevoerd met de stroom. Een symbolisch afscheid dat Patrick O'Brien zo raakte dat hij begon te huilen.

Het geluid van zijn gesnik dreef mee op de wind en kwam via de drukke kade bij een plek daar een stuk vandaan, waar Kate moederziel alleen op een aanlegsteiger voor vissersboten stond en zich afvroeg wat ze hier deed. Was dit een of andere wrede, zelfopgelegde vorm van boetedoening? Een zwakke poging om de buitenwereld te laten weten hoe erg ze het vond? Ze wist het niet. Het enige wat ze wist, was dat een stem in haar binnenste, een stem die om verge-ving had gesmeekt, haar hiernaartoe had gedreven.

Er waren ook andere mensen van het ziekenhuis: een groepje verpleegkundigen dat samen stond te treuren, een paar verloskundigen die er onwennig uitzagen in hun gewone kleren, Clarence Avery, wiens witte haren als paardenbloempluisjes in de wind wapperden. Zelfs George Bettencourt was er. Hij stond wat afzijdig van de anderen, zijn gezicht een ondoordringbaar masker. Voor deze mensen was het ziekenhuis meer dan een werkplek, het was hun tweede thuis, hun tweede familie. Doktoren en verpleegkundigen hielpen er eikaars kinderen op de wereld te zetten, begeleidden er elkaar naar het einde. Ellen O'Brien had veel van hun kinderen op de wereld helpen zetten, nu waren ze hier om haar uit te geleiden.

De reflectie van zonlicht op blond haar trok haar aandacht naar de kop van de pier, waar David Ran- som hoog boven de anderen uittorende. Nonchalant streek hij een pluk haar die door de wind was opgewaaid op zijn plaats. Weliswaar had hij zich voor deze trieste gelegenheid gekleed in een antracietkleurig pak met een donkere das, maar hij was de enige die geen greintje emotie toonde. Was er eigenlijk wel iets menselijks aan hem, vroeg ze zich af. Lachte of huilde hij weieens? Voelde hij weieens pijn? Vrijde hij weieens?

Die laatste gedachte kwam zomaar ineens bij haar op. Vrijen? Ja, ze kon zich wel voorstellen hoe het zou zijn om met David Ransom te vrijen. Het zou geen geven en nemen worden. Nee, net als in de rechtszaal zou hij totale onderwerping eisen. Zoals hij daar stond in het verdwijnende zonlicht leek hij onoverwinnelijk. Wat voor kans had ze tegen zo'n man?

Door een windvlaag komend uit zee knalden de touwen van de zeilboten tegen de masten en gingen de laatste woorden van de predikant verloren. Toen het ten slotte voorbij was, merkte Kate dat ze niet de kracht had om weg te lopen. Ze keek naar de stoet van rouwenden die langsliep. Clarence Avery stopte, wilde iets gaan zeggen, en liep vervolgens gegeneerd verder. Mary en Patrick O'Brien keurden haar geen blik waardig. Toen David eraan kwam, zag ze dat hij haar herkende maar deed alsof hij haar niet had gezien. Zonder zijn pas in te houden liep hij door. Alsof ze onzichtbaar was.

Tegen de tijd dat ze weer genoeg energie had verzameld om zich in beweging te zetten, was de kade verlaten en tekenden de masten van de zeilboten zich als dode bomen af tegen de ondergaande zon. Haar voetstappen klonken hol op de houten planken. Eenmaal bij haar auto was ze uitgeput, alsof ze kilometers had gelopen. Op de tast zocht ze naar haar sleutels, en op de een of andere manier verbaasde het haar totaal niet dat haar tas uit haar hand glipte en de inhoud zich over de straat verspreidde. Terwijl de wind haar tissues over de grond blies, bleef ze verslagen staan, niet in staat iets te doen. Er kwam een absurd beeld bij haar op: zij die hier de hele avond en nacht bleef staan, de hele week, vastgenageld op deze plek. Ze vroeg zich af of iemand het zou merken.

David merkte het. Zelfs op het moment dat hij zijn cliënten gedag zwaaide, was hij zich intens bewust van het feit dat Kate Chesne zich ergens op de kade achter hem bevond. Het had hem hooglijk verbaasd dat ze hier was. Behoorlijk slim van haar, deze publiekelijke spijtbetuiging, duidelijk bedoeld om indruk te maken op de O'Briens. Toen hij zich omdraaide en haar in haar eentje over de kade zag lopen, zag hij dat haar schouders hingen en haar gezicht somber stond, en realiseerde hij zich hoeveel moed het haar moest hebben gekost om hier vandaag naartoe te gaan.

Het volgende moment prentte hij zich echter in dat sommige artsen werkelijk alles deden om een proces te voorkomen.

De interesse was meteen verdwenen, en hij liep verder richting zijn auto. Halverwege het parkeerterrein hoorde hij iets op de grond vallen. Kates tas, zag hij. Als een kind dat niet weet wat het overkomt, bleef ze roerloos staan, met haar autosleutels bungelend in haar hand. Pas na wat een eeuwigheid leek bukte ze zich en begon ze langzaam en vermoeid haar spullen bijeen te rapen.

Bijna tegen zijn wil werd hij naar haar toe getrokken. Hij hurkte naast haar, raapte een paar verdwaalde centen op en stak ze haar toe. Ze had hem niet aan horen komen, en toen ze opkeek en hem zag, verstijfde ze.

'Zo te zien kunt u wel wat hulp gebruiken,' zei hij. 'O.'

'Ik denk dat u zo alles wel hebt.'

Allebei gingen ze staan. Hij hield zijn hand met daarin de centen nog steeds naar haar uitgestoken,

maar blijkbaar drong dat niet tot haar door. Ze kwam pas een beetje tot zichzelf toen hij het geld in haar hand stopte. Zacht zei ze: 'Dank u wel.'

Gedurende een paar ogenblikken keken ze elkaar aan.

'Ik had u hier niet verwacht,' merkte hij op. 'Waarom bent u gekomen?'

'Het was...' Ze haalde haar schouders op. '...een vergissing, geloof ik.'

'Heeft uw advocaat u dat aangeraden?'

Ze keek hem aan alsof ze hem niet begreep. 'Waarom zou hij?'

'Om de O'Briens te laten zien dat u met ze meeleeft.'

Plotseling werd ze rood van woede. 'Denkt u dat echt? Denkt u dat dit een soort... strategie is?'

'Dat is niet zo heel ongebruikelijk.'

'Waarom bent u hier, Mr. Ransom? Maakt dit deel uit van uw strategie? Wilt u uw cliënten laten zien dat u met ze meeleeft?'

' Ik leef inderdaad met ze mee.'

'En u denkt dus dat ik dat niet doe.'

'Dat heb ik niet gezegd.'

'Maar wel gesuggereerd.'

'U moet niet alles wat ik zeg persoonlijk opvatten.'

'Dat doe ik wel. Ik vat alles wat u zegt persoonlijk op.'

'Dat moet u niet doen. Voor mij is het gewoon werk.'

Kwaad duwde ze een losse lok haar uit haar gezicht. 'En wat is uw werk precies? Bent u beul?'

'Ik ben er niet opuit mensen kapot te maken. Ik stel hun fouten aan de kaak. Zelfs de beste doktoren maken fouten, weet u.'

'Dat hoeft u mij niet te vertellen.' Ze draaide zich om en keek naar de zee, waar de as van Ellen O'Brien sinds kort meedeinde op het getij. 'Ik leef ermee, Mr. Ransom. Iedere keer dat ik bezig ben in de OK. Ik weet dat als ik het verkeerde flesje pak of op de verkeerde knop druk, er iemand doodgaat. O, wij doktoren vinden wel manieren om ermee om te gaan. We maken morbide grapjes, hebben onze galgenhumor. De dingen waar we om lachen zijn verschrikkelijk, en dat alleen om er niet aan onderdoor te gaan. Emotioneel eraan onderdoor te gaan. Jullie advocaten hebben geen idee. Jullie hebben geen idee hoe het is als alles misgaat. Als we iemand verliezen.'

'Ik weet hoe het voor de familie is. Iedere keer dat jullie een fout maken, lijdt iemand anders eronder.'

'Ik neem aan dat u nooit fouten maakt?'

'Iedereen maakt fouten. Het verschil is dat jullie je fouten wegmoffelen.'

'U gaat ervoor zorgen dat ik het nooit zal vergeten, hè?'

Ze draaide zich naar hem om. De ondergaande zon had de lucht oranje gekleurd, en de gloed leek haar haren en wangen in brand te zetten. Plotseling vroeg hij zich af hoe het zou voelen om met zijn vingers door die verwaaide haren te woelen, om dat gezicht tegen zijn lippen te voelen. De gedachte was uit het niets opgedoken, en nu hij er eenmaal was, was hij niet meer uit zijn hoofd te krijgen. Het was absoluut het laatste waaraan hij hoorde te denken, maar ze stond zo gevaarlijk dicht bij hem dat hij óf achteruit moest stappen, of haar moest kussen.

Hij wist zich in te houden, al was het ook maar net. 'Zoals ik al zei, dokter Chesne, ik doe gewoon mijn werk.'

Ze schudde haar hoofd, waardoor haar haren, die kastanjebruine, zongebleekte haren, alle kanten uit waaierden. 'Nee, het is meer dan dat. Volgens mij bent u bezig met een of andere vendetta. U bent eropuit de hele medische professie aan de schandpaal te nagelen, nietwaar?'

De beschuldiging bracht hem van zijn stuk. Hoewel hij zijn mond al opendeed om het te ontkennen, wist hij dat ze akélig dicht bij de waarheid zat. Op de een of andere manier had ze zijn oude wond gevonden en hem opengereten met de verbale equivalent van een chirurgisch ontleedmes. 'Ik, de hele medische professie aan de schandpaal nagelen?' wist hij uit te brengen. 'Nou, laat mij u iets vertellen, dokter, het zijn mensen als u, mensen die hun vak niet verstaan, die het mij gemakkelijk maken.'

Woedend keek ze hem aan, met ogen die vuur leken te spuwen. Even dacht hij dat ze hem zou gaan slaan. In plaats daarvan draaide ze zich echter om, ging in haar auto zitten en trok de deur met een klap dicht. De Audi schoot zo dicht langs hem heen dat hij opzij moest springen.

Terwijl hij haar auto nakeek, zag hij uit zijn ooghoeken iets langs en rechts waar het licht op viel. Een zilveren pen, die onder haar auto was gerold toen ze haar tas had laten vallen. Hij pakte hem op en keek naar de naam die erin gegraveerd stond: Katharine Chesne.

Met de pen in zijn hand dacht hij aan de eigenaar ervan en vroeg hij zich af of zij ook niemand had die thuis op haar wachtte. En terwijl hij daar in zijn eentje op het winderige parkeerterrein stond, besefte hij plotseling hoe leeg hij zich voelde.

Ooit was hij dankbaar geweest voor die leegte, omdat het een verademing was geweest om geen pijn te voelen. Nu verlangde hij ernaar iéts te voelen, wat dan ook, al was het alleen maar om zichzelf gerust te stellen dat hij leefde. Hij wist dat de emoties er nog wel zaten, opgesloten ergens binnen in hem. Hij had ze vaag gevoeld op het moment dat hij Kate Chesne in haar woedende ogen had gekeken. Niet een echte emotie, misschien, maar een opleving. Een opleving van een terminaal ziek hart.

De patiënt was niet dood. Nog niet.

Hij merkte dat hij glimlachte. Met de glimlach nog steeds om zijn lippen gooide hij de pen in de lucht en ving hem handig weer op. Daarna stopte hij hem in zijn borstzakje en liep naar zijn auto.

De hond was zwaar onder narcose, zijn poten lagen uitgespreid, zijn buik was geschoren en geprepareerd met iodine. Het was een Duitse herder, duidelijk raszuiver en ook duidelijk onbemind.

Guy Santini vond het vreselijk dat zo'n mooi beest op zijn onderzoekstafel aan zijn eind moest komen, maar laboratoriumdieren waren tegenwoordig schaars, en hij moest het doen met wat de leverancier hem stuurde. Hij troostte zichzelf met de wetenschap dat de dieren geen pijn leden. Tijdens de operatie lagen ze diep te slapen, en wanneer het voorbij was, werd de ventilator uitgezet en kregen ze een dodelijke dosis pentothal toegediend. Ze stierven een vredige dood, een veel beter lot dan ze beschoren zou zijn als ze op straat waren blijven zwerven. Bovendien leverde dit gegevens op voor zijn onderzoek naar de lever functie.

Hij keek naar de instrumenten die netjes gerangschikt op het blad lagen: de scalpel, de krammetjes, de sondes. Boven de operatietafel hing een monitor waarop de bloeddruk afgelezen kon worden. Alles was klaar. Hij stak zijn hand uit om de scalpel te pakken.

Hij wachtte omdat hij een deur hoorde dichtzwaai- en. Voetstappen kwamen naar hem toe over de glimmend gedweilde laboratoriumvloer. Het was Ann Richter. Over de operatietafel heen keken ze elkaar aan.

'Dus jij bent ook niet naar Ellens uitvaartdienst gegaan, merk ik,' zei hij.

'Ik wilde wel, maar ik was bang.'

'Bang?' Hij fronste zijn voorhoofd. 'Waarvoor?'

'Het spijt me, Guy. Ik heb geen keus meer.' Zonder iets te zeggen stak ze hem een brief toe. 'Hij is van de advocaat van Charlie Decker. Ze willen dingen weten over Jenny Brook.'

'Wat?' Guy trok zijn handschoenen uit en griste de brief uit haar hand. Nadat hij hem gelezen had, keek hij geschrokken naar haar op. 'Je gaat het ze niet vertellen, hè? Dat kun je niet doen, Ann.'

'Ik word gedagvaard, Guy.'

'Lieg dan verdomme tegen ze!'

'Decker is vrij, Guy. Dat wist je niet, hè? Hij is een maand geleden uit de inrichting ontslagen. Hij belt me steeds, laat briefjes achter in mijn appartement. Soms denk ik zelfs dat hij me achtervolgt...'

'Hij kan je niets doen.'

'O nee?' Ze knikte naar het papier dat hij in zijn hand hield. 'Henry heeft er ook zo een gekregen. Net als Ellen. Vlak voor ze...' Ann stopte, alsof ze door haar grootste angst te verwoorden die angst werkelijkheid zou laten worden. Pas nu zag Guy hoe uitgeput ze eruitzag. Zwarte kringen onder haar ogen, en het asblonde haar waar ze altijd zo trots op was geweest, zag eruit alsof ze het al in geen dagen had gekamd. 'Er moet een eind aan komen, Guy,' zei ze zacht. 'Ik kan niet de rest van mijn leven over mijn schouder naar Charlie Decker blijven uitkijken.'

Hij verfrommelde het papier en begon te ijsberen. Na een minuut of wat zei hij, bijna in paniek: 'Je zou een tijdje weg kunnen gaan...'

'Voor hoe lang dan, Guy? Een maand? Een jaar?'

'Zolang als het duurt om dit te laten doodbloeden. Luister, je krijgt van mij geld om....' Hij pakte zijn portemonnee en haalde er vijftig dollar uit, alles wat hij aan contanten had. 'Hier. Ik beloof je dat ik je meer zal sturen.'

'Ik wil geen geld van je.'

'Kom nou, pak aan.'

' Ik heb je al gezegd dat ik

'Verdomme, pak aan!' Hij klonk wanhopig. 'Alsjeblieft, Ann,' drong hij aan, nu wat rustiger. 'Ik vraag het je als vriend. Alsjeblieft.'

Ze keek naar het geld dat hij haar voorhield. Langzaam stak ze haar hand uit en nam het aan. Terwijl haar vingers zich om de biljetten sloten, liet ze hem weten: 'Ik vertrek vanavond. Naar San Francisco. Ik heb daar een broer die -'

'Bel me als je er bent. Ik stuur je al het geld dat je nodig hebt.' Ze leek hem niet te horen. 'Ann? Dit doe je toch wel voor me, hè?'

Zonder iets te zien staarde ze naar de spierwitte muur voor zich.

Hij zou haar maar wat graag geruststellen, haar vertellen dat er helemaal niets mis kon gaan, maar ze zouden beiden weten dat het een leugen was. Hij keek naar haar verdwijnende rug. Vlak voor ze de deur uit liep, zei hij: 'Dank je, Ann.'

Ze draaide zich niet om. Ze bleef alleen even staan in de deuropening, haalde haar schouders even op en liep de deur uit.

Met het geld van Guy nog steeds in haar hand geklemd liep Ann naar de bushalte. Vijftig dollar! Alsof dat genoeg was! Duizend, honderdduizend dollar zou nog niet genoeg zijn.

Ze stapte op de bus naar Waikiki. Vanaf haar plaats aan het raam keek ze naar de eindeloze rij huizenblokken. In Kalakaua stapte ze uit en liep snel naar het appartementengebouw waar ze woonde. Bussen raas- den langs en verstikten haar met hun uitlaatgassen. Haar handen waren klam van de hitte. Van alle kanten werd ze ingesloten door betonnen gebouwen, en overal op de stoep verdrongen de toeristen zich. Terwijl ze zich een weg door de menigte baande, kreeg ze een steeds onbehaaglijker gevoel.

Ze ging nog sneller lopen.

Een paar straten verderop was het rustiger en bleef ze bij een hoek voor een stoplicht staan wachten. Op dat moment, terwijl ze daar in haar eentje in de steeds donker wordende straat stond, voelde ze het ineens: ik word gevolgd.

Met een ruk draaide ze zich om en keek achter zich. Een oude man schuifelde over de stoep. Een stelletje duwde een baby in een kinderwagen. Aan een wasrek dat buiten hing fladderden bontgekleurde overhemden. Niets ongewoons. Althans, zo leek het...

Het licht sprong op groen. Ze rende de straat over en stopte niet voor ze bij haar appartement was.

Eenmaal binnen begon ze meteen met pakken. Onder het pakken vroeg ze zich echter af wat ze hierna nou eigenlijk zou gaan doen. Het vliegtuig naar San Francisco zou om middernacht vertrekken, ze zou een tijdje bij haar broer kunnen logeren zonder dat hij zou vragen wat er aan de hand was. Wat dat betrof was hij helemaal oké. Hij begreep ook wel dat iedereen geheimen had, dat iedereen ergens voor op de loop was.

Het is niet echt nodig, fluisterde een stemmetje in Kaar hoofd, je zou ook naar de politie kunnen gaan...

En wat moest ze ze dan vertellen? De waarheid over Jenny Brook? En een onschuldig leven kapotmaken?

Ze begon te ijsberen, na te denken, te piekeren. Terwijl ze langs de spiegel in de huiskamer liep, zag ze haar eigen spiegelbeeld. Haar blonde haren zaten in de was, haar ogen zaten onder de mascara. Ze herkende zichzelf nauwelijks; angst had haar gezicht veranderd in dat van een vreemde.

Er is maar één telefoontje voor nodig, een bekentenis. Een geheim dat onthuld wordt is niet gevaarlijk meer...

Ze pakte de hoorn van de haak en toetste met een trillende vinger Kate Chesnes huisnummer in. Haar hart zonk toen ze na vier keer overgaan een antwoordapparaat kreeg, gevolgd door een piep.

Om de angst uit haar stem te weren schraapte ze haar keel. 'Met Ann Richter,' zei ze. 'Alsjeblieft, ik moet met je praten. Het gaat over Ellen. Ik weet waarom ze gestorven is.'

Vervolgens hing ze op en wachtte tot de telefoon over zou gaan.

Uren later hoorde Kate het bericht.

Nadat ze die middag de pier had verlaten, had ze een tijdje doelloos rondgereden om de onvermijdelijke terugkeer naar haar lege huis uit te stellen. Het was vrijdagavond. O, die gezegende vrijdagavond. Ze besloot zichzelf op een avondje uit te trakteren en ging eten in een trendy grillrestaurant aan zee, waar iedereen behalve zij zich uitstekend leek te vermaken. Aan de steak die ze had besteld zat kraak noch smaak, en de chocolademousse stond haar zo tegen dat ze bijna geen hap door haar keel kon krijgen. Toch gaf ze een exorbitant hoge fooi, misschien als een soort excuus voor het feit dat ze zo weinig had gegeten.

Vervolgens ging ze naar de film, waar ze tussen een onrustige achtjarige en een vrijend verliefd stel zat.

Halverwege de film liep ze weg. Wat de titel was, wist ze niet meer, alleen dat het een komische film was en dat ze niet één keer had gelachen.

Tegen de tijd dat ze thuis was, was het tien uur. Ze had zich al half uitgekleed en zat uitgeteld op haar bed, toen ze het lichtje van het antwoordapparaat zag knipperen. Terwijl ze naar de kledingkast liep, speelde ze de berichten af.

'Hallo, dokter Chesne, dit is Four East om u te zeggen dat de bloedsuikerspiegel van Mr. Berg achtennegentig is... Hallo, met June, de secretaresse van dokter Avery. Ik bel u om u eraan te herinneren dat de vergadering van de kwaliteitscommissie dinsdag om vier uur is... Goedemiddag, met Windward Makelaars. Bel ons terug. We hebben een pand waarvan we denken dat u dat graag wilt zien...'

Net toen ze bezig was haar rok op te hangen, hoorde ze het laatste bericht.

'Met Ann Richter. Alsjeblieft, ik moet met je praten. Het gaat over Ellen. Ik weet waarom ze gestorven is...'

Er volgde een klik van de telefoon die opgehangen werd en daarna een zacht gesnor van het bandje dat automatisch terugspoelde. Met bonkend hart luisterde ze voor de tweede keer de reeks berichten af, die elkaar voor haar gevoel hinderlijk traag opvolgden.

'Het gaat over Ellen. Ik weet waarom ze gestorven is...'

Kate graaide het telefoonboek van haar nachtkastje en zocht Anns telefoonnummer op. Zodra ze dat had gevonden, toetste ze het nummer in. In gesprek. Keer op keer probeerde ze haar te bereiken, maar het enige wat ze hoorde, was de ingesprektoon.

Met een klap legde ze de hoorn neer. Ze wist nu wat haar te doen stond.

Ze haastte zich terug naar de kast en trok de rok van de hanger. Snel, koortsachtig snel, kleedde ze zich aan.

Het verkeer op weg naar Waikiki reed bumper aan bumper. Zoals gewoonlijk was de straat bevolkt door een vreemde mengeling van toeristen, soldaten op verlof en daklozen. Allemaal bewogen ze zich voort in de onwerkelijke gloed van de lichten van de stad. Een verder heel gedistingeerd uitziende heer liep te pronken met zijn witte benen en bermuda, je kwam naar Waikiki vanwege de excentriekelingen die daar rondliepen.

Vanavond vond Kate hetgeen ze door het raampje van haar auto zag echter beangstigend - al die gezichten die geen kleur meer hadden door het licht van de lantarenpalen, en die soldaten die dronken in de deuropeningen van de nachtclubs hingen. Een evangelist met een verwilderde blik in zijn ogen stond met een bijbel te zwaaien en schreeuwde dat het einde van de wereld nabij was.

Terwijl ze voor een rood licht stopte, draaide hij zich om en keek haar aan. Op dat moment dacht ze in zijn fonkelende ogen een boodschap te lezen die alleen voor haar bestemd was. Zodra het licht op groen sprong, stoof ze de kruising over, weg van zijn geschreeuw.

Tien minuten later, toen ze de trap naar Anns appartementengebouw op liep, was ze nog steeds uit haar doen. Vlak voor de ingang liep een jong stel naar buiten, waardoor ze de hal in kon glippen.

Het duurde even voor de lift er was. Achteroverleunend tegen de muur dwong ze zichzelf diep adem te halen en liet ze de stilte van het gebouw op zich inwerken tot ze tot rust was gekomen. Tegen de tijd dat ze eindelijk zover was dat ze de lift in stapte, ging haar hart niet meer zo wild tekeer. De deuren gleden dicht en de lift ging knersend omhoog. Boven haar hoofd flitsten de lichtjes van de verschillende verdiepingen een voor een op: drie, vier, vijf.

Op de zesde verdieping gleden de deuren open.

De gang was verlaten. Op de grond lag een saai groen tapijt. Terwijl ze naar nummer 710 liep, had ze het vreemde gevoel dat ze droomde, dat dit allemaal niet echt was, de muren aan weerszijden, de deur aan het eind van de gang niet. Pas toen ze bij de deur was, zag ze dat hij op een kier stond. 'Ann?' riep ze.

Er kwam geen reactie.

Ze gaf de deur een klein zetje, Langzaam zwaaide hij open, en langzaam ontvouwde er zich een tafereel voor haar dat ze niet meteen begreep, maar haar deed verstijven van schrik. Een omgevallen stoel, tijdschriften die overal verspreid lagen, de rode spetters op de muur. Haar blik volgde het donkerrode spoor dat zigzaggend over het tapijt liep tot het onverbiddelijk bij de bron kwam: Ann, die met haar gezicht naar beneden in een plas bloed lag.

Uit een hoorn van een telefoontoestel die over de rand van een bijzettafeltje bungelde, kwamen zachte bliepjes, als een alarm dat haar toeschreeuwde in actie te komen. Ka te stond echter nog steeds als verlamd, niet in staat zich te bewegen.

Er sloeg een golf van duizeligheid over haar heen. Ze zakte door haar knieën en zocht steun bij de deurpost. Ondanks haar medische opleiding, ondanks het feit dat ze dagelijks met bloed te maken had, kon ze deze reactie niet voorkomen.

Boven het gebonk van haar hart uit hoorde ze ineens nog een geluid, het geluid van iemand die zwaar en onregelmatig in- en uitademde.

Zij was het niet. Er was nog iemand in de kamer.

Een beweging trok haar blik naar de andere kant van de kamer. In de spiegel die daar hing zag ze het spiegelbeeld van een man. Hij zat in elkaar gedoken achter een kastje, nog geen drie meter van haar vandaan.

Ze zagen elkaar op hetzelfde moment. Gedurende dat korte ogenblik, terwijl zijn ogen de hare ontmoetten, had ze het gevoel dat ze in die twee holtes een donker gat zag dat haar lokte, een afgrond waaruit geen ontsnappen mogelijk was.

Hij opende zijn mond alsof hij iets wilde gaan zeggen, maar de woorden kwamen niet, het enige wat ze hoorde, was een angstaanjagend gesis, als van een slang die op het punt staat aan te vallen.

Ze schoot overeind. Toen ze zich omdraaide om te vluchten, draaide de kamer tergend langzaam om haar heen. Voor haar strekte de gang zich eindeloos uit. Ze hoorde haar eigen schreeuw echoën tegen de muren.

De deur van de trap zat aan de andere kant van de gang. Het was haar enige uitweg. Tijd om op de lift te wachten was er niet.

Ze rende naar het trappenhuis en gooide de deur onder het rennen open tegen de betonnen muur. Eén verdieping lager hoorde ze de deur weer opengaan en tegen de muur slaan. Weer was daar dat angstaanjagende gesis.

Ze liep naar de deur van de vijfde verdieping en duwde ertegenaan. Dicht. Ze schreeuwde en bonkte op de deur. Iemand moest haar horen! Iemand moest reageren op haar hulpgeroep!

Voetstappen kwamen naar beneden. Ze kon niet wachten, ze moest vluchten.

Ze vloog de trap af en belandde zo hard op de overloop van de vierde verdieping dat ze een felle pijnscheut in haar enkel voelde. Met tranen in haar ogen bonkte ze op de deur. Ook die zat dicht.

Hij was vlak achter haar.

Ze vluchtte naar de volgende verdieping en de volgende. Haar tas vloog van haar schouder, maar ze kon onmogelijk stoppen om hem te pakken. Met een onvoorstelbaar pijnlijke enkel liep ze naar de overloop van de tweede verdieping. Was de deur hier ook dicht? Zaten ze allemaal dicht? Wat zou haar op de begane grond te wachten staan? Was daar een par- keerterrein? Een steegje? Zouden ze haar lichaam daar morgenochtend vinden?

Volkomen in paniek duwde ze met haast bovenmenselijke kracht tegen de volgende deur. Tot haar ongeloof was deze niet op slot. Strompelend liep ze door de deur een parkeergarage in. Ze had geen tijd om na te denken over wat ze nu moest doen en vluchtte de schaduw in. Net toen de deur van het trappenhuis openvloog, dook ze achter een bestelbusje.

Gehurkt bij het voorwiel zittend luisterde ze of ze voetstappen hoorde. Nee. Het enige wat ze hoorde, was het ruisen van haar eigen bloed in haar oren. Seconden gingen voorbij, werden minuten. Waar was hij? Had hij het opgegeven? Ze had zich zo dicht tegen het bestelbusje aan gedrukt, dat het metaal gemeen in haar dij drukte. Pijn voelde ze echter niet; alles in haar was erop gericht te overleven.

Een steentje viel op de grond. In de betonnen garage klonk dat alsof er een pistool werd afgeschoten.

Ze probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam, maar het leek wel van tien verschillende kanten te komen. Ze kon hem bijna horen fluisteren: Ik kom je halen. Ik kom je halen...

Ze moest weten waar hij was, of hij dichterbij kwam.

Zich vasthoudend aan het wiel, draaide ze langzaam haar hoofd en keek onder het busje. Doodsbang deinsde ze terug.

Hij was aan de andere kant van het busje en was zo te zien van plan om via de achterkant naar haar toe te komen.

Ze sprong op en ging er als een haas vandoor. De geparkeerde auto's versmolten tot één grote vlek. Ze volgde de borden naar de uitgang. Haar benen, stijf van het hurken, wilden niet snel genoeg gaan. Ze hoorde de man vlak achter zich. De uitrit leek eindeloos en draaide maar rond en rond en rond. Bij iedere bocht was ze bang dat ze zou vallen. Hij haalde haar in. Haar longen stonden in brand.

In een laatste, wanhopige spurt rende ze door de laatste bocht. Te laat zag ze de auto die de garage in reed op haar afkomen.

Ze ving een glimp op van twee gezichten achter een voorruit, een man en een vrouw, hun monden wijd open. Terwijl ze met een klap tegen de motorkap belandde, zag ze een helder licht flitsen, een ster die in haar ogen uiteenbarstte. Toen verdween het licht en zag ze niets meer. Zelfs geen duisternis.