Hoofdstuk 5

'Het mangoseizoen, hè,' zei brigadier Brophy terwijl hij in een natte zakdoek nieste. 'De slechtste tijd van het jaar voor mijn allergie.' Hij snoot zijn neus en haalde hem vervolgens voorzichtig op, alsof hij wilde checken of er een nieuw, nog onontdekt obstakel in zijn neusgaten zat. Hij leek zijn gruwelijke omgeving totaal niet op te merken, alsof lijken en met bloed be- spatte muren en een heel legertje misdaadlaboranten dagelijkse kost waren. Als Brophy een niesbui had, was hij zich nergens van bewust, behalve van de deplorabele toestand van zijn neusholten.

Inspecteur Francis 'Pokie' Ah Ching was gewend geraakt aan het gesnotter van zijn jongere partner. Soms was het handig. Zo wist hij bijvoorbeeld altijd in welke kamer Brophy uithing; het enige wat hij hoefde te doen, was de neus van de man volgen.

Die neus, nog steeds weggestopt in een zakdoek, verdween naar de slaapkamer van de dode vrouw. Pokie richtte zijn aandacht weer op zijn schrijfblokje.

waarin hij alle gegevens noteerde. Hij schreef snel, in een apart soort steno dat hij in de zesentwintig jaar dat hij bij de politie werkte - waarvan zeventien bij Moordzaken - ontwikkeld had. Acht bladzijden waren vol gekrabbeld met schetsen van de verschillende kamers van het appartement, waarvan alleen al vier velletjes van de huiskamer. Zijn tekeningen waren grof maar wel to the point. Lichaam hier. Omgevallen meubels daar. Overal bloed.

De lijkschouwer, een jongensachtige vrouw met sproeten die door iedereen met M.J. werd aangesproken, liep eerst rond alvorens het lichaam te onderzoeken. Zoals altijd droeg ze een spijkerbroek en tennisschoenen. Een slordige outfit voor een arts, maar in haar vakgebied hoorde je de patiënten nooit klagen.

Terwijl ze in de kamer rondliep, sprak ze in een cassetterecorder. 'Slagaderlijke spatten op drie muren, tot een meter twintig a vijftig hoog... Grote bloedplas aan oostelijke kant van huiskamer, waar lichaam zich bevindt... Slachtoffer is van het vrouwelijke geslacht, blond, dertig tot veertig jaar oud en voorover liggend gevonden, met haar rechterarm onder haar hoofd en haar linkerarm uitgestrekt... Geen wonden aan handenen armen.' M.J. ging op haar hurken zitten. 'Lijkvlekken. Hmm.' Fronsend voelde ze aan de arm van het slachtoffer. 'Lichaam aanzienlijk afgekoeld. Het is nu twaalf uur vijftien middernacht.' Ze zette de cassetterecorder uit.

'Is er iets mis, M.J.?' vroeg Fokie, omdat ze verder niets meer zei.

'Wat?' Ze keek op. 'O, nee, ik zat even te denken.'

'Wat is je eerste indruk?'

'Tja. Ziet eruit als een diepe snee in de linkerhalsslagader met een zeer scherp mes. Snel uitgevoerd. Het slachtoffer kreeg niet de kans haar armen op te heffen om zich te verdedigen. Ik ga het nauwkeuriger bekijken als we haar hebben schoongemaakt in het mortuarium.'

Toen ze opstond, zag Pokie dat haar tennisschoenen onder het bloed zaten. Op hoeveel misdaadplek- ken hadden die schoenen rondgelopen?

Niet op zoveel als de mijne, dacht hij. 'Een doorgesneden halsslagader,' zei hij nadenkend. 'Doet je dat ergens aan denken?'

'Dat was het eerste waar ik aan dacht. Hoe heette die vent van een paar weken geleden ook alweer?'

'Tanaka. Hij had een snee in zijn linkerhalsslagader.'

'Precies. En het was al net zo'n bloederige bende als hier.'

Pokie dacht even na. 'Tanaka was arts,' merkte hij op. 'En zij...' Hij keek neer op het lichaam, '...is verpleegkundige.'

'Was verpleegkundige.'

'Dan vraag je je toch af...'

M.j. klapte haar labkoffertje dicht. 'Er zitten hier een hele hoop artsen en verpleegkundigen in de stad. Alleen omdat deze twee op mijn bordje zijn beland, wil dat nog niet zeggen dat ze elkaar kenden.'

Een luid genies kondigde Brophy's komst aan. Hij was in de slaapkamer geweest. 'Ik heb een vliegticket naar San Francisco op haar toilettafel gevonden. Vlucht voor middernacht.' Hij keek op zijn horloge. 'Die heeft ze dus net gemist.'

Een vliegticket. Een ingepakte koffer. Dus Ann Richter had op het punt gestaan de stad te verlaten. Waarom?

Terwijl Pokie over die vraag nadacht, maakte hij nog een ronde door het appartement en inspecteerde hij de kamers een voor een.

In de badkamer was een laborant bezig de wastafel minutieus na te kijken. 'Bloedsporen, inspecteur,' zei de man. 'Het ziet ernaar uit dat uw moordenaar zijn handen heeft gewassen.'

'O ja? Wat een koele kikker. Nog vingerafdrukken gevonden?'

'Hier en daar. De meeste zijn oud, waarschijnlijk van het slachtoffer. Plus verse sporen op de deurknop van de voordeur. Die zouden van uw getuige kunnen zijn.'

Pokie knikte en ging terug naar de huiskamer. Dat was hun troefkaart, de getuige. Hoewel ze versuft was en pijn leed, was het haar nog wel gelukt om het ambulancepersoneel in te lichten over het afschuwelijke schouwspel in appartement 710.

Waardoor Pokie zijn nachtrust op zijn buik had kunnen schrijven.

Hij wierp een blik op Brophy. 'Heb je dokter Ches- nes tas al gevonden?'

'Hij ligt niet in het trappenhuis, dus iemand moet hem meegenomen hebben.'

Het was even stil. Pokie dacht aan alle dingen die vrouwen in hun tas stopten: portemonnee, rijbewijs, huissleutels. Hij klapte zijn notitieblok dicht. 'Brigadier?'

'Baas?'

'Ik wil dat de ziekenhuiskamer van dokter Chesne vierentwintig uur per dag bewaakt wordt. Vanaf nu. Bovendien wil ik een mannetje in de centrale hal. En ik wil dat je alle telefoontjes die voor haar binnenkomen, traceert.'

Onzeker keek Brophy hem aan. 'Zoveel? Voor hoe lang?'

'Voor zolang ze in het ziekenhuis ligt. Op dit moment is ze volkomen weerloos.'

'Denkt u echt dat die vent haar in het ziekenhuis te grazen neemt?'

'Ik weet het niet.' Pokie zuchtte. 'Ik weet niet met wat voor iemand we te maken hebben. Het enige wat ik weet, is dat ik hier twee identieke moorden heb.' Moedeloos liet hij zijn notitieblok in zijn zak glijden. 'En dat zij onze enige getuige is.'

Zoals gewoonlijk was Phil Glickman weer behoorlijk irritant.

Het was zaterdagochtend, de enige dag in de week waarop David ongestoord kon werken, de enige dag waarop hij de papieren kon wegwerken die zijn bureau constant dreigden te bedelven. Maar vandaag, in plaats van dat hij alleen was, was Glickman er ook. Hoewel zijn jonge collega slim, ambitieus en geestig was, was het hem ook godsonmogelijk zijn mond te houden. David vermoedde dat hij zelfs in zijn slaap praatte.

'Dus ik zeg: "Dokter, bedoelt u nu dat de achterste gehoorslagader voor de voorste slaapslagader ligt"? En die vent wordt helemaal rood en zegt: "O, heb ik dat gezegd? Nee, andersom natuurlijk". En dat deed hem de das om.' Glickman ramde zijn vuist triomfantelijk in zijn handpalm. 'Wam! Uitgeluid, en hij weet het. We hebben net een aanbod gehad om te schikken. Niet slecht, hè?' Glickman zag er teleurgesteld uit toen David alleen maar lauwtjes knikte. Ineens leefde hij echter op en vroeg: 'Hoe gaat het met de O'Brien-zaak? Is ze al bereid zich erbij neer te leggen?'

David schudde zijn hoofd. 'Kate Chesne kennende niet.'

'Wat? Is ze niet goed bij haar hoofd?'

'Ze is koppig en overtuigd dat zij geen fouten heeft gemaakt.'

'Zo gaat dat met die witte jassen.'

Vermoeid kamde David met zijn vingers door zijn haar. 'Ik hoop niet dat dit een rechtszaak wordt.'

'Dat wordt prijsschieten. Een eitje.'

'Het is te makkelijk.'

Terwijl hij zich omdraaide om weg te gaan, begon Glickman te lachen. 'Daar heb je hiervoor nog nooit mee gezeten.'

Waarom zit het me nu in vredesnaam dan wel dwars, vroeg David zich af.

De O'Brien-zaak was een cadeautje dat hem in de schoot was geworpen. Het enige wat hij hoefde te doen, was een paar formulieren invullen, een paar dreigende opmerkingen maken en zijn hand ophou- den voor de cheque. Eigenlijk zou hij nu de champagne moeten ontkurken. In plaats daarvan zat het hele gedoe hem niet lekker, en liep hij op deze prachtige zaterdagochtend te kniezen.

Gapend leunde hij achterover en wreef in zijn ogen. Hij had een rotnacht gehad en had, geplaagd door dromen - dromen van het soort dat hij al in geen jaren meer had gehad - liggen draaien en woelen in zijn bed.

Er was een vrouw geweest. Ze had heel stil, zonder iets te zeggen, in de schaduw gestaan. Haar profiel had zich afgetekend tegen een nevelig licht. Eerst had hij gedacht dat het Linda, zijn ex-vrouw was, maar vreemd genoeg hadden sommige dingen niet geklopt. Ze had zo stil gestaan als een hert in het bos. Gretig had hij zijn hand naar haar uitgestoken om haar uit te kleden, maar hij was raar onhandig geweest, en in zijn haast had hij een van haar knopen losgetrokken. Ze had gelachen, een verrukkelijk hees geluid dat hem aan cognac had doen denken.

Op dat moment had hij beseft dat het niet Linda was. Hij had opgekeken en in de groene ogen van Kate Chesne gestaard.

Ze hadden niets tegen elkaar gezegd, hadden elkaar alleen maar aangekeken. En ze had hem aangeraakt. Langzaam was haar vinger langs zijn gezicht naar beneden gegleden...

Hij was zwetend van begeerte wakker geworden. Na een poosje was hij weer in slaap gevallen, maar de droom was teruggekomen, keer op keer. Zelfs nu, nu hij met gesloten ogen onderuitgezakt in zijn stoel zat, zag hij haar gezicht weer en voelde hij het bekende verlangen de kop opsteken.

Hij rukte zich los uit zijn dromerijen cn liep naar het raam. Hij was te oud voor deze flauwekul. Te oud en te verstandig voor fantasieën over een flirt met de tegenpartij.

Kom op, er liepen voortdurend aantrekkelijke vrouwen zijn kantoor binnen. En zo nu en dan zond er een signalen uit die iedere gezonde vent herkende. Er was niet veel voor nodig: een scheefgehouden hoofd, een uitdagende heupzwaai. Het had hem wel altijd geamuseerd, maar hij was nog nooit in de verleiding gekomen; met cliënten naar bed gaan stond niet op zijn lijst met diensten.

Kate Chesne had dergelijke signalen niet uitgezonden. Integendeel. Zij had duidelijk net zo'n hekel aan advocaten als hij aan doktoren. Dus waarom, van alle vrouwen die door zijn deur liepen, kon hij uitgerekend haar niet uit zijn hoofd zetten?

Hij stak zijn hand in zijn borstzakje en haalde er de zilveren pen uit. Ernaar kijkend bedacht hij dat dit niet iets was wat een vrouw voor zichzelf zou kopen. Was het een cadeau van een vriend, vroeg hij zich af, zich tegelijkertijd verwonderend over de steek van jaloezie die hij voelde.

Eigenlijk zou hij hem terug moeten geven.

Meteen begon hij koortsachtig na te denken. Mid Pac Hospital was maar een paar straten verderop. Hij kon de pen op weg naar huis afgeven. De meeste doktoren deden op zaterdagochtend hun ronde, dus de kans was groot dat ze op haar werk was. Bij het voor- uitzicht haar weer te zien voelde hij een vreemde mengeling van hoopvolle verwachting en angst, hetzelfde vlinderachtige gevoel in zijn buik als toen hij als tiener moed verzamelde om een meisje mee uit te vragen. Een erg slecht teken.

Toch lukte het hem niet het idee uit zijn hoofd te zetten.

De pen leek onder stroom te staan. Hij schoof hem terug in zijn borstzakje en stopte zijn papieren snel in zijn koffer.

Een kwartier later was hij in de hal van het ziekenhuis en liep naar de huistelefoon toe. Hij kreeg de telefoniste aan de lijn.

'Ik wil dokter Kate Chesne graag spreken,' zei hij. 'Is ze ergens in hef gebouw?'

'Dokter Chesne?' Het was even stil. 'Ja, ik geloof dat ze in het ziekenhuis is. Met wie spreek ik?'

Hij wilde net zijn naam gaan zeggen, toen hij zich bedacht. Als Kate wist dat hij het was, zou ze niet aan de telefoon komen. 'Met een vriend van haar,' was het enige wat hij zei.

'Blijft u alstublieft even aan de lijn.'

Er werd een bandje met een nietszeggend muziekje gestart, het soort muziek dat ze waarschijnlijk afspeelden in liften in de hel. Hij merkte dat hij ongeduldig met zijn vingers tegen het telefoonhokje stond te trommelen. Pas op dat moment drong het tot hem door hoe graag hij haar wilde zien.

Ik lijk wel gek, dacht hij, de hoorn meteen op de haak smijtend. Of de wanhoop nabij wat vrouwelijk gezelschap betrof. Of allebei.

Walgend van zichzelf wilde hij weglopen, toen hij merkte dat zijn doorgang werd geblokkeerd door twee heel imposant uitziende politieagenten.

'Zou u met ons mee willen gaan?' vroeg een van de twee.

'Nou nee,' zei David, 'dat wil ik niet.'

'Laat ik het dan anders stellen,' zei de agent, hem duidelijk makend wat hij bedoelde.

David begon ongelovig te lachen. 'Wat heb ik gedaan, jongens? Dubbel geparkeerd? Jullie moeders beledigd?'

Daarop werd hij stevig bij zijn armen vastgepakt en via de hal naar de administratieve vleugel geloodst.

'Word ik gearresteerd of zo?' vroeg hij. Ze gaven geen sjoege. 'Hé, volgens mij moeten jullie me op de hoogte stellen van mijn rechten.' Aangezien er nog steeds geen reactie kwam, greep hij naar zijn laatste redmiddel. 'Ik ben advocaat.'

'Leuk voor u,' luidde de droge reactie terwijl hij naar een vergaderruimte werd geleid.

'Jullie weten dat jullie me niet kunnen arresteren zonder aanklacht.'

Ze gooiden de deur open. 'We volgen alleen bevelen op.'

'Wiens bevelen?'

Een bekende stem brulde: 'Mijn bevelen.'

David draaide zich om en keek in een gezicht dat hij niet meer had gezien sinds hij als officier van justitie had gewerkt. Het gezicht van inspecteur van Moordzaken Pokie Ah Ching vertoonde trekken van de typerende eilandmix: een vleugje Chinees rond de ogen, een beetje Portugees in de dikke wangen, en een behoorlijk donkere Polynesische kleur. Behalve dat hij rond zijn middel enorm was uitgedijd, was hij weinig veranderd sinds ze acht jaar geleden samen hadden gewerkt. Hij droeg zelfs hetzelfde goedkope confectiepak, hoewel de knoopjes duidelijk al een hele tijd niet dicht waren geweest.

'Als dat Davy Ransom niet is,' bromde Pokie. 'Ik werp mijn netten uit en kijk wat erin komt zwemmen.'

'Hm,' mompelde David, zijn arm lostrekkend. 'De verkeerde vis.'

Pokie knikte naar de twee agenten. 'Laat maar gaan.'

De agenten trokken zich terug. Zodra de deur dicht was, blafte David: 'Wat is hier in godsnaam aan de hand?'

Bij wijze van antwoord liep Pokie naar hem toe en liet zijn blik goedkeurend over hem heen gaan. 'Zo'n privépraktijk zal wel een hoop poen in het laatje brengen, hè? Ik zie dat je een mooi nieuw pak hebt. Dure schoenen. Italiaans. Gaat zeker wel lekker, hè, Davy?'

'Ik mag niet klagen.'

Pokie ging op de rand van de tafel zitten en sloeg zijn armen over elkaar. 'En, hoe is dat, om in zo'n mooi nieuw kantoor te werken? Mis je die goeie ouwe kakkerlakken?'

'O, zeker.'

'Een maand nadat je weg bent gegaan, ben ik inspecteur geworden.'

'Gefeliciteerd.'

'Maar ik draag nog steeds hetzelfde oude pak. Rij nog steeds in dezelfde oude auto. En mijn schoenen?' Hij stak zijn voer uit. 'Taiwan.'

Davids geduld raakte zo langzamerhand op. 'Ga je me nog vertellen wat er aan de hand is, of moet ik ernaar raden?'

Pokie stak zijn hand in zijn jasje om een sigaret te pakken, hetzelfde goedkope merk dat hij altijd had gerookt, en stak hem aan. 'Ben je een vriend van Kate Chesne?'

David had deze plotselinge verandering van onderwerp niet verwacht en zei stotterend. 'I-ik ken haar.'

'Hoe goed?'

'We hebben elkaar een paar keer gesproken. Ik kwam haar pen terugbrengen.'

'Dus je wist niet dat ze gisteravond naar de Spoedeisende Hulp is gebracht?'

'Wat?'

'Niets ernstigs,' zei Pokie snel. 'Lichte hersenschudding. Een paar blauwe plekken. Ze wordt vandaag ontslagen.'

Davids keel zat plotseling zo dicht dat hij geen woord meer kon uitbrengen. Met stomheid geslagen keek hij naar Pokie, die een lange, weldadige trek van zijn sigaret nam.

'Grappig is dat toch,' merkte Pokie op, 'dat er tijdenlang geen schot in de zaak zit, dat de boel verstoft en dat er geen aanwijzingen zijn, maar het dossier ook niet gesloten kan worden. En dan... paf! Ineens hebben we geluk.'

'Wat is er met haar gebeurd?' vroeg David met schorre stem.

'Kwestie van de verkeerde plaats op het verkeerde moment.' Pokie blies de rook uit zijn longen. 'Gisteravond liep ze tegen iets heel akeligs op.'

'Je bedoelt dat ze... getuige is? Van wat?'

Door een mist van rook keek Pokie hem onbewogen aan. 'Moord.'

Door de gesloten deur van haar kamer hoorde Kate de geluiden van een druk ziekenhuis: de oproepinstallatie die kraakte van de statische elektriciteit, de rinkelende telefoons. De hele nacht had ze ingespannen liggen luisteren naar die geluiden, omdat die haar eraan herinnerden dat ze niét alleen was. Pas nu, terwijl het zonlicht op haar bed viel en de uitputting bezit van haar nam, viel ze eindelijk in slaap. Ze hoorde niet dat er geklopt werd, ze hoorde de stem niet die haar door de dichte deur riep. Het was de windvlaag die de kamer binnen zweefde die haar er opmerkzaam op maakte dat de deur open was gegaan. Ze was zich er vaag van bewust dat iemand naar haar bed kwam lopen, en met alle kracht die ze in zich had, opende ze haar ogen. In een waas van slaap zag ze Davids gezicht.

Woede welde in haar op. Hij had geen recht inbreuk te maken op haar privacy nu ze zo zwak en kwetsbaar was. Ze wist precies wat ze tegen hem zou moeten zeggen, maar ze was zo uitgeput dat ze geen woord kon uitbrengen.

Ook David niet. Blijkbaar hadden ze allebei hun stem verloren.

'Niet eerlijk, Mr. Ransom,' fluisterde ze uiteindelijk. 'Iemand trappen die zich niet kan verdedigen...' Ze wendde zich van hem af en staarde dof naar de lakens. 'Blijkbaar bent u dat handige taperecordertje van u vergeten. U kunt toch geen verklaring afnemen zonder een taperecorder? Of hebt u hem verborgen in een van uw

'Hou op, Kate, alsjeblieft.'

Ze viel meteen stil. Hij had haar bij haar voornaam genoemd. Zojuist was er stilzwijgend een barrière tussen hen weggenomen, en ze wist niet hoe dat kwam. Wat ze wel wist, was dat hij hier was en zo dicht bij haar stond dat ze zijn aftershave kon ruiken en zijn vurige blik bijna op haar huid kon voelen branden.

'Ik ben hier niet om je... te trappen.' Zuchtend voegde hij eraan toe: 'Eigenlijk zou ik hier natuurlijk helemaal niet moeten zijn. Maar toen ik hoorde wat er gebeurd was, was het enige waaraan ik kon denken...'

Ze keek op en zag dat hij naar haar stond te kijken, niet kwaad, niet minachtend, maar vriendelijk. Voor het eerst vond ze hem niet zo heel ongenaakbaar. Ze moest zichzelf inprenten dat hij de vijand was, dat dit bezoek, wat daar ook de bedoeling van was, niets veranderde tussen hen. Dat nam echter niet weg dat ze zich op dit moment niet bedreigd voelde maar beschermd. Dat kwam niet alleen door zijn indrukwekkende fysieke verschijning - hoewel ze zich daar ook zeer bewust van was - hij straalde ook kracht uit, competentie. Was hij maar haar advocaat geweest, was hij maar ingehuurd om haar te verdedigen in plaats van haar aan te klagen. Ze kon zich niet voorstellen dat ze met David Ransom aan haar zijde een strijd kon verliezen. 'Wat was het enige waaraan u kon denken?' vroeg ze zacht.

Gegeneerd wendde hij zich af naar de deur. 'Het spijt me. Ik had je moeten laten slapen.'

'Wat kwam u hier doen?'

Hij glimlachte schaapachtig naar haar. 'Dat was ik bijna vergeten. Ik kwam dit terugbrengen. Die heb je bij de pier laten vallen.'

Hij legde de pen in haar hand. Verrast keek ze ernaar, niet naar de pen, maar naar zijn handen. Grote, sterke handen. Hoe zou het voelen als die vingers zich in haar haren verstrengelden?

'Dank u,' fluisterde ze.

'Heeft hij sentimentele waarde?'

'Het was een cadeau. Van een man met wie ik...' Haar keel schrapend keek ze van hem weg, toen zei ze nogmaals: 'Dank u.'

David wist dat dat het sein was om te vertrekken. Hij had zijn goede daad voor vandaag verricht, nu moest hij ermee kappen. Het leek echter wel of een of andere verborgen kracht zijn hand naar een stoel leidde. Hij trok de stoel naar het bed en ging zitten.

Haar in de war geraakte haren lagen uitgespreid over het kussen. Haar ene wang was één grote akelig blauwe plek. Hij voelde een spontane woedeaanval opwellen jegens de man die haar wat aan had proberen te doen. Het kwam totaal onverwacht, en het verbaasde hem dat het zo heftig was. 'Hoe voel je je?'

vroeg hij, omdat hij niets anders wist te zeggen.

Zwakjes haalde ze haar schouders op. 'Moe. Geradbraakt.' Ze was even stil en voegde er met een flauw lachje aan toe: 'Blij dat ik leef.'

Toen zijn blik naar de blauwe plek op haar wang dwaalde, bracht ze haar hand er automatisch naartoe om de plek te verbergen. Vervolgens liet ze haar hand langzaam weer op het bed vallen. Hij vond het een triest gebaar, alsof ze zich ervoor schaamde slachtoffer te zijn, alsof ze zich schaamde om een dergelijk bewijs van geweld met zich mee te dragen.

'Ik ben vandaag niet bepaald op mijn mooist,' zei

ze.

'je ziet er prima uit, Kate, echt.' Hoewel het een stomme opmerking was, meende hij het. Ze was mooi, ze leefde nog. 'Die plek gaat wel weg. Het belangrijkste is dat je veilig ben.'

'Ben ik veilig dan?' Ze keek naar de deur. 'Er heeft daar de hele nacht een bewaker gezeten. Ik heb hem horen lachen met de verpleegsters. Ik vraag me al die tijd al af waarom ze hem daar hebben neergezet...'

'Ik weet zeker dat het gewoon een voorzorgsmaatregel is. Zodat je niet lastig wordt gevallen.'

Fronsend keek ze hem aan. 'Hoe bent u eigenlijk langs hem gekomen?' vroeg ze niet-begrijpend.

'Ik ken inspecteur Ah Ching. We hebben jaren geleden samengewerkt. Voor het Openbaar Ministerie.'

'U?'

'Ja ja, ik heb mijn burgerplicht vervuld. Heb het vakop de harde manier moeten leren. Voor een slaven- loon.'

'Dus u hebt met Ah Ching gepraat. Over wat er gebeurd is?'

'Hij zei dat je getuige was. Dat jouw getuigenis van cruciaal belang is voor de zaak.'

'Heeft hij u verteld dat Ann Richter me vlak voordat ze werd vermoord heeft proberen te bellen? Dat ze een boodschap heeft ingesproken op mijn antwoordapparaat?'

'Wat voor een boodschap?'

'Over Ellen O'Brien.'

Het was even stil. 'Daar heb ik niets over gehoord.'

'Ze wist iets, Mr. Ransom. Iets over Ellens dood. Alleen heeft ze nooit de kans gekregen het mij te vertellen.'

'Hoe luidde het bericht?'

' "Ik weet waarom zeis gestorven". Dat waren haar exacte woorden.'

David keek haar aan. Langzaam, tegen zijn zin, werd hij dieper en dieper in die betoverend groene ogen getrokken. 'Misschien zegt het niets. Misschien is ze er alleen achter gekomen wat er mis is gegaan tijdens de operatie.'

'Het woord dat ze gebruikte, was waarom. "Ik weet waarom ze is gestorven." Dat duidt erop dat er een reden was, dat het de bedóéling was dat Ellen doodging-'

'Moord op de operatietafel?' Hij schudde zijn hoofd. 'Kom nou toch.'

Ze draaide zich van hem af. 'Ik had moeten weten

dat u sceptisch zou zijn. Het zou uw dierbare proces verstoren, hè, als u erachter zou komen dat de patiënte vermoord is?'

'Wat denkt de politie?'

'Hoe moet ik dat nou weten?' riep ze gefrustreerd uit. Vermoeid vervolgde ze:' Uw vriend Ah Ching zegt niet veel. Het enige wat hij doet, is dingen in dat notitieblokje van hem neerkrabbelen. Misschien denkt hij dat het niet belangrijk is. Misschien wil hij geen feiten horen die verwarring kunnen scheppen.' Haar blik dwaalde naar de deur. 'Maar dan denk ik aan die bewaker en vraag ik me af of er niet iets anders aan de hand is. Iets wat hij niet tegen mij wil zeggen...'

Er werd op de deur geklopt. Een verpleegster kwam binnen met de ontslagpapieren. David keek toe terwijl Kate ging zitten en gedwee de papieren tekende. De pen trilde in haar hand. Hij kon nauwelijks geloven dat dit dezelfde vrouw was die kortgeleden zijn kantoor binnen was gestormd. Die dag was hij onder de indruk geweest van haar ijzeren wil en vastberadenheid.

Nu was hij net zo onder de indruk van haar kwetsbaarheid.

Nadat de verpleegster was vertrokken, liet Kate zich tegen de kussens zakken.

'Is er een plek waar je naartoe kunt gaan?' vroeg hij. 'Als je hier weg bent.'

'Mijn vrienden hebben een huisje waar ze amper gebruik van maken. Ik heb gehoord dat het aan het strand ligt.' Ze zuchtte en keek weemoedig uit het raam. 'Een strand lijkt me wel wat op dit ogenblik.'

'Ben je daar alleen? Is dat wel veilig?'

Ze antwoordde niet en bleef uit het raam staren. I iet zat hem niet lekker dat ze daar alleen en onbeschermd in dat huisje zou zitten, en hij moest zichzelf er dan ook aan herinneren dat ze niet zijn probleem was. Dat hij wel gek zou zijn om zich met deze vrouw in te laten. Laat de politie maar voor haar zorgen, tenslotte was ze hun verantwoordelijkheid.

Hij stond op om weg te gaan. Zij bleef zitten zoals ze zat, ineengedoken in het bed, met haar armen beschermend om zichzelf heen geslagen. Het zag er triest uit. Terwijl hij de kamer uit liep, hoorde hij haar zacht zeggen: 'Ik geloof niet dat ik me ooit nog veilig zal voelen.'