Hoofdstuk 15
'Schuif op.'zei hij.
'Guy, mijn arm-'
'Ik zei schuif op.'
Wanhopig keek ze om zich heen of er iemand was die haar zou kunnen horen schreeuwen. Maar het parkeerterrein was verlaten, en het enige geluid dat te horen was, was het geroffel van de regen op het dak van de auto.
Ontsnappen was onmogelijk. Guy stond voor de stoel van de bestuurder, en het zou haar nooit lukken om snel genoeg de passagiersdeur open te krijgen.
Voor ze kon bedenken wat ze dan moest doen, duwde Guy haar opzij en ging achter het stuur zitten. Met een klap trok hij de deur dicht. Door het raam wierp het grijze avondlicht een waterige gloed op zijn gezicht.
'Je sleutels, Kate,' zei hij.
De sleutels waren naast haar op de stoel gevallen, en ze maakte geen aanstalten ze te pakken.
'Geef me die verdomde sleutels!' Plotseling zag hij ze, ondanks het weinige licht. Hij griste ze weg en stak ze in het contact. Meteen vloog ze op hem af. Als een gekooid dier klauwde ze naar zijn gezicht. Op het allerlaatste moment stond het haar echter tegen om zo naar hem uit te halen en aarzelde ze. Het duurde maar een fractie van een seconde, maar het was lang genoeg voor hem om te reageren.
Hij week opzij, greep haar vuist en gaf er zo'n harde ruk aan dat ze tegen de stoel werd gesmeten.
'Als het niet anders kan,' zei hij dodelijk kalm, 'dan zweer ik dat ik je arm breek.' Vervolgens zette hij de auto in zijn achteruit, gaf vol gas en reed van het parkeerterrein de weg op.
' Waar breng je me naartoe?' vroeg ze.
'Ergens. Het maakt niet uit waar. Ik ga je wat vertelleden jij gaat naar me luisteren.'
'W-wat ga je me vertellen?'
'Dat weet je verdomde goed!'
Toen ze een kruising naderden, keek ze wanhopig om zich heen. Als ze zich uit de auto kon werpen...
Maar hij had haar al door. Hij greep haar arm, trok haar naar zich toe en schoot precies op het moment dat het licht op rood sprong de kruising over.
Dat was het laatste stoplicht voor de snelweg. De auto maakte vaart. Vertwijfeld zag ze dat de snelheidsmeter naar negentig kilometer klom. Haar kans was verkeken. Als ze er nu uit zou springen, zou ze haar nek breken.
Omdat hij net zo goed als zij wist dat ze dat nooit zou riskeren, liet hij haar los. 'Het was jouw zaak niet,Kate,' zei hij. Hij richtte zijn ogen op de weg. 'Je had niet het recht je ermee te bemoeien. Totaal niet.'
'Ellen was mijn patiënt, ónze patiënt -'
'Dat betekent nog niet dat je mijn leven overhoop kunt halen!'
'En hoe zit het met haar leven? En met dat van Ann? Ze zijn dood, Guy!'
'En met hen het verleden! Ik zou zeggen: laat dat zo.'
'Mijn god, ik dacht dat ik je kende. Ik dacht dat we vrienden waren-'
ik moet mijn zoon beschermen. En Susan. Denk je dacht ik passief toe ga staan kijken hoe ze de vernieling in worden geholpen?'
'Ze halen de jongen echt niet bij je weg! Niet na vijf jaar! De rechter geeft je echt wel de voogdij -'
'Denk je dat ik me daar zorgen om maak, om de voogdij? O, we zullen William wel houden - er is geen rechter die hem bij me weg kan halen en hem aan zo'n gek als Decker zal geven - nee, waar ik over inzit, is Susan.'
Door de regen was de weg zo glad dat het gevaarlijk was om te rijden. Guy moest beide handen op het stuur houden. Als ze nu naar hem uithaalde, zou de auto gaan slippen en zou het hun dood worden. Dus zou ze wachten tot zich een andere gelegenheid voordeed.
'Ik begrijp het niet,' hield ze aan, terwijl ze keek of er niet een gestrande auto stond of een file was of iets anders waardoor ze langzamer zouden moeten gaan rijden. 'Hoe bedoel je dat je inzit over Susan?''Ze weet het niet.' Toen Kate hem ongelovig aankeek, knikte hij. 'Ze denkt dat William haar eigen kind is.'
'Hoe kan het nou dat ze dat niet weet?'
'Ik heb het geheimgehouden voor haar. Vijf jaar lang. Ze was onder narcose toen ons kind geboren werd. Het was een nachtmerrie, die hectiek, die paniek toen er plotseling een keizersnee moest worden gedaan. Het was ons derde kind, Kate. Onze laatste kans. En ze werd doodgeboren...' Hij schraapte zijn keel. Toen hij verder sprak, klonk zijn stem rauw van de pijn. 'Ik wist niet wat ik moest doen. Wat ik Susan moest vertellen. Ze lag te slapen. Zo vredig, zo gelukkig. En daar stond ik, met ons doodgeboren kindje in mijn armen.'
'Je hebt net gedaan of het kind van Jenny Brook van jullie was.'
Met de achterkant van zijn hand veegde hij snel over zijn gezicht. 'Het was... Het was de hand van God. Zie je dat niet in? De hand van God. Zo zag ik het destijds. De vrouw was net gestorven. En in de kamer ernaast lag een jongetje te huilen, een perfect jongetje. Er was niemand om hem te troosten, niemand om van hem te houden. Niemand wist iets over de vader van het kind. Blijkbaar waren er geen familieleden die zich over het kind ontfermden. En Susan was al bezig wakker te worden. Kun je dat dan niet begrijpen? Het zou haar dood zijn geworden als ze erachter was gekomen. God heeft ons die jongen gegeven! Het was alsof... alsof H ij het zo bedoeld had. Dat voelden we allemaal zo. Ann. Ellen. Alleen Tanaka...'
'Was hij het er niet mee eens?'
'In eerste instantie niet. Ik heb hem zo'n beetje gesmeekt. Pas toen Susan haar ogen opendeed en naar haar kind vroeg, gaf hij toe. Dus bracht Ellen de jongen naar de kamer en legde hem in Susans armen. En mijn Susan... Ze keek naar hem en begon... en begon te huilen...' Guy veegde met zijn mouw over zijn gezicht. 'Toen wisten we dat we juist hadden gehandeld.'
Ja, Kate kon zich wel indenken dat het op dat moment had geleken alsof het zo had moeten zijn. Een wijs besluit. Een beter bewijs voor de juistheid van de beslissing dan een pasgeborene die in de armen van zijn nieuwe moeder lag was er niet.
Maar diezelfde beslissing had tot vier moorden geleid.
En over niet al te lange tijd zouden het er vijf zijn.
De auto begon plotseling langzamer te rijden. Met hernieuwde hoop keek ze op. Het was drukker geworden op de snelweg. Een eind verderop was de Pali-tunnel, aan het oog onttrokken door een gordijn van regen. Ze wist dat er ergens bij de ingang een noodtelefoon hing. Als hij iets langzamer zou gaan rijden en ze de deur een stukje open kon duwen, zou ze zich misschien uit de auto kunnen gooien voor hij haar kon tegenhouden.
Ze kreeg niet de kans. In plaats van naar de tunnel te rijden, sloeg Guy af naar een door een dicht bos omgeven zijweg en reed hij langs een bord waarop pali uitzichtspunt stond. De laatste halte, dacht ze. Het uitzichtspunt lag op een uitstekende rots, hoog boven de vallei. Het was de plek waar geliefden zelfmoord pleegden en waar in vroeger tijden krijgers de dood in werden gejaagd.
In een laatste wanhopige poging om te ontsnappen dook ze naar de deur. Voor ze hem open kon krijgen, greep hij haar beet en trok haar terug. Ze draaide zich naar hem toe en haalde uit met haar vuisten. Guy probeerde haar af te weren en verloor daardoor de controle over het stuur. De auto raakte van de weg. Door het licht van de koplampen ving ze een glimp op van de bomen die voor hen opdoemden. Takken zwiepten tegen de voorruit, maar het kon haar niet meer schelen of ze ergens tegenaan botsten. Het enige waar ze aan dacht, was aan ontsnappen.
De strijd werd beslist door de overweldigende kracht van Guy. Met zijn volle gewicht duwde hij haar terug. Toen greep hij vloekend het stuur en gaf er een ruk naar links aan. De rechterkant van het spatbord schraapte langs de bomen toen de auto weer de weg op draaide.
Kate, die hulpeloos in de stoel zat, kon alleen maar toekijken terwijl ze zigzaggend de laatste meters naar het uitzichtspunt aflegden.
Guy parkeerde de auto en zette de motor af. Lange tijd bleef hij zitten, zonder iets te zeggen, alsof hij moed aan het verzamelen was om het werk af te maken.
Buiten was het inmiddels gaan motregenen, en aan de rand van de rots zweefden mistflarden die het zicht op de dodelijke afgrond belemmerden.'Dat was een verdomd stomme stunt die je daar uithaalde,' zei hij rustig. 'Waarom deed je dat in godsnaam?'
Langzaam boog ze haar hoofd. Ineens was ze doodop en had ze het gevoel dat ze zelf niets meer aan haar lot kon veranderen. 'Omdat je me gaat vermoorden,' fluisterde ze. 'Net zoals je de anderen hebt vermoord.'
'Net zoals ik wat heb gedaan?'
Ze keek op en speurde in zijn ogen naar een spoor van berouw. Kon ze hem maar bereiken en een laatste restje menselijkheid uit hem trekken. 'Was het makkelijk?' vroeg ze zacht. 'Om Anns keel door te snijden? Om haar dood te zien bloeden?'
'Bedoel je... Denk je echt dat ik... Goeie god!' Hij boog zijn hoofd en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Plotseling begon hij te lachen. Eerst zacht, toen harder en ongeremder, tot zijn hele lichaam schokte van iets wat meer leek op snikken dan lachen. Hij zag de twee koplampen die uit de mist opdoemden niet.
Kate keek om zich heen en zag wel dat er een andere auto aankwam. Dit was haar kans om de deur open te gooien en hulp te gaan halen. Maar ze deed het niet. Op dat moment wist ze dat Guy niet echt van plan was geweest haar iets aan te doen. Dat hij niet in staat was tot moord.
Zomaar opeens duwde hij zijn deur open en stommelde naar buiten, de mist in. Bij de rand van het uit- zichtspunt bleef hij staan, zijn hoofd en schouders gebogen alsof hij stond te bidden.Kate stapte de auto uit en liep hem achterna. Ze zei niets. Ze stak alleen haar hand uit en raakte zijn arm aan. De pijn en de verwarring die hij voelde was bijna tastbaar. 'Dus jij hebt ze niet vermoord,' zei ze.
Hij keek op en ademde diep en langzaam in. 'Ik zou bijna alles doen om mijn zoon te houden. Maar moord?' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee. O god, nee. Niet dat het niet door mijn hoofd heeft gespeeld om Decker te vermoorden. Wie zou hem hebben gemist? Hij was niets, gewoon een... een stuk vuil. En het leek zo makkelijk. Misschien was het zelfs de enige uitweg. Hij was niet van plan op te geven. Hij bleef mensen lastigvallen met zijn vragen. Hij wilde per se weten waar het kind was.'
' Hoe wist hij dat de baby leefde?'
'Er was die nacht nog een arts in de verloskamer.'
'Dokter Vaughn, bedoel je?'
'Decker heeft met hem gepraat en is net genoeg te weten gekomen.'
'En toen stierf dokter Vaughn in een auto-ongeluk.'
Guy knikte. 'Ik dacht dat de kous daarmee afwas. Ik dacht dat het voorbij was. Tot Decker uit de inrichting kwam. Vroeg of laat zou iemand gepraat hebben. Tanaka was al zover. En Ann was doodsbang. Ik heb haar wat geld gegeven om de eilanden te verlaten, maar ze heeft het niet gered. Decker was sneller.'
'Dat slaat nergens op, Guy. Waarom zou hij de enige mensen die hem antwoorden op zijn vragen konden geven, vermoorden?'
'Hij was psychotisch.'
'Zelfs psychoten houden er een soort van logica op
na.'
'Hij moet het geweest zijn. Er was niemand anders die-'
Ergens vanuit de mist kwam het geluid van een harde klik van metaal. Als bevroren bleven Kate en Guy staan luisteren toen voetstappen langzaam dichterbij kwamen. De avond begon nu snel te vallen, en uit de schemer kwam een figuur tevoorschijn die langzaam vorm aannam. Zelfs in het sombere schemerlicht leek Susan Santini's rode haar te fonkelen. Het was echter het saaie grijs van het pistool dat Kates blik trok. J
'Ga opzij, Guy,' gebood Susan zacht.
Guy was te verbouwereerd om iets te doen of te zeggen. Het enige waartoe hij in staat was, was sprakeloos naar zijn vrouw staren.
'Jij was het,' mompelde Kate stomverbaasd. 'Jij was het, en niet Decker.'
Langzaam richtte Susan haar blik op Kate. Door de sluier van mist die tussen hen in zweefde leek haar gezicht net zo vaag en vormeloos als dat van een geestverschijning. 'Je begrijpt het niet, hè? Maar je hebt ook nooit een kind gehad, Kate. Je hebt nooit in angst gezeten dat iemand het iets zou aandoen of bij je zou weghalen. Dat is het enige waar een moeder aan denkt en zich zorgen over maakt. Het is het enige waar ik me ooit zorgen over heb gemaakt.'
Guy kreunde. 'Mijn god, Susan. Begrijp je wel wat je hebt gedaan?'
'Jij zou het niet hebben gedaan, dus moest ik wei.
Al die jaren wist ik het niet van William. Je had het me moeten vertellen, Guy. Je had het me moeten vertellen. Nu moest ik het horen van Tanaka.'
'Je hebt vier mensen vermoord, Susan!'
'Nee, niet vier. Drie maar. Ik heb Ellen niet vermoord.' Susan knikte naar Kate. 'Dat heeft zij gedaan.'
Met grote ogen keek Kate haar aan. 'Wat bedoel je?'
'Er zat geen succinylcholine in het flesje, maar ka- liumchloride. En jij hebt Ellen de dodelijke dosis toegediend.' Haar blik keerde weer terug naar haar echtgenoot. 'Ik wilde niet dat jij de schuld kreeg, lieveling. Ik wilde niet dat je gekwetst werd, net zoals bij het vorige proces. Dus heb ik het ECG verwisseld en haar initialen erop gezet.'
'Zodat ik de schuld kreeg,' zei Kate.
Susan knikte en hief haar pistool. 'Ja, Kate. Jij kreeg de schuld. Het spijt me. En ga nu alsjeblieft opzij, Guy. Het moet gedaan worden, voor Williams bestwil.'
'Nee, Susan.'
Ongelovig fronste ze haar wenkbrauwen. 'Ze zullen hem bij me weghalen. Begrijp je dat niet? Ze zullen mijn kindje weghalen.'
'Zover laat ik het niet komen. Dat beloof ik je.'
Susan schudde haar hoofd. 'Het is te laat, Guy. Ik heb de anderen vermoord, en zij is de enige die dat weet.'
'Maar ik weet het nu ook!' barstte Guy uit. 'Ga je mij ook vermoorden?'
'Jij zult niemand iets vertellen. Jij bent mijn echtgenoot.'
'Susan, geef me het pistool.' Langzaam, met uitgestoken hand, liep Guy naar haar toe. Zijn stem werd lager, liever, intiemer. 'Alsjeblieft, schat. Er gebeurt niets. Ik zorg voor alles. Geef het gewoon aan me.'
Susan deed een stap achteruit en verloor bijna haar evenwicht op de oneffen grond.
Guy bleef stokstijf stilstaan toen de loop van het pistool een paar tellen zijn richting uit zwaaide. 'Je doet me niets, Susan.'
'Alsjeblieft, Guy...'
Hij deed een stap naar voren. 'Toch?'
'Ik hou van je,' zei ze kreunend.
'Geef me dan het pistool. Ja, lieverd. Geef het aan me...'
De afstand tussen hen werd kleiner en kleiner. Guy had zijn hand naar haar uitgestoken en verleidde haar met de belofte van warmte en veiligheid. Met ogen vol verlangen keek ze ernaar, alsof ze diep vanbinnen wist dat dat voor altijd onbereikbaar voor haar was. Het pistool was nog maar een paar centimeter van Guys hand verwijderd en nog bewoog ze zich niet, verlamd door de onvermijdelijke nederlaag.
Guy, die merkte dat ze toegaf, overbrugde snel de afstand tussen hen. Hij greep het pistool bij de loop en probeerde het wapen uit haar handen te trekken.
Ze liet echter niet los. In een laatste poging tot verzet probeerde ze het los te rukken.
'Laat los!' schreeuwde ze.'Geef het aan mij,' zei Guy, vechtend om het wapen te bemachtigen. 'Geef het aan mij, Susan!'
Ze stonden allebei als standbeelden zo stil nadat het schot was gevallen. Stomverbaasd keken ze elkaar aan, geen van beiden genegen te geloven wat er zojuist was gebeurd. Toen stommelde Guy, naar zijn been grijpend, naar achteren.
'Nee!' Susans gil steeg op en zweefde als een spook door de mist. Langzaam, met een wanhopige blik in haar ogen, draaide ze zich om naar Kate. Ze had het pistool nog steeds vast.
Dat was het moment waarop Kate begon te rennen. Wanhopig, zonder iets te zien, rende ze de mist in. Ze hoorde een schot. Er vloog een kogel langs haar die in de zachte aarde naast haar voeten terechtkwam. Ze had geen tijd om te kijken waar ze was, om terug te lopen naar de weg, en dus bleef ze rennen en bad dat Susan haar door de mist niet kon zien.
Plotseling merkte ze dat ze grond begon te stijgen. Door flarden van mist zag ze de uiterste rand van de rotsrichel, hier en daar begroeid met struiken. Met een ruk draaide ze zich om, zich onmiddellijk realiserend dat de weg naar de hoofdweg geblokkeerd werd door Susan. Ze kon maar één kant op, naar links, naar de vroegere Pali-weg, nu niet meer dan een verzameling stenen. Het was de oorspronkelijke weg over de rotsen, lang geleden overgelaten aan de elementen. Ze had geen idee tot hoever de weg liep, ze wist alleen dat sommige stukken naar beneden waren gestort.
De naderbij komende voetstappen lieten haar geen keus. Ze klauterde over een lage betonnen muur en gleed hulpeloos naar beneden over de modderige helling. Door takken en planten vast te grijpen wist ze haar val te breken, tot ze, onder de schrammen en buiten adem, op een stuk weg belandde. De oude Pali- weg.
Ergens boven haar, verborgen tussen de mistflarden, hoorde ze geritsel in de bosjes. 'Je kunt nergens heen, Kate!' Susans lichaamloze stem leek van alle kanten tegelijk te komen. 'De oude weg is niet zo lang. Eén verkeerde stap en je valt van de rots. Dus je kunt maar beter voorzichtig zijn...'
Voorzichtig... voorzichtig... De geschreeuwde waarschuwing echode tegen de rots en spatte in angstaanjagende stukjes geluid uiteen. Het geritsel van de bosjes kwam dichterbij. Susan kwam dichterbij. Ze nam er alle tijd voor en vorderde langzaam maar gestaag. Haar slachtoffer zat in de val, en dat wist ze.
Maar in de val zitten was niet hetzelfde als hulpeloos zijn.
Kate sprong op en begon te rennen. De oude weg zat vol scheuren en gaten. Op sommige plekken was de weg bijna helemaal afgebrokkeld en groeiden er jonge bomen doorheen, waardoor het asfalt nog meer verbrokkeld was. Ze probeerde door de mist te turen, maar ze kon nog geen meter voor zich uit kijken. Het zou nu snel helemaal donker zijn, en dan zou ze helemaal niets meer kunnen zien. Aan de andere kant zou de duisternis haar ook beschermen.
Waar kon ze zich verstoppen? Aan haar rechterkant ging de rots steil omhoog, aan haar linkerkant verdween de weg in de afgrond. Ze had maar één keus: rennen.
Ze struikelde over een losse kei en viel languit op het ruwe asfalt. Zich niet bewust van de pijn in haar knieën stond ze meteen weer op. Zelfs onder het rennen dwong ze zichzelf na te blijven denken. Zou er aan het eind van de weg een hek of iets dergelijks staan, of zou ze regelrecht de vergetelheid in duiken? Hoe het ook zij, in beide gevallen was het onmogelijk te ontsnappen. Er zou geschoten worden en vervolgens zou ze van de rots naar beneden vallen. Hoe lang zou het duren voor ze haar lichaam zouden vinden?
Er woei een windvlaag over de weg. Heel even trok de mist weg. Aan haar rechterkant zag ze de rotswand, die begroeid was met dichte struiken. Halverwege de wand, bijna aan het oog onttrokken door de bosjes, was de ingang van een grot. Als ze daar kon komen, als ze via de struiken omhoog kon klauteren voor Susan hier was, kon ze zich verbergen tot er hulp kwam. Als er tenminste hulp kwam.
Ze liep de bosjes in en begon te klimmen. Door de regen was de helling modderig geworden, en ze moest zich aan de wortels en takken vastgrijpen om omhoog te komen. Al die tijd liep ze het gevaar een losliggende steen weg te schoppen, die dan met veel gekletter de weg op zou rollen. Susan zou meteen gewaarschuwd zijn. En zij zou als een vlieg tegen de wand zitten. Eén goed geplaatste kogel zou er een eind aan maken.
Ze bleef doodstil hangen toen ze voetstappen hoorde. Op dat moment dreef de wind de wolken te- gen de wand en werd Kate in een zilverkleurige mist gehuld. De voeten bleven niet stilstaan maar liepen langzaam verder. Pas toen het geluid weggestorven was, durfde Kate weer verder te klimmen.
Tegen de tijd dat ze bij de ingang van de grot was, waren haar handen tot klauwen verkrampt. Met haar laatste kracht hees ze zichzelf omhoog in de modderige opening. Daar stortte ze happend naar adem in elkaar. Druppels vocht drupten van de boomwortels boven op haar gezicht. Ergens in het donker hoorde ze iets bewegen, en ze voelde iets over haar arm wegvluchten. Een kever. Ze had niet de energie om hem weg te vegen. Uitgeput en trillerig krulde ze zich als een hondje op. De wind wakkerde aan en veegde de wolken uit de bergpas. De mist was al aan het wegtrekken. Als ze het maar kon uithouden tot de avond viel. De duisternis was haar enige hoop.
Ze sloot haar ogen en concentreerde zich op het beeld van David. Kon hij haar stille roep om hulp maar horen. Maar hij kon haar niet helpen. Niemand kon haar helpen. Ze vroeg zich af hoe hij zou reageren op haar dood. Zou hij verdrietig zijn, of zou hij het afdoen als een tragisch einde van een doodgebloede relatie? Dat deed nog het meeste pijn, de gedachte aan zijn onverschilligheid.
Ze verborg haar gezicht in haar armen, waardoor haar hete tranen zich vermengden met het ijskoude water op haar wangen. Ze had zich nog nooit zo alleen, zo verlaten gevoeld. Ineens deed het er niet meer toe of ze bleef leven of doodging, het enige wat belangrijk was, was dat het iemand iets kon schelen.
Maar dat was niet zo, dacht ze, ik ben de enige die het echt wat kan schelen.
Een wanhopige innerlijke kracht roerde zich in haar, en langzaam strekte ze haar ledematen en keek door de dunne flarden mist die langs de grot zweefden. Het maakte haar kwaad dat haar leven haar misschien ontnomen werd en dat de man van wie ze hield er niet eens was om haar te helpen.
Als ik gered wil worden, moet ik het zelf doen.
Aan de voetstappen te horen die langzaam terugkeerden, zou de duisternis te laat komen om haar te redden. Door de wirwar aan takken die voor de opening van de grot zat, zag ze tegen de achtergrond van de schemer het fluweelachtige groen van een nabijgelegen rots. De mist was verdwenen, en dus was ze niet langer onzichtbaar.
'Je bent daarboven, hè?' Susans stem steeg op van de weg, een geluid dat zo kil klonk dat Kate begon te rillen. 'Het was me bijna ontgaan. Er is alleen één vervelend ding met grotten: ze lopen dood.'
Rotsblokken vielen langs de helling naar beneden en kletterden op de weg. Het geluid leek op dat van pistoolschoten. Ze klimt omhoog, dacht Kate radeloos. Ze komt naar me toe...
De enige manier om te ontsnappen was door weer terug door de ingang van de grot te gaan, recht in Susans vuurlinie.
Een takje knapte en er rolden nog meer stenen van de berg af. Susan kwam dichterbij. Kate had geen enkele keus; of ze moest nu vluchten, of ze zat als een rat in de val.Snel tastte ze om zich heen in de modder en vond een vuistgrote steen. Het stelde niet veel voor vergeleken met een pistool, maar het was alles wat ze had. Voorzichtig stak ze haar hoofd naar buiten. Tot haar afschuw zag ze dat Susan al halverwege de helling was.
Hun ogen ontmoetten elkaar. Op dat moment zagen ze allebei de wanhoop van de ander. De een vocht voor haar leven, de ander voor haar kind, en dat gevecht kon alleen maar eindigen in de dood.
Susan richtte de loop van het pistool op het hoofd van haar tegenstander.
Kate gooide de steen naar haar toe.
Het scheerde langs de struiken en kwam tegen Su- sans schouder aan. Susan schreeuwde het uit en gleed bijna een meter naar beneden voor ze zich aan een tak wist van te grijpen. Daar bleef ze even perplex hangen.
Kate kroop de grot uit en begon zich een weg omhoog te banen. Maar zelfs terwijl ze zich tak voor tak omhoogtrok, schreeuwde een deel van haar hersenen dat dit onmogelijk was, dat de helling veel te steil was en de struiken te nietig om haar gewicht te kunnen dragen. Haar armen en benen schenen echter uit zichzelf te bewegen, gedreven door een instinct te overleven. Haar mouwen waren gescheurd door de doornen en haar handen en armen waren nu al geschaafd, maar ze was te bang om de pijn te voelen.Een kogel ketste aftegen een rotsblok. Kate kromp ineen toen de kapotgeschoten steen en de aarde tegen haar gezicht spatte. Susan richtte in het wilde weg; ze kon zich nier tegelijkertijd aan de berg vastklampen en nauwkeurig richten.
Toen Kate omhoogkeek, zag ze dat ze onder een stuk overhangende rots was, die helemaal overwoekerd was met stengels van klimplanten. Was ze sterk genoeg om zichzelf over de top te hijsen? Zouden de planten haar gewicht houden? De helling was onmogelijk steil en ze was moe, zo vreselijk moe.
Er klonk weer een schot. De kogel floot rakelings langs haar heen. Buiten zichzelf van angst greep Kate een stengel en begon de rotswand te beklimmen. Haar voeten gleden weg tot ze een holte vond om haar tenen in re zetten. Weer klom ze een paar centimeter hoger, toen nog een paar, terwijl haar knieën langs het ruwe vulkanische gesteente schuurden. Hoog boven haar scheerden de wolken voorbij, haar tartend met de belofte van vrijheid. Hoeveel kogels had Susan nog over?
Er was er maar één nodig...
Iedere centimeter was een foltering. Haar spieren schreeuwden om rust. Zelfs als ze door een kogel geraakt zou worden, betwijfelde ze het of ze de pijn zou voelen.
Toen ze eindelijk boven op de rotspunt stond, was ze te uitgeput om iets van triomf te voelen. Ze rolde naar een nauwe richel, of eigenlijk gewoon een platte steen die glibberig was van de regen en het mos, maar nog nooit had een bed zo goed gevoeld. Kon ze hier maar blijven liggen. Kon ze haar ogen maar sluiten en slapen! Maar er was geen tijd om te rusten, geen tijd om de spanning in haar lichaam weg te nemen; Susan zat vlak achter haar.Ze ging staan en merkte dat haar benen trilden van de inspanning en ze bijna omver werd geblazen door de fluitende wind. Een van haar schoenen was gevallen tijdens de klim, en met iedere stap staken er meer doornen in haar blote voet. Maar hier was het makkelijker om omhoog te klimmen en ze had nog maar een paar meter te gaan voor ze boven op de berg was.
Ze haalde het niet.
Een laatste schot. Wat ze voelde was geen pijn, maar verrassing. Een doffe dreun van de kogel die in haar schouder sloeg. De hemel boven haar begon te draaien. Even zwaaide ze heen en weer, net zo onregelmatig als een rietstengel in de wind. Toen merkte
ze dat ze achteroverviel. Ze begon te rollen en te rollen en rolde zo de vergetelheid in.
Het was een halekoastruik, een van die taaie struiken die hun wortels diep in de Hawaïaanse aarde graven, die haar het leven redde. Ze bleef er met haar benen achter haken, waardoor haar val afgeremd werd en ze niet over de rand viel. Terwijl ze daar lag en even niet wist waar ze was, hoorde ze in de verte een raar gegil. In haar verwarde toestand dacht ze dat het een kind was dat huilde. Het geluid werd langzaamaan steeds harder.
Door de hallucinatie kwam ze weer bij bewustzijn. Verdwaasd opende ze haar ogen naar de grijze wolkenlucht. Het kindergeluid veranderde plotseling in het ritmische geloei van politiesirenes. Er kwam hulp aan. Redding.Buiten haar gezichtsveld zag ze ineens een schaduw bewegen. Ze deed haar best om te zien wie de fi- guur was die boven haar stond. Tegen de donker wordende lucht was Susan Santini's gezicht niet meer dan een zwart silhouet met verwaaide haren.
Zonder iets te zeggen richtte Susan haar pistool op Kates hoofd. Heel even bleef ze zo staan, met een wapperende rok, het pistool stevig in beide handen. Een windstoot woei over de richel, en ze wankelde even op de glibberige rots.
Het gehuil van de sirenes hield plotseling op, schreeuwende mannenstemmen stegen omhoog vanuit de vallei.
Kate ging rechtop zitten en keek recht in de loop van het pistool. Toch wist ze rustig uit te brengen: 'Het heeft geen zin meer om me te vermoorden, Susan. Ofwel?'
'Je weet het van William.'
'Zij ook.' Zwakjes knikte Kate naar de verre stemmen, die steeds dichterbij kwamen.
' Nee, dat doen ze niet. Niet als jij ze niets vertelt.'
'Waarom denk je dat ik ze niets heb verteld?'
Het pistool zwaaide heen en weer. 'Nee!' riep Susan, een spoortje paniek in haar stem. 'Je kan ze niets verteld hebben, want je wist het niet zeker en -'
'Je hebt hulp nodig, Susan. Ik zal zorgen dat je die krijgt. Alle hulp die je nodig hebt.'
De loop was nog steeds op haar hoofd gericht. Er was maar één vingerbeweging, één klik van de trekker voor nodig om Kates wereld te eindigen. Ze keek omhoog in die zwarte cirkel en vroeg zich af of ze de kogel zou voelen. Wat vreemd dat ze haar eigen dood zo rustig onder ogen kon zien. Ze had gevochten voor haar leven en verloren. Het enige wat ze nu nog kon doen, was wachten op het einde.
Op dat moment voerde de wind een stem mee die haar naam riep. Weer een hallucinatie, dacht ze. Dat kon niet anders...
Maar daar was hij weer: Davids stem die haar naam riep, keer op keer op keer.
Plotseling wilde ze blijven leven. Ze wilde hem alle dingen zeggen waarvoor ze te trots was geweest om ze te zeggen. Dat het leven te kostbaar was om aan in het verleden opgelopen wonden te verspillen. Dat als hij haar de kans zou geven, ze hem kon helpen alle pijn die hij ooit had gevoeld, te vergeten.
'Alsjeblieft, Susan,' fluisterde ze. 'Leg je pistool neer.'
Susan wipte van haar ene been op haar andere, maar bleef het pistool vasthouden. Blijkbaar luisterde ze naar de stemmen die via de oude Pali-weg steeds dichterbij kwamen.
'Begrijp je het dan niet?' riep Kate. 'Als je me vermoordt, ben je je zoon zeker kwijt!'
Haar woorden leken alle kracht uit Susans armen te zuigen. Langzaam, bijna onmerkbaar, liet ze het pistool zakken. Heel even stond ze roerloos, haar hoofd gebogen als een rouwende. Toen draaide ze zich om en keek over de rand van de rots naar de weg daar ver onder. 'Het is nu te laat,' zei ze zo zacht dat de woorden bijna verloren gingen in de wind. 'Ik ben hem al kwijt.'
Een koor van stemmen van beneden af maakte hen duidelijk dat ze gezien waren.
Susan, haar haren opspringend als vlammen, keek omlaag naar het groepje mannen.' Het is beter zo,' zei ze. 'Dan heeft hij alleen maar goede herinneringen aan me. Zo moet een jeugd zijn, weet je, met alleen maar goede herinneringen...'
Misschien was het een plotselinge windstoot die haar omverblies - Kate zou het nooit zeker weten. Het enige wat ze wist, was dat Susan op het ene moment op de rand van de rots stond en ze het andere moment verdwenen was.
Ze viel zonder geluid te maken.
Het was Kate die snikte. Ze viel achterover in het koude, harde bed van steen. En terwijl de wereld om haar heen draaide, huilde ze, in stilte, voor de vrouw die zojuist was gestorven en de vier anderen die het leven hadden gelaten. Zoveel doden, zoveel leed. En dat allemaal in naam van de liefde.