16 Confrontatie
Het was een schitterende zonsopgang.
Tinuva, zijn blik naar het oosten gericht, voelde dat de zon boven de bergen was uitgekomen. De wereld rondom hem was grijs, helemaal grijs, en de sneeuw dwarrelde in wervelstormpjes om hem heen. Hij wist nog dat zijn vader hem had gezegd dat als het sneeuwde, zelfs de mensen de wind konden zien, en dat was waar. Hij keek naar de dansende sneeuwvlagen, een enkele vlok die even vlak voor zijn ogen bleef zweven, een wervelend kristal van licht, dat op zijn uitademing smeltend wegdanste.
'Wat een mooie ochtend,' fluisterde Tinuva.
'Hè?'
Hij keek naar Gregory en glimlachte. 'Een mooie ochtend.'
'Mijn vriend, je bent vast niet helemaal lekker,' zuchtte Gregory.
Tinuva stak zijn hand uit en legde hem even op Gregory's schouder. Het gebaar overrompelde zijn sterfelijke vriend een ogenblik. Tinuva zei niets. De stem in zijn hart, de fluistering van het woud, had hem al genoeg gezegd. Ze wachtten nog een tijdlang, maar er naderden geen achtervolgers.
'Ze moeten zijn gestopt om te rusten; fluisterde Gregory tenslotte.
Tinuva knikte instemmend, en allebei klauterden ze van de lage rotsuitstulping omlaag, stegen op het ene paard dat de achterhoede tot zijn beschikking had, en reden de halve mijl terug. Gregory bootste het krassen van een uil na om Hartrafts mannen van hun nadering op de hoogte te brengen. Het achterste peloton zat goed verborgen achter een omgevallen boom, en ze hielden in. De zes mannen stonden op, hun mantels terug slaand. Drie van hen waren Tsurani, onder het bevel van een Koninkrijkse korporaal.
'Niets,' zei Gregory. 'Terugtrekken maar.'
'De weg gaat nog maar een paar honderd el door,' zei een van de mannen. 'En er is slecht nieuws.'
'Wat dan?' vroeg Gregory.
'De brug. Er is net een ruiter geweest. Dennis heeft hem ingenomen, maar de balken hebben het begeven. Toen hij kwam, hadden de gnomen onder leiding van een moredhel hem al in brand gestoken.'
Gregory keek Tinuva aan, en ze stegen af. Zonder een woord stak Tinuva een hand in zijn zadeltas, haalde er een handvol haver uit en gaf zijn paard te eten, zachtjes zijn neus strelend en zich op fluistertoon verontschuldigend voor het jachtige tempo door de donkere bossen.
'We nemen hier stelling in,' sprak de korporaal op vlakke toon. 'Om tijd te rekken zodat ze een nieuwe balk kunnen leggen.'
'En die molen dan die daar staat?' vroeg Gregory. 'Daar kunnen ze toch balken uit halen?'
'Die molen is stokoud,' zei Tinuva zacht, zijn aandacht nog steeds gericht op het paard. 'Die balken zijn door en door verrot. Ze zullen wat bomen moeten vellen en een hijstoestel in elkaar moeten zetten om een balk naar de overkant te schuiven. Dat kost uren.'
'Dan klimmen we die kloof in om dat rotding over te steken.' Tinuva schudde zijn hoofd. 'Misschien dat jij en ik het kunnen, maar de kinderen, de oude vrouwen?'
Vloekend liet Gregory zich op de grond zakken.
De korporaal keek van de een naar de ander. 'Hoeveel tijd hebben we?'
'Weet ik niet,' zuchtte Gregory.
'Niet zo lang,' antwoordde Tinuva. 'Ze komen eraan.'
'Heeft Dennis alleen jullie hierheen gestuurd?' vroeg Gregory, kijkend naar de zes mannen.
De korporaal knikte. 'Hartraft wil dat we hen zo lang mogelijk ophouden, alle anderen zijn nodig om de bomen te kappen, het hijstoestel te bouwen en een verdedigings-bolwerk te maken voor als we de brug niet op tijd af krijgen. Zodra het tot een treffen komt, moet een van ons terugrijden om te gaan waarschuwen.'
'Gaan jullie allemaal maar terug,' zei Tinuva zacht.
Gregory keek op, en glimlachend vouwde Tinuva een kleine leren emmer open, goot zijn laatste water erin en gaf het zijn paard te drinken. 'Jullie hebben me wel verstaan, ga maar terug.'
De korporaal aarzelde.
'Zes man extra kan het verschil uitmaken om die balk naar de overkant te krijgen. Wij regelen dit wel.'
De korporaal keek naar Gregory, die knikte.
'Ga maar, korporaal,' zei Tinuva. 'Neem mijn paard. Het is een zachtmoedig dier, vechten zit hem niet in het bloed, dus wees vriendelijk voor hem.' Hij klopte de verbaasde korporaal op de schouder en gaf hem een duwtje in de richting van zijn rijdier.
Na een schoorvoetende hoofdknik klom de korporaal in het zadel. 'Blijf niet te lang, heren.'
'We komen zo.'
De korporaal gaf zijn mannen een teken, en het zestal verdween snel door de sneeuw;
'Ga jij ook maar, Gregory.' 'Ik dacht het niet.'
'Eén extra tegen tweehonderd maakt ook niet zo'n verschil. Je weet wat me te doen staat.'
Gregory stond op. 'Al sinds mijn jeugd ben jij mijn vriend, Tinuva. Ik laat je nu niet alleen.'
'Het is nu tussen mijn broer en mij. Ik ken hem, Gregory, hij dorst hier al eeuwen naar. Ik ga terug, en hij weet dat ik op hem wacht. Zijn trots, zijn verlangen zal hem te veel worden, zodat hij halt zal laten houden om met mij te vechten. Als ik win, gaan de anderen misschien terug. Zo niet...' Zijn stem stierf weg. 'Nou ja, zo niet, dan zijn jullie in elk geval gered, en dat is goed genoeg.'
'Ik blijf bij je.'
'Dan word je meteen gedood, Gregory, en dat zal mij afleiden van wat ik moet doen. Ze dulden geen mens als getuige van wat er gaat gebeuren.'
'Nee, ik ga met je mee, Tinuva.'
Tinuva deed een stap naar hem toe, en op dat moment veranderde er iets in zijn uiterlijk, werd hij weer iets van wat hij lang geleden in deze bossen had achtergelaten. 'Ga weg!' Zijn stem klonk zwaar en machtig.
'Nee, verdomme. Nee!'
Het mes flitste alsof het op eigen kracht uit de schede was gesprongen.
Sissend van pijn en schrik deinsde Gregory terug. Hij hield zijn rechterhand omhoog, en het bloed droop van zijn vingers.
'Probeer nu nog maar eens een boog te spannen, Natalees,' snauwde Tinuva, zijn stem dreigend.
'Verdomme!' riep Gregory uit, schuddend met zijn gewonde hand.
Terwijl het bloed op de sneeuw drupte, probeerde hij zijn vingers te spannen.
'Ga weg!' Tinuva hief de dolk op. 'De volgende keer is het de andere hand, en dan zal ik ervoor zorgen dat je nooit meer een boog spant.'
Verbijsterd deinsde Gregory terug, met zijn linkerhand tastend naar zijn eigen dolk. Weer sprong Tinuva naar voren, en Gregory's mes vloog tollend weg en verdween in de sneeuw:
'Loop dan maar naar de hel,' snauwde Gregory. Bevend liep hij achteruit. 'Loop naar de hel,' herhaalde hij met bijna brekende stem.
Tinuva glimlachte. Het gevoel van binnen was bijna angstaanjagend, een oude herinnering, de geschokte blik in andermans ogen, het ongeloof, de woede. Het bracht hem bijna vreugde, en hij vocht ertegen. Uiteindelijk liet hij zijn mes zakken. 'Ik wil dat je blijft leven,' fluisterde hij. 'Als je hier blijft ga je dood. Dit is tussen Bovai en mij, en jij kan niets doen. Zeg Hartraft de brug te herbouwen, over te steken en hem te vernietigen. Als het allemaal lukt, vind ik wel een andere weg terug.'
'Je gaat je dood tegemoet.'
'Zelfs zij die een lang leven beschoren zijn gaan hun dood tegemoet,' fluisterde Tinuva. 'Vanaf onze geboorte gaan we allemaal onze dood tegemoet, sommigen belanden er alleen wat eerder dan anderen.'
Gregory liet zijn hoofd zakken, en zijn schouders begonnen te schokken. Tinuva deed een stap naar voren en legde een hand op de schouder van zijn vriend, al hield hij de dolk wel in de aanslag. 'Van de mensen was jij de enige echte vriend die ik in deze wereld heb gevonden,' fluisterde hij. 'Er komt een dag waarop we weer samen op jacht gaan, met de wind in onze haren spoorzoekend door Yabon. Ga nu, mijn jonge vriend.' Tinuva gaf hem een kus op het voorhoofd.
Verrast keek Gregory op en zag tranen in de ogen van de elf.
Glimlachend veegde Tinuva een traan van zijn gezicht en drukte hem in de bloedende hand van zijn vriend.
Gregory lachte zachtjes. 'Er gebeurt niets,' verzuchtte hij. 'Dus dat verhaal over elfentranen die genezen is gewoon een sprookje.'
'Ja, gewoon een sprookje.'
Een tijdlang bleven ze zwijgend en roerloos staan, tot Tinuva zijn hoofd ophief en luisterde. 'Ze komen. Ga het Hartraft zeggen. Nu!' Hij stapte weg, zijn laatste woorden weer van een bevelende macht vervuld.
Even bleef Gregory als versteend staan voordat hij tenslotte opkeek. 'Tot onze volgende jachtpartij, mijn vriend.'
Maar Tinuva was al weg, verdwenen in het noodweer.
'Hij is er.'
'Wie, mijn hoofdman?'
Bovai hief zijn hand op om de colonne tot staan te brengen. Verward keek Golun hem aan. 'Tinuva. Hij is vlakbij. Hij wacht op me. Alleen.'
Golun keerde zijn paard en bleef tegenover Bovai staan. 'Rij hem dan omver,' siste hij. 'We weten niet of Vakar de brug wel heeft kunnen verwoesten. Als het hem niet is gelukt, zijn ze nu aan de overkant en maken zij hem kapot. We moesten wel halt houden zodat die vervloekte gnomen konden rusten, maar nu halen we hen in. Maak voort, mijn hoofdman.'
'Het is Vakar gelukt. Ze zitten in de val.'
'U mag dat dan voelen, sire, maar ik niet.'
'Bovai!'
De stem dreef mee op de wind, onaards, zwevend door de lucht. Bovai verstijfde. Zelfs Golun draaide zich om, liet zijn teugels vallen en greep naar zijn boog om die uit te pakken. Bovai stak zijn hand uit om hem tegen te houden.
'Bovai!'
Weer die echoënde kreet, eerder gevoeld dan daadwerkelijk gehoord. De stoet ruiters achter Bovai kwam in beweging, de bogen gingen omhoog.
'Stilhouden, allemaal,' zei Bovai, omkijkend naar zijn mede-moredhel. 'Het is Tinuva. De tijd voor de afrekening is gekomen.'
'Hij houdt ons op om tijd te rekken,' siste Golun, 'en daarna knijpt hij ertussen uit.'
Bovai keek om en schudde zijn hoofd. 'Hij is nu een van hen. Ondanks het kwaad van hun koningin en hun Machtswevers kennen de eledhel eer. Deze keer gaat hij er niet vandoor.'
Met een zucht liet Golun zijn hoofd zakken. 'Dan ligt het aan u of ze wel of niet ontsnappen.'
'Voordat de dag half om is, hebben we Hartraft en al de anderen.' Hij keek weer naar zijn volgelingen. 'Het zal maar een kleine moeite zijn, mijn broeders, die mij eer brengt en ons allen roem. Wat zullen we Murad bij onze terugkeer veel te vertellen hebben, met de hoofden van Hartraft en Tinuva in een mand!'
Verscheidene krijgers knikten.
'Alles, heel mijn deel van de buit, van de roem, geef ik jullie, want wat ik straks ga doen, daar heb ik een eeuwigheid op gewacht.'
Golun boog zich naar hem toe. 'Vecht dan als u per se wilt, maar laat mij de colonne meenemen naar de weg om Hartraft af te maken.'
Verbaasd keek Bovai hem aan. 'Het zal niet lang duren,' fluisterde hij, 'en ik wil dat ze het allemaal zien. Iedereen.'
Golun vloekte in stilte.
'Breng de gnomen en mensen naar achteren, dit is niet voor hen bestemd. Laat hen uitrusten aan de andere kant van de heuvel die we zojuist hebben overgestoken.'
Met tegenzin gromde Golun iets bevestigends en blafte een peloton het bevel toe de gnomen en mensen naar de hun aangewezen plek te brengen. De aangewezenen mopperden teleurgesteld, en Bovai wist dat hij een goede zet had gedaan, want de rest voelde zich nu bevoorrecht en wilde de eer om getuige te zijn van de confrontatie waarover hij honderden winters in het langhuis had gedagdroomd niet missen. Eindelijk zou Bovai vechten tegen zijn afvallige broer Morvai, genaamd Tinuva.
'Niemand grijpt in,' zei Bovai. 'Wat er ook gebeurt. Wie een boog heft of een zwaard trekt, zal worden neergeslagen.'
Er klonk een koor van instemming, en terwijl de pechvogels die de taak hadden de gnomen en mensen weg te leiden zich losmaakten uit de gelederen, steeg Bovai af, haalde zijn boog uit de hoes en controleerde de pees.
Verscheidene van zijn volgelingen reden naar hem toe en haalden een pijl uit hun koker. 'Neem deze, dit is de pijl die Uvanta op tweehonderd passen afstand heeft gedood,' zei een van hen.
'Deze pijl is van de meesterhand van Govina de pijlenmaker,' sprak een ander.
Diep geroerd maakte Bovai een buiging voor elk van hen en deed de pijlen voorzichtig in zijn koker. Het betekende dat de genoemde leden van zijn clan nu met hem meevochten, en het gebaar vervulde hem van trots. Zijn gevecht was ook hun gevecht geworden.
Hij maakte zich los uit de groep en wierp het hoofd in de nek. 'Tinuva!' Zijn roep schalde door het woud. Had een sterveling hem gehoord, dan zou hem een rilling over de rug hebben gelopen, want de kreet was een fluistering van een andere wereld, hoog van klank, onaards, vervuld van een verpletterende macht.
Bovai liep geluidloos, als gedragen door de wind. Nooit eerder had hij zich zo vol van bruisend leven gevoeld als nu. De schaduw die zijn wereld had verduisterd, stond op het punt voor altijd te worden opgelicht, opdat hij andermaal schandeloos in het zonlicht en onder de maan kon lopen.
'Bovai.'
De stem klonk van dichtbij, heel dichtbij. Hij verstrakte, keek om ... en zag hem staan, op een open plek, de boog omlaag, de wereld om hem heen een werveling van witte sneeuw; het enige geluid het zachte sissen waar de koud sprankelende vlokken de grond raakten.
'Tinuva.'
Hij ging dichterbij, de wind zwol even aan, en heel kort voelde hij een zweem van paniek, vrezend dat het allemaal maar een illusie was, dat zijn broer was verdwenen. De sneeuw week alsof er een gordijn werd weggeschoven, en hij stond er nog, op nog geen tien passen afstand.
Hij deed nog een stap, en langzaam bracht Tinuva zijn rechterhand omhoog.
'Ver genoeg.'
Bovai knikte instemmend.
Tinuva slaakte een zucht die was vervuld van een diepe, oneindige triestheid, en een uiterst kort moment voelde Bovai een steek van pijn. Hier voor hem stond zijn broer, van wie hij eens als van geen ander had gehouden. Al behoorde hij nu tot de verfoeide eledhel, toch kon hij dat andere aspect voelen, al wat hij eens was geweest.
'En, hoe is het, broertje?' vroeg Tinuva.
'Ik ben jouw broer niet,' antwoordde Bovai in een golf van woede. 'Mijn broer Morvai stierf in de nacht dat jij werd geschapen, eledhel. En je weet hoe het mij is vergaan sinds de dag dat je vertrok, zoals ik weet hoe het jou is vergaan.'
Tinuva knikte. 'Ik heb Kavala gedood.'
Bovai haalde zijn schouders op. 'Die was toch te ambitieus voor zijn eigen bestwil. Als jij hem niet had gedood, zou ik na jouw dood zijn hart hebben uitgesneden.'
'Zover hoefde ik niet te gaan. Het was genoeg om hem te doden.'
'Zoals ik jou nu ga doden,' zei Bovai zacht.
'Is dat wat je wilt?'
Bovai aarzelde, en Tinuva deed een stap dichterbij, zijn boog nog steeds omlaag. Bovai deed zijn boog half omhoog, en hij bleef staan, verstijvend. 'Jij hebt vroeger tot het Volk behoord. Je weet dat je voor ons allemaal een gruwel bent geworden. Je bent een verrader van je ras. De eer verlangt jouw dood. Het is niet iets wat ik wil, het is iets waaraan het mij heeft ontbroken,' zei Bovai tenslotte.
Nogmaals zuchtte Tinuva, en hij deed een stap achteruit. 'Dan valt er niets meer te zeggen,' zei hij, maar nu klonk zijn stem krachtig, zo krachtig als Bovai zich die herinnerde, en er liep een rilling over hem heen, want dit was de Morvai van wie hij eens had gehouden, maar die hij nu moest doden, en alle roem die eens van Tinuva was, zou nu van hem zijn. De eer zou zijn hersteld, de clan opnieuw geheeld, en Tinuva kon worden begraven als een broeder die eindelijk was teruggekeerd, zij het dood, door de hand van zijn eigen bloed.
'Laat ons dan beginnen, "broer",' snauwde Bovai, en ook hij deed een stap achteruit.
De sneeuw wervelde weer langs, alsof de gepassioneerdheid van hen beiden de wind had beroerd. Er snorde een pijl rakelings langs Bovai heen. Hij rende de open plek af, nu één met de wind, keek om, ving een glimp op van een schaduwen loste zijn pijl.
De jacht tussen de broers was begonnen.
'Bind hem vast, verdomme, bind hem vast!' Dennis smeet zijn handschoenen uit en beende naar voren om mee te helpen een balk vast te sjorren. Een van zijn mannen trok vloekend zijn bloedende handen terug die hij rond het touw had geslagen. Vlug wierp Dennis nog een touw rond de stam en trok het strak, terwijl twee mannen achter hem het uiteinde van hun touw rond een van de stenen bruggenhoofden wikkelden.
'Vast!'
Dennis deed een stap achteruit om te kijken naar de twee stammen die rechtop en schuin tegen elkaar waren gezet in een twintig voet hoge, omgekeerde Vaan de rand van de kapotte overspanning. Het hele geval was nogal wankel. Het ontbrak hun domweg aan touw - en tijd - om het allemaal goed te doen, dus moest het maar zo. Vanaf de top van de V bungelde een dubbele lus omlaag tot op de zwartgeblakerde stenen.
Hij keek over de rand. Het was bijna tweehonderd voet omlaag naar de rivier beneden. Hij ving een glimp op van twee Tsurani in de diepte. Zij waren de vrijwilligers die zich hadden opgegeven om naar de overkant te gaan. Het waren er drie geweest, maar de derde was zijn houvast op de gladde rotsen verloren en zijn dood tegemoet gestort. De twee overlevenden waren dapper bezig het kolkende water over te steken, springend van de ene naar de andere gladde rots, in de hoop aan de andere zijde omhoog te kunnen klimmen. Als het hun lukte, zou er een touw naar de overkant worden geslingerd en konden ze helpen met de wanhopige poging een steunbalk te leggen.
De brug achter zich latend, liep Dennis een paar honderd el de weg af
en ging de bossen in. Daar was een groep Tsurani haastig de takken van een zojuist gevelde boom aan het kappen. Hij paste de lengte af.
'Ik heb hem al gecontroleerd, Hartraft, hij is lang genoeg.' Het zweet liep van Asayaga's voorhoofd toen hij even opkeek met de bijl stevig in zijn hand.
'De top ziet er te dun uit, misschien breekt hij als we hem neer laten vallen.'
'Tsurani zijn bouwers, Hartraft, we weten wat we doen.'
'Dat is je geraden.'
Asayaga kwam overeind. 'Probeer me geen bevelen op te dringen, Hartraft. We weten wat we doen. Jij zou voor de verdediging zorgen, laat dit nou maar aan mij over.'
'Aan de overkant rekenen we af, Tsuranu.'
'Waarom denk je dat ik zo hard aan het werk ben?' blafte Asayaga.
Even kwam Dennis in de verleiding daarop in te gaan, maar hij wilde de kostbare tijd er niet aan verspillen. 'Zorg nou maar dat dat zo blijft, verdomme.' Hij beende weg, terug naar de weg, weer omhoog naar de top. De helft van zijn mannen waren stammen aan het verslepen om een barricade op te werpen, terwijl de anderen langs beide flanken zaailingen omhakten om het de cavalerie moeilijk te maken van opzij aan te vallen. Het was en bleef echter een onhoudbare stelling, wist hij. De top lag te bloot. De frontale aanval konden ze dan misschien tegenhouden, maar uiteindelijk zouden ze van opzij worden teruggedreven. Eenmaal voorbij de top zouden ze op het terrein rondom de brug hopeloos in de val zitten.
In de ruïne van de molen zag hij de oude vrouwen en kinderen rond een vuurtje zitten. Hij keek naar een van zijn mannen, de korporaal die nog maar net van de achterhoede was teruggekomen. Ze hadden al gesproken, maar hij voelde zich verplicht het nogmaals te zeggen. Je weet wat je te doen staat als de moredhel door de verdediging beginnen te breken,' zei hij, knikkend naar de molen.
De oude korporaal slikte en knikte. 'Vertrouw er maar op dat ik ervoor zal zorgen, kapitein. De arme schaapjes...' Terwijl hij keek naar de gezichtjes van de kinderen en de bange blikken van de vrouwen, verzachtte zijn gelaatsuitdrukking een ogenblik, tot hij met resolute stem zei: 'Ik zal ervoor zorgen, kapitein.'
Dennis ving een glimp op van Roxanne. Ze had geweigerd in de molen te blijven en was nu aan het helpen met de verdedigingswal. Ze ving zijn blik op, knikte hem toe en ging weer aan het werk.
Verderop op de weg dook een groep Tsurani op, zeulend met de zestig voet lange stam. Dennis rende terug om te helpen dragen.
'Alles onder controle, Hartraft!' blafte Asayaga, en Dennis deed een stap terug.
Vloekend worstelden de mannen een tijdlang om de stam de weg op te draaien, want hij was tweemaal zo lang als de weg breed was, en het zware uiteinde bleef steeds haken tussen de zaailingen langs de kant. Uiteindelijk werd de wirwar weg gekapt en glibberden de Tsurani half rennend de weg op naar de brug, voortgedreven door het gewicht van
. hun last. Bij de rand van de kloof legden ze de stam onder de omgekeerde v.
Asayaga riep om het touw van het hijstoestel, en de vier man aan de kabels lieten het neer. De touwen werden als lussen rond de stam gelegd en vastgebonden.
Dertig Tsurani begonnen de stam naar voren te duwen. Dennis wilde zich ermee bemoeien, maar slikte zijn commentaar in. Asayaga had hier de leiding over, en de Tsuranu had gelijk: ze waren verdomd goede geniesoldaten.
Al gauw hing de stam dertig voet over de rand. Waar het stenen brugdeel ophield, lieten de mannen los om naar het achterste stuk te rennen, klaar om hun gewicht op de stam te werpen als hij begon te kiepen. Uiteindelijk bleef hij in evenwicht hangen; nog een paar voet en hij zou de kloof in tuimelen. Asayaga zette de rest van zijn mannen aan de kabels die omhoog liepen naar de omgekeerde V en liet hen trekken om het voorste stuk van de stam op te tillen. Het uiteinde van de stam kwam omhoog, maar na zo'n zes voet begon het achterste deel terug te glijden.
'Ik heb meer man nodig!' riep Asayaga.
Dennis greep een van zijn soldaten en stuurde hem de heuvel op om de mannen te halen die aan de barricaden werkten. Vrouwen en kinderen die vanuit de molen hadden toegekeken, kwamen uit zichzelf naar buiten, en Asayaga wees naar de kabels. 'We moeten de stam ophijsen en tegelijkertijd het uiteinde naar voren duwen,' riep hij.
De Koninkrijkse troepen kwamen in een zwerm de weg af. Dennis had voorgesteld om paarden te gebruiken, maar Asayaga had dat afgewezen. De grond was te glad, en als er maar één van de dieren weigerde, of nog erger, in de verkeerde richting vertrok, zou de hele onderneming mislukken.
Asayaga stuurde mannen naar de twee touwen en wachtte even tot er een kort stuk stam was aangesleept dat dwars tegen het uiteinde werd geplaatst, opdat er meer mannen tegen konden duwen.
Een van de Tsurani toonde zich opmerkelijk dapper door de omgekeerde v op te klauteren met een emmertje boter, nog van Wolfgar. Het was het enige waarmee ze de touwen konden smeren die over de punt van de V liepen. Dennis kon zien dat met de juiste spullen, een simpel touw en blok, de hele klus met twaalf man kon worden geklaard. Nu moest het met brute kracht, en dan maar hopen dat de touwen niet knapten, dat de stam niet bleef haken in de lus en dat de Tsurani hem inderdaad lang genoeg hadden gemaakt.
Worstelend met de touwen en de gladde grond onder hun voeten hesen de mannen het voorste stuk langzaam hoger, terwijl de Tsurani aan het achtereind de balk naar voren duwden. De eerste twintig voet gingen vrij redelijk, maar er bleef nog een acht tot tien voet te gaan. Er was een vervaarlijk evenwicht bereikt, nu de stam zo steil omhoog stond dat ze niet meer verder konden duwen.
'Nog een uur, verdomme, en ik had een draailus kunnen maken om het hele rotding met twintig man naar de overkant te zwaaien,' riep Asayaga uit, kwaad naar Dennis kijkend.
'We hebben geen uur meer.'
Asayaga stak zijn handen omhoog. 'Iedereen stilstaan!'
Niemand bewoog.
'De mannen aan de touwen: de hoek is nu te steil. Terwijl wij tegen de onderkant duwen, laten jullie langzaam vieren zodat hij weer wat zakt.'
De aan de touwen hangende mannen knikten.
Langzaam gebaarde Asayaga met zijn handen, en er werd een paar voet gevierd. Op dat moment blafte Asayaga een bevel, en degenen aan de onderkant duwden. Plots bleef de stam steken, en Dennis kon zien dat een van de lussen een stuk naar achteren was gegleden. Asayaga zag het ook en vloekte zachtjes.
'Snij de steunen van de takel door en duw tegen de stam terwijl de boel voorover valt,' zei Dennis.
Met een ijzige blik keek Asayaga hem aan. 'Ik heb hier de leiding.'
Dennis stond klaar om te ontvlammen, maar zag iedereen om hem heen naar hen beiden kijken. De spanning was te snijden. Als de stam omver kieperde en de rivier in viel, zou er een bloedbad volgen. Langzaam spreidde hij zijn handen. 'Jij bent de bouwer, Asayaga, maar als we die kinderen willen redden, moeten we het nu doen.'
Asayaga keek naar de kinderen aan de touwen en vervolgens weer naar de lus. Vlug liep hij naar de rand van de kloof, bekeek de stand van de stam en het hijstoestel en kwam terug. 'Kom naar beneden,' schreeuwde hij, en de man met de boter gooide het emmertje weg en liet zich omlaag glijden. 'Goed dan, Hartraft, maar als hij over de rand gaat, is het jouw beslissing.'
'Onze beslissing, Tsuranu.' Dennis pakte een bijl en ging naar de andere kant van het hijstoestel, terwijl Asayaga zich aan deze zijde opstelde. Beide kanten van de takel rustten op de brug. Als ze die tegelijkertijd los kapten, redeneerde hij, zou het hele zaakje naar voren kiepen zodat de stam aan de overkant terechtkwam.
'Hou je gereed,' riep Asayaga en hief zijn bijl. 'We kappen het touw, en als hij gaat, duwen de mannen tegen de stam. Jullie aan de touwen: loslaten als je hem niet meer kunt houden, en raak er niet in verstrikt.' Hij keek Hartraft aan, knikte en bracht zijn bijl omlaag.
Hartraft sloeg op vrijwel hetzelfde moment, en de touwen braken met een luide knal. Kreunend begon het hijstoestel langzaam te kantelen en stortte toen neer. De mannen aan de onderkant van de stam renden brullend naar voren, hun volle gewicht in de strijd werpend.
Dennis keek omhoog, zag het uiteinde van de stam met een klap neerkomen op het andere bruggenhoofd, stuiteren, en toen wegrollen, richting de rand. Luid kreunend bleven de mannen tegen de achterkant duwen om de stam verder naar voren te persen. Hij bleef steken tegen de balustrade van de brug, met amper een voet lengte op het steen van de overkant.
Iedereen hield een ogenblik de adem in, alsof de minste beweging of zelfs een gesproken woord de stam verder zou kunnen doen rollen en vallen. Het hijstoestel hing als een primitieve halsketting aan weerszijden naar beneden.
'Er moet iemand overheen,' zei Asayaga, 'iemand die niet te zwaar is. Haal Osami.'
De knaap kwam naar voren en knikte toen Asayaga hem uitlegde wat er moest gebeuren. Hij trok zijn mantel en tuniek uit, keek naar de stam, ging zitten en trok ook zijn laarzen uit. Hij nam een lang stuk touw, hing dat over een schouder en bleef staan terwijl Asayaga nog een touw om zijn middel bond. Even aarzelde hij, toen greep hij de jongen bij de schouders en liet hem weer los.
De knul stapte op de stam, en iedereen werd muisstil. Hij slikte en keek naar Dennis. 'Ik red vrienden Richard,' zei hij kalm, en toen was hij boven de afgrond, langzaam lopend, rechtop, de armen gespreid.
Niemand sprak terwijl hij de ene voet voor de andere zette. De stam zakte door in het midden, verschoof een stukje, en de toeschouwers hapten naar adem toen de jongen even wankelde en zijn evenwicht hervond. In het midden klom hij over de uiteinden van het hijstoestel, liep nog een handvol stappen en bleef toen staan. Het touw dat achter hem bungelde zat klem in de takel. Heel voorzichtig bracht hij zijn handen omlaag en begon het touw rond zijn middel los te maken.
'Ga terug, Osami, haak het los!'
Osami schudde zijn hoofd, knoopte de veiligheidslijn van zijn middel en liet hem vallen.
Dennis keek naar Asayaga en zag de spanning, niet om wat er moest worden gedaan, maar om de jongen. Los van de lijn begon Osami aan het laatste stuk, de hoek van zijn klim zo steil dat hij voorover moest leunen. Weer verloor hij bijna zijn evenwicht, en ditmaal slaakten de toeschouwers een kreet. Zich herstellend, krabbelde hij de laatste vijf voet omhoog en wierp zich op het steenwerk van de overkant.
Een wild gejuich steeg op, en Dennis zag verscheidenen van zijn mannen een Tsuranu op de rug slaan terwijl ze luidkeels de moed van de Jongen prezen.
Osami aarzelde niet. Behendig wikkelde hij een eind touw rond de stam, rende een stuk het bruggenhoofd op, slingerde het touw rond een stenen steunpunt en liep ermee terug naar de rand van de kloof, waar hij het weer een paar maal rond de stam sloeg, om er vervolgens mee naar een nieuw steunpunt te lopen. Zo ging hij zo'n zes keer heen en weer, het touw telkens strak trekkend door er met zijn volle gewicht aan te gaan hangen. Tenslotte bond hij het touw vast. Daarop liet hij zich achteruit terugglijden over de stam en pakte het uiteinde van het touw dat in het hijstoestel was vastgeraakt. Zich omdraaiend, begon hij aan de terugweg, onder luid gejuich van de mannen.
Hij keek op, glimlachend, en zijn voeten gleden onder hem vandaan. Voordat Dennis ook maar kon reageren, stortte de knaap met een lange boog de diepte in, zich wanhopig vastklampend aan het touw:
Asayaga zette zich schrap, sloeg het andere uiteinde van de reddingslijn rond zijn schouders en deed een stap achteruit, Osami toeschreeuwend dat hij vast moest houden.
Als een slinger zwaaide de knul aan het touw onder de stenen boog. Het touw werd met een ruk strak getrokken, en Asayaga schoof bijna over de rand. Dennis stortte zich boven op hem toen hij uitgleed, en samen vielen ze op het gladde plaveisel, Dennis ook met zijn handen aan het touw.
Hij hoorde de misselijkmakende klap waarmee de jongen onder de brug tegen de rotswand sloeg voordat hij terug in zicht slingerde.
Zes anderen hadden zich op de twee commandanten geworpen en hielpen mee om de knaap omhoog te trekken, terwijl Dennis en Asayaga hem allebei toeschreeuwden vast te blijven houden.
Dennis reikte over de rand en kon Osami nog net onder de oksels pakken voordat de jongen zijn greep verloor. Andere handen hielpen Osami over de rand te trekken, waarbij een paar mannen in hun enthousiasme zelf bijna de afgrond in stortten.
Weg van de rand zeeg de groep neer, en Asayaga sloeg zijn armen rond Osami, hem wiegend.
Snakkend naar adem keek de jongen op en glimlachte. 'Het is gelukt,' fluisterde hij.
'Ja, het is gelukt.' Dennis kon zien dat hij niet lang meer te leven had. Zijn gezicht was een bloedige massa, zijn schedel was verbrijzeld, het bloed gutste uit zijn oren, zijn ene schouder was kapot. Hoe de jongen vast had weten te houden was hem een raadsel.
Tastend in zijn proviandtas knielde hij neer en haalde een doek te voorschijn om Osami's gezicht schoon te vegen.
Osami's ogen verglaasden al toen hij weer opkeek naar Dennis en glimlachte. 'Vriend gered, ja?'
'Ja, jongen, je hebt ons gered,' fluisterde Dennis, en toen was hij heen.
Dennis kwam overeind, maar Asayaga bleef de jongen vasthouden, vechtend om zijn zelfbeheersing te bewaren. Uiteindelijk liet hij hem los en stond op, en de mannen maakten plaats. Met een verre blik keek hij over de brug. 'Een andere vrijwilliger om het touw over te brengen,' fluisterde hij. 'Als het is vastgemaakt, wil ik twintig man aan de overkant hebben om de tweede stam te helpen slepen; dat moet ons voldoende ondergrond geven.'
Een andere Tsuranu pakte het touw waar Osami zich aan had vastgeklampt, bond het om zijn middel en sprong op de stam om aan de oversteek te beginnen.
Asayaga draaide zich om en liep naar de balustrade om over de rand te kijken. Dennis liep met hem mee.
'Het spijt me voor je,' zei hij.
'Hij was de zoon van mijn oudste zus. Kwam bij ons vlak voordat we aan deze waanzin begonnen. Het was zijn eerste missie.'
Dennis zweeg verbijsterd. Dit was dezelfde jongen die Asayaga lang geleden in de hut had willen doden, dezelfde jongen die Richard per se had willen redden en die door die vervloekte Corwin was geholpen. Dennis legde een hand op Asayaga's schouder. 'Dat wist ik niet.'
'Er was geen reden om het je te vertellen. Bij ons zijn we allemaal van dezelfde familie, iedereen die in dienst is van ons huis, dus zijn banden met mij leverden hem geen voorkeurspositie op. Zelfs Sugama had er niet aan gedacht om de jongen iets te doen om mij te treffen.'
'Sugama?'
'Snap je het nou nog niet? Ben je soms blind? Heb je in al die tijd dan niets over ons geleerd? Hij was mijn vijand, net zo goed als jij. Zijn clan is erop uit de mijne te vernietigen. Hij was niet hierheen gestuurd om de gesneuvelde Tondora-officier te vervangen maar om mij te bespioneren.'
'Maar bij Wolfgar was je bereid hem te verdedigen.'
'Om mijn gezag te handhaven. Ik kon je niet toestaan hem te doden als een gewond varken toen hij al stervende was. Dan zouden we allemaal gezichtsverlies hebben geleden.'
Dennis keek om en zag dat de vrijwilliger al over was en het tweede touw vastbond dat zou dienen als houvast voor de volgende Tsuranu, die al op de stam stond en naar voren liep.
'Voor wat jouw Richard heeft gedaan, heb ik hem nooit goed kunnen bedanken, niet als Osami's oom en niet gewoon als commandant. Daar heb ik spijt van.'
'Hij weet het nu.'
Asayaga keek naar het open bruggedeelte. 'Als de tweede stam ligt, brengen we de kinderen en de vrouwen over, daarna de mannen. Binnen het uur moeten we aan de andere kant kunnen zijn.' Met een gezicht als een ondoordringbaar masker keek hij Dennis aan.
'Asayaga, we moeten nog steeds met elkaar afrekenen, maar het spijt me werkelijk van Osami. Het was een dappere knul. Ik denk dat Richard hem nu opwacht in Lims-Kragma's Paleis.'
'Denk eraan, Hartraft, wij gaan na onze dood naar een andere plek. Ik denk niet dat jullie goden een Tsuranu in hun Huis van Oordeel toelaten.'
'Toch denk ik dat Richard hem zou willen begroeten.' Hij aarzelde en zei zacht: 'En Jurgen zal er ook zijn.'
Asayaga zuchtte en knikte uiteindelijk om Dennis te bedanken.
'Dennis!' .
Hij keek op, en tot zijn verbijstering zag hij Gregory aankomen, zijn rechterhand koesterend. Uit het verband eromheen droop bloed. Even welde de paniek in hem op. Ze waren er zo verdomd dichtbij, en nu kwamen die verrekte moredhel eraan. Maar de blik in Gregory's ogen ving zijn aandacht. Hij keek langs Gregory. Achter de Natalse verkenner vormde zich een kring van Tsuranese en Koninkrijkse soldaten, maar waar was Tinuva?
Hij hoefde het niet te vragen, en nog voordat Gregory hem kon vertellen wat er was gebeurd, wist hij al dat de eledhel zichzelf opofferde om tijd voor hen te winnen.
Terwijl hij Gregory's woorden hoorde, begon er een verschrikkelijke razernij in hem te kolken. Na zo lang gericht te zijn geweest op de Tsurani, was in de afgelopen maand veel van zijn woede verplaatst en richtte zich nu op degenen die zijn familie hadden uitgemoord, op de oorlog, en sinds de vorige dag op Corwin. Maar nu pas begreep hij dat, alsof er een gordijn was weggetrokken dat zijn ziel door de jaren heen had bedekt.
Hij zag hetzelfde vuur ook in Asayaga branden, want de elf was altijd degene geweest die de middenweg tussen hen had bewandeld, door iedereen gerespecteerd en vertrouwd.
Hij zag Roxanne en Alyssa aan de rand van de kring staan, en ook in hun ogen woedde dat vuur, want degene met wie Tinuva nu de strijd aanbond, had hun huis verwoest en hun vader vermoord.
Hij ving Roxanne's blik. Ze keek hem aan, en iets in haar ogen zei hem dat ze wist wat hem te doen stond. Een mengeling van vrees, spijt en een vage hoop speelde niet langer dan een tel over haar gezicht voordat het zijn onverstoorbare uitdrukking weer aannam.
'Verzin een manier om de kinderen en vrouwen naar de overkant te brengen.' Zonder op een antwoord te wachten keek hij Asayaga aan. 'Ga je mee?' vroeg hij.
'Waarheen?'
'Terug en vechten. Ik vlucht niet langer.'
Een gordijn van sneeuw dwarrelde van een overhangende tak omlaag. Het wit leek voor zijn ogen te blijven hangen, ieder vlokje duidelijk afgetekend in zijn hoofd, elk ervan een eeuwig leven, meedrijvend op de zachte bries, hem omhullend, zijn voorhoofd beroerend, de koorts van woede koelend. Tinuva maakte zich los van de boom, gebukt lopend, bijna één met de sneeuw op de grond, wegrollend achter een omgevallen boom die als een gebocheld beest uit de woudgrond oprees. Hij zette zich schrap, pakte de pijl die uit zijn bovenbeen stak en brak de steel af, in gedachten zingend om de pijn te stillen. Eigenlijk zou hij de punt er dwars doorheen moeten duwen, maar daar was geen tijd voor, en bovendien kon hij dan een slagader raken. Later was er nog tijd genoeg.
Hij waagde een blik over de stam, bukte zich, rolde weg en kwam overeind, de boog gespannen, de pijl al onderweg. De schaduw in de verte bewoog, zakte in, en even ervoer hij een verontrustende spanning, maar toen klonk die lach.
'Goed schot, broer, goed schot.'
Tinuva reikte naar zijn koker, trok een nieuwe pijl, zette hem op en liet zich achterover rollen om weg te duiken in de andere richting, rennend door een bosje zaailingen. Hij ving een glimp op van de anderen, stil staand, de armen over elkaar geslagen, gespannen toekijkend, plaats makend bij zijn nadering. Er waren bekende gezichten bij, want hoe kon hij de gezichten zijn vergeten van familieleden, van kameraden met wie hij lang geleden op jacht was geweest, van degenen met wie hij eens had gelachen en aan wier zijde hij had gevochten en met wie hij samen hun vijanden had vernietigd?
Een paar knikten hem zelfs ernstig toe, want al was hij een afvallige en een gruwel, ze herinnerden zich het jagen en het vechten met Morvai. Hij keerde de buitenrand van de kring de rug toe, en op een ingeving liet hij zich vallen. Zoemend scheerde er een pijl langs zijn oor, om naast hem op de grond een pluimpje sneeuw op te werpen. Vanuit zittende positie mikte hij en schoot opnieuw;
Bovai dook terug achter een dikke den, waar de pijl een stuk bast af schraapte.
Tinuva was weer overeind gekomen, maar het rennen deed hem zeer.
Iedere stap was een stroom van pijn die een mens schreeuwend zou doen neervallen, maar hij zette door. Hij gunde zich een snelle blik naar het zuidoosten. Al sneeuwde het nog steeds, toch voelde hij het gezicht van de zon achter de wolken, ver boven de witte mantel, zwevend aan een felblauwe hemel. Hij was al halverwege zijn klim; het duel duurde al uren. Van achter de volgende heuvel hoorde hij boos gemompel, de ongeduldige uitroepen van gnomen, de schor protesterende stemmen van mensen, maar de aandacht van de moredhel was door dit duel volledig in beslag genomen, een duel dat ze zouden zien als een jacht waarover tot in eeuwigheid zou worden gesproken, de jacht van broer op broer. Elk kende de trucs van de ander, de fijne kneepjes, de manier van denken, of hij naar rechts of links zou springen, de geur van de ander op de wind, het gevoel van hun blik op de ander wanneer hem de rug was toegekeerd.
Hij wist dat Bovai naar rechts ging om hem de pas af te snijden en niet het spoor volgde van het bloed dat in de sneeuw druppelde. Hij dook achter een boom, een volmaakte positie met een omgevallen boom schuin eroverheen, zodat er een kleine onderdoorgang was ontstaan. Ineengedoken spande hij zijn boog, wachtte af en zag hem.
Met de pijlveren tegen zijn wang tuurde hij langs de schacht. Even dreef er een wolk opzij en speelde er een lichtglans over de open plek. Het toonde hem Bovai, maar ook hoe ontzettend traag de tijd verstreek, en dat Dennis en de mannen verderop nog steeds zwoegden, moesten zwoegen, om te ontsnappen.
Bovai hield de pas in, alsof een innerlijke stem een waarschuwing riep.
Hij keek recht naar Tinuva, en zijn ogen werden groot. Tinuva verschoof een heel klein stukje en liet los.
De pijl gonsde door de lucht, suisde tussen bomen en takken door en schampte Bovai in de zij, langs zijn ribben schrapend. Bovai sloegwankelend achteruit en rolde weg naar dekking. Uit de kring rond het tweetal steeg gegrom op, want al kon niet iedereen het zien, allen hoorden en kenden de geluiden, tot op wie er had geschoten en wie er viel.
'Tinuva.'
Het was die innerlijke stem, fluisterend. 'Broertje?'
'Je had me, hè?'
'Nee, broertje, ik schoot om te doden. '
'Je liegt. Je had me. Waarom schoot je mis?'
'Het is nog geen tijd, broertje.'
Even bleef het stil.
'Ik heb haar, weet je, broer,' fluisterde Bovai's stem.
Tinuva liet het hoofd zakken, trillend over zijn hele lichaam. Hij wist dat het een truc was om hem tot razernij en het maken van fouten te verleiden. Even later fluisterde Tinuva terug, wetend dat zijn gedachten door de wind werden meegevoerd. 'Jij hebt haar nooit gehad. Ze zal altijd van mij zijn.'
'Zwijg!' klonk Bovai's woedende reactie, een schreeuw van razernij, zo hard dat alle toeschouwers het konden horen. Tinuva kwam overeind, schoot blindelings in de richting van het geluid en werd onthaald op de bekende honende lach. 'Verspilling van een goede pijl, broer.'
Tinuva's hand ging weer naar zijn koker, en hij voelde er nog maar zes, maar dat kon hem niet schelen. Hij hoefde er nog maar één te hebben om Bovai te doden, één nog maar.
'Kom me dan halen, broer, in het open veld, mes tegen mes.' Bovai stond op. 'Kijk me in de ogen, broer, kom dichterbij, kijk in de ogen die iedere nacht in de hare kijken.'
'Vervloekt,' siste Tinuva.
'Ja, broer, we zijn allemaal vervloekt, nietwaar?'
'Nee.'
'Jij wel. Jij hebt je bloed verzaakt, en die schande kan alleen worden uitgewist met bloed. Laat mij je naar gene zijde sturen, broer, waar je de Vaders en Moeders kunt zien, als ze je willen hebben.'
Weer schoof er een zonnestraal door de bossen en over de open plek.
Hij wist niet zeker hoeveel tijd er was verstreken, want samen zweefden ze door een andere wereld, een wereld die alleen door eledhel en moredhel volkomen werd begrepen, waar een tel zich kon uitstrekken tot een eeuwigheid of honderd jaar in een oogwenk voorbij kon gaan.
'Kom bij me, broer. Een van ons zal vandaag sterven. Laat zijn broer hem in de ogen kijken en de laatste zijn die hij in dit rijk ooit ziet.'
Langzaam liet Tinuva zijn boog zakken, trok zijn dolk en stapte de open plek op.
'Schiet op, doorlopen!' riep Dennis. Hij ging aan de kant van de weg staan en keek om.
De colonne was verspreid geraakt. De achterhoede was amper te zien in de rondwervelende sneeuw die met harde stoten neerkwam, dan plots optrok tot slechts een paar vlaagjes en zich vervolgens weer ten volle liet gelden.
De mannen hijgden, snakkend naar adem, stampend door de sneeuw, alle schijn van orde verdwenen, de sterksten voorop, de zwakkeren achteraan. Er waren geen verkenners vooruit gestuurd, ze lieten alle voorzichtigheid varen in deze waanzinnige, roekeloze stormloop waarin de colonne oprukte als een losgeslagen stortvloed van razernij. Niet langer werden zij opgejaagd, nu stormden ze naar voren als de jagers.
Dennis draaide zich om en keek de weg op. Hoe ver het nog was wist hij niet precies - de rit langs dit pad met Roxanne was in het donker geweest. Gregory was vooruit gereden met de belofte te zullen wachten waar de afslag het bos in ging en te waarschuwen als de moredhel oprukten.
'Hoe ver nog, Hartraft?' Hijgend verscheen Asayaga naast hem, het zwaard getrokken, de kling een ogenblik fonkelend in het zonlicht toen de zon kort tussen de wolken door priemde.
'Weet ik niet.'
'En je plan?'
'Mijn plan? We gaan ze gewoon allemaal afmaken.'
Asayaga keek hem aan en glimlachte. 'Kom op, dan,' riep hij en rende verder, met Dennis aan zijn zij.
Het was een ingewikkelde dans, een ballet des doods. De twee besprongen elkander met flitsende messen, staal klonk koud op staal, en ze deinsden terug om de dans keer op keer te herhalen.
De toeschouwers van de clan waren dichterbij gekomen en vormden een kring rondom het gevecht, allen stil, gespannen. Meer dan eens gaf iemand bitter mompelend blijk van zijn bewondering voor Tinuva, de vroegere Morvai die ze zich herinnerden als kameraad en vriend.
Want in hun ogen was hij weer bijna een van hen. Er fonkelde een duistere glans in zijn ogen, zijn gezicht stond strak en er leek een pulserende gloed om hem heen te hangen.
Lichtvoetig danste hij, zonder acht te slaan op de pijn of het bloed dat langs zijn been liep, zijn laars in, zodat hij met iedere stap een roze, waterige voetafdruk achterliet.
Ook van Bovai liep het bloed, druipend uit zijn geschampte zij en uit de snee op zijn linkerarm, waar Tinuva's mes hem bijna tot op het bot had geraakt.
Weer kwamen de twee bijeen, weer het vonken van messen en een sprenkeling van bloed tussen de sneeuwvlokken die om hen heen dwarrelden. Tinuva sprong achteruit met zijn linkerhand op zijn gezicht om het bloed weg te vegen dat uit de snee op zijn voorhoofd liep en zijn zicht belemmerde.
In zijn ogen was de wereld rood geworden. Hij schudde zijn hoofd, en de druppels vlogen in het rond. Maar het was niet het bloed dat zijn wereld kleurde, het was al wat hij in zich had beheerst en dat nu weer wild opvlamde.
Hij verplaatste zijn dolk naar zijn linkerhand, veegde zijn rechter af en bracht de dolk terug.
'Kom op, broer,' hoonde Bovai, 'maak er een eind aan.'
'Doe ik ook.'
Spottend hield Bovai zijn armen wijd. 'Omhels me, broer, kom dan.'
Tinuva dook ineen.
'Onze vader zou trots op je zijn geweest. Anleah zou trots op je zijn.'
Tinuva sprong, en Bovai dook ineen om de aanval op te vangen. Tijdens zijn sprong verplaatste Tinuva zijn dolk van rechts naar links en op het allerlaatste moment weer terug. Hij haalde uit, maakte een lage schijnbeweging en kwam hoog in. Amper voelde hij de ijzige aanraking in zijn linkerschouder van de dolk die Bovai paraat had om Tinuva's mes op te vangen. Bij gebrek aan weerstand was het lemmet in de schouder gedrongen.
Allebei wankelden ze achteruit, Bovai snakkend naar adem met een helderrode streep over zijn gezicht waar zijn wang was opengereten, van de mondhoek tot het oor, dat dwars door midden was gesneden. Schreeuwend greep Bovai met zijn linkerhand naar zijn gezicht, en de omstanders hapten naar adem, want ze wisten allemaal hoe trots Bovai was op zijn uiterlijk, dat nu voor altijd was verwoest.
Als bij ingeving draaide Bovai zich om op wankele benen, ontweek de stoot naar zijn middenrif en sloeg zijn armen rond Tinuva. Ze vielen samen, de sneeuw dwarrelde als een stoomwolk op, en ze rolden verder. Telkens weer staken ze naar elkaar met hun dolk, onderwijl met de andere hand grijpend naar de gewapende hand van de ander. Ze bleven rollen, schoppend, vloekend, hun krachten aan elkaar gewaagd. Beiden zaten onder de bebloede sneeuw, en terwijl ze bleven worstelen, kwamen de toeschouwers van hun clan dichterbij, sommigen nu schreeuwend om de doods steek, meer dan één ten gunste van Tinuva.
Bovai trok zijn knie op en raakte de pijlstomp in Tinuva's been. De golf van pijn deed de eledhel snakken naar adem, maar zijn razernij gaf hem kracht. Hij deed alsof hij flauwviel, en toen Bovai zich weer boven op hem wilde laten rollen, drukte Tinuva zich plotseling omhoog, gebruik makend van Bovai's eigen snelheid om hem verder te laten tuimelen, en ditmaal stootte hij zijn knie in Bovai's maag zodat zijn broer naar adem snakte. Op hetzelfde moment sloeg hij met zijn linkervuist in Bovai's gezicht, midden op de snee, zodat Bovai het uitschreeuwde van de pijn en Tinuva's rechterhand losliet.
Tinuva hief zijn dolk.
Alweer leek de tijd stil te staan, welhaast terug te stromen tussen de oevers van de eeuwige rivier. Hij zag zijn broer zoals hij was geweest, zoals ze allebei waren geweest, samen op jacht, in het zonlicht tussen de bomen, staande op de toppen van de hoge bergen, waar de wind de wereld geselde.
Bovai keek hem aan. 'Broer,' fluisterde hij.
Tinuva hield het mes in de aanslag, klaar om het in Bovai's hart te steken, en op dat moment wist hij ... en herinnerde zich tevens alles wat er van hem was geworden.
Heel even straalde de zon weer over de open plek, waar de sneeuw sprankelde als diamanten.
Hij glimlachte.
De klap kwam niet als een verrassing; zo er van verrassing sprake was, dan over het feit dat hij geen pijn voelde. Alleen een vreemde innerlijke warmte toen Bovai's dolk tot aan het heft zijn buik doorboorde en onder de ribben door in zijn longen werd gestoken. 'Jij hebt verloren,' fluisterde Tinuva op de ademtocht die uit hem werd geperst.
Bovai keek in Tinuva's ogen, en op dat moment ervoer hij een waanzin, een afgrijzen, groter dan hij ooit had gekend. Hij stak zijn handen omhoog om Tinuva terug te duwen. Als een statig standbeeld leek zijn broer boven hem te blijven hangen, tot hij uiterst langzaam om begon te vallen.
Hij schopte het lichaam weg, de paniek nabij. Bevend stond hij op. Alle ogen waren op hem gericht.
'Het is afgelopen,' fluisterde hij. Langzaam draaide hij rond, kijkend van de een naar de ander, en hij voelde hun minachting. Hij keek naar Tinuva. Dus je hebt me ook nog eens beroofd van deze broer.
'Vervloekt!' schreeuwde Bovai, zijn blik gericht op zijn broer, voordat hij weer naar zijn volgelingen keek.
De groep om hem heen was stil, en op slag drong het tot Bovai door dat zijn broer gelijk had gehad. Bovai was iets kwijtgeraakt: de pijn en de woede die hem tientallen jaren hadden voortgedreven. Eeuwen van razernij waren verdwenen, en even had hij zelfs het gevoel dat hij geen doel meer in het leven had. Zacht zei hij: 'Maar ik heb gewonnen ... '
'Nee!'
Het was een verre, smartelijke kreet vol opgekropte woede. Bovai keek om en zag vol ongeloof de groep mannen aan komen stormen, hun wit -met -grijze mantels wapperend in de wind, sommigen met een gelakte borstplaat waarop de zonnestralen werden weerkaatst zodat ze opvielen als heldere lantarens in een koude donkere nacht.
Als een lawine zwermde de aanvalsmacht de helling af. Pijlen zoemden langs. Een van zijn neven draaide rond zijn as, grijpend naar zijn keel, een ander sloeg krijsend tegen de grond.
Iedereen bleef als versteend staan, verward, verrast, zo onverwachts was deze aanval.
En toen kreeg Bovai hem in het oog. Echt gezien had hij hem nog nooit, maar hij kende zijn bloed, het bloed van zijn grootvader. Het was Hartraft, naar voren stormend, de aanval leidend, met een kleine krijger in een gelakte wapenrusting aan zijn zij. Hartraft kwam in looppas aangesneld, zijn boog weggeworpen, beide handen rond het gevest van zijn opgeheven, zware zwaard.
Na een korte, laatste blik op zijn broer hief Bovai zijn dolk.
Het zwaard kwam neer, er was een felle lichtflits... en toen stilte.
'Nee!'
Nog voordat zijn slag was voltooid, draaide Dennis zich alweer op zijn hielen om en zag Bovai's hoofd wegtuimelen door de sneeuw terwijl het lichaam neerzeeg. Schreeuwend hieuw hij nogmaals in op het lijf en hakte Bovai in het middel bijna in tweeën.
Snikkend trok hij het zwaard los, klaar om nog een keer toe te slaan, maar zag dat Asayaga was langsgerend, een moredhel had gedood en een andere te lijf ging. Achter hem naderde een andere moredhel, de speer omlaag ... net als bij Jurgen, want Asayaga trachtte een van de Koninkrijkse soldaten te redden die op de grond lag en wanhopig probeerde weg te komen bij een moredhel met opgeheven zwaard.
Dennis rende naar voren. 'Asayaga!'
De Tsuranu hoorde hem niet.
Hij was te ver weg om er op tijd bij te kunnen zijn. Met nog steeds beide handen aan het zwaard hief hij het op tot achter zijn hoofd en gooide. Het zwaard vloog tollend door de lucht en trof de moredhel, die zich al schrap zette om zijn speer in Asayaga's rug te steken.
Het zwaard raakte hem zo hard dat de moredhel werd weggeslingerd alsof hij een harde duw had gekregen. Het enige geluid dat hij maakte, was van de lucht die hem uit de longen werd geslagen. Een tel later had Asayaga zijn tegenstander gedood en draaide hij zich om, zag Dennis zonder wapen, en toen de moredhel, trappend en maaiend, met Dennis' zwaard in zijn zij.
De mannen renden langs, de ogen groot van strijdlust. Volkomen overrompeld gaven de moredhel toe aan hun paniek en renden naar de andere kant van de heuvel, waar de gnomen en de mensen met hun paarden wachtten. Maar weinig haalden het, en velen vielen met een pijl in de rug of werden op de vlucht neergemaaid.
Gewaarschuwd door de harde schreeuw aan het einde van de strijd tussen Tinuva en Bovai kwamen de mensen en gnomen over de heuveltop zwermen. Na de uren van verveeld wachten hadden ze vuurtjes gestookt, en enkelen waren zelfs in slaap gevallen. Slechts weinig van degenen op de top waren in wapenrusting of hadden zelfs maar een wapen in de hand.
Binnen enkele ogenblikken raakten ook zij in paniek toen ze door een afdeling van Koninkrijkse en Tsuranese soldaten onder leiding van Tasemu in de flank werden bestookt. Hals over kop renden ze terug naar het kamp, angstig schreeuwend dat ze door een overmacht van honderden werden aangevallen.
Het numerieke overwicht en het voordeel van de cavalerie van de achtervolgers was in een oogwenk verdwenen. Ruiters stierven voordat ze hun paarden konden zadelen, en in de eerste aanval werden er zo veel moredhel, mensen en gnomen gedood dat de groep van Dennis en Asayaga nu de overhand had.
Menige gnoom keerde zich tegen zijn moredhelse commandant die hen trachtte te verzamelen, en al gauw waren mensen, gnomen en moredhel elkaar aan het afslachten in hun waanzinnige pogingen om te ontsnappen.
Waar Tasemu ging, lag de grond bezaaid met doden en stervenden. Een peloton Koninkrijkse soldaten vormde een kring van boogschutters om hem heen. Over de heuvel kwam een groep Tsurani, iedereen in hun opmars neerslaand, en meer Koninkrijkse krijgers sloten zich aan bij hun gedisciplineerde formatie, de ene na de andere pijl lossend op de rondrennende, doodsbange massa.
Achter Dennis, die verbluft toekeek, zat Gregory te huilen met zijn vriend in zijn armen. Asayaga kwam terug, en samen met Dennis liep hij er langzaam naar toe.
Tinuva keek naar hen op en glimlachte. 'Dom van jullie. Ga de brug over,' fluisterde hij.
'We wilden je hier niet achterlaten,' zei Asayaga.
'Bovai?'
'Heb ik gedood,' zei Dennis met bevende stem.
Tinuva slaakte een zucht. 'Begraaf hem naast mij; hij was vroeger mijn broer.'
Dennis knikte.
Nogmaals zuchtend deed Tinuva zijn ogen even dicht en keek toen weer naar Dennis en Asayaga. 'Het lot heeft jullie tot vijanden gemaakt. Laat de eer dat lot nu wenden.' Langzaam gleed hij weg en hij begon zachtjes te zingen. Dennis herkende de woorden als van de eledhel, maar wist niet wat ze betekenden.
Snikkend fluisterde Gregory de woorden met hem mee tot Tinuva's stem stokte en zijn geest vergleed naar de verre oevers van de Gezegende Eilanden.
Dennis bukte zich en raakte zachtjes Tinuva's voorhoofd aan. 'Ga in vrede, mijn vriend,' fluisterde hij.
Asayaga deed hetzelfde, doopte een vinger in het bloed van Tinuva en zalfde er zijn voorhoofd mee.
De twee keken elkaar aan en liepen toen samen weg om het gevecht tot een einde te brengen.