7 Rivier
De rivier was gezwollen.
Langzaam kwam Tinuva, met achter zich Dennis en Asayaga, uit de dekking van het woud en liep in gebukte houding omlaag naar de modderige oever. Hij verdween in de hoge wirwar van droge biezen die met een glinsterend laagje ijs waren bedekt.
Kruipend door het hoge bruine gewas bereikte hij het pad dat langs de rivier liep. Hij herinnerde zich de tijd dat hij openlijk over dit pad kon lopen, op zijn gemak kuierend op een warme zomeravond, of jagend in de herfst, wanneer de bomen met felle kleuren waren getooid.
Dat was eeuwen geleden, en de elfen met wie hij die momenten had gedeeld, waren vrijwel allemaal naar de Gezegende Eilanden gegaan, gesneuveld in de bittere strijd tegen de moredhel. Sterfelijkheid was iets waar hij nooit te lang bij stil stond, maar toch voelde hij zich plotseling oud, en hij vroeg zich af of dat een voorteken was, een waarschuwing.
Hij dacht aan Kavala. Eindelijk was die oude schuld ingelost, en al was andermans dood nooit iets om vreugde uit te scheppen, toch was daar dat verschrikkelijke ogenblik van tevredenheid geweest toen hij hem uit de nevelen zag komen, zich onbewust van zijn naderende dood.
Dit was niet het moment om daaraan terug te denken, om zich daardoor af te laten leiden van de huidige gevaren. Alert op iedere nuance van geluid en geur bracht hij zijn hoofd omhoog en keek naar de overkant van de rivier. Het water stond hoog, de biezen deinden, zwaaiend in de ijzige stroming die langs de oever schuurde.
Een hertenbok die daar aan het water stond, hief zijn snuit op om de lucht op te snuiven. Hij keek Tinuva's kant op en boog zich weer naar het water. Achter hem kwamen enkele hinden tussen de bomen vandaan om eveneens te drinken. Mooi, aan de overkant wachtte dus niemand.
Dennis sloop langs hem heen naar het pad. Eens was dat een brede weg geweest, die tegenwoordig echter niet meer werd gebruikt en was overwoekerd. Het laagje ijs op het pad was heel, met alleen maar prenten van de herten die er 's ochtends kwamen drinken. Behoedzaam kwam Dennis overeind, met naast zich Tinuva.
'In de zomer kon je hier oversteken zonder natte knieën te krijgen.' Hoofdschuddend keek Tinuva naar langsdrijvende ijsschotsen, tollend en wervelend in de stroming.
'Bedoel je dat we hier gaan oversteken?' vroeg Asayaga, en Tinuva hoorde de siddering in zijn stem.
'Het is of hier oversteken, of proberen ons een weg over de brug heen te vechten,' blafte Dennis, stroomafwaarts wijzend.
'Daar hebben we niet eens gekéken,' wierp Asayaga tegen. 'Je sleept ons van het open pad af, laat ons meer dan een mijl door een ijskoude beek lopen, en dan komen we hier terecht.'
'De brug wordt bewaakt,' verduidelijkte Tinuva geduldig. 'Vroeger was er daar een heel moredhel-dorp. Er zat vis in overvloed, evenals wild in dit gebied. Het behoorde vroeger tot de Raafclan. Ze waren altijd op hun hoede voor vijanden, vanuit het zuiden en het noorden. Aan beide kanten van de brug hebben ze blokkades opgeworpen en een sperfort gebouwd. Onze achtervolgers zijn van de Raafclan, dus moeten we ervan uitgaan dat de moredhel weer bij de brug zijn, en met velen.'
'Dan vallen we aan en vegen hen van de kaart,' vond Asayaga. 'Dat hebben we gisteravond ook gedaan.'
'Dat was 's avonds, in de mist, toen we het element van verrassing hadden,' snauwde Dennis, gebarend naar de kolkende wolken. Vanuit de pas waren ze onder de storm terechtgekomen. Er was geen alles verhullende mist meer. 'Het staat niet vast dat er niemand is ontkomen toen we de pas innamen. Misschien zijn ze gewaarschuwd. Maar ook als dat niet zo is, kunnen we hen onmogelijk overrompelen, want overal rondom de brug ligt open terrein van een boogscheut breed.' Hij zweeg even. 'En als Tinuva gelijk heeft, wacht ons daar geen kleine compagnie, maar een voltallig krijgskamp.' Hij keek Asayaga aan. 'Ik weet dat jullie Tsurani onbevreesde rotzakken zijn, maar zelfs jullie jagen geen zestig krijgers over een open veld naar een fort waar jullie door driehonderd moredhel worden opgewacht.'
'Dan volgen we het pad langs de rivier,' opperde Asayaga.
'Waarom ben je zo bang om hier over te steken?' vroeg Dennis.
De Tsuranu zette zijn stekels op. 'Dat water is ijskoud. Jullie mogen dan koudbloedig zijn, maar mijn mannen niet. Het wordt hun dood.'
'Blijf dan hier,' kaatste Dennis terug. 'Volg dat pad stroomafwaarts. Een halve dagmars hiervandaan houdt het op boven de waterval. Spring daar maar naar beneden voor mijn part, maar mijn mannen steken hier over.'
'We hebben hen even weten af te schudden,' kwam Tinuva tussenbeide, 'maar ze pikken ons spoor zo weer op. Als we hier blijven, zitten we vast. Maar als we hier oversteken, moeten zij minstens vijf mijl terug om de brug over te gaan, en tegen die tijd zijn wij hier weg.'
'Waanzin,' verzuchtte Asayaga.
Dennis grijnsde. 'Bang, Tsuranu?'
Asayaga draaide zich om, en zijn hand viel op zijn zwaardgevest. Dennis zei niets, maar Tinuva zag zijn nauwelijks onderdrukte wens om het hier uit te vechten.
'Asayaga,' zei de elf. 'Laat u het gebeuren dat er wordt gezegd dat Koninkrijkse troepen iets hebben gedaan wat de Tsurani niet durfden? U bent vast uit steviger hout gesneden.'
Asayaga keek hem aan, duidelijk niet zeker of de elfenverkenner hem eveneens bespotte.
'Ik spreek tot u met respect voor uw onverschrokkenheid. Het wordt een zware oversteek, maar het kan worden gedaan. We spannen een touw om ons aan vast te houden. De mannen kleden zich uit, bundelen hun kleren en wapens en maken die vast aan stokken die ze tijdens de oversteek boven het water houden. De eerste die over is, legt alvast één vuur aan voor de rest. Dennis en ik gaan als eersten met het touw.'
Asayaga leek te aarzelen.
'Het is de enige manier, Tsuranu,' zei Dennis op kalme toon. De wens om zijn vijand te beschimpen was hem plotseling vergaan. 'De enige manier,' herhaalde hij langzaam.
Uiteindelijk knikte Asayaga met tegenzin. 'Ik zal het mijn mannen vertellen.' Hij kwam overeind en begon langs de rivieroever omhoog te klimmen naar de rand van het woud waar de rest wachtte.
'Tsuranu?' riep Dennis.
Asayaga keek om.
'Laat me raden. Je kan niet zwemmen. Is dat het?'
Met een woedend gegrom liep Asayaga verder.
Dennis glimlachte. 'Misschien kunnen we ze allemaal laten verzuipen,' fluisterde hij terwijl hij zich begon te ontdoen van zijn mantel, broek, laarzen en tuniek.
'We hebben hen aan de overkant nog nodig,' wierp Tinuva tegen. 'Zestig zwaarden extra zal in de komende dagen het verschil zijn tussen leven en dood. We moeten de moredhel voorblijven en een open bergpas zien te vinden. Het lijkt me sterk dat ons dat lukt zonder te vechten.'
'Ja, en dan?'
'Daar maken we ons later wel druk om.' Tinuva kleedde zich uit en trok zijn korte zwaard om een zaailing te kappen en bij te snijden tot een staf, waaraan hij zijn bundel kleren bond.
Sergeant Barry kwam omlaag. Hij zag er een beetje belachelijk uit in zijn blootje en bibberde al van de kou. In zijn ene hand hield hij een lang stuk touw - de aan elkaar geknoopte stukken van dertig voet die iedere vijfde man in Dennis' eenheid bij zich had. 'Als het maar lang genoeg is. Ik heb het ene eind vastgebonden aan die boom daar.' Barry wierp het andere uiteinde naar Dennis, die het om zijn middel knoopte.
Tinuva keek naar Dennis. Het was een van de weinige keren dat Tinuva hem naakt had gezien, en andermaal stond hij versteld van het aantal littekens dat een mens in zijn korte leven kon vergaren. Over zijn borst liep een lelijke witte streep, en vlak onder het linkersleutelbeen zat een prop roze vlees van de pijl die hij de vorige zomer in een hinderlaag had opgelopen. Beide armen vertoonden een netwerk van lijnen, en zijn linkerkuit was knoestig en krom van een klap die hem drie zomers geleden bijna zijn been had gekost.
Zonder commentaar waadde Dennis de rivier in, met de stok over zijn schouder, en Tinuva hoorde hem naar adem happen. Tinuva volgde, zijn gedachten afsluitend door in stilte de Isluna te zingen, de meditatie om pijn te blokkeren en om het lichaam van de geest te scheiden.
Desondanks sloeg zijn hart een slag over toen het ijskoude water om hem heen wervelde. Binnen een paar tellen stond hij er tot aan zijn middel in, schuin overhellend tegen de snelle stroming, duwend tegen een brok ijs dat om hem heen dreef. Hij leunde op de staf, zette zich schrap en struikelde bijna toen hij in een gat stapte en het water tot zijn borst kwam.
Naast hem liep Dennis, bij iedere stap vloekend op het weer, op de goden die het hadden gezonden, op de Tsurani en op de moredhel. Halverwege de rivier kreeg Tinuva het gevoel dat hij van zijn krachten werd beroofd, alsof het ijskoude water een kwaadwillige geest was die zijn slagtanden in zijn ziel had gezet. Hij struikelde, ging bijna onder, maar hield de staf omhoog.
Dennis greep hem bij de schouder en trok hem overeind. 'Kom op,' hijgde hij klappertandend.
Eindelijk werd de rivier ondieper, en terwijl de damp van hun lichamen sloeg, strompelden ze door het riet langs de kant. Wankel bereikten ze de oever. Dennis haalde het koord van zijn middel, trok zo hard hij kon en wist het met grote moeite vast te knopen aan een boompje langs de oever.
Tinuva keek om en zag tientallen mannen langs het water staan, allemaal naakt, en ondanks de pijn moest hij grinniken.
Nog steeds bloot gooide Dennis zijn rugzak neer, trok hem open en zocht in zijn proviandtas naar vuursteen, staal en aanmaakmateriaal. Tinuva plukte een armvol riet, stapelde dat op en kneep de droge, pluizige zaadknoppen open. Al gauw had Dennis een smeulend vlammetje dat hij tot leven blies, terwijl Tinuva er voorzichtig het dons uit de zaadknoppen bijhield, en vervolgens de holle rietstengels zorgvuldig boven het iele vlammetje plaatste. Dennis rende naar de dichtstbij staande dennenboom, brak verscheidene dode takken af en nam ze mee terug. Het vuurtje kwam knetterend tot leven. Toen eindelijk de vlammen hoog opschoten, trokken ze onhandig stumperend hun kleren weer aan.
Tenslotte keek Tinuva weer naar de overkant. De eerste mannen, allemaal van Dennis' eenheid, waren al bijna over, sputterend en vloekend, geleid door sergeant Barry.
'Gregory kwam er net aan met de achterhoede,' gooide Barry eruit. 'Ze zijn ons op het spoor.'
'Verdomme. Hoeveel tijd hebben we?' hijgde Dennis, nog steeds klappertandend.
'Hooguit een uur, eerder een half uur.'
'Wat is er met die verrekte Tsurani?' bitste Dennis, worstelend om zijn laarzen weer aan te trekken.
'Ze ruziën over en weer,' antwoordde Barry huiverend. 'Die loensende kerel, hun onderbevelhebber, is er kennelijk op tegen om over te steken. Werkelijk, volgens mij zijn die kleine opdonders bang en willen ze het niet toegeven.'
'Prima, dan blijven ze maar daar.'
'Als er te veel van onze kant als eerste oversteken,' bracht Tinuva tussenbeide, 'kan dat een probleem worden.'
'Hoe dan?'
'Als wij al onze mannen aan deze kant hebben, kunnen zij bang worden om te komen omdat ze denken dat wij hen zullen aanvallen als ze midden in de rivier staan. Of als er nog maar een paar van ons daar zijn, kunnen ze zich tegen hen keren.'
'Nou dat weer,' zuchtte Dennis, stak een hand uit en hielp een van zijn mannen op het droge.
'Laat iedereen die over is het vuur helpen opstoken,' opperde Tinuva. 'Maak je geen zorgen over de rook, warm worden is belangrijker. En ik denk dat we moeten proberen een van die herten te schieten die we hier hebben gezien. De mannen hebben warm eten nodig.'
'Waar ga jij dan heen?' vroeg Dennis.
'Terug.'
'Wat?'
'Ik denk dat ze mij wel vertrouwen.'
'Maar waarom?' vroeg Dennis. 'Als we hen hier kwijtraken, des te beter.'
'Ze zouden de laatsten van ons die nog daar zijn kunnen doden, en Gregory is één van hen.'
'Je bent gek om er nog een keer in te gaan,' reageerde Dennis, wijzend naar de ijskoude rivier.
Tinuva nam niet de moeite iets terug te zeggen. Hij trok de mantel die hij had omgeslagen weer uit, sprong in de gezwollen rivier, greep het touw vast en trok zich hand over hand langs de mannen van Dennis die zich aan de andere zijde aan het touw vasthielden. Tweemaal werd hij door een helpende hand boven water gehouden toen hij viel omdat alle kracht uit zijn spieren was gevloeid door het ijskoude water. Uiteindelijk bereikte hij de overkant, blij met de hand die Gregory hem toestak. Hij kon amper lopen, zo slap waren zijn benen.
'Hoe haal je het in je hoofd om terug te komen?' vroeg Gregory hem.
'Iemand moest het doen,' hijgde hij. Zijn adem vormde een witte wolk in de lucht. 'Wat is er hier aan de hand?'
Gregory trok zijn mantel uit en sloeg hem om Tinuva's schouders. 'Er komen ruiters achter ons aan. Mensen.'
'En de moredhel?'
'Nog niet. Ik denk dat die eerst nog wat zaakjes te regelen hebben in de pas.'
Tinuva zei niets.
'Er broeit iets onder de Tsurani,' fluisterde Gregory. 'En daar hebben we geen tijd voor.'
Tinuva knikte, blij met de mantel die Gregory om hem heen had geslagen. Toen hij naar de groep Tsurani liep, voelde hij de spanning. Sommigen hadden zich uitgekleed, maar anderen waren duidelijk weifelachtig. Asayaga maakte zich los uit de groep en liep naar hem toe. 'Wat is het probleem?' fluisterde Tinuva.
Asayaga aarzelde, het hoofd gebogen, zichtbaar beschaamd.
'Het gaat erom dat uw mannen bijna geen van allen kunnen zwemmen, nietwaar?'
Asayaga knikte. 'Op mijn wereld kunnen maar weinigen het. Wie langs de kust woont, leert het. De rest...' Zijn stem stierf even weg. 'Ik kan het bevel geven, maar velen vinden het zelfmoord en eisen het recht om terug te gaan en te vechten.'
'U weet dat het tussen ons tot vechten komt als dit zo doorgaat.' Tinuva gebaarde met zijn kin naar de dertig mannen van Dennis' eenheid die nog moesten oversteken. Argwanend keken ze naar de Tsurani, en sommigen fluisterden met elkaar.
'Misschien moesten we het er dan nu maar van laten komen,' zei Asayaga.
'Dan heeft Gregory u vast nog niet verteld dat de vogelvrije mensen van de moredhel eraan komen.'
'Is dat zo?'
'Ik heb geen reden om te liegen. Ik zou er eerder voordeel bij hebben als ik zeg dat er niemand komt en jullie hier achterlaat,' zei Gregory op vlakke toon.
'Waarom vertel je het me dan?'
'Omdat we voorlopig samen moeten werken om dit te overleven,' antwoordde de elf. 'Daar hebben wij jullie even hard voor nodig als jullie ons.' Hij staarde Asayaga recht aan en voegde er met kalme stem aan toe: 'U weet dat dat waar is.'
Met tegenzin gromde Asayaga een bevestiging.
'Voorlopig steekt er niemand uit Hartrafts troep meer over,' zei Tinuva. 'Stuur nu eerst de helft van uw mannen. Daarna gaat de rest, om beurten, een van u, dan een van Hartraft. Zo houden we de sterkte aan beide kanten van de rivier in evenwicht.'
Met zijn handen op zijn heupen keek Asayaga hem onderzoekend aan. 'Ik heb nog nooit iemand van uw ras van dichtbij gezien,' zei hij. 'Is het waar dat jullie onsterfelijk zijn?'
Gregory wilde bezwaar tegen deze uitweiding maken, maar Tinuva voelde dat er iets belangrijks achter school. Hij maakte een miniem gebaar met zijn hand, en zijn oude vriend viel stil. 'Iedereen is onsterfelijk,' zei de elf. 'Onze geesten blijven altijd bestaan, ongeacht de tijd die wij in het lichaam op deze wereld doorbrengen. Mijn lichamelijke leven duurt alleen een stuk langer dan het uwe. In de andere wereld leven we allebei voort, al zal de mijne verschillen van de uwe, denk ik. Maar op deze wereld kan ik sterven, net als u, en geloof maar dat we allebei met zekerheid binnen het uur zullen sterven als u nu niet optreedt.'
'U bent teruggekomen van de overkant. Waarom?'
Hoe moest hij dat uitleggen? Hij kon zeggen dat het was vanwege zijn vriend Gregory. Dat was waar, maar het ging nog verder. Deze hele oorlog was waanzin. Misschien had de Tsuranu die hier voor hem stond wel een van zijn verwanten gedood. En toch had deze hele kwestie iets zo merkwaardigs dat hij wilde zien hoe het afliep. Maar dan moest dit zinloze gekibbel nu wel afgelopen zijn.
'Omdat ik wil blijven leven, en de grootste kans daartoe heb ik momenteel als wij bij elkaar blijven. Geloof me. Ik ken de moredhel beter dan u en beter dan u hen ooit zult leren kennen. Zij geven deze achtervolging niet op, want in hun ogen hebben wij hun ernstig onrecht aangedaan. Hun eer verlangt dat wij worden achtervolgd en gedood, ongeacht de prijs. Later vertel ik u er wel meer over, Tsuranu, maar nu is er geen tijd meer. Geef uw mannen het bevel te gaan.'
Na een korte aarzeling knikte Asayaga. Kwesties van eer, ongeacht van wie, kon hij begrijpen. Hij draaide zich om en blafte een reeks bevelen terwijl hij zijn tuniek en maillot uittrok. De anderen aarzelden, tot een van de oudere mannen zijn hoofd schudde en zich lachend begon uit te kleden. 'Mijn mannelijkheid is gekrompen van de kou,' riep hij zijn metgezellen toe. 'Wat is jouw excuus?'
Enkele minuten later stuurde Asayaga de colonne de rivier in. 'Ga jij maar mee,' zei Gregory. 'Ik kom met de achterhoede.'
Tinuva knikte, wierp de mantel af en volgde Asayaga, geen acht slaand op de nieuwsgierige blikken van de Tsurani. Toen hun commandant eenmaal in de rivier stond, begonnen de anderen te volgen, vloekend en sputterend. Halverwege de rivier verloor de man voor Tinuva zijn greep op het touwen ging kopje onder. Hij greep de krijger beet en trok hem terug, maar de man had zijn staf losgelaten, en zijn spullen was hij kwijt.
Achterin werd geschreeuwd, en hij zag nog twee mannen hun greep verliezen. Een van hen kwam weer boven en probeerde onhandig te zwemmen, maar de andere was domweg verdwenen.
Weer terug aan de overkant merkte Tinuva dat hij nauwelijks nog kon lopen, en hij was dankbaar dat Barry hem hielp tegen de oever op te klauteren. Naast het laaiende vuur werd een deken op de grond gespreid, en hij liet zich erop vallen, bibberend, zich verscheidene minuten nergens van bewust. Sergeant Barry hield even een mantel bij het vuur en legde hem toen over Tinuva heen. Het contrast met de kou was zo groot dat hij het bijna uitschreeuwde, maar toch was de warmte nauwelijks genoeg om hem op te laten houden met klappertanden. Langzaam haalde hij diep adem en bewoog zijn armen en benen, en uiteindelijk stond hij op.
Overal rondom hem stonden naakte mannen, allemaal bibberend en klappertandend. Er werd een tweede vuur aangelegd. Dennis' mannen die al waren aangekleed brachten armenvol hout, en in de bossen galmde het geluid van bijlslagen. Er hing zelfs een geur van bradend vlees, en Tinuva zag dat iemand de hertenbok had gevonden en geschoten. Drie man waren hem aan het slachten. De stukken vlees die ze afsneden, gooiden ze zonder plichtplegingen in de vlammen, waar ze met scherp gemaakte stokken weer werden uitgeprikt.
Wat tot zijn positieven gekomen, worstelde Tinuva zich weer in zijn broek, laarzen en tuniek, zodat het schokkerige beven eindelijk wat minder werd.
Bij de waterkant stond Asayaga, nog steeds bloot. Hij hielp elk van zijn mannen de oever te beklimmen en stuurde hen door naar de vuren om te drogen.
Pater Corwin stapte als een van de laatsten de rivier in. Zijn zedigheid verplichtte hem zijn habijt aan te houden, al hield hij hem wel tot aan zijn middel omhoog. Ondanks zijn gezette bouw was hij toch sterk genoeg om twee van de gewonden te helpen, bijgestaan door Richard.
Tinuva keek naar Gregory, die als enige nog op de andere oever stond, geheel gekleed, zijn boog paraat... en Tinuva voelde de aanwezigheid van de moredhel. Een kraai steeg op van een tak, luid krassend. Hij zag Gregory verstijven.
'Ze zijn er,' siste Tinuva.
Dennis stond al naast hem en gooide hem een boog en pijlenkoker toe. Tinuva nam het wapen en zette er de pees op, die hij voor de oversteek zorgvuldig in een oliedoek had gewikkeld.
De achterste mannen waren nu halverwege de rivier. Plotseling sneed Gregory het touw aan zijn kant door, rende naar de rivier en dook erin, met zijn boog nog in de hand. Toen hij boven kwam werkte hij zich half zwemmend, half onhandig wadend door het borsthoge water naar de overkant.
Tinuva zag een flits van weerkaatst licht. Het was een ruiter, met een glanzend schild over zijn linkerschouder. Zonder aarzelen spande hij zijn boog en schoot een pijl af op de flikkering. Ook al trof hij zijn doel niet, dan hield hij toch de man een extra tel of twee bij de oever vandaan, zodat degenen in het water veilig aan de overzijde konden komen.
Uit de bossen verscheen een tweede vijand, een bereden boogschutter, de boog getrokken, mikkend op Gregory.
Weer bracht Tinuva zijn wapen omhoog, maar deze keer liet hij niet los zodra de boog gespannen was. Hij wachtte, voelde de wind op zijn wang, schatte de afstand in en liet los. De bereden schutter schoot als eerste. Gregory dook onder, en de pijl trof het water waar hij was verdwenen. Tinuva's pijl flitste over de rivier heen en trof het paard, dat steigerde, gillend van pijn.
Er doken nog meer ruiters op, die zich verspreidden langs de oever. Gregory had pater Corwin halverwege de rivier ingehaald en spoorde hem aan terwijl de pijlen hen om de oren suisden. Een van de gewonden werd door een kruisboogschicht in de rug getroffen en zakte met een kreet ineen. Richard probeerde hem te pakken, maar Gregory duwde hem verder en trok Richard onder water toen er nog een schicht werd afgeschoten.
Dennis' meest ervaren boogschutters stelden zich naast Tinuva op aan de oever, en zorgvuldig mikkend schoten ze hun pijlen hoog de lucht in.
Nu het touw aan de andere kant was doorgesneden, werden de mannen in het water geleidelijk aan door de stroming meegesleurd. Een van de Tsurani liet los en verdween in de kolkende rivier. Asayaga sprong het water in en waadde naar zijn mannen, en vloekend ging Dennis hem achterna. Samen bereikten ze Corwin, Richard, Gregory en verscheidene anderen. Weer ging een Tsuranu kopje onder, geraakt door een kruisboogschicht.
Plots verdween Dennis toen hij in een gat stapte. Tinuva, die zorgvuldig mikte op wat vermoedelijk een van de aanvoerders aan de overkant was, liet zijn boog zakken, klaar om andermaal het water in te gaan. Er klonk geschreeuw, en zeker zes mannen sprongen de ijskoude stroming in, klaar om naar dieper water te ploeteren.
Eindelijk kwam Dennis weer boven, geholpen door Asayaga, en getweeën bereikten ze de oever, terwijl Gregory vloekend en snakkend naar adem de priester en Richard op het droge hielp. Zijn boog was hij verloren.
Asayaga duwde Dennis op de kant, en de Tsurani zwermden rond hun leider. Dennis keek rond, en met een vermoeide vloek kroop hij de helling weer op, Tinuva's uitgestoken hand pakkend.
'Edel gebaar,' merkte Tinuva op.
Met een opgestoken hand legde Dennis hem het zwijgen op. 'Geen woord meer,' hijgde hij met klapperende tanden, en liep Tinuva straal voorbij om bij het vuur te gaan staan.
Aan de overzijde stonden twaalf menselijke ruiters. Verscheidene waagden een schot over de brede rivier, maar door de stijve bries vielen de pijlen aan het einde van een grote boog neer zonder schade aan te richten. Er schalden beschimpingen heen en weer over het water, maar tot meer dan dat en elkaar woest aanstaren waren de beide partijen niet in staat.
Er waren nog meer vuurtjes gebouwd, en de eromheen staande mannen stampten met hun voeten, kleedden zich aan en schrokten stukken nauwelijks gaar vlees naar binnen.
Met kletsnatte kleren kwam Gregory bij zijn vriend Tinuva staan. 'Ik had die boog al bijna tien jaar. Ik zal hem missen.'
'In ruil daarvoor heb je de priester gered.'
'Ik weet het. Het zal nog moeten blijken of het een goede ruil was.'
Tinuva keek hem vragend aan.
'Nog niet. Ik vraag het me alleen af, meer niet.'
'Tot dusver heeft hij zijn waarde bewezen.'
'Ik weet het.' Gregory knikte naar de overkant. 'Het kost hun een uur om terug bij de hoofdcolonne te komen. Dik twee uur, misschien wel drie om naar de brug te gaan en dan nog een paar uur om hier te komen. We laten twaalf boogschutters achter om hier stand te houden, voor het geval ze gek genoeg zijn om een oversteek te wagen. Ik denk dat we onze mannen hier over een uurtje of zo wel weer op weg krijgen.'
'Zorg dan eerst maar dat je zelf droog wordt. De temperatuur gaat vandaag flink zakken nu die storm voorbij is.'
Gregory, wiens gezicht al blauw zag, knikte en liep naar het vuur. Een van de ruiters aan de overkant was al omgekeerd en in de bossen verdwenen. De anderen trokken zich terug tot aan de rand van het woud en stegen af, en korte tijd later sprong er een vuurtje tot leven. Dus voorlopig zouden ze hier blijven om te zien wat hun tegenstanders gingen doen.
Tinuva zag Asayaga bij het vuur staan, heftig bibberend, de handen naar de vlammen uitgestoken. Hij liep naar het tweede vuur, waar het wildbraad in lag te roosteren, prikte er met een stok een stuk uit en ging ermee naar de Tsurani-leider, die het vlees zonder commentaar in ontvangst nam.
'Waarom hebt u het gedaan?'
'Ik dacht dat het iemand anders was, een van mijn mannen.'
Tinuva grinnikte zachtjes. 'Zo sterk lijkt Hartraft anders niet op uw mannen.'
'Het was een vergissing, zeg ik je.'
'Een vergissing om hem te redden, of een vergissing dat u niet wist wie u aan het redden was?'
Asayaga nam een hap van het half gebraden wild. 'Hij haat me.'
'En haat u hem?'
'Het is mijn plicht hem te doden. En ja, hij is ons al jaren een doorn in het oog. Het zou mijn clan eer brengen als ik hem kon doden.'
'Zou u hem hebben laten verdrinken?'
Asayaga aarzelde.
'Nou?'
'Nee.'
Waarom niet?'
'Als ik hem dood, wil ik dat het in een eervol gevecht gebeurt. Het zou ons geen van beiden eer brengen hem te laten verdrinken. En het zou zonde zijn. Hij heeft gelijk - we hebben ieder zwaard nodig als we dit willen overleven.'
'Weet dit, Asayaga: Dennis is een briljant krijger, ik denk een van de beste die ik van zijn ras ooit heb gekend. Ook hij heeft eer, zij het misschien niet zoals uw volk die kent. Ik denk dat hij voor u hetzelfde zou hebben gedaan. In feite zal het aan hem knagen, omdat hij u zijn leven verschuldigd is.' Tinuva grinnikte zachtjes. 'U hebt hem met een paradox opgescheept. Om u te kunnen doden, zal hij eerst die schuld moeten inlossen.'
'Dat is helemaal niet om te lachen.'
Gregory kwam naar hen toe. 'Wat is niet om te lachen?'
'Dennis is Asayaga zijn leven verschuldigd, maar hij wil hem doden.'
Gregory knikte. 'Elfen bezien de wereld nu eenmaal iets anders dan wij.'
'Ja, een lolletje is het allemaal zeker niet te noemen,' merkte de elf op. 'Maar toch zie ik er de humor van in. Jullie mensen-goden zijn er dol op om jullie met dat soort raadselen en uitdagingen op te schepen; zo komt het tenminste bijna mijn hele leven al bij mij over. Al heel lang ken ik mensen zoals Gregory, en ik heb zelfs een mensenstad bezocht, maar soms verbaas ik me nog steeds over jullie complexe manier van denken. Vaak lijken jullie de voorkeur te geven aan een moeilijke keuze terwijl er simpele alternatieven voorhanden zijn. Dat is een voortdurende bron van verbazing voor mijn ras.' Hij keek naar Dennis, die verderop stond. 'Het zal interessant zijn om te zien hoe jullie twee dit dilemma oplossen.'
Asayaga gromde en kon duidelijk de humor in de situatie niet ontdekken.
Kauwend op een stuk vlees kwam Dennis naar hen toe en gooide een stok met een ander stuk naar Tinuva. Asayaga bood hij niets aan. 'We nemen nog een uur rust om te drogen, warm te worden en te eten. Tinuva, ik wijs wat mannen aan, zes blijven er hier bij jou achter. Ik verwacht van de Tsurani dat die er ook zes achterlaten. Dat moet genoeg zijn om hen ervan te weerhouden de rivier over te steken.'
'Ik neem geen bevelen van jou aan, Hartraft.'
'Mij best. Noem het dan maar een van mijn suggesties, Tsuranu.'
'En wat dan?'
Dennis glimlachte en wees naar de volgende bergkam in het noorden. 'We gaan daarheen, schudden die rotzakken af en vechten het samen uit.' Zonder een reactie af te wachten liep hij weg.
'Onaangenaam sujet,' snauwde Asayaga, en Tinuva voelde dat de Tsuranu had gerekend op een soort rituele uitwisseling, waarbij de bloedschuld werd erkend. Hij kon zien dat Hartraft slecht op zijn gemak was met het hele voorval en de kwestie gewoon wilde laten vallen.
'Komt door de oorlog,' zei Tinuva tenslotte.
'Wat?'
'Dat hij zo is. Uiteindelijk worden we allemaal zo.' Terwijl hij het zei, staarde hij ingespannen naar de overkant van de rivier. Kort daarop liep Asayaga weg om naar zijn mannen kijken.
Toen ze alleen waren, vroeg Gregory: 'Wat is er?'
Tinuva wist waar hij naar vroeg. Gregory kende zijn volk goed genoeg om te weten dat Tinuva hem vroeg of laat wel zou vertellen wat hem sinds de hinderlaag zo stoorde. Rustig zei Tinuva: 'Een van de moredhel die ik met de Tsurani in een hinderlaag heb gelokt, was Kavala.'
Gregory vloekte. 'Dat betekent...'
'Dat Bovai er ook is,' zei Tinuva zacht.
'Weer een van die raadselen en uitdagingen van de goden?' zei Gregory. Hij schudde zijn hoofd. Als mens kon hij zijn gezicht bijna net zo goed in bedwang houden als een elf, maar Tinuva kon zijn ontsteltenis goed zien.
'Nee, hoor. Een wrede speling van het lot, misschien.'
'Wat ga je doen?'
'Ik dien, ik doe wat ik kan om Dennis, jou én de Tsurani te helpen overleven,' zei Tinuva. 'Maar als de kans zich aandient om deze... bloedschuld in te lossen, dan neem ik die aan.'
Gregory knikte. Als een van de weinige mensen kende hij de werkelijke betrekkingen tussen eledhel en moredhel, en in het bijzonder tussen Tinuva en Bovai, maar zonder Tinuva's uitdrukkelijke toestemming zou hij daar nooit met iemand over spreken. 'Dat kunnen we Dennis maar beter pas laten weten tot we ons echt niet langer verborgen kunnen houden,' zei Gregory uiteindelijk. 'Als hij wist dat Bovai er was, zou hij misschien net lang genoeg blijven treuzelen om het tot een confrontatie te laten komen.'
Tinuva's mondhoeken krulden iets omhoog, een openlijk vertoon van humor. 'Dennis heeft nog een bloedschuld bij Bovai openstaan, maar zo dom zal hij vast niet zijn.'
'Ik hoop dat je gelijk hebt,' grinnikte Gregory. Hij keerde zich naar het vuur. 'Ik zal die boog missen.'
Kijkend naar de vermoeide mannen rond het vuur zei Tinuva: 'Binnenkort hebben we genoeg extra wapens over.'
Gregory had geen uitleg nodig - ook hij wist dat er veel van deze mannen binnen enkele dagen dood zouden zijn. Hij knikte en liep toen weg, de elf met zijn eigen gedachten achterlatend.
Starend naar de overkant, waar de mensen-huurlingen stonden te kijken om te bepalen wat ze zouden doen, vroeg Tinuva zich af hoe lang hij nog zou wachten voordat hij Bovai ging opzoeken.
Opgegaan in zijn mijmerijen, miste hij bijna het eerste bevel om klaar te staan voor vertrek. Toen achter hem de activiteit in het kamp toenam, wierp hij nog een laatste blik over de rivier, draaide zich om en liep terug naar de anderen.