1 Treurnis
De grond was bevroren.
Kapitein Dennis Hartraft, commandant van de Marodeurs, stond stil te staren naar het ondiepe graf dat in de koude aarde was uitgehakt. De winter was snel en streng gekomen, eerder dan gewoonlijk, en na zes dagen lichte sneeuw en temperaturen rond het vriespunt gaf de grond slechts met tegenzin mee.
Zo verrekte koud, dacht hij. Het was al erg genoeg dat je de mannen hier geen fatsoenlijke brandstapel kon geven omdat de rook hun positie aan de Tsurani prijs zou geven, maar nu ze ook nog eens vast zaten achter de vijandelijke linies konden ze de doden niet voor hun crematie mee terugnemen naar het garnizoen. Een gat in de grond om te voorkomen dat de wolven erbij konden, dat was het enige. Was dit uiteindelijk het enige wat overbleef, alleen de duisternis en de ijzige omhelzing van het graf?
Met zijn linkerhand, zijn zwaardhand, wreef hij afwezig over zijn rechterschouder. De oude wond leek altijd het meeste pijn te doen als er sneeuw op de grond lag.
Rond het graf liep een priester van Sung. Een gebed mompelend, maakte hij een zegenend gebaar. Dennis stond stokstijf en zag enkele mannen eveneens gebaren voor de verscheidene goden maken - voornamelijk Tith-Onanka, de oorlogsgod - terwijl anderen zich niet verroerden. Een paar keken naar hem, zagen zijn blik en wendden zich af. De mannen konden de ingeslikte razernij in hem voelen... en de leegte. De priester viel stil, het hoofd gebogen, de handen steels bewegend om het graf te verzegelen. De priester van de godin van reinheid beschermde de doden tegen schennis. Dennis verplaatste ongemakkelijk zijn gewicht en keek op naar de donker wordende wolken die in het westen een ondoordringbare grijze muur vormden. Hij keek naar het oosten, waar de hemel verduisterde.
De nacht naderde, en daarmee de belofte van meer sneeuw; de eerste echte storm van het jaar. Na al die jaren in dit gebied wist Dennis dat er een lange, strenge winter met rasse schreden naderde en dat het zijn taak was om zijn mannen veilig terug te brengen naar hun basis in baron Moyiets kamp. En als het in de komende dagen flink ging sneeuwen, kon dat problematisch worden.
De priester deed een stap achteruit van het graf, hief zijn handen op naar de donkere lucht en begon weer te prevelen.
'De dienst is afgelopen,' zei Dennis, zonder stemverheffing, maar de woede erin sneed als een mes door de koude lucht. Verrast keek de priester op. Zonder acht op hem te slaan draaide Dennis zich om naar de achter hem verzamelde mannen. 'Jullie krijgen een minuut om afscheid te nemen.'
De priester aarzelde, verbaasd vanwege de onderbreking, maar een verzengende blik uit Dennis' grijze ogen legde hem het zwijgen op. Iemand kwam naar Dennis toe en schraapte zijn keel. Zonder te kijken wist Dennis dat het Gregory van Natal was. En hij begreep dat zijn gebrek aan beleefdheid jegens de priester van Sung onverstandig was.
'We bevinden ons nog steeds achter de vijandelijke linies, pater,' hoorde hij Gregory zeggen. 'We vertrekken zodra de verkenner terug is. De winter nadert snel en we kunnen maar beter veilig in Brendans Palissade zitten voordat er een sneeuwstorm opsteekt.'
Dennis keek over zijn schouder naar Gregory, de boomlange Natalse Vrij schutter met de zwarte huid, die aan zijn bevel was toegevoegd. Gregory staarde terug, met een zweem van een glimlach in zijn ogen. Zoals altijd ergerde het Dennis dat de Vrij schutter onfeilbaar leek te weten wat hij dacht en voelde. Hij wendde zijn blik af en wees naar de ploeg van twaalf mannen die het ondiepe graf hadden gedolven. 'Sta daar niet zo stom te gapen, gooi het zaakje dicht.'
De mannen gingen aan de slag, en Dennis beende weg naar de rand van de open plek die eens een kleine boerenhoeve aan de grens van de beschaving was geweest, maar in dit negende jaar van de oorlog allang leeg stond.
Zijn blik dwaalde even over de ruïne van het houten woonhuis met de rottende stammen en de ingestorte, zwartgeblakerde balken van het dak. Reeds flink opgeschoten zaailingen staken tussen de puinhopen omhoog. Het deed hem denken aan een andere ruïne op slechts vijftig mijl hiervandaan, maar die gedachten bande hij uit zijn hoofd. Al jaren geleden had hij geleerd dat hij daar niet meer aan moest denken. Hij speurde het woud verderop af, alsof hij de terugkeer van hun verkenners verwachtte. Gewoonlijk leidde Gregory de verkenningspatrouilles, maar Dennis wilde hem nu niet laten gaan, voor het geval ze een snelle aftocht moesten blazen. De jaren succesvol opereren achter de Tsuranese linies hadden hem geleerd te luisteren naar zijn intuïtie. Trouwens, de verkenner die hij had gestuurd, was in de compagnie de enige die nog stiller dan Gregory door de bossen kon sluipen.
De neiging een zucht te slaken onderdrukkend, liet Dennis zijn adem langzaam ontsnappen en leunde tegen de stam van een hoge den. Het rook naar de pure geuren van de winter, het aroma van hars, de sneeuw, de frisheid van de lucht. Hij merkte er niets van. Het was alsof de wereld om hem heen waarlijk dood was en hij eveneens een van de doden was. Heel zijn aandacht echter was gericht op het geluid van de bevroren aarde die achter hem terug in het graf werd geschept.
De priester, geschrokken van Dennis' oneerbiedige vertoon, zag hem de groep verlaten, liep naar Gregory en keek omhoog naar de boven hem uit torenende Natalees.
Gregory schudde slechts het hoofd en keek de compagnie rond. Alles was stil, behalve de spaden in de ijskoude aarde, en iedereen keek de leider na die wegliep naar de rand van het omringende woud. Gregory schraapte zijn keel nogmaals, deze keer harder. De mannen keken naar hem, en hij beduidde hun de aandacht te vestigen op het werk.
'Hij haat me,' zei pater Corwin met een zweem van triestheid in zijn stem.
'Nee, pater. Hij haat dit.' Gregory knikte naar de puinhopen van de strijd die over de open plek verspreid lagen: de platgestampte sneeuw - op vele plaatsen waterig roze - gebroken zwaarden, pijlen, en de tweeënvijftig Tsuranese lijken die lagen waar ze waren gevallen, met inbegrip van de gewonden die met een mes op de keel waren afgemaakt. Gregory aarzelde, zijn blik op de priester gevestigd. 'Het feit dat u per ongeluk dit gevecht hebt veroorzaakt, was uw schuld niet.'
De priester schudde vermoeid het hoofd. 'Het spijt me. Ik was verdwaald en wist niet dat de Tsurani zo dicht achter me zaten.'
Gregory staarde recht in de bleekblauwe ogen van de oude priester. De pupillen waren groot, het oogwit bloeddoorlopen. Onversaagd staarde de priester terug, zonder ook maar even de ogen neer te slaan. Rondreizende priesters, van welke orde dan ook, zelfs van de godin van reinheid, moesten hard genoeg zijn om zichzelf in leven te houden met wat de voorzienigheid hun bracht. Gregory twijfelde er niet aan dat de goedendag aan de gordel van de priester bloed had gezien en dat pater Corwin door de jaren heen zijn portie aan gevaar had beleefd. Daarbij beschikte Gregory over een ruime mensenkennis, en al kwam deze priester op het moment deemoedig over, daaronder ging een onmiskenbare taaiheid schuil.
'Had ik het klooster maar nooit verlaten om hier te komen helpen,' verzuchtte de priester, zijn blik uiteindelijk afwendend. 'We zijn verdwaald, de broeders Valdin en Sigfried en ik. We waren op weg naar het kamp van baron Moyiet, namen een verkeerde afslag van het pad en raakten achter de Tsuranese linies.'
'Alleen Vrijschutters en elfen bereizen deze paden zonder het gevaar te verdwalen, pater,' zei Gregory verzoenend. 'Deze bossen zijn verraderlijk. Er wordt wel gezegd dat het woud zelf soms paden verbergt en nieuwe maakt om onoplettende reizigers op een dwaalspoor te brengen.'
'De broeders Valdin en Sigfried zijn gevangengenomen,' vervolgde de priester, zijn verhaal spuiend. 'Ik ben ontsnapt. Ik zat naast het pad mezelf te ontlasten toen de Tsuranese patrouille hen snapte. Nadat mijn broeders gevangen waren genomen, ben ik de andere kant op gerend. Ik ben een lafaard.'
De Natalse Vrijschutter haalde de schouders even op. 'Een ander zou het verstandig noemen in plaats van laf. U hebt de Tsurani een derde gevangene ontzegd.' De priester leek niet erg overtuigd. 'U had hoe dan ook niets voor hen kunnen doen,' verzekerde Gregory hem, 'behalve hun medegevangene worden.'
Dat scheen Corwin iets meer gerust te stellen. 'Maar het was toch dom van me om weg te rennen. Als ik wat behoedzamer was geweest, zou ik hen niet naar jullie toe hebben geleid. Toen ik een van jullie mannen tussen de begroeiing langs het pad zag, ben ik natuurlijk recht op hem af gerend.'
'Ja,' zei Gregory met licht toegeknepen ogen terug, 'maar als hij beter zijn best had gedaan om zich verdekt op te stellen, zou u hem niet hebben gezien, toch?'
'Ik wist niet dat zij' - hij wees naar de Tsuranese lijken op het veld - 'vlak achter me zaten.'
Gregory knikte.
Wat een snelle, kundige hinderlaag met een minimum aan verliezen had moeten worden, was veranderd in een bloedbad. Achttien man van de Marodeurs, bijna een kwart van Dennis' eenheid, waren dood, en nog eens zes ernstig gewond. Het treffen was weliswaar een overwinning voor het Koninkrijk geweest, maar wel tegen een veel grotere prijs dan noodzakelijk. De priester bleef maar praten en begon zijn verhaal helemaal opnieuw. Gregory keek hem onderzoekend aan. De man was duidelijk diep geschokt. Hij was slecht gekleed, droeg sandalen in plaats van laarzen. Een paar tenen vertoonden al bevriezingsverschijnselen. Zijn handen beefden licht, en zijn stem was het breekpunt nabij.
De priester viel stil en nam een lang moment om zijn zelfbeheersing te hervinden. Hij slaakte een diepe zucht en keek naar Dennis, die alleen aan de rand van de open plek stond.
'Wat is er toch met jullie commandant?' vroeg de priester.
'Zijn beste vriend ligt in dat graf,' fluisterde Gregory met een hoofdknik naar de achttien lichamen, zij aan zij in de smalle sleuf die in de bevroren grond was uitgehouwen. 'Jurgen diende al onder Dennis' vader voordat hij onder bevel van de zoon kwam te staan. Een deel van het land dat de Tsurani nu bezet houden, was vroeger van Dennis' familie. Zijn vader was jonkheer van Valinar, een vazal van heer Brucal. Al vrij vroeg in de oorlog zijn ze alles kwijtgeraakt. Het bericht van de invasie was de Tsurani nog niet eens vooruitgegaan. De oude jonkheer en zijn mannen wisten niet eens tegen wie ze vochten toen ze stierven. Dennis en Jurgen behoorden tot de weinige overlevenden van die eerste aanval. Jurgen was zijn laatste verbindingsschakel met dat verleden.' Gregory zweeg even en staarde de priester recht aan. 'En nu is die schakel er ook niet meer.'
'Dat spijt me,' reageerde de priester zachtjes. 'Was dit allemaal maar nooit gebeurd.'
'Ja, pater Corwin, maar het is wel gebeurd,' zei Gregory vlak.
De priester keek naar hem op, en zijn ogen waren vochtig. 'Het spijt me,' zei hij andermaal, nog zachter.
Gregory knikte. 'Zoals mijn grootmoeder altijd zei: ''Spijt, daar koop ik niks voor." Laten we maar een paar laarzen voor u gaan zoeken voordat u morgen al uw tenen kwijt bent.'
'Waar wilt u die laarzen vinden?'
'Bij de doden, natuurlijk.' Hij wees op de laarzen, wapens en mantels waarvan de doden waren ontdaan voordat ze werden begraven. 'Die hebben ze toch niet meer nodig, en de levenden wel,' voegde hij er zakelijk aan toe. 'We eren hun nagedachtenis, maar het is zinloos om wapens en laarzen waar niets mis mee is met hen mee te begraven.' Hij wees met zijn kin. 'Dat paar daar lijkt me ongeveer uw maat.'
De priester huiverde, maar ging de bedoelde laarzen toch maar oppakken.
Terwijl de priester zijn sandalen losmaakte, kwam Alwin Barry, zojuist aangesteld als sergeant van de compagnie, naar de rand van het graf. Hij pakte een kluit bevroren aarde en wierp die in het graf. 'Hou in Tiths eetzaal een stoel voor me vrij,' mompelde hij, naar het oude geloof onder soldaten dat degenen die dapper waren gesneuveld een nacht lang door de oorlogsgod op goed eten en drinken werden onthaald voordat ze ter beoordeling naar Lims-Kragma werden gestuurd. Barry boog even eerbiedig zijn hoofd, draaide zich om en liep naar het pad in het midden van de open plek, waar hij de mannen opriep om zich op te stellen voor de mars.
Haastig liepen de anderen naar het graf om een handvol aarde op te pakken en erin te gooien. Sommigen maakten een zegenend gebaar, één ontkurkte een veldfles, hield hem omhoog, dronk eruit en goot de rest van de brandewijn in het graf, waarna hij de veldfles erachteraan gooide.
Het was niet de gewoonte in het Koninkrijk om de doden te begraven, maar door de eeuwen heen was toch menig soldaat onder de aarde te ruste gelegd, en soldaten hadden zo hun eigen riten om de gesneuvelden vaarwel te zeggen, riten die niets met priesters en goden te maken hadden. Het ging er niet om hun kameraden op de goede weg naar Lims-Kragma's Paleis te helpen, want op weg waren ze al lang. Dit was bedoeld om afscheid te nemen van de mensen die nog maar even te voren zij aan zij met hen hun bloed hadden vergoten. Het was bedoeld om afscheid te nemen van broeders.
Richard Kevinsson, de jongste rekruut van de compagnie, was een van de laatsten die naderbij kwam. Als jeugdige jonker uit Landonare, ontkomen toen de Tsurani het landgoed van zijn familie onder de voet hadden gelopen, had hij wraak gezworen en vol vuur dienst genomen. Nu stonden de tranen hem in de ogen, zijn gezicht was bleek, en er liep een dun straaltje bloed over zijn wang uit een snee in zijn hoofd, vlak onder zijn gedeukte helm. 'Het spijt me,' zei hij met verstikte stem. Hij bukte zich en raapte een kluit aarde op, zijn blik gevestigd op de oude wapensergeant in het midden van het graf, omringd door zijn dode kameraden. De grafdelvers waren hard aan het werk, maar er was nog geen zand op Jurgen gevallen. Het was alsof de man sliep. Zonder zijn met bloed doordrenkte tuniek zag hij eruit alsof hij zo overeind kon komen om met een brede glimlach zijn scheve tanden te tonen.
Vaak had de jongeman gedroomd van zijn eerste gevecht, van de heldendaden die hij zou verrichten. In plaats daarvan had hij op de grond gelegen, als een verlamd konijntje omhoogkijkend naar zijn vijand, rondtastend naar het zwaard dat was gevallen, schreeuwend van doodsangst... en toen was Jurgen aangestormd, om de Tsuranu met een enkele slag neer te maaien.
Door Richard te redden had Jurgen zichzelf echter kwetsbaar gemaakt voor een vijandelijke speerdrager die recht op hem af was gesprongen.
Jurgen had Richard recht in de ogen gekeken en even was daar een zweem van een glimlach geweest, alsof hij een vriendelijke oude man was die een kind uit een lastig parket bevrijdde, vlak voordat de Tsuranese speer hem van achteren raakte. Toen werd zijn gezicht door de schok van de stoot verwrongen en boorde de speerpunt zich door zijn borst naar buiten.
Richard had het leven uit die oude ogen zien wegvloeien. Het ging heel snel, maar het leek wel een eeuwigheid, waarin dat licht uitdoofde en Richard besefte dat de man zijn eigen leven zonder aarzelen had opgeofferd.
Hij keek naar Jurgen. Die ogen waren nu dicht, maar in gedachten, en in de nachtmerries die hem de rest van zijn leven zouden bestoken, zouden die ogen open zijn, naar hem starend. 'Ik had het moeten zijn in plaats van jij,' fluisterde hij, door zijn verdriet amper tot spreken in staat.
Bijna sloeg hij dubbel toen er een snik in hem opwelde. Hij wist dat de anderen naar hem keken, hem beoordeelden. Waarom huilde hij niet, vroeg hij zich af, en hij schaamde zich voor al zijn gebreken van die dag.
Hij liet de aarde uit zijn hand vallen en kromp ineen toen de kluit Jurgens gezicht raakte. Beschaamd trok hij zich terug en liep weg, de schouders hangend, bevend, niet in staat zijn tranen te bedwingen.
De enkelingen die hem volgden, de meesten zwijgend, wierpen de rituele handvol zand en liepen weg, de ogen emotieloos. De compagnie stelde zich op voor de mars, en Alwin wees mensen aan om de brancards met de gewonden te dragen.
De grafdelvers waren bijna klaar. Ondanks de kou liep het zweet over hun gezichten, en hun warme adem vormde stoomwolkjes in de lucht. Vlug maakten ze hun werk af.
Aan de rand van de open plek stond Dennis nog steeds met ongerichte blik het bos in te staren. Iets, een gevoel, trok zijn aandacht. Een enkele vogel scheerde hoog door de takken. Het boze gekwetter van een eekhoorn klonk.
Zijn linkerhand ging als vanzelf omlaag naar zijn zwaardgevest. Hij keek over zijn schouder. Gregory zat geknield naast een Tsuranu, kijkend naar het gezicht van de vijandelijke soldaat alsof hij uit die stille gelaatstrekken iets over deze vreemde indringers aan de weet kon komen. Ook hij voelde wat Dennis had gevoeld, dat er iemand naderde. Zijn blik flitste naar de mannen langs het pad. Onder de veteranen waren er verscheidene die al reageerden. Anderen die dit zagen, volgden hun voorbeeld.
Hij keek naar Alwin en werd teleurgesteld. De nieuwe wapensergeant liep enkele tellen achter op Gregory en hemzelf. Maar uiteindelijk bracht hij toch zijn linkerhand omhoog, de palm naar voren, tegelijkertijd zijn rechterhand over zijn keel bewegend: het teken dat iedereen zich stil moest houden. Dennis keek het woud weer in.
Gregory luisterde, ontspande zich en keek Dennis aan. Hij glimlachte en knikte eenmaal met het hoofd.
In de duisternis van het woud bewoog een schaduw over het pad. Ook Dennis ontspande zich.
De schaduw stapte achter een boom vandaan en hield een hand omhoog. Dennis beduidde hem naar voren te komen.
De verkenner kwam aangerend, gekleed in een witte tuniek vol met zich vertakkende strepen grijs en zwart, het uniform dat Dennis voor de Marodeurs had ontworpen om tijdens de wintercampagne in de bossen te dragen. De verkenner liep lichtvoetig, zoals alleen een elf kon lopen, zo zacht dat er soms werd gezegd dat ze zelfs in de sneeuw geen voetstappen achterlieten.
Hij hield de pas in toen hij Dennis naderde, knikte en maakte met een handgebaar duidelijk dat Dennis hem moest volgen.
Het was een stukje protocol dat Dennis soms ergerde. De verkenner was een metgezel van Gregory, die officieel geen deel uitmaakte van Dennis' bevel, en daarom bracht de verkenner eerst verslag uit aan zijn vriend. Dit was een van de redenen waarom Dennis liever Gregory een verkenningsmissie liet leiden, want als de Natalse Vrij schutter terugkeerde van een opdracht, rapporteerde hij aan Dennis. Niet voor het eerst vond Dennis dat hij zich er maar niet druk over moest maken, maar toch bleef het hem storen.
'Tinuva,' verzuchtten verscheidene mannen toen de elf de open plek op kwam. Ze ontspanden zich en lieten zichtbaar opgelucht de wapens terug in de schede glijden.
De elf knikte begroetend. Hij keek naar het delvers detachement, bezig het graf te dichten, en bleef even staan, met gebogen hoofd, voor een gedachte aan de gevallenen. Toen draaide hij zich om naar Gregory. 'Je had gelijk, er zijn er twee ontsnapt.'
'En?' vroeg Gregory.
'Goede strijders, taai, een lange achtervolging,' zei hij zakelijk.
'Dus je hebt hen allebei te pakken gekregen?' vroeg Dennis.
De elf schudde zijn hoofd. Hij had zichtbaar ademgebrek na de langdurige achtervolging en knikte dankbaar toen Dennis een veldfles onder zijn tuniek vandaan haalde en hem gaf. De elf nam een slok en gaf de fles terug.
'Onzeker,' antwoordde Tinuva. 'Hun commandant kan al een koerier terug hebben gestuurd voordat de strijd begon. Er waren te veel sporen op het pad om dat te kunnen zien. Als ik meer tijd had gehad om de weg te volgen die ze gekomen waren, zou ik het zeker hebben geweten, maar je had nadrukkelijk gezegd dat ik snel terug moest zijn.'
Dennis vloekte in stilte.
'Dan moeten we ervan uitgaan dat er iemand is ontkomen,' verkondigde Gregory.
'Dat doe ik altijd,' zei Dennis koeltjes. Gregory gaf geen antwoord.
'Ik bespeur hier ook nog iets anders,' zei de elf.
'De Onzalige Broeders?' vroeg Gregory, en de elf knikte.
'Heb je sporen gezien?' kwam Dennis tussenbeide.
De elf stak een hand in de buidel die aan zijn gordel bungelde en haalde er een afgebroken pijlschacht uit. 'Hun makelij - de Raafclan. Op hooguit drie mijl hiervandaan. Toen ik terugkwam nadat ik de twee Tsurani had gevonden, kwam ik sporen tegen. Er lag bloed in de sneeuw. Iemand heeft een hert geschoten en in vieren gedeeld en is in noordelijke richting vertrokken. Met zijn vieren waren ze, vroeg in de ochtend, een uur nadat het vandaag is gaan sneeuwen.'
'Vier maar?' vroeg Dennis.
De elf schudde zijn hoofd. 'Nee, ze zijn met meer. Dit was slechts een jachtgezelschap dat op voedsel uit was. Het woud ruist naar hen. Ze zitten ergens, er is iets gaande.' De elf knikte naar de bergen in het noorden, nauwelijks zichtbaar in de invallende duisternis.
'Hoeveel?'
De elf hield zijn ogen even dicht, alsof hij zo beter kon nadenken. 'Moeilijk te zeggen,' fluisterde hij. 'Wij eledhel hebben een verleden met de moredhel.' Vlug schudde Gregory zijn hoofd naar Dennis om aan te geven daar niets over te vragen. 'Ze zijn net zo moeilijk op te sporen als wij, tenzij ze dichtbij of met velen zijn.' Weer keek hij in noordelijke richting. 'Daar ergens, ver weg, maar met velen, zou ik zeggen.'
'Waarom?' vroeg de priester, die aan de rand van de groep stond. Verscheidene mannen keken om naar de priester, die plots verlegen de ogen neersloeg.
Niemand gaf antwoord.
Uiteindelijk nam de elf het woord. 'Heiligman,' zei Tinuva zacht, 'er is iets gaande bij degenen die u aanduidt als de Broederschap van het Onzalige Pad. Deze oorlog met de Tsurani leidt ons af van de dreiging van deze onzalige lieden in het noorden. Mogelijk denken ze een voordeel te kunnen behalen terwijl de mensen elkaar afslachten. Misschien trachten ze terug te keren naar het Groene Hart en de Grijze Torens - het is goed voor te stellen dat ze na negen winters niet langer welkom zijn bij de clans van het Noordland.'
'Trekken ze naar het zuiden?' vroeg Gregory.
Tinuva haalde zijn schouders op. 'De jagers wier sporen ik heb gezien, reden mogelijk voor een grotere compagnie uit, of langs de flank ervan. Het valt bijna niet te zeggen of ze zuidwaarts gaan of deze kant op komen.'
'Des te meer reden om te maken dat we hier wegkomen,' zei Dennis. 'We zitten toch al veel te lang achter de linies. De mannen verdienen het om de rest van de winter door te brengen in Tyr-Sog met dronken worden en hun soldij uitgeven aan de hoeren.'
Hij keek om naar de groep bij het graf. Ze waren bijna klaar. Een paar delvers sleepten al met losse takken om over het graf te gooien. Verscheidene keerden al terug naar de gelederen, de spaden met de korte stelen aan hun rugzak hakend.
Een geoefend oog kon de begraafplaats vandaag nog gemakkelijk onderscheiden, maar als het bleef sneeuwen, waren het graf en de verspreid liggende Tsuranese doden morgen al verdwenen. Tegen het voorjaar, als de sneeuw smolt en het gras eronder weer opsprong, zou het woud alles reeds hebben opgeëist.
'Alwin, zet de mannen in beweging.'
'U zei dat u eerst de jongen wilde spreken, kapitein,' antwoordde Alwin zachtjes.
Dennis knikte. Zijn blik ging langs de gelederen tot hij op Richard Kevinsson viel. 'Jongen, hier komen,' blafte Dennis.
Zenuwachtig kwam Richard naar voren.
'De rest gaat vast op weg. Tegen de ochtend moeten we bij onze eigen linies bij Brendans Palissade zijn.'
Twee mannen die optraden als baanmakers renden heen, aan weerszijden van het pad, lichtvoetig over los liggende takken en langs boomstammen springend. Enkele tellen later waren ze verdwenen in het woud. Vervolgens vertrok de voorhoede van zes man in langzame draf over het pad.
Richard Kevinsson kwam naderbij, duidelijk slecht op zijn gemak. 'Kapitein?' vroeg hij met trillende stem.
Dennis keek naar Gregory, Tinuva en de priester, hen met zijn blik wegsturend. Tinuva deed een stap achteruit, maakte een buiging voor het graf en voegde zich bij de colonne, maar Gregory en de priester bleven dralen.
'Pater, ga naar de gewonden kijken,' zei Dennis op scherpe toon.
'Bedankt dat u me heeft gered, kapitein,' reageerde de priester, 'maar ik voel me verantwoordelijk voor het ongemak waarin deze knul zich bevindt, en ik wil graag bij hem blijven.'
Dennis stond op het punt een woest bevel te blaffen, maar de blik in Gregory's ogen bracht hem tot bedaren. Hij richtte zijn aandacht weer op Richard.
'Als we terug zijn in het kamp van baron Moyiet laat ik je uit het compagnie-register schrappen.'
'Kapitein?' Richards stem dreigde te breken.
'Ik heb je dienst laten nemen omdat ik medelijden met je had vanwege het verlies dat je had geleden, jongen, misschien omdat het me deed denken aan mijn eigen verlies. Maar daarin heb ik me vergist. De afgelopen twee weken heb je ons marstempo amper bij weten te houden. En ik heb gehoord dat je twee nachten geleden op wacht in slaap bent gevallen.' Hij aarzelde even. Dat wist hij van Jurgen, die de jongen had verdedigd door Dennis in herinnering te brengen dat hij dat jaren geleden op zijn eerste campagne ook had gedaan. 'Jij was het toch die door de priester vanaf het pad was gezien?'
De jongen aarzelde.
'Dat was zijn schuld niet,' kwam pater Corwin tussenbeide. 'Ik bleef staan omdat ik buiten adem was, en ik staarde hem recht aan, dus ik moest hem wel zien.'
'Dat doet er niet toe!' blafte Dennis, en de blik in zijn ogen maakte duidelijk dat hij geen woord meer van de geestelijke duldde. 'Nou?'
'Ja, kapitein,' antwoordde Richard krachteloos, 'dat was ik.'
'Hoe kwam dat?'
'Ik dacht dat ik me goed had verborgen.'
'Als die oude man je kon zien, zou een Tsuranese baanmaker je zeker hebben gezien. Je bent een gevaar voor jezelf en voor mijn bevel. Ik stuur je terug. Je mag je vriendjes vertellen wat je wil. Ik stel voor dat je ginds in Krondor een positie zoekt bij een lekker gemakkelijke bereden eenheid. Daar hebben ze geen hersens nodig. Gewoon rijden, je lans uitsteken en aanvallen. Daar kan je een held zijn, net als in de gedichten en balladen.'
'Maar ik wilde bij u dienen, kapitein,' fluisterde de jongen.
'Ja, en dat heb je gedaan, en nu is dat afgelopen.' Hij aarzelde even, maar toen kreeg zijn woede de overhand. 'Ga nog maar even bij dat graf kijken voordat we gaan,' zei hij met amper ingehouden razernij, zijn zachte stem een grotere straf dan een geschreeuwde belediging. 'Verdwijn uit mijn ogen.'
De jongen verstijfde, zijn gezicht bleek als de eerste dikke vlokken sneeuw die rondom hen begonnen te vallen. Hij knikte en draaide zich met hangende schouders om. Toen hij zijn plaats in de colonne weer innam, wendden de mannen om hem heen hun blikken af.
De priester deed een stap naar voren.
Dennis' hand vloog omhoog, de vinger wijzend naar het gezicht van de oude. 'Ik mag jou niet,' verkondigde Dennis. 'Het was knap stuntelig van je om hier te komen ronddwalen waar je niets te zoeken had. Weet je dan verdomme niet dat er hier een oorlog aan de gang is? En niet het soort oor1og waarover jij en je volgevreten vrienden kunnen kletsen terwijl jullie knus bij het haardvuur zitten. Ik hoop dat je er vandaag je buik van vol hebt gekregen.'
'Twee van mijn ''volgevreten vrienden", zoals u hen noemt, zijn vandaag door de Tsurani gevangengenomen,' kaatste pater Corwin terug, en er klonk ingehouden woede in zijn stem. 'Ik ben vrijwillig als genezer bij het leger gegaan, maar ik hoop dat u mijn diensten nooit nodig zal hebben. Een lichaam oplappen waar geen ziel in zit, is bitter werk.'
De priester draaide zich om, liep weg en voegde zich bij het middendeel van de colonne, bestaande uit de brancarddragers, dat juist vertrok.
Gregory grinnikte zachtjes.
'Wat valt er hier te lachen?' blafte Dennis.
'Volgens mij was die toch raak. Je was tenslotte wel wat hard voor die jongen.'
'Ik vind van niet. Hij heeft ons bijna allemaal de dood in gejaagd.'
'Hij heeft niets fout gedaan; ik zat maar tien voet bij hem vandaan, om zeker te weten dat hij goed verstopt zat.' Alsof hem iets te binnen schoot, voegde Gregory eraan toe: 'Die priester heeft ongewoon scherpe ogen.'
'Hoe dan ook, die jongen gaat terug.'
'Zou Jurgen dat ook hebben gedaan?'
Met een ruk draaide Dennis zich om, zijn ogen vol bitterheid. 'Hou jij je mond over Jurgen.'
'Iemand zal toch over hem moeten praten. Er is geen man in jouw compagnie die jouw verdriet niet deelt. En niet alleen vanwege het verlies van een man voor wie ze groot respect hadden, maar ook omdat jij bijzonder voor hen bent en nu deze smartelijke last draagt.'
'Smartelijke last? Hoe weet jij wat ik voel?'
'Dat weet ik,' antwoordde Gregory zacht. 'Ik heb ook gezien hoe het gebeurde. Jurgen heeft zijn keus gemaakt, hij verwaarloosde zijn verdediging om die knul te kunnen redden. Ik zou het ook hebben gedaan, en jij ook.'
'Dat denk ik niet.'
'Jij en je Marodeurs zijn door de jaren heen wel hard geworden, Dennis, maar niet zielloos. Jij zou ook hebben geprobeerd hem te redden, ook al had het je je eigen leven gekost, net als Jurgen. Die knul kan een goeie worden. Misschien heb je het niet gezien, en misschien dat hij het zelf niet eens meer weet, maar de eerste Tsuranu die bij hem was, heeft hij wel gedood. Die ene die hem bijna te grazen nam, kwam van achteren.'
'Hoe dan ook, die jongen gaat eruit.'
'Dat wordt hem fataal. We kennen dat type allebei. De eerstvolgende veldslag doet hij iets stoms om zijn eer te redden, en dat kost hem zijn leven.'
'Dat is dan zijn probleem, niet het mijne.'
'En als hij daarmee ook nog eens zes anderen de dood in jaagt? Wat zou Jurgen daarvan zeggen?'
'Jurgen is dood, verdomme,' siste Dennis. 'Praat me niet meer over hem.'
Gregory deed een stap achteruit, bracht zijn handen omhoog en schudde droevig het hoofd. De Natalse verkenner liep naar het graf. Neerkijkend op de diepbruine aarde, bespikkeld door de vallende sneeuw, fluisterde hij: 'Tot we weer samen in het licht staan.' Daarop ging hij terug naar de compagnie.
Tinuva sloot zich bij hem aan, en getweeën vertrokken ze in tegengestelde richting over het pad, om nogmaals te controleren dat de eenheid niet werd gevolgd.
Dennis was alleen, nu de laatste mannen de open plek verlieten.
Het sneeuwde dikke, wervelende vlokken, die in zijn gezicht sloegen en smolten tot ijskoude straaltjes, druppelend uit zijn gouden baard waarin het eerste ouderdomsgrijs zich net begon te laten zien.
Toen iedereen weg was, toen hij zeker wist dat er niemand keek, liep hij naar het graf, bukte zich en pakte een kluit bevroren aarde. 'Verdomme,' zuchtte hij, 'waarom heb je me hier achtergelaten, Jurgen?' Nu was er niemand meer. Alleen een vloedgolf van herinneringen. De landerijen van de Hartrafts waren niet veel meer dan wat bosgebieden tussen Tyr-Sog en Yabon, wat verspreid liggende kolonistendorpjes in de grensmarken, een landgoed van een plattelandsjonkheer waar de adellijke baronnen, graven en hertogen hun neus voor zouden ophalen of probleemloos zouden verliezen bij een potje dobbelen. Maar hij had er zijn hele leven gewoond, en vóór hem zijn vader en diens vaders vader.
Jurgen was een jonge soldaat geweest van de oude Angus Hartraft, bijgenaamd 'Vorkbaard', Dennis' grootvader, die als eerste gebieden langs de grens had gekregen als beloning voor zijn strijd tegen de duistere wezens die uit het noorden kwamen. Jurgen was ook zijn vaders beste vriend geweest. En toen zijn vader die eerste dag van de Oorlog van de Grote Scheuring was omgekomen, toen de Tsurani hun gebieden waren binnengestroomd, was het Jurgen geweest die Dennis het leven had gered, de nacht dat hun veste werd ingenomen.
Dennis staarde naar het graf. Was ik die nacht maar omgekomen, dacht hij, en heel even nam hij het de oude Jurgen kwalijk. Gwenynth, zijn bruid van slechts zes uren, was die nacht gedood. Zijn vader had hem bevolen haar mee te nemen door de geheime gang naar buiten om aan de brandende chaos van de veste te ontkomen. Vechtend tegen zijn wens om bij zijn vader te blijven, had hij Gwenynth mee door de tunnel genomen. En buiten de vluchttunnel, met de vrijheid net binnen bereik, was haar hart voor altijd tot stilstand gebracht door een kruisboogschicht. In het flakkerende licht van de brandende veste had hij een glimp van de moordenaar opgevangen. Het beeld van de man die zich had omgedraaid om te vluchten stond in Dennis' geheugen gegrift. Jurgen had Dennis gevonden, op zijn knieën in de modder, haar levenloze lichaam tegen zich aan gedrukt. Hij had gevochten om bij haar te blijven, tot Jurgen hem met de platte kant van zijn zwaard buiten westen had geslagen en hem langs de rivier in veiligheid had gebracht.
Van het hele garnizoen hadden slechts vijftien man, waaronder Jurgen en Dennis, die nacht overleefd. Carlin, de op één na laatste overlevende van die vijftien, was een maand geleden overleden aan de longtering. Nu was alleen Dennis nog over. Sommigen van de mannen onder zijn bevel zaten er al vanaf het begin van de compagnie bij, en ook die waren inmiddels oude wapenbroeders, maar van de oorspronkelijke veteranen die Dennis beschouwde als het hart en ziel van de Marodeurs was hij nog als enige over.
Zo, ouwe, dus nu ben je dood. Gesneuveld vanwege een stom pokkejoch en een dikke ouwe priester. Het is wel typisch iets voor jou om zo te sterven, bedacht hij, en er trok een trieste glimlach over zijn gezicht. Het 'Geluk van de Hartrafts', heette dat. Geen roem, geen glorie, geen geld. Gewoon een vazal van een familie met een kleine titel en verder niets. En dan, aan het eind, krijg je een speer in je rug vanwege een onhandig joch.
Toch wist hij dat Jurgen, die oude, vriendelijke, lachende Jurgen, het niet anders zou hebben gewild, omdat hij liever stierf voor een stomme jonkheer dan voor de koning. Sterker nog, als het de koning was geweest, zou hij hoogstwaarschijnlijk op zijn zwaard hebben geleund en alleen maar hebben toegekeken, in de overtuiging dat zulke hooggeplaatste personen best voor zichzelf konden zorgen.
De wind zwol aan, zachtjes kreunend door de ruisende boomtakken. De sneeuw kwam sissend neer als een gesel, hem dwingend het hoofd te buigen. Hij deed zijn hand open en liet de aardkluit op het graf vallen. Er was nu niets anders meer over dan een half vergeten naam en een zwaard in de schede aan zijn zij. Zijn vader, Jurgen, Gwenynth, ze lagen allemaal in hun graf, allemaal in hetzelfde, onverschillige woud.
'Dennis?'
Hij keek op. Het was Gregory.
'Niemand achter ons, maar laten we maar opschieten.'
Het was inmiddels bijna donker. Amper zichtbaar stond Tinuva op slechts twaalf passen afstand te wachten op de plek waar het pad terug het woud in dook.
Nog één laatste keer keek hij de open plek rond. Uiteindelijk zou het woud dit allemaal weer opeisen. De wind vlaagde langs hem heen, en hij huiverde van de kou.
'Je hebt de Marodeurs nog,' fluisterde Gregory.
Dennis knikte en keek naar de Tsuranese lijken die over de open plek verspreid lagen. En de rest hebben ze allemaal van me afgepakt, dacht hij. Hij wierp een blik over het pad in de richting waar zijn mannen wachtten, en al kwamen ze geen van allen uit Valinar, hij zag gezichten die hem even vertrouwd waren geworden als die van zijn familieleden. De Marodeurs leefden nog, en hij was verantwoordelijk voor hen.
Hij knikte. 'En de oorlog. Ik heb de oorlog ook nog.'
Zonder omkijken liet kapitein Dennis Hartraft het graf achter zich en verliet de open plek, verdwijnend in het donker.
Gregory keek hem na, schudde droevig zijn hoofd en volgde hem over het pad naar Brendans Palissade.
Het was koud. Opperbevelhebber Asayaga gooide een handvol houtskool op het komfoor, trok zijn handschoenen uit en wreef zijn handen boven het vuur. 'Rotland,' zuchtte hij, pakte de aan hem gerichte schriftelijke bevelen op en bestudeerde de aangehechte landkaart.
Waanzin. De eerste zware sneeuwbui van het seizoen viel uit de lucht, maar van hem werd verwacht dat hij meteen met zijn eenheid zou uitrukken ter versterking van een colonne die bij zonsopgang een Koninkrijkse buitenpost zou overvallen.
Waarom nu, in het donker? Een dagmars zou veel lichter zijn geweest. Hij keek even op. Buiten zijn tent zwol de wind aan. Het bevroren zeildoek kraakte en klapperde, en hij kon de zware sneeuw in het bos rondom het kamp van de takken horen vallen.
Het Spel, altijd weer het Grote Spel, besefte hij met een afstandelijk fatalisme. Hij wist zeker dat hij op een zinloze missie werd gestuurd, mogelijk zelfs met het doel om te falen, tot de schande van een van zijn clangenoten. Zijn Huis, de Kodeko, niet belangrijk genoeg om zelf de aandacht op zich te vestigen, maar wel gerelateerd aan leden van de Kanazawaiclan. Hij legde de bevelen neer en nam plaats op zijn kleine tentstoel, niet voor het eerst betreurend dat die geen rugleuning had. En ook betreurde hij het dat de bevroren grond niet was bedekt met de zachte kussens, die thuis zo gemakkelijk lagen. Met een hand over zijn gezicht wrijvend, schudde hij zijn hoofd. Hij werd te achterdochtig. Het hoefde niet per se deel uit te maken van het zoveelste Minwanabi-plan om thuis een politieke vijand in verlegenheid te brengen. Het kon ook gewoon een goed bedoelde, maar slecht geplande aanval zijn. In beide gevallen was zijn taak duidelijk.
Asayaga riep om Sugama, zijn pas aangestelde onderbevelhebber. 'Laat de mannen zich opstellen. Volle mars bepakking, rantsoenen voor vijf dagen. Zorg dat ze die nieuwe vachten en voetwikkels hebben. We vertrekken voor zonsondergang.'
'Waarheen, Opperbevelhebber?'
Asayaga gaf hem de kaart, die Sugama aandachtig bestudeerde. Asayaga zei niets. Ongetwijfeld had Sugama geen flauw idee waar hij op het perkament naar keek, maar desondanks bleef hij er ingespannen naar staren, als een geleerde vol diepzinnige gedachten.
'Een Koninkrijkse buitenpost,' zei Asayaga tenslotte. 'Die hadden we vandaag al moeten innemen, maar de bevelhebber heeft in zijn wijsheid besloten dat hij eerst meer manschappen moest hebben, en als gevolg daarvan zijn wij nu vrijwilligers.'
'Dan is het een eer dat onze bevelhebber ons heeft uitgekozen.'
Asayaga snoof. 'Ja, een hele eer. In de Koninkrijkse taal heet onze bestemming "Brendans Palissade".' Asayaga struikelde over de laatste twee woorden en miste de eerste s.
'Dan wordt dat een roemrijke naam voor het keizerrijk.'
'Maar natuurlijk,' zei Asayaga, zijn gezicht een niets onthullend masker. 'Alweer een roemrijke daad in een roemrijke oorlog.'