11 Respijt
Het was een koude ochtend.
Dennis Hartraft leunde tegen de muur van Wolfgars palissade, zijn mantel strak om zijn schouders getrokken, de kap op tegen de koude wind die vanuit het westen woei.
Hij vroeg zich af of hij het ooit nog echt warm zou krijgen. De wereld was altijd koud, leek het, en de kou sijpelde zijn botten binnen, en zijn hart. Hij wist dat het een geestelijke kou was en niet een lichamelijke, want ook al was het nu winter in deze vallei, de frisheid die hij nu in de wind voelde was niets vergeleken bij de bittere vrieskou die ze de laatste drie dagen van de achtervolging te verduren hadden gehad. Toen bedacht Dennis zich. Het was niet een geestelijke kou, maar een kou in zijn ziel.
Misschien was het Wolfgar die ze opriep, de herinneringen die maar beter vergeten konden blijven ...
Lang geleden op een winterochtend, staande achter de kantelen op de muur, kijkend naar de eerste sneeuw van die winter, het wonderbaarlijke voor een kind van zeven, de neer dwarrelende vlokken, een bard die naast hem knielde, lachend om de vlokken die hij opving op zijn tong of op zijn uitgestoken wanten en ze omhooghield om van dichtbij te kijken naar de ingewikkelde structuur van de kristallen totdat ze weg smolten.
Hij herinnerde het zich zo goed, het lachen, het neerkijken op de binnenplaats beneden, waar een klein meisje rond rende, de armen gespreid, roepend dat ze een sneeuwvlok was die meedreef op de wind, de bard die zachtjes grinnikte en hem zei dat hij een geheimpje wist, dat het het meisje hem leuk vond.
Jaren later, weer een sneeuwbui, en het kleine meisje was gegroeid, en ze zouden gaan trouwen, en arm in arm op de kantelen haalden ze herinneringen aan de bard op, lachend, zich afvragend of hij niet kon worden opgespoord en uitgenodigd om op hun bruiloft te komen optreden.
En nog een sneeuwbui, het flakkeren van vuur, het schreeuwen en gillen ...
Hij liet zijn hoofd zakken en zette die gedachte van zich af. Laat dat nooit meer terug naar binnen, nooit.
'Doet het je ergens aan denken?'
Dennis haalde diep adem, knipperend met zijn ogen, en zijn gezicht keerde terug tot het masker dat hij de wereld liet zien. Hij keek om.
Uiterst langzaam kwam Wolfgar de trap naar de borstwering op, met wiebelende staf, waaraan hij zich met beide handen vastklampte, één stap tegelijk nemend. Bijna schoot Dennis hem te hulp, maar hij wist wel beter: oude mannen hadden hun trots, vooral deze.
Eindelijk stond Wolfgar naast hem, de kap over zijn hoofd, zijn broze lichaam gehuld in dikke lagen bont. Hij keek op en toonde een scheve grijns. Zijn lippen waren blauw, en Dennis wist dat dat niet van de kou was. Zijn adem kwam raspend en gorgelend, zijn lichtblauwe ogen stonden waterig.
'Je zou eigenlijk binnen moeten blijven met die kou,' zei Dennis.
'Ach, barst jij, ik kan mezelf net zo goed opknopen als ik moet gaan luisteren naar de goede raad van een knaap die ik vroeger van mijn schoot duwde omdat zijn vieze luiers doorlekten op mijn kleren.' Wolfgar lachte en schudde zijn hoofd. 'Ik vroeg je of het staan hierboven je ergens aan deed denken. Je leek zo in gepeins verzonken.'
'Ik wacht tot Gregory en Tinuva terugkomen.'
'Sommige dingen in het leven van een man veranderen nooit. Het is het jongetje van binnen. Toen je zeven was stond je al zo, je schouders naar voren, je handen in elkaar geslagen, altijd kijkend. Mij deed het denken aan een sneeuwachtige dag, toen wij samen keken naar de eerste sneeuwstorm van het seizoen en ik je zei dat Gwenynth jou leuk vond. Ik weet nog hoe je ogen sprankelden, ook al was je een trotse knaap van zeven die weigerde toe te geven dat meisjes hem ook maar iets interesseerden.'
Dennis wendde zijn blik af.
'Ik heb gehoord wat er met haar is gebeurd, en met je vader en grootvader.'
Dennis voelde een hand op zijn schouder. Hij wilde hem afschudden maar kon het niet.
'In mijn hart was ik bij je, jongen. Ik heb om je gehuild. Je ouwe grootvader wilde altijd al sneuvelen in een verrekt goed gevecht, en je vader, wel, die heeft nooit de kans gekregen om zelf de scepter te zwaaien, maar ik heb gehoord dat hij is gestorven met een zwaard in zijn hand. Maar om jou heb ik gehuild.' Hij viel stil, zonder haar dood te noemen.
Dennis deed zijn ogen dicht.
Zoals ze hem smeekte haar niet los te laten, zoals hij trachtte met zijn handen het bloeden te stelpen, als om haar ziel terug in haar lichaam te duwen, en die glimlach die haar gezicht deed oplichten toen ze weggleed, alsof ze een klein, niet-begrijpend jochie troostte dat het allemaal wel goed zou komen ... maar het was nooit goed gekomen.
'Dat is nu negen jaar geleden,' fluisterde Dennis, zich tot het uiterste inspannend om zijn stem onder controle te houden.
'Voor sommige dingen heeft tijd geen betekenis. Voor een elf als Tinuva is negen jaar in een zucht voorbij. Maar de herinnering aan een verlies kan soms eeuwig zijn. Daar weet ik alles van, ik heb er vaak genoeg over gezongen.' Wolfgar rochelde en spuwde luidruchtig, en haalde zijn hand van Dennis' schouder om zijn mond af te vegen.
Dennis keek hem aan. 'Ander onderwerp,' zei Dennis scherp. 'Het is een hele tijd geleden. Geen enkel lied, zelfs niet van jou, kan hen terugbrengen, behalve in de herinnering, en die herinneringen laat ik liever voor wat ze zijn.'
Wolfgar knikte. 'Mijn ogen zijn niet meer zo goed, jongeheer Hartraft. Ik heb Jurgen nog nergens gezien.'
Dennis zuchtte. 'Dood. Vorige week gesneuveld.'
'Ah.' Wolfgar spuwde nogmaals. 'Dat was nog eens iemand die kon dobbelen,' zei hij met licht trillende stem. 'Is er nog iemand over uit de oude tijd?'
'Allemaal ten prooi gevallen aan de oorlog.' Zijn stem maakte duidelijk dat hij er niet meer over wilde praten.
Een lang moment bleef het stil, terwijl de twee oude vrienden keken naar de zachtjes wervelende vlokken.
Dennis keek om naar het langhuis, waar iedereen lag te slapen. Wolfgars ridderzaal was een solide gebouw van boomstammen dat meer dan dertig stappen lang was. Aan de andere kant van de binnenplaats lagen stallen, wat werkplaatsen, en helemaal aan het einde een vrijstaande keuken, via een stenen gang verbonden met het langhuis, zodat niet het gehele onderkomen zou worden verwoest als er brand uitbrak. Het was een typisch grens fort, groot genoeg om een bende plunderaars buiten te houden, maar tegen een leger als dat van Bovai zou het in een handomdraai zijn gevallen. Voor Dennis en de mannen binnen vormde het echter het verschil tussen leven en dood.
Nadat ze binnen waren gelaten, hadden de mannen flinke vuren opgestookt om het langhuis te verwarmen, waarna ze allemaal uitgeput in slaap waren gevallen. Hij had zelf ook een paar uurtjes kunnen dutten, tot hij werd gewekt door Tinuva met het voorstel een verkenner terug naar de kloof te sturen, om te controleren of de moredhel de achtervolging voorlopig echt hadden opgegeven en niet bezig waren om iemand naar de overkant te helpen zodat de brug kon worden herbouwd. Kort na middernacht waren Tinuva en Gregory uitgereden, en omdat Dennis toch niet meer kon slapen, had hij besloten op wacht te blijven staan tot ze terugkeerden.
'Ze liggen allemaal te pitten, te snurken en scheten te laten,' zei Wolfgar. 'Goden, wat kunnen die kerels stinken. Honderd man binnen, boven op elkaars lip, en nog eens twaalf gewonden in de werkplaats van de smid. Kameeni's lendenen, wat moet ik met hen aan?'
'Als je ons er nu uitschopt, denk ik niet dat mijn mannen dat zomaar over hun kant laten gaan.'
'Die Tsuranileider, Asjegraag.'
'Asayaga.'
'Hoe je de naam van die rotzak ook mag uitspreken. Hoe ben je hem tegen het lijf gelopen?'
In het kort schetste Dennis hun verhaal, en Wolfgar knikte waarderend. 'Lepe zet. Wanneer ben je van plan hem te doden?'
'Zodra dit voorbij is.'
'Wanneer is dat?'
'Weet ik nu niet meer precies,' antwoordde Dennis. 'Eerst dacht ik dat het hooguit een dag zou duren. Nu weet ik het gewoon niet meer.'
'Kan je erop vertrouwen dat hij je geen mes in je rug steekt?'
'Een Tsuranu vertrouwen?' vroeg Dennis met aardig wat ongeloof in zijn stem. Sinds dit alles begon, was die vraag nooit zo rechtstreeks gesteld. Hij besefte dat hij steeds van moment tot moment had geleefd, altijd op zijn hoede voor het eerste teken van verraad, dat nog steeds moest komen, maar zonder ooit serieus te overwegen dat deze schikking nog weken kon gaan duren, maanden zelfs. 'Op hun eigen manier zijn ze best eerbaar, denk ik,' waagde Dennis eindelijk. 'Ze martelen hun gevangenen niet, en ze gunnen hun gewonden een snelle dood, net als wij.'
'Dat is een punt in hun voordeel,' zei Wolfgar kalm.
'Hij heeft mij harder nodig dan ik hem.'
'Hoe komt dat?'
'Ik weet de weg terug, hij niet.'
'O ja? De brug is stuk. Weet jij de weg terug?'
Dennis keek zijn oude vriend aan, en op dat moment werden de omringende toppen beschilderd met het eerste ochtendlicht. Terwijl hij keek, werd het licht waziger en zachter. De hoog hangende, vanuit het westen aankomende wolken dichtten het beetje blauwe lucht dat er aan de oostelijke horizon nog over was. De sneeuwvlagen begonnen zwaarder te worden.
'Zoals ik gisteren al zei, er is een flinke storm op komst,' zei Wolfgar. 'Met een beetje geluk sneeuwen de laatste passen dicht. Maar geef eens antwoord, Hartraft. Weet jij de weg?'
Dennis schudde zijn hoofd. Nooit eerder had hij zich zo ver naar het noorden gewaagd.
'Dan weet je niets meer dan de Tsuranu. Maar je hebt nog steeds geen antwoord gegeven, jongen.'
'Twintig jaar geleden was ik een jongen, Wolfgar,' zei Dennis op scherpe toon.
Wolfgar wierp zijn hoofd in de nek en kakelde als een debiele oude vogel. 'Op mijn leeftijd is iedereen die niet vergeet na het plassen netjes zijn broek dicht te knopen een jongen. Geef nou eens antwoord. Kan je erop vertrouwen dat hij jou en je mannen geen mes in de rug steekt?'
'Ja, verdomme!' blafte Dennis. 'Het schijnt dat ze een code hebben om duels uit te vechten. Als het zover is, schreeuwt hij eerst een soort uitdaging. De anderen gaan dan uit de weg en wij vechten. Als dat eenmaal is gebeurd, zal de algehele slachting wel beginnen, denk ik.'
'Kan je hem aan?'
'In een eerlijk gevecht?'
'Zoals jij dat net beschreef. Niet in de bossen, niet 's nachts, maar welbewust, open en bloot, man tegen man, met alleen het zwaard.'
Dennis aarzelde.
'Dat weet je niet zeker, hè?'
Dennis schudde zijn hoofd. 'Ik heb hem bezig gezien. Hij is zo snel als een kat. In een oogwenk doodde hij twee moredhel. De eerste moest de grond nog raken toen hij de tweede al in de nek sloeg. Hij is de snelste die ik ooit heb gezien.' Dennis aarzelde. 'Zelfs Jurgen in zijn beste jaren zou moeite met hem hebben gehad.'
'Dat zegt wel iets,' bromde Wolfgar. 'Ik heb meer dan eens op die ouwe rotzak gewed. Kroeggevecht, duel om de eer, alles kon hij aan.'
'Behalve dan dat laatste,' zei Dennis met een verre blik in zijn ogen. 'Wat ben je van plan?'
'Tegen hem vechten als het zover is.'
'Dat zal me een voorstelling worden,' snoof Wolfgar. 'Zeg eens, wil je hem eigenlijk wel verslaan?'
'Wat is dat nou voor een vraag?'
'Sommige mannen gaan verlangen naar het einde als ze te veel hebben verloren. Ze weten het zelf niet, maar de doodsgodin heeft hen al aangeraakt. In gedachten zijn ze zo vaak bij degenen die al zijn overgegaan naar de andere wereld dat ze diep van binnen eigenlijk ook dood willen en zich onbewust op het pad daarheen brengen. Is dat bij jou het geval, Dennis?'
Dennis snoof en schudde zijn hoofd. 'Wat een waanzin.'
Wolfgar lachte. 'Waanzin is tegenwoordig de norm. Nog geen vijftig mijl ten zuiden van hier vechten jullie tegen de Tsurani, om de goden mogen weten wat, terwijl ik zo'n idee heb dat als de vorsten van beide kanten zich gezamenlijk eens een flink stuk in de kraag zouden drinken, de hele zaak binnen de kortste keren zou zijn opgelost. Vijftig mijl ten noorden van hier hakken de moredhel elkaar voor de lol aan mootjes, en jij zit hier over waanzin te praten. Maar je hebt me nog geen antwoord gegeven, Dennis. Wil je eigenlijk wel winnen?'
'Natuurlijk wil ik winnen. Ik wil leven. En ik moet ook aan mijn mannen denken. Als ik word gedood, zijn hun kansen misschien verkeken. Het is mijn plicht mijn mannen terug te brengen. Sinds het begin van de oorlog ben ik al zeker vijftig keer op patrouille geweest, en altijd kwamen we terug.'
'We, zeg je. En jijzelf, kom jij altijd terug? Hoeveel blijft er bij iedere
patrouille van jou achter?'
'Je spreekt in raadselen, Wolfgar.'
'Ik ben bard, dat hoort bij het vak. Mag je die Assejakkes?'
'Asayaga.'
'Mag je hem?'
Verrast keek Dennis hem aan. 'Je bent niet goed bij je hoofd.' Terwijl hij het zei, had hij er al spijt van.
Wolfgar grinnikte echter, en begon toen te hoesten, voorovergebogen, tot hij uiteindelijk weer op adem kwam. Je hebt respect voor de manier waarop ze vechten, dat weet ik. Ik heb je mannen er gisteravond over horen praten voordat ze zich klaarmaakten voor de nacht. Schoorvoetend prezen ze de Tsurani om hun vechtkunst.'
'Ze zijn goed. In ieder geval in een regelrecht gevecht in het open veld.
Als je hen overrompelt in de bossen hak je ze zo in de pan, maar op de gewone manier, man tegen man, dan betaal je een verschrikkelijke prijs. Zonder hen zouden we het bij de aftocht denk ik niet hebben gered. In mijn hele eenheid waren nog geen vijftig pijlen over, en mijn mannen waren uitgeput van de kou en de inspanning.'
'Ik durf te wedden dat de Tsurani nu hetzelfde over jullie zeggen. Zij weten heel goed dat ze allemaal bij de palissade van die goeie ouwe Brendan zouden zijn gesneuveld als jullie niet waren verschenen. Ook weten ze hoe goed jullie zijn in de bossen, daar hebben ze respect voor, en diep van binnen zijn ze er bang voor. Dus we zitten hier met twee partijen die elkaar zowel respecteren als vrezen.' Wolfgar begon te lachen. 'Verdomd, wat een grappenmakers zijn die goden toch. De situatie doet me denken aan sommige huwelijken die ik heb gezien. Barst, mijn derde leek verdomd veel op wat jij nu hebt. Dus nu zitten jullie aan elkaar vast.'
Dennis knikte. 'Als ik de vrede kan bewaren.'
'Dat kan jij wel. Die Assejakkes, of hoe hij zichzelf ook mag noemen, is bij lange na niet de ergste vijand die je hier kunt tegenkomen. Sterf, liever een vijand die je kan vertrouwen dan een vriend van wie je niet zeker bent. Ik raad je aan de huidige regeling zo lang mogelijk te rekken. Maar als je dat niet lukt, dan knok je het maar ergens anders uit, want ik laat mijn langhuis niet omtoveren in een slachtplaats.' Hij aarzelde even en keek met een berekenende glimlach naar Dennis. 'Maar aan de andere kant, als er een stapel van jullie rottende lijken buiten mijn poort liggen, zijn die Onzalige Broeders misschien wel af te kopen als ze uiteindelijk komen opdagen.'
Dennis wilde iets terugzeggen, maar Wolfgar hief zijn hand op. 'Ik mag dan een vogelvrije bard zijn met een prijs op zijn hoofd, maar ik eer oude herinneringen, Dennis Hartraft.'
Een tijdlang zei Dennis niets. Toen keek hij Wolfgar aan. 'En jouw verhaal? Ik heb niets meer over jou gehoord sinds het bevelschrift bij mijn grootvader werd afgeleverd waarin stond dat de koning jouw hoofd wilde. Stik, ik was toen nog maar een snotneus.'
Wolfgar begon weer te lachen. 'Twintig jaar. Dat heb ik gekregen voor het componeren van een vies versje over de puistige zweren op de koninklijke billen.'
'Ja, maar zover zou het nooit zijn gekomen als ze jou niet uit het raam van de kamer van de favoriete vorstelijke concubine hadden zien springen,' wierp Dennis tegen. 'Prins Rodric, tegenwoordig onze koning zoals je misschien al hebt gemerkt, is gek, zeggen ze. Die vrouw was zijn lieveling. Had je niet beter iemand anders kunnen belagen met je lustgevoelens?'
'Ik geef er de voorkeur aan te denken dat mijn problemen ontsproten aan de kunst in plaats van lustgevoelens.'
'Ik weet nog dat er een eskadron van de koninklijke troepen kwam, giftig als horzels, in de veronderstelling dat jij je wel bij ons zou hebben verstopt.'
'Ik breng mijn vrienden niet in moeilijkheden.'
'Mijn grootvader lachte zo verrekte hard toen hij het verhaal hoorde dat hij zwoer zich tegen de prins zelf te verzetten als jij bij ons bescherming zocht.'
'Zoals ik al zei, ik breng mijn vrienden niet in moeilijkheden.'
'Maar wat is er daarna gebeurd?'
'Ik achtte het niet onverstandig om voorlopig mijn gezicht niet meer te vertonen. Ik heb een hekel aan ophangen, radbraken en vierendelen. En het allerergste zijn nog de advocaten - als je je er al eentje kunt veroorloven. Die verrekte bloedzuigers pikken je kaal tot en met je allerlaatste koperstukje, en uiteindelijk ga je hoe dan ook toch voor de bijl. Ik kon niet meer werken. Die ontucht plegende zoon van een mestvretende eigenaar van een hoerenkast die zichzelf tegenwoordig koning noemt had overal zijn spionnen. Dus daar zat ik, slachtoffer van mijn eigen faam. Nergens kon ik terecht, en alleen maar vanwege een mooie deerne en een zweer op de koninklijke bips waarvan ze me had verteld.'
Dennis schoot in de lach. 'Dat heb je aan jezelf te danken. Hij had het best d~or de vingers kunnen zien, die wip met zijn concubine, bedoel ik. De dag daarop heeft hij haar het paleis uitgegooid, en het zou nogal beschamend zijn geweest om toe te moeten geven dat jij hem hoorntjes had opgezet. O, je zou zeker een tijdlang hebben moeten oppassen voor huurmoordenaars, maar uiteindelijk was dat wel weer overgewaaid. Maar dat epische gedicht, gewijd aan al zijn tekortkomingen in bed en de zweren op zijn kont, dat kon hij eenvoudig niet over zijn kant laten gaan.'
Wolfgar grinnikte. 'Het was best wel een goed gedicht.'
'Ze zingen het nog steeds,' zei Dennis met een glimlach, 'zij het ver van het koninklijk paleis in Rillanon.'
'Nou, na dat kleine fiasco achtte ik het tijd worden om ergens heen te gaan waar het koninklijk bevelschrift niet kon komen. Ik probeerde aan te monsteren op een schip naar de zuidelijke landen, maar in de havens wemelde het van de spionnen en verklikkers die me voor een paar zilverstukken zo zouden verlinken, dus ben ik maar naar het noorden gegaan. En daar ontmoette ik mijn dierbare Roxanne, op de weg niet ver hiervandaan.' Terwijl hij haar naam noemde, glimlachte de oude man weemoedig. 'Op slag won zij mijn hart. Ze was waarzegster, een heuse duivelskunstenares op het gebied van de kaarten en het lezen van ingewanden en gekraakte beenderen. Ze reisde samen met een vrolijk groepje vagebonden en dieven, en er was altijd plaats voor een minstreel in hun gezelschap. Ze zei dat ik zou worden opgehangen als ik niet bij haar bleef, dus deed ik dat. Ach, er was een tijd in mijn zondige jeugd dat ik dacht dat ik me nooit druk zou maken om het gezelschap van een mooie vrouw, maar op die leeftijd was het een zegen om nog één keer iemand zoals zij te vinden. Dus we sprongen samen over de vuurkuil, zoals ze zeggen, en kort daarop vertelde ze me lachend dat we een plekje moesten gaan zoeken om een gezinnetje te stichten.' Weer lachte hij weemoedig, tot hij een hoestbui kreeg. Toen de aanval over was, veegde hij het speeksel van zijn kin.
'Het was Roxanne die van deze vallei wist. Haar groepje artiesten had hem jaren voordien gevonden, het was een van hun geheime schuilplaatsen, en daar nam ze me mee naar toe. We vestigden ons, onze twee dochters kwamen,' - hij zweeg even - 'en het leven ging door, vrij van alle koninklijke bevelschriften en inhalige advocaten op zoek naar honorarium, mag ik wel zeggen. Vrij ook van de ezelachtige oorlogen waarin koningen hun onderdanen zo graag laten afslachten terwijl zij zich schuilhouden in hun paleizen.'
'Dochters?'
Wolfgar glimlachte. 'Twee schoonheden zijn het.'
'Waar?'
Wolfgar schoot in de lach. 'Denk jij dat ik mijn meest dierbare schatten liet zien, met honderd hongerige wolven aan de poort? Ik had hen zich laten verstoppen in de bossen tot het hier weer kalm was. Nadat je mannen zich voor de nacht hadden ingericht zijn ze met de andere vrouwen en kinderen teruggekomen. Ze slapen in de bedienden-verblijven. Toen de knaap op wacht jullie komst kwam melden, wist ik al meteen dat we geen stand konden houden tegen honderd zwaar bewapende soldaten en bereidde me voor op het ergste. In het woud hebben we nog een paar kleinere palissaden voor het geval dat. Dit fort staat hier opzettelijk open en bloot. Lokaas, zeg maar.'
'Waarom hebben jullie je dan niet allemaal in de bossen verborgen?'
'Zou jij dat hebben gedaan? Veel te veel tekenen van onze aanwezigheid. Er moest iemand achterblijven om jullie te laten geloven dat er niet meer waren.'
Dennis knikte. 'Waar zijn de mannen?' vroeg hij. 'Ik heb er nog geen tien gezien die met wapens kunnen omgaan. En de rest zijn allemaal ouwetjes als jij.'
'De mannen?' Wolfgar schudde zijn hoofd. 'Roxanne's mensen zijn zwervers. Als ze problemen hebben, een prijs op hun hoofd, dan komen ze zich hier een jaartje of twee schuil houden en gaan weer. Het ene jaar wonen er hier nog geen dertig, en het andere kunnen het er wel honderd zijn. De meeste artiesten hebben een goed bestaan gevonden bij het leger in het westen. Die jongens daar klaren helemaal op bij het zien van een knap grietje dat danst op de muziek van een getalenteerde bard. En de jongleurs en acrobaten krijgen ook een koperstuk of twee.'
'En af en toe verdwijnen er in de menigte een paar beurzen, wed ik,' opperde Dennis.
Wolfgar haalde zijn schouders op. 'Ook al zijn de meeste artiesten maanden weg, we hebben zo'n twintig mannen hier - te veel werk om alleen door vrouwen en kinderen te laten doen.' Zijn gezicht versomberde. 'Een paar maanden geleden zijn er twintig mannen, de meesten met hun vrouw, weggegaan voor de handel. Huiden voor zout, een paar snuisterijen voor de kinderen.'
'En die zijn niet meer teruggekomen.'
Wolfgar schudde zijn hoofd.
'Dan zijn ze waarschijnlijk in hetzelfde parket terechtgekomen als wij,' zei Dennis. 'Ik weet niet wat er gaande is, maar aan de andere kant van die brug lopen er een hoop Onzalige Broeders rond.'
'Dacht al dat het zoiets was,' bromde Wolfgar. 'Hoor eens, om Roxanne's mensen heb ik nooit veel gegeven. Zooitje schurkachtige dieven, maar vriendelijk genoeg als je in de clan bent getrouwd. Nu ze allemaal weg zijn, ben ik zo'n beetje de leider hier.' Hij keek achterom naar het langhuis. 'We hebben tegenwoordig rond de twintig kinderen om voor te zorgen. De vrouwen die hun man kwijt zijn, hebben gerouwd. Praktische lui wel, hoor, en met die honderd man uit jouw gezelschap om uit te kiezen, zullen ze er wel weer vlug overheen zijn.'
'En de Onzalige Broederschap?' vroeg Dennis.
'Die schoften? Denk eraan dat dit een stuk niemandsland is. Voor de oorlog kwamen de grensmarken maar tot aan de Brede Rivier. De moredhel waagden zich zelden voorbij de volgende bergkam, twintig mijl ten noorden van hier. Al denk ik dat dat nu aan het veranderen is.'
'Jullie hadden een onderlinge verstandhouding, is dat het?'
'Ze wisten helemaal niet dat deze vallei bestond,' - hij zweeg even en wierp een boze blik op Dennis - 'tot gisteren, tenminste. We bleven elkaar uit de weg. Maar ik denk dat dat nu is veranderd. Je vangt wel eens wat geruchten en roddels op. Dit is niet de enige mensen-commune ten noorden van de Koninkrijkse wet. Ik heb verhalen gehoord ... nou ja, sommige zijn nogal vergezocht. Verloren steden en antieke goden. Meestal slap gezwets, bedoeld om oude schatkaarten te verkopen aan onnozele halzen, vermoed ik. Maar er zijn ook geruchten waar enige waarheid in schuilt. De Onzalige Broeders blijven niet voor niets aan de andere kant van die bergen. Iets weerhoudt hen ervan over te steken. Wat dat is hoef ik niet te weten, als ik over die ijsrotsen moet klimmen om erachter te komen. Maar tot gisteren is er nog nooit een Onzalige Broeder per ongeluk bij die ingang van de vallei geweest. Hoeveel last dat gaat brengen, weet ik niet. Het zal er wel van afhangen hoe graag ze jou hier een kopje kleiner komen maken. Misschien ben je de hele winter veilig, en misschien nog maar een paar uur. Ik weet het gewoon niet.'
Een windvlaag blies de sneeuw in hun gezichten, zodat ze zich omdraaiden naar het langhuis: De mannen daar kwamen weer in beweging, enkelen waren zich op de binnenplaats aan het ontlasten, en uit het keukenhuis kringelde rook op met de geur van bradend vlees.
'Hoe lang blijven jullie?' bromde Wolfgar.
'Hangt ervan af Wat de Onzalige Broederschap doet, het weer. Ik weet het niet.'
'Als deze storm aanhoudt, zitten jullie hier nog wel even. Verdomme, honderd monden te eten geven, daar had ik niet op gerekend.'
'We kunnen voor onszelf zorgen. Voordat het echt noodweer wordt, stuur ik jagers op pad. Ik heb een hoop sporen van wild gezien. Het lijkt me een vruchtbare vallei.'
'Beste plek op de hele wereld. Tenminste, dat was het tot gisteren.' Dennis zag sergeant Barry uit het langhuis komen met twaalf mannen achter zich aan, de bogen over de schouder. Verscheidene plaatselijke jongens liepen mee om als gids te dienen. Met een hoofdknik naar Dennis gingen ze de poort uit en liepen de helling op naar de bomen, zich onderwijl verspreidend. Dennis keek hen na tot ze door de sneeuw aan het zicht werden onttrokken. Het bracht weer een herinnering naar boven, aan soortgelijke dagen, waarop hij met zijn vader op jacht ging, als de sneeuw het spoorzoeken vergemakkelijkte. Zijn vader was niet het type om te vertrekken met veel tamtam en een twintigtal drijvers om het wild voor hem op te jagen. Hij gaf de voorkeur aan de afzondering, en de gelegenheid om zijn zoon iets te leren over het bosleven. Bij goed weer waren ze soms wel twee weken onderweg, genoeg wild schietend om van te eten, maar meer niet. Vaak volgden ze puur voor het plezier het spoor van een eland om hem daarna met rust te laten.
Hij wendde zijn blik weer naar het pad. Het lichte sneeuwen was even opgehouden, en een kwart mijl verderop ving hij een glimp op van Gregory en Tinuva, die langzaam terug kwamen rijden. 'Mooi. Ze hebben de jacht bij het ravijn gestaakt.'
Wolfgar knikte, rochelde en spuwde weer over de palissade. 'Die elf. Tinuva heet hij toch, hè?'
'Ja, waarom?'
'Gewoon wat geruchten die ik over hem heb gehoord, meer niet.'
'Zoals?'
Wolfgar glimlachte veelzeggend. je weet toch wat ze zeggen: "nooit over elfen roddelen, want hun oren zijn lang en horen alles"?'
Dennis knikte.
'Het voorspelt niet veel goeds, dat is alles.'
'Vertel.'
'Vertrouw je hem?'
'Ja,' zei Dennis.
'Dan vertelt hij het je wel als je het moet weten.' Hij zag dat Dennis geen genoegen nam met dat antwoord. je wordt door de dood omringd, Hartraft. Maar aan de andere kant was dat altijd al het geval bij jouw familie.' De oude man rochelde en spuwde weer, trok zijn mantel dicht en draaide zich om. Langzaam hobbelde hij de trap af, Dennis alleen latend met zijn gedachten.
Kreunend liet Asayaga zich achterover in zijn stoel zakken en gaf een klap op zijn buik. Hij was er nooit de man naar geweest om groot belang aan eten te hechten, zoals sommige mensen deden, vooral de slappe Heren die uren konden discussiëren over de verdiensten van een bepaald wijnjaar of honderden, soms zelfs duizenden edelstenen betaalden voor een slaaf die een unieke saus kon bereiden. Eten was om de honger te stillen en voor het vergaren van kracht zodat je kon blijven leven. Deze maaltijd echter zou hij zich altijd blijven heugen. Het was ongetwijfeld de meest verzadigende en gevarieerde die hij had genoten sinds hij op deze door de goden verlaten wereld was gekomen.
De vorige avond hadden ze allemaal meer behoefte gehad aan slaap dan aan iets anders, maar de volgende ochtend waren er jagers in alle windrichtingen vertrokken. Hartraft had erop gestaan dat ze zo veel mogelijk voor hun eigen eten zorgden om hun gastheer niet tot last te zijn, en halverwege de middag hadden de Koninkrijkse soldaten andermaal hun vaardigheden in het woudleven getoond, want alle jagers waren zwaar beladen teruggekeerd met wilde verhalen over de ongerepte gebieden die ze hadden doorkruist.
Ook Asayaga's mannen hadden bijgedragen aan de pot. Verspreid langs de beken hadden ze tientallen vissen gevangen, opgehaald in geïmproviseerde netten, gespietst of simpelweg met de blote handen uit het water gegrepen, terwijl anderen vallen hadden gezet voor marmotten, waarin ze er zes hadden gestrikt. Degenen die niet konden vissen of jagen hadden de hele dag hard gewerkt om extra brandhout naar het langhuis te brengen, in de keuken het vlees te slachten of te helpen met het verzorgen van hun gewonde kameraden, die heerlijk rustten in de warme werkplaats van de hoefsmid.
Tegen de middag was Wolfgars voorspelling van het weer uitgekomen, en de laatste jagers en vissers waren hevig besneeuwd binnengestrompeld. Aan het einde van de middag gierde er een heuse sneeuwstorm buiten het langhuis, en alleen al de gedachte aan dat weer deed Asayaga huiveren van afgrijzen. Als ze door deze storm waren overrompeld, hadden ze het geen van allen overleefd. In plaats daarvan zat hij veilig binnen in een warme eetzaal waar in beide grote haarden een laaiend vuur knetterde, en het leven was goed.
Met het vallen van de avond waren de eerste maaltijden uit het kookhuis gebracht om op de grote tafel te worden gezet. De zaal zat stampvol met meer dan honderd man, krap rond de tafel, opeengeperst, en Wolfgar had erop gestaan dat de twee groepen zich met elkaar vermengden.
Met wederzijdse instemming legde iedereen die de zaal binnenkwam alle wapens af, ook dolken, en in het begin hadden de mannen elkaar behoedzaam aangekeken. Ze voelden zich kwetsbaar zonder het vertrouwde gevoel van een kling aan de zij of in een laars, want dit was heel wat anders dan met de gevreesde vijand zij aan zij marcheren of uitgeput in slaap vallen. Inmiddels was er een dag verstreken, en met het terugkeren van de krachten daagde bij velen het besef dat wie er links of rechts van hen zat een vijand was die een oude kameraad of familielid kon hebben gedood.
Toen waren de eerste schalen binnengebracht, vol met dampende plakken vlees - hert, eland, wild zwijn, waarvan het warme vet op het tafelblad droop - samen met kommen gebraden levers, tongen, geroosterde hersenen vermengd met broodkruimels en verrukkelijke gebakken niertjes, gevolgd door gebakken vis.
De marmotten kwamen als laatste, gevuld en geroosterd zoals de Tsurani dat het liefste hadden, en al haalden de meeste Koninkrijkse soldaten hun neus op voor deze kost, de Tsurani gaven luidkeels uiting aan hun vreugde, en er braken vriendschappelijke kibbelpartijtjes uit over wie de eer kreeg om de harten en levers te verorberen.
Steeds meer schalen werden er op tafel gezet, afgeladen met gedroogd fruit, gebakken aardappelen, een zestal verschillende soorten brood en zelfs gekookte eieren, die de mannen inhalig verslonden.
In het begin was Wolfgar nogal krenterig met zijn drank geweest, maar toen het door het gebraden vlees en de warme lijven in de zaal wat warmer werd, had hij zich toch laten vermurwen en wat extra vaatjes bier laten komen om uit te schenken. Bokalen, drinkhoorns en lederen veldflessen werden snel gevuld· en in gretige handen geduwd, en lachend en juichend werkten de mannen het schuimende gerstenat naar binnen, achterover leunend om genoeglijk een vette boer te laten.
Zoals gepast bij een dergelijke gelegenheid zaten Dennis en Asayaga aan de ene kant van de lange tafel, met Wolfgar tussen hen in. Met een wat scheef oog sloeg de oude bard de verrichtingen gade, mompelend over de kosten, het kabaal en de rare geur van de Tsurani, maar na verscheidene biertjes begon ook hij zich te ontspannen en nam zelfs een schaal met zwijnenribben in ontvangst, hem gebracht door een van de jonge vrouwen die vroeg in de ochtend op mysterieuze wijze waren verschenen.
'Dank je, dochter,' fluisterde hij en streelde haar even over de wang toen ze de schaal voor hem neerzette.
Asayaga had zijn oog al kort na het ontwaken in de ochtend op haar laten vallen. Ze was klein voor haar ras, reikte bijna tot zijn ogen, maar dat was het enige aspect dat hem wellicht deed denken aan de vrouwen van zijn thuiswereld. Ze had blond haar, zo lichtblond dat haar twee lange vlechten wel leken op gesponnen gouddraad. Helemaal onbekend was zulk haar niet in zijn thuisland, maar alleen de mensen uit de provincie Coltari in het verre noorden hadden het, en het werd zelden waargenomen in de stad waar hij vandaan kwam. Ze had een volslank figuur, en haar tot de kuiten reikende leren jurk zat strak genoeg om de bijzonderheden ervan goed uit te laten komen. Haar ogen waren sprankelend blauw, haar huid een zacht perzikroze, met rode wangen.
'Dochter?' vroeg Dennis, zette zijn drinkkan bier neer en staarde haar recht aan.
Wolfgar lachte een hartelijke, wellustige grijnslach die zijn gepokte, leerachtige gezicht deed rimpelen. Ja, niet mijn kleindochter, of achterkleindochter, al wed ik dat er daar best een paar van rond zullen lopen.' liefhebbend trok hij haar naar zich toe, en ze plantte een hartelijke kus op zijn kalende hoofd. 'Haar moeder, moge ze rusten in het gezegende land, was een zeldzaam meisje. Twee kinderen heeft ze me gebaard. Alyssa hier, die met haar blik het hart van een man kan breken, is de oudste.'
Meteen stond Asayaga op, haar blik op haar gericht, en maakte een formele buiging. 'Het is me een eer de dochter van onze vrijgevige gastheer te ontmoeten,' zei hij. 'Mijn zwaard zal u altijd van dienst zijn.'
Bij het zien van dit vertoon van Asayaga stond Dennis op en ging tussen de Tsuranese aanvoerder en Alyssa staan. 'Uw vader is altijd een geëerd gast in mijn familieveste geweest. Een dochter van hem geniet immer mijn bescherming.'
'Bescherming?' lachte Wolfgar. 'Ik denk dat jullie twee eerder bescherming nodig hebben tegen haar.'
Alyssa bloosde, maar er schitterde iets in haar ogen toen ze een stapje achteruit deed en van de ene commandant naar de andere keek. 'Mijn vader maakt me verlegen,' zei ze met zachte stem. 'Ik dank u, Dennis Hartraft, voor de vriendelijkheid van uw bescherming, en u ook, Asayaga van de Tsurani. Ik moet nu terug om te zorgen voor het opdienen van het eten.'
Welnee, dat loopt allemaal al op rolletjes,' lachte Wolfgar. 'kom naast me zitten, het is veilig hier.' Hij klopte tegen de zijkant van zijn brede stoel en schoof op, ruimte makend voor Alyssa, die zedig bij hem plaatsnam, aan Dennis' kant. 'Roxanne, kom bij ons zitten,' riep Wolfgar over zijn schouder.
Asayaga schrok toen hij de andere dochter achter de stoel van haar vader zag staan. Wanneer ze was verschenen was hem een raadsel, en zelfs nu was ze amper te zien, staande in de donkere schaduwen. Zij had hetzelfde haar als Alyssa, maar was veel langer, magerder, haar blote armen waren iets gespierd, en haar gezicht had hoge jukbeenderen. Evenals haar zuster droeg ze een eenvoudige leren jurk tot op de kuiten, met als enige uiting van vrouwelijke ijdelheid een lichtblauwe sjaal als riem rond haar middel, met slechts een lichte welving eronder.
Ze verroerde zich niet op haar vaders roep en sloeg de armen over elkaar. 'Ik blijf liever staan,' zei ze, haar stem laag en helder.
'Ik heb haar verteld dat je denkt dat de mannen dood zijn,' zei Wolfgar, kijkend naar Dennis. Op zachte toon voegde hij eraan toe: 'Degene waar zij een voorkeur voor had, was een van hen.'
'Hij betekende niets voor me,' zei ze, 'behalve dan zijn vriendschap.'
Wolfgar wierp zijn dochter een duistere blik toe en verhief zijn stem. 'Puistenkop en de hersens van een dronken haas. Duidelijk familie van haar moeder, en als een haas altijd achter haar aan. Ik dacht er al half over om hem zelf maar te vermoorden.'
'Alsof jij een model-voorbeeld voor goed gedrag bent,' kaatste Roxanne koeltjes terug, en Wolfgar lachte erom.
'Roxanne, vernoemd naar haar moeder,' zei hij met een hoofdknikje naar achteren. 'Zij kreeg de naam, want haar moeder stierf toen ze haar het leven schonk.'
Weer stond Asayaga op, maakte een buiging en uitte zijn formele groet, evenals Dennis, en op beide gaf Roxanne geen commentaar.
Terwijl hij weer plaatsnam, betrapte Asayaga zich erop te staren naar Alyssa. Zij boog zich voorover en fluisterde iets in het oor van haar vader, die begon te schaterlachen en haar een pets op het bovenbeen gaf.
Zijn plichten weer indachtig wendde Asayaga zijn aandacht af van haar charmes en keek behoedzaam de kamer rond, zichzelf berispend voor zijn tijdelijke onoplettendheid. Te veel jaren in het veld, dacht hij. Te lang geleden sinds hij voor het laatst een vrouw had gezien.
Hij liet zijn blik door het vertrek gaan. Zijn mannen waren bijna allemaal voornamelijk bezig zich vol te proppen, gretig reikend naar voedsel en drank. Het kabaal nam langzaam toe, er kwamen gesprekken op gang, er werd gelachen, en hier en daar zag hij zelfs Koninkrijkse mannen met die van hem in contact treden. Hij ving een glimp op van een tweetal dat met hun handen probeerde te communiceren, en uit hun gebaren maakte hij op dat ze het over vrouwen hadden. Een van hen schoot in de lach om het universele gebaar dat de ander grijnzend maakte.
Hij ving Tasemu's blik. De Slagleider zat aan de andere kant van de tafel, drinkkan in de hand, achterover leunend, zorgvuldig rondkijkend. Interessant genoeg zat naast hem de Koninkrijkse sergeant - hij had gehoord dat diens naam Barry luidde - eveneens met een drinkkan in de hand, welhaast het spiegelbeeld van de ander. Beiden deden hun werk, in stilte observerend. Barry stootte Tasemu aan en knikte naar verscheidene Tsurani die in een verhitte discussie verwikkeld leken, maar in feite bespraken wie er de beste worstelaar van het leger was. Tasemu glimlachte en gromde iets, wat genoeg was om Barry gerust te stellen.
Iets verderop zag Asayaga Sugama zitten, rustig etend, zorgvuldig ieder stukje vis uitsluitend tussen duim en wijsvinger nemend, zoals het een edelman betaamde. Onderwijl zat hij zachtjes te praten met een paar van Asayaga's mannen. Even sloeg bij Asayaga de onrust toe. Kon deze kleine zoon van een rivaliserend huis in slechts drie dagen volgelingen hebben gekweekt? Hij keek goed naar de gezichten van de vier mannen die bij hem zaten en besefte dat het allemaal jongere zonen en broers waren, mannen wier toekomst beperkt zou blijven tot soldaat van een klein huis tot ze verlof kregen om te trouwen en een gezin te stichten op een klein perceel land dat hun door de Heer van de Kodeko werd toegewezen. Het was juist dit soort mannen dat zich kon laten verleiden zijn eed te verzaken voor de belofte van een hogere status via adoptie door een nieuw huis.
Maar toen Sugama zich omdraaide om van een van de plaatselijke jongens een kan bier in ontvangst te nemen, keken twee van Asayaga's mannen elkaar even meesmuilend aan, met de mond een woord vormend, en Asayaga begreep dat ze Sugama achter zijn rug bespotten. Ze verdroegen zijn gezelschap bij wijze van vermaak. In stilte slaakte Asayaga een zucht en liet de spanning uit zijn lichaam wegvloeien. Ook hier, verder verwijderd van het keizerrijk dan een Tsuranu ooit was geweest, maakte hij zich zorgen over het Grote Spel en de trouw van de mannen uit zijn eigen huishouden.
Een Koninkrijks soldaat schoof een schaal met geroosterd wild zwijn Sugama's kant op, en een van Sugama's metgezellen duwde hem terug. In het algehele rumoer ging zijn commentaar verloren, maar Asayaga kon aan zijn lippen zien dat er een van de grofste beledigingen was gesproken, woorden die de Koninkrijkse soldaat niet kon verstaan en daarom over zijn kant liet gaan. Asayaga lette goed op wie het was en prentte het in zijn geheugen zodat hij het later met Tasemu kon bespreken. De soldaat mocht dan trouw aan zijn huis zijn, maar hij was wel zo dom om nodeloos iemand te provoceren die hem in de komende dagen het leven zou kunnen redden.
Er werd bulderend gelachen, en Asayaga zag twee soldaten, een van beide kanten, opstaan met een volle drinkkan in de hand. Iemand gaf een harde klap op de tafel, en de twee begonnen hun kannen te legen, met grote slokken drinkend. De Koninkrijker won gemakkelijk. Onder luid gelach werden er een paar munten uitgewisseld, en een van de Tsurani, die listig tegen zijn eigen kameraad had gewed, won aldus een zeldzaam en kostbaar zilverstuk dat meer waard was dan een hele wapenrusting. Toen de verliezer besefte wat zijn kameraad had gedaan, volgde er een verhit debat, tot groot vermaak van de Koninkrijkse soldaten om hen heen.
Er werd een schaal met een half verorberde marmot Asayaga's kant op geschoven, en ondanks dat hij al stampvol zat, tastte hij in het lijf, haalde er een poot uit en zoog het vlees eraf.
'Hé, Assejakkes. Hoe kan je dat spul nou lekker vinden?'
Asayaga keek naar Wolfgar en begon zijn stekels al op te zetten, maar toen ving hij Alyssa's verwonderd starende blik op. Zonder commentaar schoof hij de schaal door naar Wolfgar. 'Proef zelf maar.'
Wolfgar liet een harde boer en schudde zijn hoofd. 'Dan eet ik nog liever warme paardenmest. En zeg eens, waarom ruiken jullie allemaal zo raar? Bij de goden, jullie lijken wel een stelletje tempelhoeren.'
Rondom hen stierven de gesprekken weg, en al konden Asayaga's mannen de woorden niet verstaan, na een dag kenden ze Wolfgar goed genoeg om te begrijpen dat hun leider werd geprovoceerd.
'Dat komt omdat we niet stinken,' antwoordde Asayaga.
'Hoe kan dat nou? Je spreekt in raadselen.'
'Omdat wij in bad gaan, zoals alle beschaafde mensen. Jullie ruiken iemand die schoon is, wat ik van jullie niet kan zeggen. Ik denk dat het achtereind van een tochtige berin nog beter ruikt dan jij.' Hij sprak de woorden kalm uit, maar er speelde een zweem van een glimlach om zijn mondhoeken.
Wolfgar staarde hem indringend aan, wierp toen het hoofd in de nek en bulderde van het lachen. 'Bij de goden, wij moeten eens een keer op een avond een gezellig potje beledigen, jij en ik. Je komt me voor als een beschaafd man, die iets meer weet dan de tien grofste woorden die iedere idioot uit zijn bek kan laten rollen.'
'Het zal me een eer zijn, maar de naam is Asayaga, niet Assejakkes.' De zweem van een glimlach was verdwenen, en hij sprak nadrukkelijk.
Wolfgar knikte en zei niets, boog zich uiteindelijk voorover en haalde een stukje vlees uit de marmot. Dit gebaar ontlokte een bescheiden applausje van de mannen die het voorval hadden gevolgd.
'Dochters,' riep Wolfgar, van onderwerp veranderend en weids gebarend naar de mannen rond de tafel, 'maak je keus. Beter fokvee dan er ooit hier op stal heeft gestaan. Een van hen zou best eens mans genoeg kunnen zijn om jullie akelige karakter en scherpe tong te kunnen weerstaan.'
Alyssa lachte bedeesd en sloeg haar ogen neer, maar keek eerst nog even naar Asayaga. Dennis, die het zag, mompelde iets in zijn beker en staarde recht vooruit.
'Dan nog liever eeuwig maagd,' reageerde Roxanne koeltjes, de handen op de slanke heupen.
Lachend pakte Wolfgar een drinkkan en hield hem zijn dochter voor. Ze nam de drinkkan aan, leegde hem in één teug en gooide hem op tafel. Even trok er een flauw glimlachje over haar gezicht, en Wolfgar klopte haar op de wang. 'Je had altijd al meer van mijn bloed dan dat van je moeder in je. Pas op met haar, Hartraft. Ze kan op vijftig passen afstand een voorbijrennend hert vellen en met haar blote handen de ogen uitkrabben van de vent die haar probeert aan te raken.'
Asayaga keek haar onderzoekend aan, maar haar blik was niet op hem gericht, doch eerder schattend gevestigd op Dennis, die haar niet leek te zien, aangezien hij zijn aandacht plotseling gericht hield op iets aan de overkant van de kamer. Dennis knikte naar Asayaga en maakte een subtiel handgebaar.
Asayaga keek om en zag Sugama en zijn metgezellen in een klein groepje bij een van de vaatjes bier staan praten. Een van hen keek telkens over zijn schouder naar verscheidene Koninkrijkse soldaten, die hen al even wantrouwig in de gaten hielden. Beide groepen richtten enkele woorden tot de andere, en het was duidelijk dat ze elkaar halfdronken in hun eigen taal beledigden.
Met gebalde vuist stond een van de Koninkrijkse soldaten op, en aan beide kanten deinsden de mannen terug.
Wat er vervolgens gebeurde, was voor Asayaga een volslagen verrassing. Vanuit zijn ooghoek zag hij Roxanne iets oppakken van achter haar vaders stoel en een tel later overeind komen met een kruisboog. Ze zette het wapen aan de schouder, mikte en haalde de trekker over.
De schicht suisde door de kamer, rakelings langs de Koninkrijkse soldaat, en sloeg op nog geen handbreedte van Sugama in de zijkant van het vaatje.
Ogenblikkelijk was het stil in de zaal. Iedereen keek naar de trillende schicht en vervolgens naar Roxanne.
'In mijn vaders zaal wordt niet geknokt,' zei ze op ijskoude toon. 'Dat doe je maar buiten, want ik hou er niet van om bloed te schrobben van de tafel waar ik van eet.'
Nog verscheidene lange seconden bleef het stil. Alwin Barry, die nog steeds naast Tasemu zat, stond op, hief zijn drinkkan op naar Roxanne en dronk hem leeg. De drinkkan neerzettend, begon hij te lachen, eerst zachtjes grinnikend, maar toen harder, hoofdschuddend. Op A1wins gebaar stond Tasemu op en deed hetzelfde, en samen schaterden ze het uit tot ze elkander op de rug sloegen, wijzend naar Roxanne en vervolgens op het hoogst onbehaaglijke groepje mannen bij het vat. In korte tijd bulderde de hele zaal het uit.
Roxanne keek de zaal rond en met een minachtend gebaar zette ze de kruisboog met de punt op de vloer, spande hem, legde er een nieuwe schicht op en schoof het wapen terug onder de stoel. Dit deed het schateren in hevigheid verdubbelen, en uiteindelijk beende ze geërgerd kijkend de zaal uit.
'Ah, dat is mijn bloed,' brulde Wolfgar, 'dat is het type vrouw dat ik kan verwekken. Bij alle goden, en dat kan ik nog steeds, als ik maar een deerne kan vinden die blind genoeg is om me mijn gang te laten gaan!'
Op zijn commentaar werd er hartelijk geproost en gejuicht, en toen Asayaga deze grootspraak zo luidkeels had vertaald voor de soldaat die naast hem zat dat het de hele zaal door ging, schaterden de Tsurani mee. De enkele vrouwen in de ruimte hielden lachend en hoofdschuddend van zogenaamd afgrijzen hun handen omhoog, en iedereen sloeg dubbel.
Wolfgar stond op, en met een kreun klom hij boven op de feesttafel, een vleesschaal omverschoppend. Nadat hij de beker in zijn hand in één teug had geleegd, smeet hij hem weg en liep langzaam naar het andere eind van de tafel, knikkend naar de opgeheven drinkkannen en bokalen en de hem toejuichende mannen. Een aantal Koninkrijkers begon aan een schuin wijsje over een hoefsmid met vijf dochters en het lot dat elk van hun nachtelijke bezoekers wachtte wanneer ze werden meegesleurd naar hete tang en aambeeld. Ook de Tsurani zetten een lied in, en het boeide Asayaga dat hun gezamenlijke tegenstem een vrijwel identiek verhaal bezong. Tenslotte stak Wolfgar zijn handen omhoog om de mannen tot zwijgen te brengen, en het werd stil in de zaal. Zoals hij daar stond, leken de jaren van hem af te vallen. Dennis keek waarderend toe, want hij wist dat hier een van 's Koninkrijks beste sagenzangers stond, ook al was hij een onverlaat, een leugenaar en een dief.
Eerst nog zachtjes, maar met beheerst stemgeluid, begon de oude man aan een erg oud lied.
'Vaarwel, mijn Koninkrijks meissie
Vaarwel, ik neem afscheid van jou
Want ik vertrek morgenvroeg naar het noordse gebergte.
Om te sterven voor koning en land in de kou...'
Dennis leunde achterover en keek naar Asayaga, die geboeid leek door het oude lied van een soldaat die wist dat hij werd gestuurd op een tot mislukken gedoemde campagne tegen de Onzalige Broeders. Zijn ogen sluitend dacht Dennis terug aan het moment dat hij dat lied als knaap voor het eerst had gehoord. Hij zat toen naast zijn vader, die stil naar Wolfgar luisterde terwijl de tranen onbeheerst over zijn wangen rolden. Het lied ging over plicht, eer en offer, en Dennis verbaasde zich over Wolfgars keus. Want als er ergens Koninkrijkse manschappen het lot van de held uit dit lied tegemoet gingen, dan waren het wel de mannen in deze zaal.
Asayaga zag Dennis' gezicht en begreep dat het lied iets bijzonders voor hem betekende. Voorbijgaand aan het ongelijke ritme en de vreemde tonaliteit van het Koninkrijkse lied, luisterde hij naar het verhaal. Het was een heldendicht, over een man die eer verkoos boven gezond verstand. Asayaga werd verscheurd, want aan de ene kant was het een zeer Tsuranese houding, maar aan de andere kant zou geen Tsurani ooit het slagen van een missie betwijfelen, laat staan erover spreken.
'Ik heb veel te lang op deze wereld doorgebracht,' mompelde hij in zichzelf toen Wolfgar afrondde en een welgemeend applaus in ontvangst nam. Sommigen van zijn mannen hadden voor de anderen vertaald, en menig soldaat van beide kanten zat met tranen in de ogen.
Ja, dacht de Tsuranese Opperbevelhebber, het is een machtig verhaal.
Hij verliet de kamer, negeerde de bittere kou buiten en ging naar de smalle, diepe geul die hij eerder op de dag had laten graven. Eerst hadden de mannen de gemeenschapsgrond in het midden van de palissade gebruikt, en hij had daar een einde aan gemaakt zodra hij merkte dat er binnen de palissade geen latrinegebouw was. Geen enkele soldaat met ervaring in het veld zou zijn mannen hun eigen kamp laten bevuilen. Vuil bracht ziekte met zich mee, iets wat de barbaren niet schenen te beseffen. Aangekomen bij de geul ontlastte hij zich en ervoer een golf van opluchting.
'Ze vermaken zich uitstekend, binnen.'
Geschrokken zag Asayaga Dennis naast hem staan, zich eveneens ontlastend. Met dichtgeknoopte broek bleven ze nog een ogenblik zwijgend staan, terwijl de sneeuw rondom hen wervelde in de storm. De lantarens buiten het langhuis hingen te zwaaien in de wind en wierpen amper zichtbare schaduwen over de hevig besneeuwde, smalle binnenplaats.
'We zitten hier voorlopig nog wel even,' zei Dennis. 'De enige uitweg is nu via de hoge passen, en die zitten morgen dicht.'
'Het houdt ons hier vast, maar de Onzalige Broeders houdt het buiten.'
'Ja. De jacht is voorbij.'
'Voorlopig, tenminste. Ik geloof nooit dat ze zomaar opgeven. We hebben hen gekrenkt. Als het omgekeerd was, Hartraft, als zij in deze vallei vast zaten ... ' Zijn stem stierf weg. 'Nee. Als ik hier met mijn mannen vast zat en jij aan de andere kant van de bergen was, wat zou jij dan doen?'
'Wachten tot je naar buiten kwam.'
'Juist, ja.'
Weer zwegen ze geruime tijd.
'Je bent een harde man. Een harde tegenstander, Hartraft. Was je voor de oorlog ook al zo?'
'Gaat je niks aan. Wat er nu komt vind ik veel belangrijker.'
'Onze afspraak om te vechten, is dat het?'
'Zoals ik al zei, de jacht is voorbij. De wapenstilstand zou van kracht zijn tot we waren ontsnapt, en voorlopig zijn we dat.'
Asayaga draaide zich om en deed een stap dichterbij, zodat ze vlak bij elkaar stonden. Hij keek Dennis recht aan. 'Wat wil je dan? Morgenvroeg de mannen hun bed uit schoppen, ze opstellen, ze de wapens laten trekken en elkaar laten afmaken?' Terwijl hij het zei, hoorden ze allebei vanui het langhuis gelach en het begin van een volgend lied komen.
'We weten allebei dat het niet echt is, daarbinnen,' zei Dennis met een vaag gebaar in de richting van Wolfgars langhuis. 'Voor het moment staan we buiten de wereld, maar vroeg of laat dringt die zich vanzelf weer aan ons op. Nog geen honderd mijl hiervandaan zitten er vannacht Koninkrijkse en Tsuranese troepen in hun kampen te wachten tot het weer opklaart, en als het ophoudt met sneeuwen, gaat de oorlog gewoon weer verder en gaan ze weer achter elkaar aan om elkaar af te slachten. Gaat dat voor ons niet op? Hebben wij daar vrijstelling van?'
'Als wij elkaar morgen afmaken, tot de laatste man, verandert dat niets aan wat er daarginds gebeurt. Ik heb dezelfde morele verplichtingen als jij, Hartraft, maar als ik jou vanavond dood, verandert dat niets aan de oorlog. Dan zijn we gewoon allebei uit het verhaal verdwenen. Maar zeg eens, is het je eer, je plichtsbesef, of wraak waardoor je nu gedreven wordt?'
Dennis gaf geen antwoord.
'Morgenvroeg dan? Want dan ga ik nu naar binnen om mijn mannen te laten stoppen met drinken en zich voor te bereiden. En dat kan jij maar beter ook doen.' Het kostte hem moeite zijn woede te bedwingen terwijl hij de woorden uitspuwde en een stap achteruit deed. Hij maakte een formele buiging en draaide zich om.
'Wacht.'
'Waarop?'
'Wacht nou gewoon even,' zei Dennis, zijn stem zwaar, gereserveerd. 'Er moet een dag komen, dat weten we allebei. Eenmaal terug bij onze linies, de jouwe of de mijne, moeten we wel.'
'Waarom dan niet nu?'
'Rustig aan, Tsuranu, het ijs waarop we lopen is dun.'
'Kom op dan, zeg wat je wilt.'
'Als de passen weer open zijn, hebben we elkaar nog steeds nodig. De Onzalige Broeders wachten ons op, misschien brengen ze zelfs versterking. Als we samenwerken, is onze kans om dit te overleven groter.'
'Is dat de werkelijke reden?'
'Zoals ik al zei, rustig aan, het ijs is dun.'
Uiteindelijk knikte Asayaga.
'Een wapenstilstand tot we terugkomen bij onze linies,' zei Dennis aarzelend. 'We bevelen onze eigen mannen en bewaren de vrede tussen hen. Als iemand die vrede verbreekt, gaan jij en ik bij elkaar zitten om een oordeel te vellen.'
'En Wolfgar.'
'Waarom?'
'Volgens mij is hij 't onpartijdigst van allemaal.'
'Daar heb je wel gelijk in,' zei Dennis langzaam. 'Goed, hij oordeelt mee. We delen alle rantsoenen, onderdak en werk.'
'Uiteraard.' Asayaga keek om naar het langhuis. 'En de dochter, Alyssa? Wat doen we met haar?'
'Ik weet niet waar je het over hebt,' snauwde Dennis.
'Ook goed.'
Na een korte aarzeling stak Dennis eindelijk zijn hand uit, en Asayaga drukte die.
En geen van beiden zag de geïnteresseerde luisteraar in de donkere deuropening van de stal, die ieder woord had verstaan.