12 Bloedschuld
Het mes was scherp.
De punt ging moeiteloos door de huid, en er verscheen een druppel bloed. Hij wachtte tot er een kleine, rode parel op zijn huid was opgeweld en draaide zijn arm zodat de druppel kon vallen. Hij hield zijn arm omhoog om het bloed op de grond te laten druppelen, en zag het ijs naast zijn laarzen opkleuren. Nu de dagelijkse rite was voltooid, borg Bovai de dolk op.
Zijn linkerarm zat van de elleboog tot aan de pols vol met tienduizenden littekentjes die hij zichzelf door de jaren heen had toegebracht. Binnenkort, dacht hij, binnenkort was hij klaar met deze rituele zelfverminking. Binnenkort zou de smet op de eer van zijn familie en clan eindelijk zijn uitgewist.
Op de avond dat hij met zekerheid had vernomen dat Tinuva was overgelopen naar de eledhel had hij gezworen om zijn eigen bloed als boetedoening te laten vloeien, dag na dag, tot het bloed van de verrader was vergoten.
Want Tinuva, de verrader, was tevens zijn broer.
Hij liet zijn arm zakken. Leunend tegen een boom keek hij neer op het fort dat de brug over de rivier bewaakte. Daar kampeerden ze nu al bijna twee weken in de krappe behuizing van de palissade, met meer dan driehonderd van zijn broeders en de overgebleven mensen en gnomen, wachtend tot het weer omsloeg en zijn verkenners kwamen melden dat de noordelijke passen naar de vallei voor zijn aanvalstroepen begaanbaar waren.
De wervelende sneeuwbui klaarde een ogenblik op zodat hij een glimp opving van de mannen die met een kar vol hout terugkwamen uit het woud. Afwezig wreef hij over zijn gehavende en bloedende arm en deed zijn ogen dicht.
Er was een tijd, zo lang geleden dat hij het zich amper nog kon herinneren, dat Tinuva zijn geliefde broer was, Morvai, de leider die hij met plezier zou hebben gevolgd, door velen reeds beschouwd als degene die op een dag de opperste hoofdman van de Raafclan zou zijn. Sommigen fluisterden zelfs dat hij wellicht degene was die alle clans zou verenigen voor een heilige oorlog, zodat er eindelijk een einde kwam aan de ballingschap in de noordelijke kou, en de mensen en de verraderlijke eledhel in zee werden gedreven.
Vaak dacht hij aan die dagen, toen ze samen het woud in trokken om te jagen, te praten, te dromen, twee broers, nog in hun jeugd, zij aan zij, plannen makend voor al wat nog zou komen...
Morvai was knap om te zien. Sommigen zouden later zeggen dat zijn hart hem vanaf de geboorte reeds had toegeroepen naar de eledhel te gaan. Hij had iets zachtmoedigs gehad, een zeldzame eigenschap bij moredhel-krijgers, wanneer ze niet bij hun vrouwen kleintjes waren. Maar toch zou iedereen hebben toegegeven dat hij hen allen overtroefde in de jacht, in de vaardigheid die hij toonde met het zwaard of de boog, in lichtvoetigheid, en zelfs in de charme van zijn stem. En getwijfeld werd er evenmin aan zijn felheid en moed in de strijd. Een geen gering aantal mensen was door Morvai's hand gestorven, en een aantal eledhel eveneens, voordat hij de onnatuurlijke aantrekking van de duistere magie van hun koningin ervoer.
Bij die herinnering liet Bovai het hoofd zakken, want hij had veel van zijn broer gehouden, hem aanbeden, en zou hem met plezier hebben gediend. Zijn trouw werd door iedereen opgemerkt, en het was een zeldzaamheid om de ene broer zonder de andere te zien. Bovai wist dat Morvai beschikte over kwaliteiten die hij miste: snelheid van geest en een scherp verstand. Daarom had hij getracht met andere middelen te bereiken wat zijn broer had, met kracht en sluwheid, met meedogenloosheid en een prompte bereidheid te doden. Samen vormden ze een volmaakt duo, het zwaard en de hamer. Wat Morvai met slinksheid, verstand en charme niet wist te bereiken, kon Bovai met brute kracht en terreur.
Zo was het de schijnbaar tijdloze jaren van hun jeugd geweest. Samen hadden ze talloze malen strijd gevoerd tegen rivaliserende clans, vogelvrije mensen, zelfs onderaards, om de daar wroetende dwergen hun rijkdommen af te nemen. Elk had het leven van de ander meer dan eens gered, en terwijl hij eraan terugdacht, zweefde Bovai's hand als vanzelf naar zijn borst, naar de wond die hij had opgelopen door voor Morvai te springen, zodat de pijl hem trof in plaats van zijn broer.
Wat had Morvai gehuild, die nacht, zittend naast zijn broer toen de pijl werd verwijderd. Zijn eeuwige toewijding had hij gezworen, waarna hij zich in de arm had gesneden en zijn bloed in de wond had laten lopen, opdat iedereen kon zien dat hun band permanent was.
Er waren maar weinig dingen die zo'n band konden verbreken, maar tenslotte waren ze er toch een ervan tegen het lijf gelopen, en haar naam was Anleah. Ze was de dochter van Vergalus, de leider van de Vossenclan. Bovai kon het zich herinneren alsof het dagen geleden was in plaats van jaren...
Met open bewondering hadden de broers gekeken naar de triomftocht van Gaduïn, hun vader en de op één na machtigste hoofdman van de clan. De krijgers achter hem droegen de krijgsbuit binnen en voerden een zestal gevangenen mee, de handen op de rug gebonden. Een van hen trok ogenblikkelijk de aandacht.
Ze was mooi, en trots, en geen krijger die haar zag kon zich in haar vergissen, zo duidelijk was zij de dochter van een hoofdman. Bovai en Morvai stonden voor de ingang van hun vaders huis, hun gezichten onbewogen maskers, maar hun ogen fonkelend van trots.
'Mijn zonen,' had hun vader naar hen geroepen, 'kijk eens wat ik heb meegebracht. Het is de dochter van onze oude vijand Vergalus van de Vossenclan. Voorlopig is zij bij ons te gast.'
Hun vader had de vrouw overgedragen aan de vrouwen van het huis om haar schoon en toonbaar te maken, en die eerste avond at ze als een gast aan hun tafel.
Ze had haar erewoord gegeven niet te zullen ontsnappen of zich te laten redden, en het was haar toegestaan onder hun dak te wonen en zich vrijelijk door hun dorp te begeven. Beide broers waren in beslag genomen door haar schoonheid, de zachte bekoring van haar stem en haar scherpe intellect. In Bovai's ogen was ze volmaakt geweest...
Bovai's gedachten keerden terug naar het heden. Ginds zat ergens zijn vervloekte broer. In Bovai's beleving was Morvai dood sinds de nacht dat hij zijn eigen volk was ontvlucht tijdens een brute wedren naar de schuilplaats van Elvandar en de zwarte magie van de koningin der eledhel. Bovai zelf had de jacht geleid. Het was hem niet gelukt het ding dat eens zijn broer was te doden, en de lege huls die zich tegenwoordig Tinuva noemde, bespotte hem met iedere ademteug die hij nam.
Binnenkort, mijn broer, zwoer Bovai in stilte, binnenkort. Hij richtte zijn geestesoog naar binnen en speurde met zijn blik de horizon af naar iets wat erop wees dat de storm snel zou overdrijven...
Vanaf het moment dat hij zijn oog op Anleah liet vallen, was Bovai smoorverliefd geweest, al had hij het haar niet durven vertellen, noch zijn vader. Het was Morvai, de oudste broer, die altijd de mooie woorden en subtiele zinswendingen wist te vinden en die haar ten huwelijk had gevraagd. Morvai bracht zo veel mogelijk tijd door met Anleah, en Bovai trok zich steeds verder terug in zijn onuitgesproken verlangen naar het meisje, tot de avond dat Morvai hun vader had gevraagd een goed woordje te doen bij Murad, om het meisje niet terug te sturen naar haar vader, maar hem juist geschenken te sturen en hem te vragen of Morvai zijn dochter tot vrouw mocht nemen.
Lachend had Gaduïn zijn ware bedoelingen onthuld met zijn overval en het maken van deze gevangene. De bittere rivaliteit met de Vossenclan nam de twee clans reeds tientallen jaren in beslag, en aan beide kanten waren er vele krijgers gesneuveld. Het was Gaduïn hoop geweest dat Morvai haar aantrekkelijk zou vinden en haar tot vrouw zou nemen.
Ze had geen broer, en geen hoofdman van de Vossenclan was machtig genoeg om de clan bijeen te houden als haar vader eenmaal naar de Vaders en Moeders in de volgende wereld was gegaan. Murad had geen nakomelingen, al had hij door de jaren heen driemaal een vrouw gehad. Gaduïn zag in zijn zoon de logische erfgenaam van de mantel van opperste hoofdman, en met Anleah als zijn vrouw zouden de twee clans uiteindelijk worden samengevoegd. Aldus zou de vrede worden gevestigd en de kracht van de Raafclan verdubbelen, met de mogelijkheid dat de Raafclan uiteindelijk de Vossenclan in zich op zou nemen, want het zou Morvai zijn die ging regeren, en na hem de kinderen uit zijn vereniging met Anleah. En met de vereniging van twee van de grootste clans in Yabon kon een begin worden gemaakt met het veroveren van de andere.
En vanaf dat moment was het Bovai duidelijk dat hij een stap terug moest doen en zwijgen. Hij veinsde blijheid om zijn broers geluk en zei niets toen zijn vader een gezantschap naar de Vossenclan zond met het voorstel voor een wapenstilstand en de onderhandelingen voor een bruidsschat.
Bovai accepteerde dit uit liefde voor zijn broer, al verteerde het zijn hart. En wat nog dieper brandde, was dat Morvai zo opging in Anleahs charmes dat hij niets merkte van het leed dat dat zijn broer bracht. Daarom dwong Bovai zich zijn blik elders te richten wanneer Anleah langsliep, wendde hij zijn ogen af wanneer ze aan hun tafel at en deed hij zijn best niets te merken van de geur van haar haren, de donkere fonkeling in haar ogen, de zindering van haar stem.
Steeds minder ging Morvai met zijn broer op jacht, en uiteindelijk bespeurde Bovai enige spanning tussen hen. Dagen verstreken waarin ze nauwelijks een woord wisselden, en hij probeerde te geloven dat het kwam omdat de periode van het hofmaken voor Morvai was aangebroken, een reeks riten die jaren kon duren voordat de twee eindelijk bij elkaar kwamen. Bovai vreesde dat zijn broer een vermoeden had van Bovai's verborgen verlangen, en zo werd de vervreemding wederzijds. Pas later begreep Bovai dat de vreemde afwezigheid van Morvai niets te maken had met zijn verloving met Anleah of met enige zorgen over zijn broer, maar dat het de eerste roerselen waren van die vervloekte aantrekkingskracht vanuit Elvandar, wat de eledhel de Terugkeer noemden.
Dagen vergleden tot weken, en Bovai leefde op een dieet van pijn en verlangen. En op een dag kondigde Gaduïn de verloving van Morvai en Anleah aan met het plan dat ze op Midzomerdag zouden trouwen.
Zes dagen voor Midzomerdag arriveerde Anleahs familie, met volgelingen en krijgers van aanzien, voor de bruiloftsriten. Bovai vond het maar vreemd omringd te zijn door krijgers van de Vossenclan, en hij herkende er velen uit voorbije gevechten.
En in hun midden verkeerde iemand wiens gezicht slechts bitter en zwaarmoedig stond, en zijn naam was Kavala. De anderen in zijn clan toonden zich vergenoegd om het huwelijk en het smeden van een band tussen de clans, maar deze krijger bezag Morvai met een bijzondere haat. Want als er iemand in de Vossenclan de aangewezen opvolger van Vergalus als hoofdman was, dan toch de krijger Kavala, en hij zag de toekomst even duidelijk als een jager zijn hert op een open plek. Als dit huwelijk werd gesloten, moest hij op een dag een knieval voor Morvai maken om hem zijn trouw te zweren.
Bovendien had Morvai tijdens een van de vele schermutselingen tussen Vos en Raaf Kavala's broer gedood. Kavala had meer dan één reden om Morvai te haten.
De ontvangst van de Vossenclankrijgers en de familie van Anleah verliep eerst was stroef, maar tegen het einde van de avond werden er aan beide kanten heildronken uitgebracht op het einde van de vijandigheden, en zowel Gaduïn als Vergalus toonden zich gul in het betalen van bloedschuldgeschenken aan de vaders, broers en zonen van in de strijd omgekomen krijgers die nog niet waren gewroken. Kavala was erg gesloten geweest, maar wel had hij de rituele woorden gesproken toen Morvai hem een schitterende boog van taxushout en been aanbood als schuldbetaling voor het doden van Kavala's broer. Van vergeving was geen blijk te zien geweest, maar wel had hij de formaliteiten in acht genomen. Aldus was er een einde aan de vete gekomen.
Ergens tijdens deze rituelen was er eindelijk een moment geweest dat Bovai zijn broer alleen zag staan en naar hem toe ging.
De blik in Morvai's ogen was een waarschuwing. 'Als je me komt vertellen dat je van haar houdt, dan weet ik dat allang,' zei Morvai vlak.
Verbluft kon Bovai geen antwoord geven.
Morvai legde een hand op Bovai's arm. 'Je hebt je eervol gedragen.' Toen had hij zacht gezegd: 'Het hart wil wat het wil. Vergeet dat nooit, wat er ook moge gebeuren.'
Bovai kon niets zeggen, ook niet toen Morvai zich omdraaide, breeduit glimlachte en een hand uitstak naar de vader van zijn bruid. De twee schudden elkaar ferm de hand en dronken vervolgens uit dezelfde bokaal.
Bovai had gekeken naar Anleah, gezeten aan de feesttafel, en had haar zien stralen van liefde voor Morvai. Hij had het gevoel alsof zijn hart in zijn borst in stukken brak, want hij wist dat ze zo nooit naar hem zou kijken.
Tijdens de plechtigheid had hij naast zijn broer gestaan, zijn hart vervuld van pijn, maar toen zijn broer haar kuste, verdrong hij alle pijn uit zijn hart en maakte het van ijs. Nooit meer zou hij van iemand houden, als dat zulke pijn betekende.
Bij de plechtigheid had hij ook iets anders gezien, en dat was de blik waarmee zij naar Kavala keek. Ze had hem een warme, tedere glimlach gezonden, maar de blik waarmee hij die glimlach had beantwoord, zei Bovai dat Kavala nu drie redenen had om Morvai te haten. In Kavala's gezicht zag hij zijn eigen verlangen weerspiegeld, heel even slechts, maar Bovai had het gezien.
Toen het protocol het te langen leste toestond, was Bovai gevlucht, het feest verlatend uit vrees dat zijn maag zou opspelen en dat hij zou braken. Zijn pijn verdreef hem uit het kamp. Hij pakte zijn boog en zei de schildwacht dat hij op jacht ging.
Vijf dagen bleef hij weg van zijn vaders terrein.
Een jaar en een maand sprak Bovai niet met zijn broer. Anleah werd steeds mooier, gelukkig als ze was in haar huwelijk. Iedere lach was een dolksteek in Bovai's hart, omdat ze voor Morvai bedoeld was. Ze hield van hem met een intensiteit die slechts weinig moredhel ooit kenden, en zelfs de gereserveerdste krijgers glimlachten wanneer ze haar zingend voorbij zagen lopen naar de beek om kleren te wassen, of als ze de moestuin verzorgde.
Maar Morvai trok zich steeds meer in zichzelf terug en verdween soms dagen achtereen in het woud. Vaak kwam hij zonder wild terug. Er waren dagen dat hij plotseling werd afgeleid tijdens een gesprek, alsof hij luisterde naar een verre roep.
Op een dag riep Morvai zijn broer bij zich en zei iets wat Bovai nog maanden nadien zorgen baarde. Hij zei: 'Mocht ik omkomen, broer, mocht er iets met mij gebeuren ... zorg jij dan voor Anleah?'
'Natuurlijk,' antwoordde Bovai, 'maar er gebeurt heus niets.'
Morvai glimlachte slechts. 'Het lot is grillig, broer, en wees verzekerd, er zal iets gebeuren.' Hij legde een hand op Bovai's arm. 'Zorg goed voor haar. Breng haar terug naar haar vaders huis, mocht dat haar wens zijn.'
'Ik zal het doen,' zei Bovai.
Maanden vlogen voorbij, en Morvai werd steeds afweziger. Hun vader vroeg Bovai of hij wist wat zijn oudste zoon dwars zat, maar Bovai kon niets bedenken. Toch bespeurde ook Bovai een groeiend ongemak in de ziel van zijn broer.
En toen, laat in de zomer van het derde jaar na de bruiloft, was Morvai eindelijk veranderd. Geen moredhel hoefde te worden verteld wanneer een familielid de verandering onderging die door de eledhel de Terugkeer werd genoemd. Een uur voor zonsopgang werd Bovai wakker met een verschrikkelijk gevoel dat er iets mis was. Hij was zijn bed al uit en stond op de binnenplaats van het terrein zijn zwaard om te gorden toen hij Anleah hoorde gillen.
Samen met wat andere krijgers was hij naar Morvai's huis gerend, en binnen troffen ze Anleah bij een leeg bed.
'Wat is er, vrouw?' riep Gaduïn.
Terwijl de tranen haar over de wangen liepen, antwoordde Anleah zacht: 'Ik werd wakker met een vreemde in deze kamer, vader van mijn ... ' Haar stem brak. 'Mijn man is niet meer.'
Het was alsof er een mes, kouder dan ijs, door Bovai's buik sneed. Hij keek naar zijn vader en zag dat het onverbiddelijke gezicht van de oude krijger zwaar getekend was. Het masker bleef op zijn plaats, maar alle kleur was uit zijn wangen verdwenen.
'We moeten de verrader vinden,' zei hij zacht. 'Hij moet dood.'
Bovai ervoer dezelfde opgekropte woede en vrees die zijn vader verborg. Hun geliefde broer en zoon was veranderd. Hij behoorde niet langer tot hun bloed. De snode koningin van Elvandar had met haar zwarte kunsten alweer iemand van hun volk gelokt, en terwijl zij hier stonden, was het wezen dat eens Morvai was geweest reeds op weg naar het zuiden, in de richting van het toevluchtsoord Elvandar.
Bovai gaf een teken, en de krijgers snelden terug naar hun eigen huizen om wapens te halen. Enkele minuten later gingen er vijftig moredhel door het woud, achter Morvai aan.
Het was een brute jacht geweest, zonder respijt voor prooi of jagers. In de herinnering van het ras bestond er geen diepere belediging voor een clan dan dit. Zelfs de vogelvrij en die door hun eigen volk waren verbannen en leefden in communes van mensen en gnomen, zelfs zij konden op een dag hun eer herwinnen. Maar iemand die vluchtte naar Elvandar was een verrader van alles wat hem maakte tot iemand van Het Volk, tot moredhel.
Zes dagen lang renden ze door de bossen, moerassen en vennen van Yabon. Uiteindelijk kwamen ze bij de rivier die de grens van Elvandar aangaf.
Driemaal had Bovai tijdens de jacht een glimp van zijn broer opgevangen, eenmaal op een heuveltop, eenmaal lopend tussen de bomen in de verte toen Bovai een vallei in ging, en tenslotte daar aan de rivieroever.
Bovai had een pijl afgeschoten, die na een hoge boog door de lucht slechts enkele ellen achter zijn broer doelloos insloeg terwijl hij door het water waadde.
Aan de overkant wachtten gedaanten in tunieken, gewapend met bogen. Ze wachtten af om te zien hoe dicht Bovai en de anderen zich bij de grens zouden wagen. Bevangen door woede liet Bovai alle voorzichtigheid varen en rende verder om de verrader alsnog te doden voordat hij de beschutting van de bomen aan de overkant van het water zou bereiken. Tijdens het rennen zette hij een pijl op de boog, spande de pees en bleef toen plots staan om zo zuiver mogelijk te mikken, want dit zou zijn laatste schot zijn.
Tegelijk met hem schoten de krijgers achter hem, en zij werden beantwoord door de schutters aan de overkant. Zijn eigen pijl verliet de boog slechts een zucht eerder dan de andere, en schreeuwend van frustratie zag hij de pijl slechts enkele duimen te kort komen. Zijn schreeuw van woede veranderde in een van pijn toen hij door een elfenpijl in het been werd geraakt.
Twee van zijn metgezellen moesten hem terug naar de veiligheid slepen, want zelfs gewond was Bovai in staat geweest de rivier over te steken. Het laatste wat hij zag van het wezen dat eens zijn broer was geweest, was zijn rug toen hij verdween in de duisternis van Elvandar.
'Bovai?'
Hij schrok op uit zijn pijnlijke herinneringen. Het was Golun, de leider van zijn verkenners.
'Ja?'
Golun zag dat de arm met de vele wonden nog steeds ontbloot was, ondanks de ijzige kou. 'Herinneringen aan het ophalen?'
Bovai knikte. Golun was ook op het bruiloftsfeest geweest en wist van alle schande die daarna gekomen was. De Vossenclan had de schande van de Raafclan ondraaglijk genoemd en de vrede tussen hen verbroken. Anleahs terugkeer werd door haar vader geëist. Bovai had Gaduïn van zijn belofte aan Morvai verteld, dat hij het meisje naar huis zou brengen, maar zijn vader had zijn zoon geslagen toen die de naam van de verrader had genoemd.
Liever dan Anleah terug naar haar familie te laten gaan, had Gaduïn haar gedwongen tegen haar wil te trouwen met Bovai. In vier jaar tijd had Bovai zes maal tegen de Vossenclan gevochten alvorens hen tot overgave te dwingen, na de dood van Vergalus. Kavala had moeten buigen voor Murad, en de Vossenclan was opgegaan in de Raafclan.
Tien jaar strijd was erop gevolgd, waarin de andere clans in Yabon de Raafclan trachtten te verdringen. De bitterheid vanwege wat iedereen zag als een laf verraad van de Vossenclan door de Raafclan was pas na jaren onderdrukt.
Al die tijd had Golun hem bijgestaan, en in de jaren die volgden had Bovai zich een waardig leider getoond, met een kille, berekenende geest, vervuld van sluwheid. Hij was meedogenloos in de jacht op de vijanden van zijn clan en kreeg aldus een reputatie als een gemene krijger die je maar beter geen strobreed in de weg kon leggen, want wraak was het enige waarvoor hij leefde. In Murads ogen had hij de schande gedeeltelijk uitgewist, en nu stond Bovai op het punt de zetel, aan Murads rechterhand, terug te krijgen die hem na zijn vaders dood was ontzegd. Zijn razernij had Bovai goed gediend.
Niemand buiten de clan, en daarbinnen slechts enkelen, begrepen de razernij die iedere dag werd opgestookt, terwijl hij leefde met een vrouw die hield van een herinnering. Anleah was een plichtsgetrouw echtgenote en stond Bovai de geneugten van het huwelijksbed toe, maar ze gaf geen blijk van vreugde in hun samenzijn. Ze verdroeg zijn aanraking, en telkens wanneer zijn begeerte hem ertoe bracht haar te nemen, verliet hij hun bed met een bittere pijn in plaats van blijheid.
Vaak zag hij haar staren uit het raam van hun huis of stilletjes werken in hun moestuin, en dan wist hij dat ze dacht aan het verleden, aan een nacht met iemand anders, van wie ze nog steeds hield, ondanks diens schandelijke verraad van zijn ras. Weg waren de vrolijke liederen en de stralende lach. Anleah, de mooiste aller vrouwen van de Raafclan, was nu een melancholische verschijning. De glimlach waarmee ze Bovai aankeek had altijd iets droevigs, en hardop lachen deed ze nooit.
Meer dan wat ook begreep Golun die dingen en waarom Bovai zo'n verschrikkelijke verschijning op het slagveld was geworden. De vrouw van wie hij hield kon hij nooit werkelijk bezitten, ook al deelde ze zijn huis en bed, en dat litteken op zijn hart, ziel en eer hield hem altijd bezig.
Door de jaren heen had hij geruchten vernomen, van Morvai's nieuwe elfennaam, Tinuva, van zijn schermutselingen langs de grens tegen krijgers van andere clans. Drie keer had Bovai zijn voormalige broer gezien, maar hij had hem niet kunnen bereiken. Dit zou zijn laatste gelegenheid zijn om zijn broer te vinden en te vernietigen.
Golun maakte zijn mantel los en legde hem over Bovai's schouders.
Bovai knikte dankbaar. Hij was vergeten hoe lang hij daar al stond, in de kou, alleen, in niet meer dan een tuniek.
'In ieder geval is Kavala dood,' zei Bovai, en Golun gromde ten antwoord. 'Vreemd, dat ik hem in al die jaren niet kon doden. Hij begeerde Anleah net zo sterk als ik, en als ik in de strijd was gesneuveld, zou hij haar zeker het hof hebben gemaakt. Maar hij haatte Tinuva net zozeer als ik, hij gaf hem de schuld van de vernietiging van de Vossenclan. Hij was ambitieus en zou mijn plaats hebben ingenomen als hij dacht dat hij dat kon, en toch verdroeg ik zijn jaloezie en haat jegens mij. Er ging geen dag voorbij dat hij niet een mes in mijn hart wilde steken.'
'Zijn dood bevrijdt u niet van de behoefte hem te doden, en het heeft de aanwezigheid van uw broer met zekerheid aangetoond. Het is ironisch dat Tinuva u een dienst heeft bewezen door een gezworen vijand uit de weg te ruimen.'
'Ja,' beaamde Bovai en hij trok de mantel stevig rond zijn schouders tegen de kou. 'Bij het fort dat we innamen, bespeurde ik zijn aanwezigheid eveneens, maar na al die jaren was het moeilijk te geloven dat we eindelijk de afronding van alles naderen.'
'Dood hem en uw eer is ten volle hersteld,' zei Golun. 'Met die herwonnen eer zal volgende zomer bij de grote raad niemand tegen u durven stemmen. Wie kan er bezwaar maken tegen iemand die zijn eigen broer heeft gedood om zijn familienaam te zuiveren?'
Bovai knikte. Golun was een vriend, maar Golun was ook eerzuchtig. Hij wist wat Bovai wilde. 'Delekhan,' fluisterde hij, Golun aankijkend. 'Die heeft mijn broers verraad altijd tegen me gebruikt.'
'Veel beter dan hij kunt u de hele clan leiden, mocht Murad omkomen. De dood van uw vader heeft voor uw ambitieuze neef de weg opengelaten om de macht te grijpen, terwijl u aan Murads rechterhand had horen te zitten.'
Even vroeg Bovai zich af of er een verholen belediging in Goluns woorden schuilde. Als de tragedie anders had uitgepakt, was het Morvai geweest die Raaf en Vos zou hebben samengebracht en verenigd, regerend over allebei, en die gecombineerde kracht zou hem tot Murads grootste vertrouweling hebben gemaakt.
'Dood Tinuva. Maar eerst moet u de problemen daar gaan oplossen.' Golun knikte naar de palissade bij de rivier.
'Wat nu weer?'
'Alweer een gevecht tussen de mensen en de gnomen. Twee doden aan beide kanten.'
'Vervloekt,' zuchtte Bovai en hij stuurde Golun voor hem uit de heuvel af
Het bleek een nachtmerrie om hen allemaal samen onderdak te brengen om de storm uit te zitten. Nu al stonden er zes hoofden op staken boven de poort, executies om de orde te handhaven.
Het was bijna twee weken geleden dat ze de jacht hadden verloren en hun prooi was ontsnapt. Maar de vijand hield zich schuil in die vallei. In het gezelschap bevonden zich verscheidene mensen die geruchten over de vallei hadden vernomen, en eentje had beweerd dat er ten noorden ervan een pas door de bergen naar de andere kant van de vallei liep. Die pas betekende een mars van minstens dertig mijl, als ze eenmaal rond het Edderwoud waren gegaan, en pas als het noodweer afnam en de dooi, die vaak halverwege de winter inzette, wat sneeuw had laten smelten en de rest hard had gemaakt, was de mars mogelijk.
Drie dingen moest hij nu doen. Als eerste zijn troepenmacht bijeenhouden. Hij had beloofd hen voor de winter veilig terug naar huis te brengen. Zonder de omweg vanwege de jacht zouden ze de laatste pas al voor dit noodweer zijn overgestoken. Nu dat niet was gelukt, moest hij slagen in de andere twee dingen. Om de mensen en de gnomen tevreden te stellen, moesten Hartrafts Marodeurs worden vernietigd. De roem die dit opleverde, zou hun woede stillen, en daarna zouden ze naar huis gaan om op te scheppen over wat ze hadden gedaan. En tenslotte zou Tinuva's dood een einde maken aan een geschil dat al eeuwen had geduurd. Het zou hem weinig genoegen schenken, wist hij, en Anleah zou niet bepaald meer van hem gaan houden als de verrader eenmaal dood was, maar het zou een woekering in zijn hart wegnemen en hem in de positie plaatsen om komende zomer Delekhan zelf een prominente plaats in de clanraad te betwisten. De liefde voor Morvai zou hij nooit krijgen, maar op een dag zou hij een aanzien genieten waarvan zijn broer alleen had kunnen dromen.
Door de dwarrelende sneeuw ging hij terug naar het fort, en verscheidene minuten klonk er luid geruzie, tot er uiteindelijk staal galmde en er nog eens zes hoofden op de verschansing werden gezet.
Gregory schonk Tinuva's theemok bij, schoof die naar hem toe en schonk ook voor zichzelf in. Nadat hij het keteltje boven de vlammen vandaan had gehaald, legde hij nog een blok hout op het vuur en maakte het zich gemakkelijk. Ze zaten samen in een holte in een enorme boomstronk. Ten besluit van een ochtend jagen hadden ze de zuidzijde van de stronk weggebroken om een ingang te maken. De dunne buitenwand die hen aan drie zijden omgaf, vormde een natuurlijke beschutting tegen de wind en de rondwervelende sneeuw; Getweeën lagen ze behaaglijk op het molm in het hart van de reusachtige boom.
'Je hebt het nooit eerder over haar gehad,' zei Gregory toen zijn vriend stilviel nadat hij voor het eerst het verhaal van Anleah had verteld. Gregory sprak zacht en deed zijn best zich niet geschokt te tonen door het relaas dat zijn vertrouwde metgezel zojuist had gedaan. Hij wist dat Tinuva een moredhel was geweest, maar had daar nooit naar gevraagd, noch naar de reden voor zijn 'Terugkeer' naar de eledhel. Over dergelijke geheimzinnige zaken stelde je nu eenmaal geen vragen aan een elf, en het pure feit dat Tinuva zojuist over Anleah had gesproken, was een grote verrassing en een beetje zorgwekkend.
Tinuva keek hem aan en knikte. 'Geen reden voor. Het was zo lang geleden.'
'Niet zo lang dat de herinnering niet kwelt.'
Tinuva viel weer stil, zijn blik gericht op het vuur. Dat was één ding dat Gregory al vroeg in zijn vriendschap met Tinuva had geleerd: de stiltes accepteren. Elfen gingen anders om met tijd. Misschien kwam dat omdat het leven van een mens zo kort was dat ze ieder moment ervan moesten benutten. Een elf kon dagen, weken doorbrengen zonder een woord te zeggen, zelfs zonder zich ervan bewust te zijn. Dat was een van de redenen waarom ze zelden vriendschap sloten met mensen, want mensen bewolkten de lucht met te veel gepraat en een te gehaast tempo van leven.
Het houtblokje dat Gregory op het vuur had gegooid, brandde op, en hij verving het door een nieuw;
Eindelijk kwam Tinuva in beweging. 'Ja, het doet pijn,' fluisterde hij. 'Het zal altijd pijn blijven doen. Ik hou nog steeds van haar.' Hij zuchtte, en het zielenleed dat in die zucht weerklonk, sneed Gregory door het hart. 'En ik hou ook nog steeds van mijn broer.'
Gregory wilde hem de vraag stellen, maar dat kon niet. Hij zou moeten wachten. Er verstreek meer dan een uur voordat Tinuva weer sprak.
'Ik zal nooit weten of ze vrijwillig met mijn broer is getrouwd of dat mijn vader haar heeft gedwongen. Maar het zal hoe dan ook wel niet uitmaken, denk ik.'
Geschrokken vocht Gregory om zijn gezicht neutraal te houden. Hij hield zijn blik op de vlammen gevestigd. 'Veel van wat je me hebt verteld kan ik maar moeilijk begrijpen, mijn vriend.'
Tinuva lachte droevig. 'Je hebt geen idee van de strijd in mijn ziel, van de grote verdeeldheid tussen moredhel en eledhel. Je hebt geen idee wat het was om een moredhel te zijn. Ja, het heeft iets onzaligs, maar ach, de passie, de macht ervan is zo bedwelmend dat ik die niet eens kan beschrijven. Mijn vaders volk is een uniek en moeilijk ras, maar toch kennen ze eer en roem. Maar weinigen buiten ons ras weten van de Terugkeer, Gregory. Jij en een paar andere Vrijschutters. Zelfs Martin Langboog, prins Caelins vriend en jachtgezel, weet volgens mij niet van het bestaan van de Terugkeer. Voor sommigen van ons is het iets moeilijks, want het spreekt van een oude, mysterieuze leer die zelfs de grootste wijzen onder ons nauwelijks kunnen doorgronden. Sommigen geloven dat we eens een enkel ras vormden, in dienst van de Ouden.'
Gregory knikte, want veel van die leer was onbekend gebleven tot Elvandar de komst had gezien van een in het wit geklede krijger, genaamd Tomas. Volgens de geruchten was hij vroeger een kasteel-knaap in Schreiborg, maar tegenwoordig kende zijn zwaardmanschap geen gelijke in felheid en kracht. Men zei dat er in hem een eeuwenoude magie school, en Gregory wist dat dat in ieder geval ten dele waar moest zijn, want hij had zijn vriend en andere elfen gezien wanneer ze over Tomas spraken. Hij had hen horen fluisteren over Valheru, de Ouden.
'Naar men zegt hebben de Ouden, toen ze van deze wereld vertrokken, ons tot een vrij volk verklaard en hebben wij ons opgesplitst in degenen die zich vasthielden aan de levenswijze van onze voorouders, en zij die op zoek gingen naar macht omwille van de macht. Uit die opsplitsing komen de moredhel en de eledhel voort. We zijn zo verschillend van elkaar geworden dat taal, geloof en gebruiken volkomen zijn veranderd.' Tinuva keek Gregory aan. 'Wist je dat een moredhel en een eledhel geen kinderen kunnen krijgen?'
Gregory zei niets, bleef zijn vriend gewoon aankijken.
'Sommigen zeggen dat dit het bewijs is dat wij een ander ras zijn dan de Onzaligen. Maar toch, degenen die eerst moredhel waren maar zijn Teruggekeerd kunnen wel trouwen en nakomelingen verwekken.'
'Hoogst merkwaardig,' zei Gregory.
'Er bestaan mysteriën die nog moeilijker te peilen zijn,' vervolgde Tinuva. 'Zoals het hart van een ander. Ik heb je al verteld dat ik reeds voor ons trouwen vermoedde dat Bovai van Anleah hield. Op de bruiloft heb ik hem gezegd dat dat geen schande was, want wie kon niet van haar houden? Bovai was niet de enige. Kavala haatte mij om het verraad, dat hij zag als de oorzaak van de ondergang van zijn clan. Maar bovenal haatte hij mij omdat ik met Anleah was getrouwd.'
'Die ene die je onderweg hebt gedood,' merkte Gregory op.
Tinuva knikte.
Ze hadden de twee moredhel horen aankomen en waren in een hinderlaag gaan liggen, en op het allerlaatste moment had Tinuva van doel verwisseld en gekozen voor de rechter, dezelfde als waar Gregory op mikte. Hierdoor was de hinderlaag mislukt, want eentje was ontkomen, maar nu snapte hij waarom.
'Eeuwen heb ik van dat moment gedroomd,' fluisterde Tinuva.
'Dat begrijp ik.'
'Bovai haat me om wat hij ziet als een verraad van alles wat hij in zijn leven voor heilig houdt: de eer van zijn clan, zijn bloed en zijn schande. Kavala haatte me vanwege persoonlijke jaloezie en nijd, en omdat ik zijn broer heb gedood. Kavala maakte er een gewoonte van om vlak langs de grenzen van Elvandar te jagen, en als hij kon, besloop hij onze schildwachten. Door de jaren heen heeft hij er vier gedood en zijn merkteken bij hen achtergelaten, zodat ik wist dat hij het was geweest. Het was zijn manier om mij eraan te helpen herinneren dat hij er was, en meer. Hij was het die bij het eerste lijk het bericht had achtergelaten dat Anleah nu gehuwd was met mijn broer.'
Gregory zei niets en wachtte tot Tinuva verder sprak.
'Ik schaam me en ben zelfs bang omdat mijn moredhels bloed nog steeds door mijn aderen stroomt, want ik zal jou vertellen wat ik niemand anders zal vertellen, Gregory. Ik vond het heerlijk om Kavala te doden.' Hij stond op terwijl hij het zei.
Omhoog kijkend naar zijn vriend wist Gregory niets te zeggen. Hij had het nooit voor mogelijk gehouden dat zijn vriend in staat was te genieten van andermans dood.
Tinuva schopte tegen de kolen in het vuur en smeet er nog een blok op, dat knetterend en sissend door de vlammen werd gegrepen. Neer hurkend bracht hij zijn handen naar de opflikkerende vlammen, als om ze te warmen. 'Ik ben getekend door de waanzin van het hele gebeuren. Mijn vader heeft Anleah ontvoerd om zijn eigen plannen na te streven. In mijn vreugde was ik blind voor het feit dat mijn geluk nooit een element in mijn vaders keuze is geweest. Ik negeerde de pijn die mijn broers liefde voor haar hem moet hebben gebracht, afgeleid als ik was door de roep van de Terugkeer. Een clan vernietigd, en broers die op broers jagen uit naam van eer. Waanzin, allemaal waanzin.'
Weer stilte, maar nu veel korter.
'Dat besef kwam toen ik wist dat ik niet langer moredhel was en ik mijn leven achterliet voor de reis om te worden herboren.'
'En toch doodde je Kavala zonder aarzelen, liever met je eigen schot dan dat je het mij liet doen.'
Tinuva glimlachte. 'Ik mag dan eledhel zijn, maar dat betekent nog niet dat ik geen tekortkomingen heb.'
Gregory schudde zijn hoofd. 'Geen sterveling is zonder tekortkomingen.'
'Jij kent mijn broer, en binnenkort zal ik dit regelen,' zei Tinuva, omhoogkijkend naar de hemel, die al donkerder werd met het vallen van de avond.
'Heb je me daarom dit allemaal verteld? Voel je je lot naderen?'
Weer glimlachte Tinuva. 'Opdat er iemand is die het weet. Opdat jij, als ik het niet overleef, Dennis kan vertellen wat de waarheid achter deze jacht was en je op een dag in Elvandar kan vertellen wat er zich heeft voorgedaan. Ik ben altijd beter met de wapens geweest dan mijn broer, maar dat is geen garantie. Ja, het lot brengt ons bij elkaar om aan deze tragedie een einde te maken, en misschien ben ik wel degene die naar de Gezegende Eilanden vertrekt, en niet mijn broer.'
Gregory knikte en zei niets.
'Zijn eer verlangt het. Ik ben een afvallige, ik heb alles in de steek gelaten waar hij voor staat. De schande voor mijn clan is bijkans ondraaglijk, al zullen alleen moredhel dat goed kunnen begrijpen.'
'En om wat hij nu heeft dat eens van jou was?'
'Ja,' zuchtte Tinuva. 'Ik heb nooit zo van iemand gehouden als van haar. Ik weet dat het allemaal in het verleden ligt, maar toch, soms, als ik eraan terugdenk...' Zijn stem stierf weg, en nu duurde de stilte tot de koude bossen rondom hen in duisternis waren gehuld. Toen slaakte Tinuva een zucht, en Gregory werd met stomheid geslagen toen hij besefte dat Tinuva stilletjes huilde.
De tranen van een elf, zei men, waren de zeldzaamste aller dingen, en een enkele druppel zou een stervende het leven terug kunnen geven. Dat laatste was maar een oudewijvenpraat je, wist Gregory, maar in al die jaren dat hij elfen kende, had hij er nimmer een zien huilen. Hij verroerde zich niet, durfde amper adem te halen terwijl het nachtelijk duister zich sloot en het flakkerende vuur langzaam uitdoofde. Toen sprak Tinuva andermaal.
'Mijn broer en ik zullen elkaar binnenkort ontmoeten.' Zijn stem was een schaduw op de nachtelijke wind. 'En het zal komen tot een bloedig einde.' Hij keek zijn vriend aan. 'Want het enige dat mij ervan kan weerhouden hem te doden, is mijn eigen dood.'
Gregory bleef stil. Hij luisterde naar de wind en dankte in stilte de goden dat hem de last werd bespaard die zijn vriend verpletterde.