8 Beslissingen
Het werd donkerder.
Dennis Hartraft keerde de groep soldaten zijn rug toe en hief geërgerd zijn handen. 'Jullie zijn allemaal gek,' snauwde hij over zijn schouder. 'Het is waanzin om nu halt te houden.' Hij wees naar de pas in de volgende bergkam, nog tien mijl verderop. 'Eenmaal over de Tanden van de Wereld zijn we op open terrein. Dan rusten we uit.'
'Niet één op de tien man haalt het,' wierp pater Corwin tegen. 'Het zal wel zijn omdat noch u, noch de Tsuranu voor de ander wil toegeven dat we moeten stoppen. Deze jacht duurt nu al drie dagen. Er is haast niemand meer die nog fatsoenlijk kan vechten, laat staan nog een mijl marcheren.'
'Ik wist niet dat jij deel van dit krijgsberaad uitmaakte, pater,' kaatste Dennis terug. 'Die is voor iedereen die vecht en zijn gedachten daarover naar voren wil brengen.'
'Ik zal zeggen wat ik te zeggen heb,' blafte de monnik zonder aarzelen terug. 'Gun die mannen wat rust.'
Met zijn handen op de heupen kwam Dennis terug in de kring van soldaten. Hij ving de blik van Asayaga, die zachtjes fluisterend het gesprek voor de mannen onder zijn bevel vertaalde.
'De Tsurani hier kennen geen krijgsberaden,' zei Dennis. 'Als hun commandant zegt: lopen, dan lopen ze. Ik durf te wedden dat zij bereid zijn vanavond nog die berg over te gaan om de achtervolgers voorgoed af te schudden. Maar jullie riepen om een krijgsberaad, en dat moet ik respecteren, maar ik zeg je dat het waanzin is om nu te stoppen voor rust. Moet er soms worden gezegd dat die' - bijna ontglipte hem het woord rotzakken, maar hij hield zich in - 'deze vijanden van het Koninkrijk meer kunnen dan wij?' Dennis was op zachte toon begonnen, maar geleidelijk aan verhief hij zijn stem. 'Ik weet dat het ons gebruik is om een krijgsberaad te vragen, en zelfs de laagste in mijn eenheid kan erom verzoeken als er ernstig aan mijn bevelen mag worden getwijfeld, maar in een crisissituatie of tijdens een gevecht is dat niet het geval!' De laatste woorden schreeuwde hij bijna.
'Ik zie geen gevecht, en ook geen crisissituatie,' reageerde Corwin bedaard. 'We zijn de achtervolgers voor gebleven. De avond valt. We hebben twintig mijl vrij zicht en zien niemand achter ons.' Terwijl hij sprak, wees hij over de vlakte en de glooiende heuvels die ze hadden doorkruisd. Vanaf hun hoge positie in het voorgebergte kon iemand met een redelijk scherp oog helemaal kijken tot aan de rivier die ze die ochtend hadden doorwaad. Het enige dat er bewoog, waren wat herten en in de verte een troep wolven.
'Ze kunnen altijd nog via de bergen van opzij komen.' Dennis wees in oostelijke richting, naar de beboste hellingen die ze de hele middag hadden genaderd.
'Dan zou er iemand achter ons aan moeten zijn gekomen naar de plek waar we de rivier zijn overgestoken,' beargumenteerde de monnik, 'om ervoor te zorgen dat ze ons spoor kunnen oppikken. Maar we hebben de hele middag niemand achter ons gezien.'
'Zo, dus nu ben je ook al meester op het gebied van terreinkennis en veldtactiek?' vroeg Dennis.
'Nee, alleen iemand die veel tijd buiten doorbrengt en logisch kan nadenken, en wie logisch nadenkt, weet dat we moeten rusten. Het terrein verderop ziet er goed uit, genoeg sparren voor brandhout en een schuilplaats, en overal zijn wildsporen te zien. Als we vannacht uitrusten, kunnen we morgen verder. Maar als u nu een nachtmars forceert, hebt u morgenochtend nog geen twintig man over.'
Dennis wendde zich van de priester af en liet zijn blik langzaam over de rondom hem staande gelederen gaan. Vanuit zijn ooghoek zag hij Corwin, en heel even schoot er een beeld door zijn hoofd. Hij keek de priester aan, en het beeld verdween.
Corwin zag Dennis naar hem kijken. 'Wat is er?'
Een tijdlang bleef Dennis stil. 'Niks,' zei hij toen, en keek weer naar zijn mannen. Hij zag bedroevend weinig steun. De priester had gelijk, ze waren uitgeput. Bij de oversteek had het koude water hen van hun laatste krachten beroofd, de geforceerde mars van die middag was een laatste wanhoopsdaad geweest, en nu stonden ze allemaal op instorten. Hij verlegde zijn blik naar Asayaga.
Het was moeilijk iets te lezen in die wezenloze uitdrukking die de Tsurani konden aannemen als ze wilden. Hij vroeg zich af of de Tsurani het met Corwin eens was of in feite de zwakte van zijn vijand minachtte.
'Rusten zou best goed zijn,' waagde Asayaga. 'Sommige mannen hebben in twee dagen zeker zestig mijl gemarcheerd zonder te hebben geslapen. De helft van mijn mannen zullen voor de ochtend zijn gestorven aan bevriezing.'
Dennis stond versteld van deze bekentenis. Hij keek naar Tinuva en Gregory.
'Mijn vriend,' zei Gregory zacht, 'soms vergeet je dat er niet veel zijn met jouw uithoudingsvermogen. Dat is je enige tekortkoming als leider.'
'Maar jullie zijn het met me eens dat ze vlakbij kunnen zijn?'
Tinuva stond op en liep uit de kring naar de rand van de terp waar ze halt hadden gehouden voor de vergadering. Iedereen bleef stil terwijl hij zorgvuldig de horizon afspeurde, zijn hoofd ophief en zijn neusvleugels bewoog, alsof hij de koude wind opsnoof. 'Ik ben in geen jaren meer in dit gebied geweest,' verzuchtte Tinuva, zich omdraaiend naar de verwachtingsvolle groep. 'Ik ben het contact kwijt met het ritme ervan, de hartslag, het gevoel van de wind, de geur van de aarde en de dingen die hier groeien.' Hij zweeg even. 'Maar ik kan jullie wel vertellen dat wij de eersten zijn die deze streek verstoren sinds het is gaan sneeuwen. Dat wil echter niet zeggen dat we lang alleen zullen blijven. Ik weet inmiddels wie ons achtervolgt, en daardoor aarzel ik om hier lang te blijven.'
Verscheidene mannen van Dennis vroegen hem dat uit te leggen, te zeggen wie hen achtervolgde, maar hij gaf geen antwoord en liep langzaam tussen de mannen door, iedereen even aankijkend. Bij Corwin bleef hij staan, staarde hem diep in de ogen en wendde zich af. 'Het bruine gewaad heeft gelijk. Als we nog een nacht doormarcheren, zullen er velen sterven.' Hij draaide zich om en keek naar de groep Tsurani achter Asayaga. 'Vooral bij u,' vervolgde Tinuva, nu in het Tsuranees. 'Het ijs, de kou is u vreemd. U, Asayaga, weet dat, al schrijft uw eer voor dat u met ons doormarcheert tot de laatste van uw mannen neervalt en sterft zonder een kik te geven.'
Verrast door Tinuva's beheersing van de Tsuranese taal knikte Asayaga.
'Vannacht koelt het snel verder af, nu het slechtste weer voorbij is. Morgenochtend zal het nog veel kouder zijn.' Tinuva draaide zich weer om naar Dennis en sprak verder in de Koninkrijkse taal: 'IJs kan even dodelijk zijn als een pijl of een zwaard, en ook al vrees ik dat we onze vijanden nog lang niet kwijt zijn, we moeten stoppen. Ik stel voor dat we ons voor het donker in het woud verderop ingraven, vuur maken en beschutting bouwen waar we kunnen. En alert blijven.'
Met een zucht spreidde Dennis zijn handen. 'Goed dan, als jullie dat echt willen.'
Er ging een instemmend en opgelucht gemompel door de gelederen, en de groep ging uiteen, langzaam lopend, de heuvel op, het woud in. Dennis stond erop dat ze nog een halve mijl verder gingen tot hij geschikt terrein vond, een steil overhangend klif dat de noordenwind tegenhield, omringd door oude sparren.
Zijn mannen wisten wat hun te doen stond. Zes van de beste jagers gingen op zoek naar wild, nog eens zes werden er aangewezen om de wacht te houden, terwijl de anderen meteen brandhout begonnen te sprokkelen.
Asayaga liep naar Dennis, tevergeefs trachtend het bibberen en klappertanden te beheersen dat hem sinds het oversteken van de rivier al had geplaagd. 'Mijn mannen,' - hij aarzelde - 'zullen werken in ruil voor het voedsel dat jouw jagers binnenbrengen.'
Dennis keek de Tsuranu aan, en heel even kreeg hij bijna medelijden, als met een wolf die uit de troep was gestoten en de dood nabij was. De Tsurani leden onmiskenbaar. Enkelen werden overeind gehouden door hun kameraden en de wangen, neus en vingers van verscheidenen van hen vertoonden duidelijke bevriezingsverschijnselen.
Tinuva zei dat ik deze mannen nodig heb, bedacht Dennis. Barst, ik zou de helft nu eigenhandig af kunnen maken. Hij zette de gedachte van zich af 'Een stukje terug de heuvel af staan kleine dennenbomen. Hak de takken af waar veel naalden aan zitten. Die gebruiken we als bodembedekking en om windschermen te maken. Zet iedereen met een bijl aan het hakken van hout, heel veel.'
Asayaga knikte en trok zich terug terwijl zijn mannen zich verspreidden om aan de slag te gaan.
De overhangende rotswand vormde een ondiepe v, maar die was lang niet groot genoeg om aan honderdtwintig man beschutting te bieden. Dennis ging naar een ploegje mannen die aan het slepen waren met boomstammen die moesten worden vastgezet tussen de rotsen aan de rand van de overhang en de bomen verderop, om aldus een geïmproviseerde palissade te maken.
In korte tijd vlamden er vuurtjes op, de stammenmuur aan weerszijden van de overhang verrees, en de Tsuranese troepen sleepten hele ladingen dennentakken aan die aan de binnenkant van de palissade werden gelegd, terwijl de mannen met veldspaden aan de buitenzijde de spleten dichtstopten met sneeuw. Onder de rotsoverhang werden nog meer takken neergelegd, waarop degenen kwamen te liggen die te ver heen waren om te kunnen werken. Pater Corwin deed sneeuw in een kamp ketel en zette die in het vuur, en zodra het water begon te koken gooide hij er een handvol theebladeren in.
De eerste jager kwam al terug met een kleine hinde over zijn schouder. Verscheidene mannen begonnen het dier te slachten en gooiden alles, behalve het slachtafval, in het vuur. Corwin eiste de lever en het hart op voor de zieken en gewonden. Een tweede jager kwam binnen met een paar hazen, een derde met een grote vogel met donkere veren, die wel twintig pond woog. De Tsurani staarden er verbaasd naar, aangezien het beest niet voorkwam in de gebieden waar de oorlog werd uitgevochten.
Weldra hing er een aanlokkelijk aroma in de lucht van vlees dat op een zacht geurend vuurtje werd gebraden, wat de verwoed zwoegende mannen deed pauzeren om wat dichter naar de vlammen te gaan, tot ofwel sergeant Barry of Slagleider Tasemu hen wegstuurde om nog meer hout en dennentakken te halen.
Welhaast in een feestroes werd er steeds meer hout gestapeld op de drie vuren die nu laaiden aan de voet van het klif. Dennis, klaar met helpen bouwen aan de palissade, die nu bijna op borsthoogte was, staakte zijn arbeid en keek naar de vonken die de avondlucht in dwarrelden.
Hijgend verscheen Gregory in het kamp en kwam bij Dennis staan. 'We geven hun verdomme een baken,' zuchtte Dennis. 'Zelfs een blinde ziet de gloed op vijf mijl afstand en ruikt het al op een mijl.'
'Laat het zo maar even branden tot iedereen is opgewarmd. Tegen die tijd is het echt donker, en dan laat je het wat afzwakken.'
'Boven iets te zien?'
'Alleen het oude pad. Het is al heel wat jaartjes geleden dat ik hier geweest ben, bijna te lang om me er iets van te herinneren.'
'Tinuva weet de weg.'
Gregory knikte.
'Hij zit ergens mee in zijn maag,' merkte Dennis op.
'Je weet toch wie er achter ons aan zit, of niet?'
'Een heel leger moredhel.'
'Bovai.'
Dennis wendde zijn blik af om Gregory het afgrijzen in zijn ogen niet te laten zien. Nu snapte hij waarom Tinuva steeds zo vreemd had gedaan, alsof de elfenkrijger half in een andere wereld had verkeerd. 'Als het Bovai is, en hij weet dat wij het zijn,' siste Dennis, 'dan komt hij hoe dan ook, al kost het hem de helft van zijn troepen.'
'Dat weet ik, en jij ook.'
'Maar waarom was Tinuva er dan zo op gebrand hier te blijven? Hij weet hoezeer Bovai mijn familie haat. Mijn grootvader heeft hem bijna gedood, en mijn vader heeft hem met de broek op de enkels weggejaagd, de laatste keer dat hij naar Valinar kwam.'
Heel even speelde er iets over Gregory's gezicht, alsof hij iets wilde zeggen, maar kennelijk bedacht hij zich. 'Omdat wij volkomen afgepeigerd zijn, Dennis. Tinuva had gelijk, het is jouw enige grote tekortkoming als commandant. Je schijnt te denken dat iedereen net zo in elkaar zit als jij, net zo gedreven is als jij.'
'Zo heb ik leren overleven,' bitste Dennis.
'Als we door waren gegaan, zou er morgenvroeg bijna geen Tsurani meer in leven zijn geweest.'
'Mooi. Dat had ons het werk bespaard.'
'Ik ben blij dat je er zo over denkt, Hartraft,' zei een stem. Verrast keek Dennis om en zag Asayaga achter hem staan.
'Het is veel makkelijker een vijand te doden van wie ik weet dat hij me haat,' vervolgde Asayaga, dichterbij komend.
'Denk eraan, Asayaga, deze wapenstilstand is maar tijdelijk.'
'Maar voorlopig hebben wij jullie even hard nodig als jullie ons,' kwam Gregory tussenbeide, Dennis recht aanstarend, tot die met tegenzin knikte.
'Volgens mij waren jouw mannen net zo uitgeput als de mijne, Hartraft.'
'Dat klopt,' bevestigde Gregory. 'Wij kwamen terug van patrouille. Op de plek waar we elkaar drie dagen geleden ontmoetten, hadden we verwacht uit te rusten en het noodweer af te wachten. De mannen liepen toen al op hun tandvlees. Ze zijn net zo versleten als de jouwe.'
'Denk jij niet dat jouw mannen net zo uitgeput zijn?' vroeg Asayaga, zijn blik gevestigd op Dennis.
'Wat is dit? Een of ander spelletje om te laten zien wie er het sterkst is?'
'Ja, alles is een spel,' antwoordde de Tsuranu, en Dennis hoorde een bittere klank in Asayaga's stem. 'Het zint jullie niet dat we hier blijven, hè?'
'De vijand die ons achterna zit koestert een diepe haat jegens mijn familie. Het zal hem ertoe verplichten ons te blijven opjagen.'
'Dan blijven we waakzaam en breken voor de dageraad het kamp op.'
'Als hij komt, is hij in het voordeel.'
Asayaga knikte bedachtzaam. 'Dan is dat het lot.'
'Wat?'
'Gewoon wat ik zeg. Vanavond kunnen we niet verder, dat is een gegeven. Jij denkt dat de vijand blijft oprukken, en dat aanvaard ik ook als een gegeven. Dus is het het lot dat beslist, maar voorlopig heeft het geen zin om hier te staan bevriezen terwijl de warmte van het vuur wenkt.' Zonder een nader woord draaide Asayaga zich om en liep langs de palissade naar zijn mannen, die rondom het vuur bijeen stonden.
Dennis keek naar Gregory, die zachtjes grinnikte.
'Hij heeft gelijk, weet je, en dat vlees ruikt verrekte lekker.'
Met tegenzin liep Dennis mee. De duisternis viel, de laatste houtsprokkelaars kwamen binnen en gooiden nog één keer hun lading op de stapels naast de brullende vuren. Zo heet waren de vlammen dat de mannen hun dikke jassen, handschoenen en hoeden hadden uit- en afgedaan. Aan gespannen touwen hingen de kleren te drogen.
Veel Tsurani zaten hun voetbescherming af te wikkelen en kreunden van genoegen als ze hun blote voeten naar het vuur uitstaken, de wikkels over de touwen gooiend. De eerste stukken wildbraad werden uit de vlammen gevist en in stukjes gesneden, en er klonk gelach toen enkele mannen die er iets van kregen toegeworpen het gloeiendhete vlees vloekend lieten vallen, op verschroeide vingers zogen en voorzichtig het dampende voedsel opraapten.
De laatste Koninkrijkse jager kwam binnen, met over zijn schouder twee marmotten, beide dik van het vroege wintervet. De jager schaamde zich voor zijn karige vangst, maar de Tsurani slaakten verrukte kreten toen de jager de karkassen op de grond liet vallen en zich tegenover zijn kameraden verontschuldigde.
Na een korte aarzeling gingen twee Tsurani naar de jager toe en keken hem vragend aan, wijzend op de marmotten.
'Toe maar, pak die stomme dingen maar,' gromde hij. 'Ik eet nog liever kraai voordat ik daar een hap van neem, maar het is alles wat ik heb kunnen vinden.'
Zijn laatdunkende gebaar was een duidelijk signaal. De Tsurani gristen de marmotten van de grond, en enkele tellen later bungelden ze al aan een boomtak. Met groot vakmanschap sneden ze de vacht rond de hals open, en zonder verder nog een snee te maken stroopten ze de huid eraf. De twee leken een soort wedstrijdje te houden, en de gesprekken rond de vuren vielen stil toen de Koninkrijkse troepen begonnen toe te kijken.
Onderling kwebbelend hadden de Tsurani al gauw beide marmotten gevild tot de huid aan de achterpoten van de enorme knaagdieren hingen. Met een snelle ruk werd de huid helemaal losgetrokken en vervolgens met een even abrupt gebaar binnenstebuiten gekeerd, zodat beide huiden nu zakken met een buitenzijde van bont waren.
Daarop sneden ze het vlees en het vet van de beenderen, dat ze in de bontzakken stopten. Vervolgens werden de botten bij de gewrichten gebroken en in de zakken gedaan, en tenslotte gingen ook alle ingewanden erin. Terwijl het tweetal bezig was, hadden andere Tsurani stenen gezocht en in het vuur geworpen. Nu visten ze de hete stenen uit de vlammen en gooiden ze naar de twee vilders, die ze vlug opraapten en in de zakken deden, die nu zo volgestopt waren dat ze weer op marmotten leken.
Als laatste werden er een paar spelden, gemaakt van een Tsuranese houtsoort die bijna net zo hard was als metaal, uit proviandtassen gevist en gebruikt om de halzen en de pijlgaten dicht te stikken, waarna de twee zakken in de vlammen werden gegooid.
Alle Koninkrijkse soldaten zaten zwijgend af te wachten, terwijl de Tsurani welhaast in feeststemming leken te zijn en onderling vrolijk babbelden, zich verdrongen rond de vilders en duidelijk verheugd waren over het vreemde maal dat werd bereid.
Met een flauwe grijns op zijn gezicht had Gregory het tafereel gevolgd. 'Ik heb dit eens gezien toen ik een keer 's nachts naar een Tsuranees kamp ben geslopen. Voor zover ik hun taalt je heb begrepen, kennen zij op hun wereld ook dieren die op deze marmotten lijken, en die worden beschouwd als een zeldzame delicatesse waar alleen de adel van mag genieten.'
Het begon te stinken naar schroeiende vacht. De Tsurani die zichzelf als koks hadden opgeworpen rolden de zakken heen en weer in de vlammen, en de zakken zwollen op als ballonnen. Ze deden Dennis nog het meest denken aan lijken die onder een hete zomerzon in het water dreven.
Toen het ernaar uitzag dat de zakken op springen stonden, begon er opeens sap en stoom uit te spuiten, op de plek waar de anus van de dieren had gezeten. Onder luidkeels gelach van de Tsurani werden de twee zakken de vlammen uit gerold. Een van de koks, die beschermende handschoenen had aangetrokken, pakte er eentje op en liep naar Asayaga, die grijnzend een rituele buiging maakte en vervolgens op zijn knieën ging zitten terwijl de kok de zak boven zijn hoofd hield. Het sap dat uit de anus stroomde bereikte Asayaga's mond, en hij slikte, likte zijn lippen af en zei iets wat de Tsurani in lachen deed uitbarsten.
Toen de tweede kok met zijn zak op Asayaga toe kwam, zei de Tsuranese leider iets en wees op Dennis. Het gelach verstomde, en alle blikken werden op hem gericht.
'Het eerste sap van de marmot is voorbehouden aan edelen en leiders,' legde Asayaga in de Koninkrijkse taal uit. 'Jij mag nu drinken.'
'Vergeet het maar,' zei Dennis, zo zacht dat zijn woorden werden overstemd door het luidruchtig knetteren van het vuur.
Grijnzend kwam de tweede kok op Dennis af.
'Doe het nou maar gewoon,' fluisterde Gregory, 'want het is duidelijk een soort eerbetoon.'
'Ik mag barsten voordat ik sap drink uit de reet van een marmot.'
'Doe het nou!' siste Gregory. 'Anders wordt het misschien nog knokken ook. Dit is de eerste keer dat ze jou respect betonen om je leiderschap. Verpest het nou niet!'
Dennis wierp een zijdelingse blik op zijn mannen. De reacties waren gemengd. Sommigen walgden zichtbaar van de hele zaak, maar menigeen, vooral de oudere getrouwen, grijnsden om het lastige parket waarin Dennis zich bevond.
Met een woedende blik, en zachtjes vloekend, ging hij op een knie zitten. De Tsuranese kok hield de marmot omhoog, en uit het achterlijf rees stoom op. De kok kneep in het lijf, en er schoot een straal sap uit.
Dennis wist iets van het vocht op te vangen. Het was vettig, dik en gloeiendheet. Met moeite slikte hij het door, waarop de kok zich omdraaide en iets riep dat de Tsurani deed schateren. De Koninkrijkse troepen, zich verkneukelend om het ongemak van hun leider, lachten nu mee.
Asayaga kwam naar hem toe, haalde een drinkzak onder zijn tuniek vandaan en trok de kurk eraf. 'Hier, drink wat om het weg te spoelen.' Dennis keek hem kil aan, en glimlachend hield Asayaga zijn hoofd achterover en kneep in de zak, waaruit een witte straal zijn mond in schoot. Vervolgens richtte hij de zak op Dennis en kneep weer.
De bitterzure smaak trof zijn tong, en ditmaal kokhalsde hij wel. 'Wat is dat voor een zeldzaam demonisch spul?'
'Aureg.'
'Wat is dat? Het smaakt naar paardenzeik.'
'Bijna goed, maar dan de andere kant van het paard, als het een paard was. Het is gefermenteerde nidramelk.' De nidra was het zespotige lastdier dat de Tsurani vanuit hun thuiswereld hadden meegenomen. Ze dienden als ossen en trekpaarden voor de Tsurani, die geen paarden op hun wereld hadden. 'Verkoelt in de zomer en warmt de maag in de winter.'
'O, verdomme,' zei Dennis, en terwijl hij de rest uitspoog, barstten de Tsurani weer in lachen uit. Zich afvragend waar hij nu eigenlijk mee bezig was keek Dennis naar Asayaga, en de Tsuranu kwam dichterbij.
'Respect tempert de vijandschap,' zei Asayaga met plotseling koele stem. 'Mijn mannen zullen in de toekomst ontvankelijker zijn voor jouw "suggesties".' Hij keek om naar zijn mannen, verzameld rond de twee marmotten, die inmiddels waren opengesneden. Met gretige handen tastten ze naar het dampende vlees. Een van de mannen kwam eerbiedig naar Asayaga en stak zijn hand uit, met daarop twee dampende stukjes vlees.
'De lever en het hart,' zei Asayaga en bood Dennis een van de opgekrulde stukjes aan.
Schoorvoetend nam Dennis het aan en stak het in zijn mond. Ondanks zijn eerste reactie moest hij toegeven dat het niet eens zo slecht smaakte, en hij knikte.
Gedreven door nieuwsgierigheid voegden enkele Koninkrijkers zich in het gedrang, en knabbelend op stukjes bot en vlees keerden verscheidene terug naar hun kameraden om hen lachend tot mee-eten uit te dagen.
'Plezier tempert de vijandschap eveneens,' zei Asayaga. 'Naar ik begrijp zal er morgen worden gevochten, en dan moeten we gezamenlijk vechten, Hartraft. Het eten en drinken van vanavond zal dat morgenochtend makkelijker maken.'
Daar moest Dennis het wel mee eens zijn, en hij dwong zichzelf de zak aureg te pakken en een slok te nemen. Deze keer smaakte het niet eens zo vies, als hij het tenminste vlug doorslikte, en al was het bij lange na geen brandewijn uit Zwartheide, hij kreeg het er van binnen toch een beetje warm van.
Terwijl ze de zak over en weer gaven en keken naar hun feestende mannen, ervoer Dennis plots een vreemde triestheid. Het was tragisch om hen zo te zien, half ontkleed, lachend, zich volproppend. Al heel lang geleden had hij het leven aanvaarden als een onverbiddelijke tragedie, maar vanavond schrijnde dat op een of andere manier.
Niet dat hij ten prooi viel aan de melodramatische gedachten waarvan dichters en balladeschrijvers spraken, over vijanden die een moment van vriendschap deelden. Dat vond hij maar sentimentele flauwekul, en trouwens, daarvoor had de oorlog te veel met hem gedaan. Kijkend naar Asayaga wist hij dat hij hem zonder aarzelen kon doden, en hij voelde dat Asayaga er ook zo over dacht.
En toch, zonder de naderende verschrikking, en zestig mijl verder naar het zuiden, zou hij misschien bijna van deze avond hebben kunnen genieten. Misschien is het wel een teken dat ons einde nadert, dacht hij. We weten dat we ten dode zijn opgeschreven en verkeren al drie dagen voortdurend in levensgevaar. Deze onderbreking is een laatste greep naar een genoeglijk moment.
Vaak genoeg had hij met vreemden rond een kampvuur gezeten, en vaak genoeg had hij met zijn dronken kop nog eeuwige vriendschap gezworen ook, en de volgende ochtend waren ze allen gewoon hun eigen weg gegaan. Hij had genoeg meegemaakt om weinig waarde aan dat soort dingen te hechten. Misschien was dat de reden voor de melancholie, of juist de plotselinge eenzaamheid, nu Jurgen er niet was.
Wat zou Jurgen van dit moment hebben gezegd? Waarschijnlijk zou hij lachend naar voren zijn gestapt om van het sap te drinken en vervolgens Asayaga een mep op de schouder hebben gegeven.
Maar ze hebben Jurgen gedood zoals ze ook mijn vader hebben gedood... en haar.
'Zit je iets dwars?'
Hij keek naar Asayaga, die hem de zak aureg aanbood en zowaar glimlachte.
'Niet meer,' zei hij kil.
Asayaga knikte, en in een oogwenk was zijn gezicht weer het neutrale masker van een Tsuranees officier.
'Deel je mannen op. Als we hebben gegeten, slapen er twee terwijl er een de wacht houdt. Temper de vuren. Ze moeten wel blijven branden, maar niet zo laaiend als nu. Eenmaal na middernacht wil ik de helft van de mannen op wacht hebben staan. We breken het kamp op zodra de ochtend begint te krieken.'
'Ik vat dat op als een suggestie, Hartraft,' zei Asayaga koeltjes.
'Wat je wilt, Tsuranu.'
'Je bent een hardvochtig man.'
'Zo hou ik mezelf in leven, Tsuranu.'
'Echt?'
'Hoe bedoel je?'
Asayaga schudde zijn hoofd en stak de zak aureg terug onder zijn tuniek. 'Twee af, een op wacht tot middernacht. Daarna de helft op wacht terwijl de andere helft slaapt. We breken op bij het eerste licht. Ik neem de eerste wacht wel, Hartraft, ga jij maar slapen.' Asayaga beende weg naar de kring rondom het vuur, en een tel later lachte hij weer en nam een handvol dampend vlees in ontvangst. Nog steeds lachend keek hij om naar Dennis, de ogen waakzaam en gespannen.
Dennis vloekte zachtjes, pakte een stok om een stuk wildbraad uit het vuur te spiesen en liep ermee de bossen in om alleen te zijn.