3
Wat moet een vrouw met zo veel tassen!
Na anderhalf jaar vond ik mezelf terug en trof ik buiten mijn verwaterde vriendschappen een enorme financiële ravage aan, die niet zomaar even met een vingerknip was weg te werken. ‘Dat werd tijd, mevrouw Perquin, u bent toch mevrouw Patricia Perquin?’ Ik knik en kijk met enige verbazing naar de drie mensen die voor mij staan. Een agent, een man in donkerblauwe overall en de vrouw die mij zojuist toesprak. Zij heeft duidelijk de leiding. Ze is klein van stuk, ik schat haar niet groter dan één meter zestig lang, ze is slank en oogt verzorgd. Wat me het meest aan haar opvalt is die harde, kille blik. ‘Mooi. Ik ben Anita van Amerongen.’ Ik steek mijn hand uit om haar te begroeten, al doet haar naam niet meteen een belletje bij me rinkelen. ‘U weet zeker dat u bij mij moet zijn?’ vraag ik haar. ‘En of we hier moeten zijn,’ zegt Van Amerongen op een toon waar het sarcasme vanaf druipt. ‘Misschien dat er bij u een lampje gaat branden als ik zeg dat ik de deur-waar-der ben! U weet wel, die mevrouw van wie u al maanden brieven krijgt en die verwoede pogingen heeft ondernomen om op een normale manier met u in contact te treden.’
Terwijl ze mij doordringend aankijkt, maakt ze me duidelijk dat de tijd van verstoppertje spelen voorbij is. Ik moet goed begrijpen dat niemand haar kan ontlopen. Vroeg of laat staat ze voor ze. En vandaag is het dus mijn beurt.
Voordat ik nog wat kan vragen pakt ze haar koffer, die naast haar op de vloer heeft gestaan, en duwt ze me met haar andere hand opzij om vervolgens zonder zich verder nog wat van me aan te trekken door te lopen naar mijn woonkamer met in haar kielzog de agent.
De man in overall blijft buiten staan en rommelt nog wat in zijn gereedschapskoffer. Net als ik me wil omdraaien om ook naar de woonkamer te gaan spreekt hij me aan. ‘Had u niet even wat eerder de deur kunnen opendoen?’ zegt hij terwijl hij met zijn vinger naar mijn voordeur wijst, waar het slot half uit hangt. ‘Moet vervangen worden,’ vervolgt hij in plat Amsterdams. ‘Ik was al aan het boren. U heeft geluk dat de schade beperkt is gebleven tot het slot zelf. Nu kost het u alleen een nieuwe cilinder. Zorgt u zelf voor een nieuwe? Of moet ik dat voor u doen?’ ‘U heeft hem stukgemaakt, dus lijkt het me niet meer dan normaal dat u de boel dan ook herstelt,’ antwoord ik kortaf. ‘Zijn wel kosten aan verbonden, dame, en die moeten contant afgerekend worden.’ Ik schud mijn hoofd en zeg dat ik er niet over peins om voor die kosten op te draaien.
Zonder verder nog aandacht aan de man te schenken, draai ik me om en loop ik naar de woonkamer waar de deurwaarder inmiddels bezit heeft genomen van mijn eettafel, die nu kennelijk dienstdoet als haar bureau. Ze bladert druk door een stapeltje papieren. Voor haar liggen een paar grote bruine enveloppen, een blocnote en een laptop. ‘Gaat u daar maar zitten,’ zegt ze op datzelfde bitse toontje als van daarnet bij de voordeur, en ze wijst naar een van de stoelen aan de andere kant van de tafel. De agent die me bij binnenkomst woordeloos doch vriendelijk had toegeknikt blijft discreet in de deuropening staan. Zijn taak bestaat er duidelijk alleen uit om in te grijpen als de boel hier uit de hand loopt. Maar dat zal niet gebeuren. Ik ben een verbaal type. Fysiek geweld verafschuw ik.
‘Alles goed en wel, mevrouw Van Amerongen, maar ik vind het nogal intimiderend, zoals u te werk gaat,’ zeg ik. ‘Eerst dringt u zich op vrij onaangename wijze binnen en nu gaat u me ook nog zeggen waar ik moet gaan zitten. Voor het geval het u misschien niet duidelijk is: u bent hier in mijn huis!’ Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat de agent niet meer in de deurpost staat maar zich heeft verplaatst naar de bank, die op amper drie meter van de eettafel staat. Ik lach in mezelf. Zou die man nu echt denken dat ik dat mens zo meteen ga aanvliegen? Geïrriteerd maak ik haar duidelijk dat ik liever heb dat ze naar de andere kant van de tafel verkast omdat de stoel waarop ze heeft plaatsgenomen mijn vaste plaats is. De toon is gezet. ‘Zoals u wilt, mevrouw Perquin,’ antwoordt ze en ze schuift de paperassen en laptop in één beweging door naar de overkant. ‘Zullen we dan nu ter zake komen, mevrouw Perquin?’ Ik knik. ‘Ik begrijp dat mijn komst u nogal overvallen heeft.’ Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik nogal overdonderd ben door alles. Ze schraapt haar keel en recht haar rug. ‘Vervelend, maar anderzijds heeft u dat geheel aan uzelf te danken. Wij’ – ze wijst met haar vinger naar de agent en de slotenmaker – ‘zijn hier natuurlijk niet voor de gezelligheid.’ Nee, gezelligheid was nu niet het eerste wat in me opkwam toen ik het trio voor mijn deur zag staan.
‘Dit is het vonnis van de rechtbank inzake het uitblijven van betaling betreffende een door u aangegaan doorlopend krediet. Nadat u diverse aanmaningen van de bank, brieven van mijn kantoor en een dagvaarding van de rechtbank om te verschijnen inzake deze vordering hebt genegeerd, heeft de rechter u veroordeeld en het bedrag in één keer opeisbaar gemaakt.’ Ik werp een vluchtige blik op de drie pagina’s die ze me intussen heeft toegeschoven. ‘U had deze veroordeling kunnen voorkomen als u de moeite had genomen om de talloze brieven te lezen die ik u de afgelopen maanden heb toegestuurd,’ zegt ze nu voor de tweede keer. ‘Zullen we niet gewoon ter zake komen,’ antwoord ik kortaf. ‘Dit gaat anders niet opschieten. Wat wilt u nu van mij?’
‘Dat lijkt me nogal duidelijk,’ antwoordt ze. ‘Ik kom hier voor de uitvoering van dit vonnis. En wil dus van u graag het bedrag van 63.365 euro en 65 cent ontvangen exclusief rente en overige kosten die deze procedure met zich mee hebben gebracht.’
Ik schiet in de lach en vraag haar of ze echt dacht dat ik dat bedrag thuis had liggen. ‘De vraag is niet wat ik denk, mevrouw Perquin, maar of u bereid bent om mij dat bedrag te betalen. Zo niet, dan rest mij niets anders dan over te gaan tot beslaglegging. Zegt u het maar.’ Ik leg haar uit dat ik het geld niet heb en dus zit er niets anders op dan dat ze beslag legt. In gedachten zie ik me al in de kringloopwinkel rondlopen op zoek naar nieuwe huisraad. Ze legt me uit hoe ze te werk zal gaan en verzoekt me dringend haar daarbij niet te storen. Intussen knoop ik een gesprek aan met de agent, die bij nader inzien mijn wijkagent blijkt te zijn. De man vertelt me dat ik de hoop nog niet moet opgeven, deze beslaglegging is louter een formele aangelegenheid. Vandaag wordt nog niks meegenomen, ik moet dit meer zien als een allerlaatste pressiemiddel om mij tot betaling aan te sporen. Hij stelt me een beetje gerust.
De deurwaarder is intussen druk in de weer met een memorecorder waarop mijn hele hebben en houden zo gedetailleerd mogelijk wordt ingesproken. Geen detail ziet ze over het hoofd. Mijn lades en kasten trekt ze ongegeneerd open, de inhoud wordt brutaal doorzocht en besnuffeld. Af en toe roept ze mij erbij om vragen te beantwoorden over de aanschafprijs, de echtheid of om haar te informeren over de werking van een apparaat. Verbazingwekkend hoe goed ze de waarde van mijn spullen inschat. Een spiegel met goudkleurige gipsen omlijsting die ik ooit samen met mijn vriend voor amper 40 euro op het Waterlooplein op de kop had weten te tikken maar waarvan ik al jaren tegenover iedereen beweerde dat dit een antiek stuk was, werd door haar afgedaan als ‘Antiek uitziende goudkleurige spiegel, met onderaan links een barst, van één meter bij tachtig centimeter. Waarde: hooguit 40 euro.’
Als laatste is mijn kleedkamer aan de beurt. De kleinste kamer in mijn huis, maar zeker niet de onbelangrijkste. Mijn kleding en accessoires waren mijn harnas tegenover de buitenwereld. Ik verlaat juist mijn badkamer als ik haar in zichzelf hoor praten, want de wijkagent zit in de woonkamer. ‘Mijn god! Nu snap ik hoe deze schulden zijn ontstaan! Wat moet een vrouw met zo veel tassen? En kijk hier, die schoenen! Dit is niet normaal. Zitten hier nou Guccitassen in deze vuilniszak? Och, hier hangen de prijskaartjes gewoon nog aan! Wat een armbanden. Nou moet het niet gekker worden, zijn dit echt…’
De deur van de kleedkamer zwaait open. ‘Mevrouw Perquin? Mevrouw Perquin, kunt u er even bij komen?’ Ontzetting en verbijstering vallen van haar gezicht af te lezen. ‘Kunt u mij vertellen of er ook namaakkleding in uw kleedkamer aanwezig is?’ ‘Namaak,’ zeg ik met een vies gezicht. ‘Bent u betoeterd! Natuurlijk niet. Hoe komt u daarbij?’ De deurwaarder legt uit dat ze nogal geschrokken is van de hoeveelheid merkkleding die ik in mijn bezit heb. Ook de agent maakt ze deelgenoot van wat ze in mijn kleedkamer heeft aangetroffen. ‘Willem, dit heb je nog nooit gezien,’ hoor ik haar even later op zachte toon tegen de wijkagent fluisteren.
Drie uur heeft ze nodig om een selectie te maken uit de goedkopere en de duurdere merken, waaronder mijn uitgebreide collectie schoenen, tassen en kledingstukken. Precies vijfenhalf uur nadat we elkaar voor het eerst hebben ontmoet zit haar taak erop en neemt ze afscheid met de woorden dat het mij uitdrukkelijk verboden is om ook maar één van de door haar onder beslag geplaatste goederen te verkopen of op andere wijze te verdonkeremanen. Dit op straffe van strafrechtelijke vervolging.
Twee dagen later belt de deurwaarder me voor de tweede keer deze week uit bed, alleen hangt ze nu aan de telefoon. Voor de rest verloopt ons contact even stroef als bij onze kennismaking. ‘Me-vrouw Per-quin! Deur-waar-der Van Ame-ron-gen hier,’ hoor ik haar overdreven articulerend zeggen. Het kost me geen moeite om me voor de geest te halen welk zuur gezicht ze daarbij trekt. ‘Ik wil u er even aan herinneren dat u nog precies vier dagen tijd hebt om met een aanvaardbaar voorstel te komen. Zo niet, dan zijn we uitgepraat en ga ik over tot de verkoop. U realiseert zich wat dat inhoudt?’ ‘Natuurlijk realiseer ik me dat, mevrouw Van Amerongen,’ antwoord ik. Maar kennelijk klink ik niet overtuigend genoeg. ‘U moet uw problemen niet alleen onder ogen zien, maar ze ook aanpakken,’ tiert ze. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het net kwart over acht is. Ik heb amper drie uur geslapen. Sinds haar bezoek ben ik alleen in de weer geweest met nadenken en op internet rondneuzen op zoek naar een eventuele oplossing. Ik slaak een diepe zucht en probeer haar te onderbreken. Het irriteert me dat ze ervan uitgaat dat ik niets onderneem. Ik weet inmiddels als geen ander wat me boven het hoofd hangt.
Terwijl ik probeer haar dat duidelijk te maken, laat ze merken dat ze geen enkel belang hecht aan wat ik voel of vind. ‘Tijd heeft u genoeg gehad en aan loze beloftes of goede voornemens hebben we in dit stadium ook niets meer. Ik heb geen enkele ruimte voor verder uitstel. De crediteuren en ik hebben het helemaal met u gehad. U bent een volwassen vrouw, maar u gedraagt zich als een kind van veertien. Een ondankbaar kind zelfs. Het wordt tijd dat u zich naar uw leeftijd gaat gedragen en dat u beseft hoeveel begrip de crediteuren al voor uw situatie hebben opgebracht. Dat is echt uitzonderlijk, temeer daar deze schulden, en ik zeg het nog maar eens, zijn ontstaan door uw eigen roekeloze consumeergedrag. Dat is toch een wezenlijk verschil met al die andere dossiers die ik hier op kantoor behandel.’
Het is dat de situatie er niet naar is, anders zou ik de verbinding verbreken. Ik kan niet tegen mensen die menen het pleit te moeten winnen door hun stem te verheffen. Ik weet onderhand heus wel dat ik fout heb gehandeld. Ik moet aan mijn moeder denken en hoor haar in gedachten zeggen dat je meer vliegen vangt met stroop dan met azijn. Het helpt. Ze houdt op met tieren en schakelt weer over op het koele zakelijke toontje. ‘Voor alle duidelijkheid wil ik u er ook nog even op wijzen dat, mocht het toch tot een openbare verkoop van de onder het beslag vallende roerende goederen komen, u natuurlijk wel verantwoordelijk blijft voor de restschuld. Voor zover ik het nu kan inschatten zal die er zeker zijn. Want buiten het feit dat de rechter u veroordeeld heeft in deze ene zaak, staan er nog vijf andere zaken op de rol, die zeker gewonnen zullen worden. Als ik die er voor het gemak alvast even bij optel komen we op een schuld van, schrik niet, om en nabij de honderd-vijf-en-veertig-duizend euro! En dat bedrag loopt met de dag op. Dit is een zéér ernstige zaak. Ik geef u nog tot na het weekend. Als u dan geen goede oplossing kunt aanbieden, zal ik niet alleen overgaan tot de openbare verkoop maar tevens uw persoonlijk faillissement aanvragen.’
Vluchten of emigreren naar een ver buitenland zijn de eerste gedachten die door me heen flitsen als ik heb opgehangen. Het is duidelijk dat er nu iets moet gebeuren. Maar wat? Eén ding is zeker: geld kan ik de deurwaarder niet bieden. Op mijn bankrekening staat volgens het afschrift van enkele dagen geleden nog ongeveer 3000 euro. Om hulp vragen bij mijn niet onbemiddelde familieleden is uitgesloten. Ik zou ze veel te veel moeten uitleggen. Daar ben ik te trots voor. De schuldsanering wordt om dezelfde redenen afgestreept. Een lening bij een bank kan ik ook wel vergeten: de eerste de beste bankbediende die mijn naam intypt wordt onmiddellijk gealarmeerd door de vele lampjes die gaan flikkeren.