16
Pieter
Zelden of nooit heb ik last gehad met een klant. Soms klaagde een ontevreden type dat hij te weinig waar voor zijn geld zou hebben gekregen. Of dat hij te snel naar zijn zin was klaargekomen – of juist helemaal niet. Er is maar één klant aan wie ik nooit meer wil terugdenken. Dat is Pieter, een welbespraakte man van drieënvijftig, met een goede betrekking bij de gemeente. Maanden aan één stuk bezocht hij mij wekelijks om eens flink de buitenechtelijke bloemetjes buiten te zetten. Pieter was verliefd.
Dat had bij mij alle alarmbellen moeten doen rinkelen. Maar ik zag het gevaar niet, ook al had Tessa me vaak gewaarschuwd dat ik afstand moest houden van ‘die gek’, zoals ze Pieter steevast omschreef. ‘Het zijn altijd de nettere types voor wie je het meest op je hoede moet zijn,’ zei ze regelmatig. ‘Ze worden verliefd, bedreigen, vernederen en in uitzonderlijke gevallen beroven ze je. En dan vergeet ik nog al die mafkezen die er het grootste genoegen in scheppen om je te chanteren en daar pas mee ophouden als je aan hun verlangens hebt toegegeven. Geef mij maar van die tokkies, die betalen misschien niet zoveel, maar je weet tenminste wat je aan ze hebt. Lekker duidelijk: gewoon pijpen, even vijf minuten met de garnaal in de vissenkom rondzwemmen, een paar keer oooh ooeeeeh en aaaaaah roepen, en hatsekiedee: de vijftig ballen zijn weer verdiend en meneer gaat weer voldaan naar moeder de vrouw.’
Tussen Tessa en Pieter klikte het niet. Waarom ze hem gevaarlijk vond kon ze niet zeggen, het was haar intuïtie. Pieter had volgens haar iets onvoorspelbaars. Elke keer als ze Pieter bij mij naar binnen zag gaan, riep ze luid door de gang: ‘Vergeet het ruggetje niet, lieverd!’ Daarmee bedoelde ze dat ik nooit met mijn rug naar hem toe mocht staan. Iets waar ik overigens bij al mijn klanten zoveel mogelijk op probeerde te letten. Dat zat er bijna net zo in gebakken als de gewoonte om klanten vooraf te laten betalen. Sommige klanten hadden er, nadat ze waren klaargekomen, spijt van dat ze zoveel aan hun vertier hadden uitgegeven. Om problemen te voorkomen liet ik ze altijd vooraf betalen.
Pieter stak zijn mening over Tessa ook niet onder stoelen of banken. Tessa had volgens hem een heel slechte invloed op mij. Vroeger, toen hij wel eens bij haar was geweest als klant, had ze constant om meer geld gezeurd, en hij vond haar ook dom en ordinair. Ik grinnikte in mezelf, want dat zeuren over meer geld kon wel kloppen, daar was ze een ster in. Maar in de rest van zijn beschrijving herkende ik mijn vriendin niet en ik wilde dan ook niet dat hij zo over haar sprak. ‘Geloof me nou, hij is niet in de haak,’ vertelde Tessa in een zoveelste poging mij van haar onderbuikgevoel te overtuigen. ‘Ik zal je eens wat bekennen. Ik heb ook ooit te maken gehad met een verliefde klant. Toen ik niet inging op zijn avances en ik weigerde hem buiten werktijd te ontmoeten, sloeg hij om als een blad aan een boom. Eerst ging hij me stalken op het werk. Hele dagen liep hij als een jaloerse kip zonder kop over de gracht, waar hij al mijn klanten op het hart drukte vooral niet bij me naar binnen te gaan, zogenaamd omdat ik mijn afspraken nooit nakwam. Toen ik daar genoeg van had en hem had laten wegjagen, zocht hij uit waar ik woonde en ging hij vervolgens mijn buren lastigvallen met allerlei verhalen over mij. En passant lichte hij hen ook nog even in over wat voor werk ik precies deed, zodat ik meteen kon gaan uitkijken naar een andere woning.
Natuurlijk gebeurde dat allemaal op het moment dat mijn kerel weer eens een tijdje in de lik zat, zodat ik er helemaal in mijn eentje voor stond. Ik kan je verzekeren dat dat geen pretje is. Toen hij me daarna ook nog eens begon te volgen als ik bijvoorbeeld boodschappen deed, was de maat vol en heb ik een paar Angels ingehuurd om hem een lesje te leren. Dat grapje kostte me ook nog een lieve duit. Al met al heb ik er geld op moeten toeleggen. Een tikkie verliefd en ze liggen op straat.
Ik hoef je er toch niet aan te herinneren hoe het met die Roemeense Elena is afgelopen? Of met Hongaarse Betty van om de hoek? Die meiden zijn vermoord door een stelletje gekken. Wie zegt mij dat dat niet ook verliefde, afgewezen hoerenlopers zijn geweest? In ons vak staan we er altijd alleen voor. Met je ogen kijk je, met je oren hoor je, maar met je intuïtie red je hier je leven. Geloof mij. Ik zeg deze dingen alleen maar omdat je mijn vriendin bent. En als vriendin zeg ik ook: zorg ervoor dat jij niet de derde op die lijst wordt.’
Ik vond het verschrikkelijk dat Tessa die twee tragedies erbij haalde om mij van haar gelijk te overtuigen. Elena en Betty waren beiden vermoord. Dat klopte. Maar wat die moorden met Pieter te maken hadden, was me niet geheel duidelijk. Je kon veel van hem zeggen, maar hij gaf geen enkele aanleiding om te denken dat hij tot zo’n misdrijf in staat was.
Elena kende ik alleen uit de verhalen. Ze werkte als escort en was in die hoedanigheid door een depressieve Fransman in zijn hotel op het Damrak besteld. Wat er precies is gebeurd is nooit helemaal duidelijk geworden. Maar kort nadat ze was gearriveerd zou hij haar in een vlaag van verstandsverbijstering hebben vermoord. Nadien had hij de kamer waarin ze lag in brand willen steken, zogenaamd om haar dood op een ongeluk te laten lijken. Gelukkig had het hotelpersoneel dat weten te voorkomen. Hij was kennelijk niet zo depressief en ziek dat hij er niet aan dacht de sporen die hij had achtergelaten te wissen. Al dachten de rechters, die hem tot maar tien jaar veroordeelden, daar kennelijk anders over. Want zij vonden zijn depressiviteit reden genoeg om hem veel minder gevangenisstraf te geven dan geëist. Maar wat me nog het meest raakte was dat de edelachtbare rechters in al hun wijsheid hadden besloten om het hotel 15.000 euro schadevergoeding toe te kennen en de nabestaanden van Elena 7000. Een paar brandvlekken in het tapijt en wat rookschade waren dus van meer waarde dan een mensenleven. Een mensenleven van amper negentien jaar oud!
Hoewel ik Elena nooit persoonlijk heb gekend, voelde ik een grote lotsverbondenheid met haar. We deden beiden hetzelfde werk en liepen dezelfde risico’s. Ze had gewoon pech dat de man besloten had om een escort in te huren en niet om 200 meter te lopen naar de Wallen, om daar zijn slachtoffer te maken. Want dat de man een slachtoffer zou maken stond vast. Hij vertelde immers tijdens zijn rechtszaak dat hij zich gepakt voelde door een andere collega van ons, die hem in amper een week tijd veel geld had afgetroggeld en hem toen zijn geld op was niet meer had willen zien. Om die boosheid te verwerken moest Elena worden gedood.
De nacht voordat ik op de Wallen zou beginnen was ik bang geweest dat mij tijdens mijn werk iets zou kunnen overkomen. In de loop der tijd was die angst wat op de achtergrond geraakt. Maar met de dood van Elena was dat onbestemde gevoel terug en kon ik alleen maar werken als ik mijn medicatie zodanig verhoogde dat mijn angstgevoelens werden onderdrukt. Wekenlang moest ik mezelf iedere dag dwingen om te gaan werken. En als ik er was speelde mijn wantrouwen me zo veel parten dat ik klanten die ik niet kende weigerde. Wat inhield dat ik soms maar één of twee klanten op een dag deed. En dat kon ik vervolgens weer niet volhouden, omdat ik dan veel te weinig verdiende om aan al mijn financiële verplichtingen te voldoen. Zodat ik dus al snel weer vreemde klanten binnen moest laten – maar alleen met mijn tussendeur wagenwijd open. Wat voor sommige klanten reden was om boos weg te lopen, omdat ze het niet zagen zitten om steeds door langslopende collega’s te worden gezien.
Irene was het niet ontgaan dat ik me nogal vreemd gedroeg. Ze vond dat ik me aanstelde. Mijn angst was nergens op gebaseerd, zei ze. Want in al die jaren dat zij op de Wallen werkte was er nog nooit een meisje vermoord. Als er al eens een collega vermoord werd was dat altijd ver weg!
De moord op Betty bewees haar ongelijk. Ik had haar vaak zien lopen en we zwaaiden altijd vriendelijk, maar ik kende haar niet persoonlijk. Of ze een man had, of ze hier vrijwillig zat of hoe haar leven er verder uitzag wist ik niet. Maar toen ze op 100 meter van mij vandaan was vermoord stortte ik letterlijk in. Het gevaar was nu wel erg dichtbij gekomen.
Na de moord had zich een man gemeld bij de politie met de mededeling dat hij de moordenaar was. Iedereen had ondanks het drama opgelucht ademgehaald, want de gedachte dat de moordenaar op elk moment opnieuw zou kunnen toeslaan was niet alleen voor mij een onverdraaglijke gedachte. De opluchting was echter van korte duur. De man werd na een paar dagen weer vrijgelaten omdat zijn DNA niet overeenkwam met de sporen die waren gevonden in de kamer van Betty. Ik hoorde het nieuws van zijn vrijlating van Irene. De gedachte dat de moordenaar nog steeds vrij rondliep en dus op ieder willekeurig moment voor mijn raam zou kunnen staan was reden genoeg om mezelf een weekje terug te trekken.
Ondanks alles weigerde ik het gevaar te zien dat Tessa in Pieter zag. Hij was voorkomend, intelligent en altijd heel begripvol als hij bij me was. De keren dat hij net iets te nadrukkelijk suggereerde dat hij meer in mij zag dan zijn wekelijkse vertier, had ik altijd luchtig afgewimpeld met de mededeling dat ik dit niet deed om aan een nieuwe geliefde te komen. Trouwens, Pieter wist als een van de weinige klanten precies waarom ik dit werk was gaan doen en dat ik op relationeel gebied ook niet bepaald goede ervaringen had. Dat had ik hem verteld toen ik een keer zo down was dat ik dat niet voor hem had kunnen verbloemen.
In plaats van seks hadden we uren met elkaar gesproken. Tijdens dat gesprek had hij ook over zichzelf verteld. Dat schiep een band. Hij was al jaren getrouwd, had een open relatie met zijn echtgenote, twee kinderen, een leuk huis buiten de stad en een goede baan bij de gemeente. Zijn huwelijk bestond alleen nog maar op papier. Scheiden was echter nooit bij hem opgekomen, beweerde hij. Maar weken later kwam hij erop terug en gaf hij toe dat sinds hij mij had ontmoet alles anders was geworden. Wederom had ik hem duidelijk gemaakt dat er echt niet meer in zat voor ons. Diep beledigd was hij vertrokken. Twee weken lang had hij zijn gezicht niet meer laten zien. Ik dacht dat hij uit boosheid zijn geluk bij een collega was gaan zoeken.
Groot was dan ook mijn verwondering toen hij plotseling toch weer voor me stond. Ik had wel gezien dat hij anders uit zijn ogen keek en zenuwachtiger was dan normaal, maar ik dacht dat het te maken had met zijn verliefdheid. Daarom zocht ik er niets achter. Nadat we ons hadden uitgekleed, een beetje hadden gepraat en wat hadden gedronken, was ik bij hem op bed gaan liggen. Zoals gewoonlijk hadden we eerst geknuffeld en daarna was hij op me komen liggen. Toen pas zag ik die blik in zijn ogen. Een blik waarvan ik doodsbang werd. Zijn ogen, die altijd heel veel begrip hadden uitgestraald, leken nu wel op slot te zitten. Ze waren kil. Ook de rest van zijn lijf reageerde anders dan anders. Harder en ruwer. Ik werd doodsbang en probeerde die angst weg te duwen door te denken dat ik het me verbeeldde – ik kon ook niet anders, want hij lag met zijn volledige gewicht boven op mij. Ik kon geen kant op. Maar hij ging steeds ruwer te werk. Na een paar minuten raakte ik in paniek en probeerde ik overeind te komen, maar dat lukte niet. ‘Als ik jou niet kan krijgen, vieze hoer, dan krijgt niemand je,’ hoorde ik hem roepen.
Toen ging alles pijlsnel. Met zijn zware lijf drukte hij nog meer op me en verhinderde daarmee dat ik me kon verroeren. Zijn ene hand legde hij op mijn mond en de andere omsloot mijn nek. ‘Vuile slet, vies wijf, je hebt me in de maling genomen. Jij wilde me alleen maar voor het geld,’ siste hij tegen me terwijl hij steeds harder kneep. Ik voelde langzaam alle kracht uit me wegvloeien. Met het laatste beetje kracht dat ik in me had probeerde ik hem nogmaals van me af te duwen. Maar tegelijkertijd had ik er vrede mee dat hij me probeerde te wurgen. Nog even en ik zou overal vanaf zijn. Nooit meer pijn. Nooit meer dat eenzame gevoel waar ik de laatste jaren zo veel last van had gehad. Nooit meer verdriet. In een fractie van een seconde zag ik een paar hoogtepunten uit mijn leven aan me voorbijtrekken. Als ik niet in een reflex met mijn been tegen de kartonnen wand had gestampt en Tessa niet meteen daarop was binnengestormd, was ik dood geweest. Gewurgd. Vermoord.
‘Vuile vieze teringbak, wat flik jij nou! Ik maak je af,’ schold Tessa, die de situatie meteen overzag. Ze stortte zich ondanks het feit dat ze zwanger was boven op hem, beukte op hem in en trok hem van me af, met een kracht waar ik achteraf versteld van stond. Even later, geholpen door onze andere collega, die op het kabaal in mijn kamer was afgekomen, hadden ze Pieter in een regen van stompen, schoppen, scheldwoorden en andere verwensingen pijlsnel half aangekleed de deur uit gewerkt. Zijn sokken, ondergoed, stropdas en gilet bleven in mijn kamer achter.
Ik lag als verdoofd op bed. Een andere collega had inmiddels het alarm ingedrukt zodat zich in een mum van tijd een grote menigte voor onze ramen had verzameld. Klanten, buurtbewoners en andere sensatiezoekers die allemaal nieuwsgierig waren wat er daarbinnen was gebeurd. Zoals zo vaak was ook nu de politie in geen velden of wegen te bekennen geweest.
‘Zie je nou wat ervan komt,’ zei Tessa me toen we twee uur later bij mij thuis zaten. ‘Ik heb je nog zo gewaarschuwd, maar luisteren ho maar.’
Mijn nek zat onder de blauwe plekken en mijn linkeroog, dat was geraakt door de elleboog van Pieter, begon ook al flink op te zetten. Praten kon ik amper en beseffen wat er precies allemaal was gebeurd deed ik op dat moment niet. Intussen was Irene ook aangekomen; zij had van andere collega’s op het werk vernomen wat er precies was gebeurd. Ze troostte me met de woorden dat iedereen wel eens meemaakte wat ik nu had meegemaakt. Ik was er nog, dat was toch het allerbelangrijkste! ‘Niet te veel aan denken en morgen gewoon komen werken, anders krijg je raamvrees,’ voegde ze eraan toe. Daarmee was voor haar en Tessa de kous af.
Voor mij niet. En dat werd er niet beter op toen Tessa me sms’te dat ik een beschermengeltje op mijn schouder moest hebben gehad. Een collega had haar zojuist gezegd dat het precies een jaar geleden was dat Betty was vermoord. Dat sms’je was voor mij de druppel. Ik kon het woord Wallen niet meer horen, laat staan dat ik er nog wilde werken. Dagenlang bracht ik door in mijn bed, waar ik keer op keer die nachtmerrie opnieuw beleefde. Aangifte bij de politie had ik niet gedaan. Mijn huisbaas beweerde dat een aangifte niets zou uithalen. En ook Tessa en Irene vonden een aangifte totaal zinloos omdat ik toch nooit zou worden geloofd. Pieter zou verklaard hebben dat ik had geprobeerd hem te beroven of iets dergelijks en daarmee zijn weggekomen. Ik kon niet anders dan ze daarin gelijk geven. Voorbeelden genoeg van andere collega’s die ooit vergeefs hadden geprobeerd aangifte te doen tegen een klant. Bovendien had ik geen zin om met naam en toenaam in allerlei politieverslagen terecht te komen als de prostituee die bijna vermoord werd.
De ervaring met Pieter had diepe sporen bij me achtergelaten. Had ik tot dan altijd kunnen volstaan met af en toe een gesprekje met iemand van de telefonische hulpdienst, nu was er meer nodig om mij er weer bovenop te helpen. Want ik wist inmiddels zeker dat als ik geen hulp zocht ik niet alleen nooit meer zou durven werken, maar ook niet meer verlost zou worden van die flitsen op mijn netvlies. Toen ik een week later opnieuw ging denken dat ik er misschien maar beter helemaal niet meer kon zijn en ik bedacht hoe ik er dit keer met succes een einde aan zou kunnen maken, wist ik dat ik hulp moest zoeken. Bij mijn huisarts kon ik niet terecht, bij vrienden evenmin en mijn familie inlichten was helemaal uitgesloten. De enige die van mijn werk wist was mijn gynaecoloog, maar aangezien mijn problemen op het psychische vlak lagen werd het uiteindelijk toch mijn vroegere psychiater.
‘Ik ben blij dat je bent gekomen,’ zei hij toen ik hem had bijgepraat. We hadden elkaar niet meer gezien sinds die keer dat ik was opgenomen in het AMC. Omdat ik niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk enorm was uitgeput, vond hij het nodig om me meteen opnieuw op te nemen. Eerst wilde hij me met een slaapkuur van een week lichamelijk weer tot rust laten komen. Als dat effect zou hebben, kon de rest van de behandeling eventueel ambulant. Ik zag ook wel in dat het zo niet verder kon en stemde in – op voorwaarde dat hij noch mijn huisarts noch iemand van mijn familie zou inlichten. Irene belde ik zelf en ik vertelde haar dat ik voor twee weken naar mijn ouders ging. En tegen mijn ouders zei ik dat ik met een vriendin met vakantie ging. De enige die ik niet had kunnen inlichten was Tessa. Ondanks vele pogingen had ik haar niet te pakken kunnen krijgen. En op haar werk was ze volgens Irene ook al een paar dagen niet meer geweest. Ik ging er maar vanuit dat ze vanwege haar zwangerschap misschien alsnog had besloten om voorlopig te stoppen.
Na de slaapkuur, aangepaste medicatie en vele intensieve gesprekken was ik na zes weken zienderogen opgeknapt. Ik had nog wel last van nachtmerries, maar niet meer dagelijks. Op aanraden van mijn psychiater had ik me ingeschreven bij een sportclub, waar ik tweemaal in de week een intensief programma afwerkte. Daarnaast was ik ook lid geworden van een kookclubje en had ik een begin gemaakt met het maken van plannen voor als mijn schulden waren afbetaald. Naast dit alles hield ik me strikt aan mijn vaste dagprogramma. Want net zoals voorheen was structuur een heel belangrijke leidraad voor mij. Zo moest ik elke dag op tijd opstaan. In ieder geval nooit later dan acht uur ’sochtends. Douchen, ontbijten, de krant lezen. De werkster die ik inmiddels had moest ik bedanken voor bewezen diensten en het huis zelf schoonhouden. De dagelijkse boodschappen niet meer via internet bestellen maar zelf gaan halen. Elke dag op een vaste tijd een warme maaltijd klaarmaken. Drie keer in de week een bezoekje brengen aan een brasserie, café of andere openbare gelegenheid, waar ik, zo luidde de geheime opdracht, moest proberen een gewoon gesprekje aan te knopen met een vreemde. En naast dit alles moest ik twee keer in de week contact hebben met mijn familie, waarvan één keer telefonisch.
‘Waar zit jij? Mooie vriendin ben jij. Mevrouw ging even met vakantie en laat gewoon zeven weken lang niks van zich horen. Nog geen kaartje heb ik gehad. Wordt het niet eens tijd dat jij je smoeltje weer eens laat zien?’ Irene klinkt verontwaardigd.
Ik moet lachen en realiseer me dat ze gelijk heeft en dat ik haar heb gemist. ‘Je hebt gelijk,’ geef ik toe. ‘Ik heb je schandalig behandeld!’ We spreken af dat we elkaar diezelfde avond ontmoeten in ons voormalige stamcafé.
‘Wat zeg je nou!’ zegt Irene met een gezicht waar de verbazing van af te lezen valt. ‘Nou moet het toch echt niet gekker worden met jou. Even terug. Begrijp ik goed dat jij niet op de Canarische Eilanden zat maar dat je je in het gekkenhuis hebt laten opnemen, en dat allemaal omdat een of andere gek heeft geprobeerd je keeltje dicht te knijpen? Als je daarvoor moet worden opgenomen, heb ik al een paar opnames gemist de afgelopen jaren.’
Irene zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ze de afgelopen jaren al een keer of drie een klant over de vloer heeft gehad die haar naar het leven stond. Maar omdat zij vond dat dat bij de risico’s van het vak hoorde en ze er geen noemenswaardig letsel aan had overgehouden, had ze daar verder nooit met iemand over gesproken. Ik ben ontzet door haar bekentenis. Maar voordat ik wat kan zeggen richt ze haar pijlen weer op mij. ‘Je moet toch behoorlijk van het paadje af zijn geweest, lieverd. Anders is niet te begrijpen hoe jij het in je harses hebt kunnen halen om je een paar weken vrijwillig tussen allemaal gekken te laten opsluiten.’
Ik schiet overeind. Hoe durft ze te suggereren dat ik me voor de lol heb laten opnemen. Ze moest eens weten door wat voor hel ik ben gegaan. ‘Dat jij zo luchtig met dit soort zaken omgaat en altijd maar die sterke vrouw moet uithangen wil niet zeggen dat ik me precies zo moet gedragen,’ verdedig ik mezelf. Het mag nu dan beter met me gaan, ik ben er nog lang niet. Ik heb nog steeds last van nachtmerries en sinds die bewuste dag heb ik al tientallen malen mijn eigen dood gedroomd.
‘Ik ben veranderd, Irene. Ik ben mijn vertrouwen kwijt. Ik ben beroofd van mijn veiligheid. Ik ben niet meer dat naieve vrouwtje tegen wie jij kunt zeggen dat ze even de knop moet omdraaien, dat ze haar gevoel moet thuislaten of even door de zure appel heen moet bijten. Sinds die waanzinnige ervaring houd ik er serieus rekening mee dat er elk moment iets kan gebeuren als ik straks weer aan het werk ga. En ik realiseer me als geen ander dat je niet altijd vanzelfsprekend heelhuids weer thuiskomt na een dag te hebben gewerkt. Daar zijn Betty of dat escortmeisje wel het bewijs van.’ Ik word schor en schraap mijn keel. Om haar niet de kans te geven mij het woord te ontnemen gebaar ik dat ik nog niet klaar ben. Ik beken dat ik een brief aan mijn ouders heb geschreven. Ze kijkt me niet-begrijpend aan, maar zegt niets. ‘Als ik over een paar weken weer ga werken, hang ik die brief op het prikbord in mijn keuken. Hopelijk zal ik hem zelf ooit verscheuren en zal niemand anders dan ik de inhoud ervan kennen. Zo niet, dan is hij bestemd voor mijn ouders. Want in die brief staat niet alleen te lezen waarom ik ooit de beslissing heb genomen om in de prostitutie te gaan – we zijn niet allemaal zo open over wat we doen – maar ook hoe ik mijn begrafenis geregeld wil hebben.’
Als ik ben uitgesproken, zie ik tranen biggelen over het gezicht van mijn vriendin. Ik begrijp niet waarom ze huilt. Het is voor het eerst in al die jaren dat ze mij die andere kant van haarzelf laat zien. Alsof ze zichzelf heeft toegestaan eindelijk haar gevoel weer aan te zetten.
Opeens zijn de rollen omgedraaid en ben ik degene die troost moet bieden. Ze bekent tussen haar tranen door dat haar stoerheid haar enige wapen is in die wereld waarin wij leven. Een wereld waarin een seconde van onoplettendheid je duur kan komen te staan. Het was ook een harnas tegen dat eenzame gevoel dat al vele jaren in haar huisde. En ze vertelt hoe ze haar familie mist, die haar direct heeft laten vallen nadat ze had opgebiecht wat voor werk ze doet.
‘Zeg lieverd, sorry voor dat belachelijke gesnotter van gisteren. Ik weet niet wat er in me was gevaren! Had jij nou net zoveel gedronken als ik?’ informeert mijn vriendin de volgende dag. Ik gniffel. Mevrouw schaamt zich natuurlijk voor al die emoties van gisteren en wil het nu op de drank gooien. Ik speel het spelletje mee en lieg dat ik me er bijna niets meer van herinner. Ik herinner me zelfs niet meer hoe ik thuis ben gekomen, fantaseer ik er lustig op los. Ik hoor een diepe zucht aan de andere kant van de lijn.
Op mijn vraag of zij zich misschien nog iets van ons gesprek herinnert blijft het even stil. ‘Sorry schat, ik ben net zo blanco als jij, het enige wat ik nog weet is dat René ons naar huis heeft gebracht. Maar ach, wat maakt het uit. Zolang het maar gezellig was.’
Snel wisselt ze van onderwerp en vraagt wanneer ik weer kom werken. ‘Als alles volgens plan verloopt begin ik over een week weer,’ antwoord ik. Langer uitstel kan ook niet, want de bodem van de schatkist komt al aardig in zicht en Van Amerongen wacht niet. Daarbij heeft mijn huisbaas ook al een paar keer gezegd dat als ik niet snel weer begin hij mijn vaste kamer aan mijn invalster geeft.